Haagsche Leen, die met koffie en brood langs de booten liep, maakte
altijd, dat ze er bij was, als haar klanten geld beurden. Allereerst
begaf ze zich dan naar de Waterstraat, waar reeds tegen zeven uur een
massa sjouwerlieden de openstaande deuren van het pakhuis--waarin
en waarboven het kantoor was gevestigd--uit- en in-stroomden. Ze
praat'ten, stampten met de voeten en sloegen de armen over elkaar
als 't koud was; spuwden, gingen in de herberg om den hoek om hunne
rekeningen te laten opmaken en begaven zich dan weer in het pakhuis,
waar een flauw gaspitje brandde, zoodat men ternauwernood de reuzige
schaduwen der opeengestapelde vaten kon onderscheiden en waar het
vreeselijk koud was en tochtte. Hun gesmoezel, hun geroep, hun lachen
bij elke ondubbelzinnige ui, hetgeen echter alleen bij de jonge kerels
van harte ging, maakten, dat het een leven was als een oordeel.
Leen posteerde zich met haar dochtertje in de verte, als »de dood
op stelten.«
Tegen half acht voegden zich andere lieden, met kolenzwarte gezichten
of kleêren, rood van de geladen steenen, bij de massa. Ze moesten
dien nacht dóórwerken en hadden nu schafttijd. Het gesprek werd
levendiger. Men sprak er over, dat de boot zóó tjokvol was, dat ze
wel naar den bliksem zou gaan; dat de bazen toch maar bloeddieven
en uitzuigers waren, dat de baas te stom was om voor den duivel te
dansen. Een groepje huisvaders besprak den naderenden komkommertijd,
die eigenlijk het geheele jaar duurde, of voorzagen ijsgang en
werkeloosheid. Ook over den prijs der levensmiddelen werd getwist
en men gaf elkaar de winkeliers op, die de grootste maat voor het
minste geld gaven. De onderwerpen, die de jongeren bezig hielden,
waren van eerzuchtiger aard, hoewel gemeene aardigheden bij hen
opgeld deden. Men had het er over, dat de ouwetjes opraakten; dat
alleen jonge, sterke menschen goed voor het »vak« waren; dat men
baas Die op de hand kon krijgen door te tracteeren; baas Deze door
een lieve jonge vrouw te hebben en dan een oogje dicht te doen; baas
Gene door te pluimstrijken. Omtrent het huwelijk heerschten in dien
kring zeer eigenaardige denkbeelden en als er een pas getrouwd was,
werd hij knipoogend en lachend gefeliciteerd. Achter zijn rug zei
men van hem dat hij »bakker aan« was.
Tegen kwart voor achten kwam er een heer, die door allen zeer
onderdanig gegroet werd, schoon men achter zijn rug gebeurde of
legendarische galante avonturen van hem vertelde. Hij nam plaats in
het kantoortje, trok zijn jas uit, die door een toegeschoten jongste
bediende ceremoniëel in ontvangst werd genomen, draaide het licht
op, zette een bak met geld op den lessenaar en stak eene sigaar op,
met een houding als de groote Mogol zelf.
Een andere klerk legde de betaallijst naast den geldbak. Dan schoof
de heer het raampje op, één der sjouwers ging er met ongedekt hoofd
voorstaan, zei zijn naam, streek het voor hem neêrgetelde geld met
een »dankje mijnheer!« op, zette zijn pet op, trok dan de klep wat
dieper in de oogen en ging heen. Zijn plaats werd door zijn buurman
ingenomen. Zóó deden ze allen. Alleen de wijze van groeten verschilde:
er waren er ook, die aan een haarlok trokken of met den wijsvinger
aan hun slaap kwamen.
Opmerkelijk was, dat, hoe er ook door de ouderen gedrongen werd om vóór
te komen, ieder toch plaats maakte voor de magere, bleeke kinderen,
die in vaders plaats geld kwamen beuren.
Wie zijn geld had ging allereerst in de herberg schoonschip maken.
