ZEVENDE TOONEEL

_Henri, Herman._

_Henri_ (_met opgeheven handen door 't atelier loopend, en zich wringend,

alsof hij iets van zich af wil schudden_). Ah -- ! ah -- ! ah -- ! -- (_dan

op eens tegenover Herman, die bij de deur is blijven staan, onrustig

nieuwsgierig_) En-ne -- kom je zoo es oploopen -- ?

_Herman_ (_zich zenuwachtig met den rug van zijn hand over 't voorhoofd

strijkend_). Nee -- .

_Henri._ Nee -- ?

_Herman._ Ik kwam -- ik kwam -- (_Henri aanziend_) ze heeft me gevraagd,

een paar dingen van haar te halen, die hier nog waren -- .

_Henri._ "Ze" -- ? -- (_zij staan een oogenblik zwijgend tegenover elkaar,

dan zet Henri, wiens stemming thans omslaat in een verbeten verdrietigheid,

zich op de rustbank_). Oh -- -- zoo -- -- , oh -- zoo -- .

_Herman_ (_voorzichtig een los papiertje uit een oud zakboekje halend_). Ja

-- ze had nog een en ander hier, hè: -- (_met aandacht lezend_). "Een

bruine boa, -- een paar gestikte muilen, met kraaltjes er op, -- een grijze

an-antoeka -- "?

_Henri._ Entoutcas.

_Herman._ Entoutcas -- ? -- wat is dat?

_Henri._ Een entoutcas is een parasol en een paraplu.

_Herman_ (_met een schuinen blik naar Henri, of deze hem niet voor den gek

houdt_). O -- , nou: (_verder lezend_) "een antoeka, -- een hoed met blauw

lint en rose ma-madeliefjes, -- -- en dan nog een groen broekje."

_Henri_ (_heeft met de ellebogen op zijn knieën en de handen onder zijn

hoofd geluisterd, en draait zich nu naar Herman om, niet goed wetend hoe

zich te houden, -- als hij deze ernstig ziet, neemt hij het geval in zijn

stemming ook maar ernstig_). Tja -- -- , nou: die sloffen staan, geloof ik,

daar in de hoek -- met die grijze parasol er bij, (_even spottend_) en de

entoutcas en de paraplu en de parasol.

_Herman_ (_steekt de sloffen in den zak van zijn pelerine en neemt de

entoutcas onder een arm_).

_Henri_ (_terwijl Herman bezig is_). Heb je nog iets van Frits gehoord?

_Herman._ Weet je dàt niet -- !? die is er met Tootje van door.

_Henri._ Wat zeg je -- !?

_Herman._ Ja, met Tootje; -- ze zeggen, dat ze op een snoepreisje naar

Brussel zijn, -- al een week lang.

_Henri._ "Al een week lang?" -- nou dan zal hij wel gauw terugkomen; "naar

Brussel"? -- echt voor Frits: zoo es artistiek stiekem uit.

_Herman._ Nou, ik vind Frits toch anders weinig artiest, hoor.

_Henri._ Dat moet je niet zeggen: -- zooals Frits leeft, dat is op zichzelf

een kunst, man; (_bitter_) Frits "verstaat de kunst", de kunst van leven --

beter dan wij allemaal!

_Herman._ Nou ja, die kunst -- die verstaat zoo'n Tootje ook!

_Henri._ Juist! en daarom zal ze het waarschijnlijk heel wat verder brengen

dan -- dan sommige anderen.

_Herman_ (_met een zucht zijn papiertje hernemend_). " -- Een bruine boa --

".

_Henri._ "Bruine boa"? -- O ja: die hangt zeker in de kast. (_vanaf de

rustbank, waarop hij zich uitstrekt, dirigeerend_). Daar: -- ja -- (_als

Herman weifelt voor de kast_) ja, draai maar open.

_Herman_ (_haalt de boa uit de kast, en, niet wetend waar ze te laten,

hangt hij haar om den hals over zijn pelerine; op het gesprek

terugkomend_). Nou, Joop zei verleden van Frits: "die man past nou precies

in deze tijd" -- maar ik zei hem: "een werkelijk groot artiest past in àlle

tijden!"

_Henri._ "Is" van alle tijden! -- och ja, dat zeggen ze altijd, maar dat is

juist niet waar. Zulke artiesten als Frits, diè heb je juist altijd gehad:

die had je al in Egypte en Mesopotamië! Juist die "pasklaren" zijn van alle

tijden: de knappe portrettisten -- -- en de modelletjes, die er van door

gaan.

_Herman_ (_met een schuin oogje naar Henri zijn papiertje hernemend_). " --

Een hoed met blauw lint en rose madeliefjes".

_Henri._ O ja, die hoed -- die ligt, geloof ik, nog altijd boven op de kast

(_als Herman tegen de kast opziet, van de rustbank af dirigeerend_). Ja,

daar moet je een stoel bij halen.

_Herman_ (_sleept een stoel aan, en haalt met de entoutcas den hoed van de

kast, terwijl Henri er naar ligt te kijken; hij beziet, op den stoel

staande, den hoed met verheugde aandacht, blaast er omstandig slof van af,

en klimt voorzichtig omlaag; weer naar voren komend_). Nou, maar die Jules

past toch zeker niet voor alle tijden.