De jongere bleven buiten, zoo lang het mogelijk was. Ze waren
gewoon, »er hun avond aan te spandeeren.« De meesten zaten dik in de
schuld. Konden of wilden ze niet betalen, dan volgde er onvermijdelijk
een standje, want Leen posteerde zich vlak voor de deur, als ze
merkte dat een harer schuldenaren het pakhuis binnen ging. En dan
hielp geen moedertjelief. Om geen noodelooze getuigen te hebben,
kwam men liever achteraan. Hadden de anderen echter in de gaten,
dat er iets aan 't handje was, dan »verdomden ze het, weg te gaan.«
Algemeen was het gevoelen, dat de kastelein om den hoek veel
liberaler was. Wie niet betaalde, moest hebben wat er op zat en
kon zijn keel wel aan den kapstok hangen--geen droppel kreeg hij
meer op krediet--dat alles was waar; doch--hij maande niet. En dat
deê Leen wel. Gewoonlijk borrelden dan alle grieven, die men tegen
Leen had, tegelijk op en elk, die ook al eens een standje met haar
had of zeker was, vandaag of morgen in hetzelfde geval te verkeeren,
beijverde zich, karakterfeilen van haar aan te toonen. Zoo had ze het
eergevoel van den een gekwetst door op beschermenden toon tot hem te
zeggen, bij gelegenheid, dat hij verscheidene broodjes met ham naar
de wacht had gesleept: »de kat zal met je leege maag niet wegloopen.«
Een ander kwam met het gewetensbezwaar, dat je het geld, waarop ze
t'huis met smart zaten te wachten, toch moeielijk door Leen kon laten
inslikken. Tegen dit laatste werd wel aangevoerd, dat hij dan geen
broodjes moest koopen; maar hij vond, dat ellende met zuur bier ook
niet alles was en dat een brutaal mensch de halve wereld heeft. En
eerlijk!--nu ja; maar Leen zou ook wel schulden hebben. Dat deed de
deur toe en allen schaarden zich aan de zij van den kwaden betaler.
Leen echter beleed de leer, dat praatjes geen gaatjes vullen en liet
zich niet paaien met koeien met gouden horens, in den vorm van een
kwartje afbetaling per week. Ze was pessimistisch en vertrouwde de
lui volstrekt niet verder, dan ze ze zag. Ja, ze was op geld als
de duivel op een ziel, maar als ze geen geld kreeg, dan kon ze haar
menschen ook niet betalen. Dat klonk als een klok, zou ze meenen.
Gewoonlijk kraaide heur haan victorie.
Eens op een Zaterdagavond, toen ze de lui van de Waterstraat achter
de vodden had gezeten, maakte ze zich op, om hare klanten op eene
andere plaats aan hunne verplichtingen te gaan herinneren. Onderweg
wijdde ze Lou--met wie ze nu geheel verzoend was, hoewel er juist
geen teederheid in hare betrekking met het spichtige meisje was--in
de geheimen van haar bedrijf in. Lou had gevraagd, waarom ze liet
borgen. En Leen leeraarde, dat poffen ook zijn voordeden had, als
je maar geen lobbes was. Ze hield niet van de lui, die kontant
betaalden. Ten eerste, hadden ze gewoonlijk eene bombarie van
belang en zagen tegen een oudbakken broodje op als tegen een berg,
net of ze altijd pastijtjes aten. En ten tweede: ze waren ordinair
geen vaste klanten, maar gingen soms bij afwisseling in een herberg,
waar ze jenever of eieren of gebakken scholletjes kochten, vel over
graat. En het was toch maar waar, dat het zoo verteerde geld haar
neus voorbij ging. Die poften daarentegen, dorsten niets te zeggen,
als ze broodjes van den vorigen dag kregen--die Leen heel goedkoop
inkocht--al waren ze zoo droog als Sinterklaas zijn naars, of als
voor hun neus water bij de koffie werd gedaan. Een schaduwzijde van
borgen was echter, dat ze wel wilden vreten, maar als het op betalen
aankwam, ho maar! Dan waren ze niet te spreken, als je er tenminste
niet als de kippen bij was.
Dit onderricht werd gegeven op geheimzinnige stem, net als een
godsspraak, want Leen had haar doek over het hoofd geslagen. Het was
wel een zomeravond, maar er viel eene fijne, kille regen. En die doet
net als de fijne lui: ze bedonderen je, waar je bij staat.
Onderwijl had het paar de Loodsstraat bereikt, eene donkere straat met
slechts twee lantarens en die gevormd werd aan de eene zijde door den
achterkant van donkere pakhuizen, aan de andere door een preutsche
grauwe kerk met ijzeren hek en eenige gesloten werkplaatsen. Alleen
in de korte dwarsstraat, die op een grooten inktvlek, de donkere
haven uitkwam, was een wagenmaker bezig. Zijn gehamer en nu en dan
het bassen van een waakhond op een der schepen, door verspreide
lichtjes, welke door de duisternis pinkten, te raden, brak de stilte
af. Doode boomen, wier vormen bij het licht eener eenzame, flikkerende
lantaren een oogenblik als houtskoolstrepen uitkwamen, om dan weer als
weggedoezeld te worden, en de oude verwaarloosde loods aan het eind,
ter nauwernood tegen den zwarten achtergrond uitkomende, gaven het
oord iets ruïneachtigs.
Aan den hoek van de dwarsstraat bevond zich in de Loodsstraat een
gesloten smederij, op welks stoep roestige hekken met dikke ketens
vastlagen en daar tegenover, aan de andere hoek eene herberg, waar
een deel der sjouwers betaald werd.
Het uur van betalen was onzeker. Soms was het acht uur, maar meestal
werd het negen. Er was geen peil op te trekken. Die om het geld
verlegen waren, begaven er zich reeds tegen zeven uur heen, opgedirkt,
als de gewoonte is. Hetzij er legenden omliepen van betaling te zeven
uur, hetzij om andere redenen, met zekere koppigheid bleef men der
traditie getrouw, lang vóór zevenen present te zijn. De herbergier,
familie van den baas, had zijn warm lokaal zeer onbaatzuchtig voor
de betaling beschikbaar gesteld. Noodig was het niet, gedwongen
was men evenmin; maar het was natuurlijk, dat men de herberg koos
boven de straat en om zich eene houding te geven, diende men iets te
gebruiken. Duurde het wachten lang, dan gebruikte men meer dan men
van plan was. Ook die veel wilskracht hadden kwamen er toe en van
dat artikel zijn de sjouwers over het algemeen slecht voorzien. De
vriendelijke waard scheen zelfs niet om betaling te denken.--Als de
baas binnenkwam met de lijst, werden de namen afgeroepen en de waard,
die betaalde vroeg op eigenaardig vriendelijken toon: »En .... hoeveel
vertering?« Tien, honderd tegen een, dat iemand, die zich nòch door
somberheid en ontevredenheid, nòch door menschelijk opzicht liet
verleiden--ik weet niet, of er ooit zoo iemand was--door de vraag
des waards bezweek.
Op zulke avonden moest Leen maken, dat ze er bij was. Nu of nooit. Ze
posteerde zich met Lou bij de smederij. In de verte stonden vrouwen,
die hun echtgenooten niet met geld alleen over de straat dorsten
laten gaan. Kapelletjes zijn er meer dan zat, die tot offeren nopen.
Leen klampte hare voorbijkomende klanten aan. Die haar kenden,
kwamen gewillig, zij het ook met loode schoenen. Voor dralers was
geen genade, wisten ze. En doorsnappen--daartoe bestond geen kans,
nooit of nimmer. Ze had er den schrik onder. Eén man bleef dien avond
zitten, een man van een jaar of vijf, zesendertig. Met een half glas
Beiersch vóór zich, keek hij somber voor zich heen, de hand onder
het hoofd. Hij gevoelde, dat Leen door de glazen naar hem keek.
In de straat was het stiller geworden. De wagenmaker had fluitend
de blinden voor gezet. Nu en dan hoorde men de zwakke tonen van
een trompet, die geblazen werd in een danshuis, een paar honderd
schreden verder. Lou maakte er haar moeder opmerkzaam op, dat aan den
overkant, tegen de deur van een pakhuis aangedrukt, eene vrouw stond,
met een jongentje en een meisje, die zich tegen haar aanklemden en
op medelijdende, troostende stem tegen haar spraken. Leen meende dat
het de vrouw van den plakker zou zijn.
Deze zag wel, dat de kastelein, die graag wilde sluiten nu hij toch
geen bezoekers meer verwachtte, hem met een scheel oog aankeek; maar
hij bromde tusschen de tanden: »hangen heeft geen haast, het is verdomd
geen aangenomen werk!« Maar zoo'n vent, die den godganschelijken avond
achter één vet glas bier zat te koekeloeren, en bovendien oorzaak
zou kunnen worden van gebroken ruiten--»wie zal dat betalen, zoete
lieve Gerritje« floot de waard--zoo'n vent zou de kastelein wel dood
willen kijken. Dat er gebroken ruiten zouden komen, dat was zoo zeker
als Aai leeft. Hij had Leen wel zien staan en hij wist, welk vleesch
hij in de kuip had. Hij kende zijn klantjes. Ze was geen kat zonder
handschoenen. Een kanjer. Een mannetjesvink. Een »vromes« van heb ik
jou daar. Laat die vent naar de maan loopen en sterren plukken.--Met
dergelijke gedachten in het hoofd liep hij de holle gelagkamer door,
volgde de kronkelingen van het zand, dat door middel eener trekpot in
kunstige figuren en krullen op de koraalroode vloer was aangebracht,
verschikte het een en ander, en... Maar zijn herbergiersgevoel
veroorloofde hem niet, een klant, ook geen kale, onbeleefd weg te
jagen. Men kon nooit weten. Klanten zijn gemakkelijker te verliezen
dan te winnen en al was het me dan ook een klant van het jaar nul--een
half ei is beter dan een leegen dop. Allicht had ook hij zijn rojale
buien; tijden, waarin het er aan zat en hij eens ferm in de bus blies.