_Henri._ Nee -- die past eigenlijk heelemaal niet (_zuchtend_). Zoo heb je

er meer, zoo heb je er altijd gehad: -- je hebt die altìjd passen, en je

hebt die noòit passen.

_Herman._ Dat noemen ze de stille lichten.

_Henri._ De lichten onder de korenmaat.

_Herman._ Je weet toch zeker, dat hij op reis is?

_Henri._ Op reis -- ? -- Nee, -- ook al met een modelletje naar Brussel?

_Herman._ Nee: die is in z'n eentje naar Rome.

_Henri._ Wat -- ? naar Rome -- ?

_Herman._ "In z'n ééntje naar Rome".

_Henri._ Zoo -- ja; ach, eigenlijk verwondert me dat nou heelemaal niet.

Voor die ultra-modernen is de moderne wereld nooit modern genoeg, en dan

zoeken ze het per slot maar in een oude, in een gebruikte en versleten. --

Ach, dat zie je tegenwoordig immers op alle manieren: in kunst, in

politiek, in godsdienst -- : is 't nieuwe versleten, dan poetsen ze 't oude

nog maar eens op, -- nou en dat is ook dikwijls veel mooier! (_droog_).

Daarom heb je ook zooveel antiquiteitenwinkels tegenwoordig: antiquiteiten

worden ook weer nieuw: -- (_met zijn handen goochelend_) oud-nieuw --

nieuw-oud!

_Herman._ Ja, jij steekt er de draak maar mee.

_Henri._ Ach man, dat heb je in modes immers ook net zoo -- dat gaat altijd

in een kringetje: groote hoeden, kleine hoeden -- groote rokken, kleine

rokken -- groote broekjes, kleine broekjes -- -- nu dragen ze immers

allemaal weer directoire-broekjes!

_Herman_ (_met een zucht zijn papiertje hernemend_) " -- Een groen

broekje".

_Henri_ (_weer ernstig; glimlachend_). Tja -- dat ding, dat moet hier ook

nog ergens rondslingeren (_zij kijken rond, tot Henri het achter een ezel

bij Herman ziet_). O, daar! -- daar achter je!

_Herman_ (_het broekje over zijn arm nemend en aanstalten makend om te

gaan_). Nou -- -- ajuus hoor.

_Henri_ (_hem naziend en bemerkend, hoe gek hij er met zijn last uitziet_).

Hei -- ! -- je kan zoo toch niet over straat gaan! Wacht: ik zal je helpen.

(_naast Herman neemt Henri nu een voor een de dingen van hem over, beziet

ze een oogenblik, en helpt ze hem beter schikken: de sloffen in zijn zak,

de entoutcas onder zijn arm, de boa om zijn hals met de jas er over heen

dicht geknoopt, den hoed onder de pelerine; het broekje bekijkt hij langer,

-- dan kijken ze elkander een moment aan -- waarop Henri hem het broekje

geeft, terwijl beiden een anderen kant uitzien; Herman stopt het haastig

samengefrommeld in een zak van zijn jas_).

_Herman_ (_die nu weg wil gaan_). Nou-e--

_Henri_ (_weifelend_). Zoo-e -- komt ze dus -- tegenwoordig weer bij je?

_Herman_ (_trots_). Ze kòmt niet bij me, maar ze ìs bij me.

_Henri._ Zoo -- ?

_Herman._ En ze blìjft bij me -- , (_als Henri hem vragend aanziet_) wij

gaan trouwen.

_Henri_ (_half pijnlijk verrast, half spottend_). Trouwen -- !?

_Herman._ Ja -- is dat zoo gek?

_Henri._ "Gek" -- nee -- gek -- , maar-e, neem me niet kwalijk, maar -- hoe

wil je haar dan onderhouden? Hoe moet jullie dan leven?

_Herman._ Nou, ik geef toch al vijf lessen in de week, -- en dan heb ik

weer kans op een kopie -- en dan ben ik hard aan 't werk -- een nieuw stuk

voor de expositie: wit! -- en grijs en blauw -- een nymf, als een droom in

een bosch.

_Henri_ (_wil spottend uitvallen, maar Herman ziende, houdt hij zich in_).

Zoo -- zoo--

_Herman_ (_trots op zijn herovering, en met goedige belangstelling van zijn

kant, naar de schilderij gaande_). En jij bent ook weer bezig, zie ik --

een tweede figuur? (_kijkend_). Mooi werk, mooi werk, -- en dan die kop in

het midden -- ook symbolisch, hè -- ?

_Henri_ (_knikt vaag en gaat weer op de rustbank zitten_).

_Herman._ Ja, je hebt het toen laatst uitgelegd -- : mooie gedachte (_hem

voorzichtig op den schouder kloppend_). Weet je, wat jij eigenlijk bent --

? (_weifelend_) -- jij bent een "idealist"!

_Henri_ (_ziet hem spottend vragend aan_).

_Herman._ Ja: een idealist, (_hij blijft nog even aarzelend staan, dan

kijkt hij het papiertje nog eens door en knikt; dan, bij de deur zich nog

even omkeerend en met de entoutcas waarschuwend opgeheven_). Zie je: -- de

realiteit van het leven, dìe moet je niet vergeten -- ! -- (_als hij geen

antwoord krijgt_). Nou -- ajuus!

Henri (_dof_). Ajuus. (_Herman af_).

Naakt model: Toneelspel in drie bedrijven · 第 35 / 37 题