»Woon je ver weg?«
»Neen.«
»Stik« dachten ze gelijktijdig.....
»Wou je nog een glas?«
»Neen, ik heb nog!«
»Barst!« dachten ze.
De woorden kwamen den man onwillig uit de keel. De menschkundige
waard begreep--hij kende het klappen van de zweep--dat zijn gast in
de rats zat.
De man keek naar een papier achter een glazen ruit in een lijst. Het
papier was beschreven met de woorden: »Loterijvereeniging onder de
zinspreuk: Deelen zij ons doel!« Dat opschrift was met grootletters
geschreven. Het reglement of de statuten, in kleinletters, kon
men op een afstand niet lezen. De waard, die zijn oog had gevolgd,
onderrichtte hem, dat hij gouden horloges en vette ganzen verlootte,
navenant. Later, later zou de gast ook wel eens een lot nemen.
Plotseling dronk hij zijn reeds betaald glas leeg en liep, heb ik
jou daar, de straat uit. Zijn vrouw volgde hem. Het jongetje haalde
hem in, trok hem aan de slip van zijn jas en hijgde: »Vader dan,
wij zijn er. Moeder roept je!« De vrouw was hem nu genaderd. Leen
hoorde haar zeggen:
»Jan kom nu meê! 'k Heb al zoo lang staan wachten en de kinderen zijn
zoo koud.«
»Meegaan! 'k Zou verdomme niet weten, waarvoor.«
»Ja, Jan, dat weet je wel. Anders heb je morgen weer berouw, net
als verleden week. Je hebt me Zondag heilig beloofd, dat het nooit,
nooit meer zou gebeuren.«
De man had telkens schichtig omgezien, of geen zijner kameraden het
kon hooren en hem later bespotten. Leen hield zich schuil.
»Nu, daar heb je een paar gulden, maar ik wil niet als een klein kind
achterna gezeten worden, hoor! Ik zal naar geen zeven slooten tegelijk
loopen. 'k Ben mans genoeg om op mezelven te passen. Wel allemachtig,
sta je daar nu weer te grienen? Wàt de huur! Breekt die huur je den
nek? Nu maar, de huisbaas behoeft er geen brood voor te koopen. Later
zullen wij wel eens wat meer betalen. Ik verdom het om altijd zonder
geld op zak te loopen, net als arremie. 'k Heb muizenissen genoeg!«
De kinderen huilden en de vrouw bezwoer hem....
»Loop naar den bliksem!«
Hij-zelf liep de Loodsstraat uit. Leen volgde het viertal. Op de haven
scheen Jan bevreesd te worden door de sjouwers bemerkt te worden,
die aan de leuning der brug nabetrachtingen hielden.
Ruw zeide hij: »Maar nu moet het voor den donder uit zijn. Denk je,
dat ik me aan wijvegesin zal storen? Dan had ik wel dagwerk. Alló,
marsch of ik schop je weg. En die huilebalken ook!«
De vrouw keerde zich om.
»Je hebt groot gelijk, dat je mijn geld bewaart,« zei Leen, die nu
op de proppen kwam. Lou dacht: »Hoe kan ze dat nu zeggen.« De man,
slechts even van zijn stuk gebracht, zei: »'t Spijt me erg, maar je
zult moeten wachten. 't Komt me niet gelegen!«
»Morgen brengen. Ik verdom je lekker. Waarvoor zie je me aan. Voor
zoo'n mem als je malle vrouw? Om den bliksem niet, daar kan je donder
op zeggen!«
»Nou, maak maar zoo'n drukte niet. Het zou geen doodwond zijn. Je zal
je geld krijgen, houd je maar aan de wolken vast, de andere week. Je
verdient je geld gemakkelijk genoeg. Ons zweet en bloed vreet je,
flikkersteen! En nu, ik ga!«
Hij wuifde met de hand; de audiëntie was geëindigd.
»Ga met God, dan heb je een goeden leidsman! Maar eerst zullen we
leien bakken. Ik laat me zoo niet afschepen!«
Ze beriep zich op de sjouwers, die natuurlijk reeds een kring om de
twistenden hadden gevormd.
»Ze heeft gelijk, eerlijk is eerlijk!« wijsde die jurie.
»Bliksemt op. Ze kan het toch niet van mijn zielement afsnijden?«
wenschte Jan te weten. »Jullie bent twee handen op een buik!«
»Hou jij je mond maar, baron! Anders zullen we een boekje van je
opendoen!«
»Dát is gelogen. Mijn Jan mag wezen wat hij wil, hij is niet slecht,«
riep Jan's vrouw onder algemeene hilariteit.
»Godallemachtig, vrouwtje, we zeggen niets van je Jan. Je Jan is
een braaf jongetje. Hij is goed door zijn heele donderement heen,
als je maar naar mijn hoofdje kijkt.« (Spreker schudde »neen.«)
»Zet hem onder een stolp.«
Onder een homerisch gelach beval Jan statig:
»Ga heen, Jo, je past hier niet.«
»Meneer de baron« spotte men. »Edelachtbaar lid van het
zeerebeenenhuis.«
Velen boden aan, de jonge vrouw naar huis te brengen en haar dien nacht
te troosten. Ze bedekte de oogen met de handen, want sommige kerels
naderden haar gelaat met hun uitpuilende oogen, waaruit haar wellust
en dronkenschap toe gloeiden. Ze stonken naar jenever en vuile tabak.
De kinderen kropen verschrikt tegen haar aan.
»Alle gekheid op een stokje« schetterde Leen. »Betaal je, ja of neen!«
Jan antwoordde op dit ultimatum:
»Neen, voor den donder! neen, neen!«
»Maak plaats, jongens!« beval Leen.
Er vormde zich een open. Leen stroopte de mouwen op. Men stond nu
bij de brug, vlak onder een lantaren met grooten vlam, zoodat alle
bewegingen goed zichtbaar waren.
De strijders namen elkaar op. De aderen aan de slapen zwollen tot
dikke koorden, de tanden knarsten. Met stijf opeen geperste lippen
vlogen ze op elkaar aan. Jan greep Leen om het midden en poogde haar
op te tillen, om ze dan op den grond te kwakken.
Zij beproefde, hem beentje te lichten; tegelijk kneep ze hem den gorgel
dicht. Door haar rokken werd ze zeer in hare bewegingen belemmerd. Hij
kokhalsde en liet los.
»Geef mijn geld« klonk het stootend en snerpend.
»Neen, verdomme!«
Eer Leen den aanval kon beginnen, wierp Jan's vrouw zich op haar
en begon haar te krabben, terwijl de kinderen zich aan Leens rokken
vasthechtten, die weldra in flarden langs haar beenen slierden. Men
wilde wel eens zien, hoe ze zich zou houden. Lou wilde haar te
hulp komen, maar Jan wierp zich met zijn volle gewicht op zijne
vijandin.--Ze kwam met een doffen smak neêr; het jongentje, dat nog
van achter aan haar rokken hing en daardoor haar aandacht had afgeleid,
onder haar.
Jan ging op haar zitten en sloeg haar met beide vuisten. Leen greep
een haarspeld en doorkerfde hem het gelaat op verscheiden plaatsen,
zoodat de man van pijn met een ruwen vloek opsprong. Hij veegde het
bloed, dat zijn oogen verduisterde, van het gelaat, met een slip van
zijn bemodderde, gescheurde jas.
Nu eerst gelukte het Jo, haar zoontje onder Leen weg te trekken. Met
de hand op het hoofd van het knaapje, dat stuipachtig weende, keek ze
bleek en ontroerd toe, van tijd tot tijd een andere plaats kiezende,
als ze eene arm voelde naderen.
Een donderend bravo had Leen toegeklonken, toen ze opstond. De
toeschouwers gingen geheel in den strijd op. Hun oogen puilden
uit en een harde, bloeddorstige uitdrukking kwam op der meesten
gelaat. Leen geleek eene furie. Hare lange haren, glanzig en
vettig van de lampolie, hingen in bosjes rond haar hoofd. Gelaat
en boezem--geheel ontbloot--waren met lange krabben bedekt. Wild
golfde de borst, want ze was buiten adem. Eer ze zich had hersteld,
wist Jan met vluggen sprong op haar rug te komen. Ze viel plat op
het gelaat. Hare rokken sloegen over haar hoofd, Jan, die even had
losgelaten, was haar onmiddellijk op den rug en beukte haar op het
achterhoofd, op de half ontblootte rug, waar hij haar maar raken
kon. Een schok voer door de omstanders. Hun oogen vlamden en waren
door een rooden rand omgeven. Hun gelaat gloeide. Zoo staarden ze toe,
den adem inhoudend en dan weer met een zucht latende glippen.
Daar schoot Lou vooruit, schikte haars moeders rokken zoo goed het
ging en trok den man aan de haren. Daardoor gelukte het Leen, met
een flinken draai de rollen te verwisselen. Lou, tevreden over haar
succes, begaf zich op zij.
Het zoontje van Jan schopte haar tegen de beenen.
»Leelijke meid, dat was gemeen! Je bent een valsche kat. Mijn vader
aan zijn haar te trekken.«
»Een mooi vadertje! Maar jij hebt hem straks immers ook geholpen?«
»Ja, maar dat 's iets anders. Hij heeft gelijk!«
Lou haalde hare schouders op.
»Waarom is jou vader niet hier om te vechten? 't Is me wat moois,
dat eene vrouw vecht. Bah!«
Lou zocht een ander plaatsje.
Zoo kwam het, dat ze niet hoorde, wat Jan van haar moeders
lichaamsgesteldheid had gezegd. Nu hoorde ze hem met verstikte stem
zeggen: »Als ik mijn handen vrij krijg, zal ik ze overtuigen.«
Maar dat gebeurde niet. Door Leen's slagen en zijne vergeefsche
pogingen om zich aan Leen's ijzeren knieën te ontworstelen, raakte
hij bekaf. Zij was letterlijk blind en doof en hoorde dus niet, dat
sommigen haar aanhitsten. Anderen riepen: »Je hoeft ze waarachtig
niet op te warmen. Ze is mans genoeg!«
Leen haalde haar geld uit zijn zak en wierp der vrouw de rest toe.
»Heb je je bekomst?« Daar hij het stilzwijgen bewaarde, gaf ze geen
gehoor aan de aansporing: »Geef den baron de rest.«
Ze schikte haar kleederen goed, bedekte den boezem met de doek,
die in het begin van haar hoofd gevallen was, veegde het gelaat af
en ging met Lou heen, nagestaard met ontzag en bewondering.
Nu eerst gelukte het een agent, zich een weg door den volkshoop te
banen. Doch hij bleef steeds te midden van een groepje, dat hem
kwasie nieuwsgierig aanstaarde. Ieder riep om het hardst: »Maak
plaats voor den agent!« maar onttrok Jan ondertusschen aan zijn
blikken. Hij was echter geheel niet overtuigd, dat er niets te doen
was en toen eene oude juffrouw met een bult vroeg: »Waar is de brand
agent?« antwoordde hij norsch: »In de hel!« De oude juffrouw vond
dat goddeloos. Ze keek hem met open mond na en begon toen met een
oud heertje te philosopheeren over »de hondschheid der beambten.«
Spoedig echter moest ze haar ontboezemingen staken, want een troep
jonge kerels riepen: »Een hazelaar. Zzz! Zzzz! Ik heb er een!«
Onderwijl was Jan bekomen. Hij eischte het geld terug, dat Jo van
Leen had gekregen.
»Ja, Jan, maar.....«
»Hier of ik spring in 't water.«
»o Neen, lieve Jan, daar heb je het.«
»En nu, opgerukt, marsch!«
En ze ging.
»Een lief wijfje« zeiden sommigen. Maar: »'t Lijkt wel eten van
de wacht!« zeiden de kieskeurigen. Misschien, omdat de druiven te
hoog hingen.
Jan zocht met eenige makkers eene herberg op. Onder een bittertje deed
hij er een duren eed op, dat hij »den dondersteen later zou spreken!«
Men verspreidde zich.
Het gerucht van brand, dat gewoonlijk onder een Watersumschen troep
ontstaat, deed de menschen spoedig naar Oost en West hollen. De
spuiten rukten uit en weldra was men druk bezig, »den brand te zoeken.«
De haven werd stil en ledig.