_Henri, daarna Helena._
_Henri_ (_heeft zich, terwijl Herman de deur sloot, weer op de rustbank
uitgestrekt en ziet hem nu als 't ware nog na, bij zichzelf, eerst lachend
dan bijna snikkend, herhalend_) "idealist" -- "idealist" -- "idealist"! --
(_dan zet hij zich voor den ezel en ziet een poos aandachtig naar zijn
werk, neemt een penseel op -- en legt het weer neer. Dan op eens,
verschrikt zich den tijd herinnerend, ziet hij op zijn horloge, springt op
en reddert gejaagd wat rond: hij brengt het eetgerei in het keukentje,
verschuift wat stoelen en verschikt de bloemen. Daar het onderwijl is
begonnen te schemeren, trekt hij het gordijn voor het glazen dak dicht,
waarop het donker wordt en hij een paar lampen en een Joodschen kandelaar
van den schoorsteenmantel aansteekt. Na een oogenblik nerveus de kamer op
en neer te zijn geloopen, neemt hij den kandelaar op en beziet zichzelf in
het spiegeltje aan den ezel. Er wordt duidelijk geklopt. Ontsteld brengt
hij den kandelaar op den schoorsteenmantel, -- als voor de tweede maal
geklopt wordt, keert hij zich naar de deur en roept onzeker_). Binnen!
_Helena_ (_in eenvoudig grijs tailor-made kostuum met reishoedje op en een
klein tuiltje viooltjes in haar jacquet. Als Henri vol verwachting op haar
toeloopt, schudt zij het hoofd, maar hij voorkomt haar eerste spreken;
rad_).
_Henri._ O nee -- nee, nee, nog niet spreken: laat mij eerst spreken -- je
mag niet iets besluiten, zonder dat we gesproken hebben, Helena! (_Helena
komt intusschen naar voren en zet zich daarna weifelend op de rustbank_).
Je hebt vanochtend gezegd, dat ik het gelaat niet direct naar jou moest
schilderen -- maar dat wil ik ook niet: -- ik wil alleen dingen, die ik in
jou zie, daarin brengen, begrijp je -- ik wil het met jou "bezielen",
Helena, dàt is 't -- maar daarvoor heb ik jou toch noodig -- dat wil
zeggen: ik kan toch geen liefde schilderen zonder -- -- die liefde, zonder
-- , ach ik kan niet goed spreken -- een schilder kan niet spreken.
_Helena._ O, ik begrijp je heel goed -- ik weet hoe je voelt.
_Henri._ Nee, ik geloof niet, dat je weet, hoeveel ik voor jou voel!
_Helena._ En voor je kunst.
_Henri._ Ja -- natuurlijk, voor beiden, -- en beiden te vereenigen, is dat
niet het hoogste?
_Helena_ (_weifelend verwijtend tot hem opziend_). Hoe kun je dan het
gelaat begeerend zien, dat je als een ideaal boven alle werkelijkheid uit
wilt schilderen?
_Henri_ (_even onthutst_). Dat kàn, dat kàn -- dat is juist het hoogste: de
vereeniging van een kunstenaarsideaal met menschelijke liefde!
_Helena._ En denk je dan, dat dat ideaal niet zou wijken -- dat je het niet
zelf zou dooden in je eigen handen -- ? een ideaal kun je niet grijpen.
_Henri_ (_naar de schilderij duidend_). Ik kan dàt ideaal niet schilderen,
als ik het niet geproefd heb met mijn lippen, als het niet van mij is --
van mijn ziel en mijn hart!
_Helena_ (_voor zich heen_). Een kunstenaarsideaal moet kuisch zijn, en --
en ongrijpbaar.
_Henri._ Maar mijn God, wat wil je dan -- ik kan je toch niet liefhebben
als een schim!
_Helena_ (_aanvallend_). Nee -- dat is het juist: je hebt me niet lief, al
verbeel je je dat en begeer je mij -- je hebt je ideaal, je kunst lief --
en mij wil je gebruiken -- gebruiken alleen.
_Henri._ O -- hoe kun je dat zeggen! -- ik -- ìk, die alles voor je
opgeofferd heb!
_Helena._ Opgeofferd -- ?
_Henri._ Nellie -- mijn zuster -- Herman -- !
_Helena._ Durf je zeggen, dat dat voor mìj was Henri?
_Henri._ En mijzelf dan! -- hoe heb ik mijzelf moeten verloochenen bij het
schilderen -- om niets te laten blijken!
_Helena._ Dat was toch wel het minste, wat ik van je eischen mocht! -- en
dat was mìjn opoffering: dat ik je oogen verdragen heb. O, ik wist, dat 't
zoo komen moest -- en 't is goed, dat 't nu gekomen is -- daarom haastte ik
zoo.
_Henri._ Wist je dan -- !?
_Helena_ (_glimlachend_). Och, ik geloof, dat een vrouw altijd eerder weet.
Hoe vaak heb ik hier alles overdacht, als jij alleen mijn lichaam zag, maar
het was altijd hetzelfde waar ik toe kwam: ik heb je alles gegeven, wat ik
te geven had. En het mooiste, wat ik je nog geven kan: het gelaat -- de
verbeelding, de bezieling daarvan -- dat kan ik je alleen waarachtig geven,
door het andere niet te geven -- -- door heen te gaan, -- dat weet ik, dat
voel ik.
_Henri._ Je kan me maar één groot ding geven -- je zelf, je hééle zelf!
_Helena._ Nee -- ik geloof van nee, -- het zou een vuur zijn, een... o! ik
ken jou, en ik ken nu ook beter mij zelf: -- het zou een misstap zijn --
(_schamper_) dat noemen ze een "faux-pas".
_Henri._ Een "faux-pas" -- ! Ah, hoe kun je dat woord gebruiken! Een
"faux-pas"! (_bitter_) O -- die zal jij nooit maken, Helena, een
"faux-pas"! Dat maken alleen naïeve, onschuldige vrouwen, -- -- enkel dat
woord bewijst, dat je nog conventioneel voelt!
_Helena._ Misschien; maar ik kan niet anders handelen, dan ik voel -- en
dàt heb ik gevoeld. Ik moet, ik moet zoo doen -- om jouw bestwil en om...
_Henri._ Om mijn bestwil -- ? mijn!? -- maar wat heb je met mijn bestwil te
maken! Ah ja -- de helft van jullie liefde is altijd een soort medelijden,
of ijdelheid, of...
_Helena_. En jullie liefde -- ? Wat is jullie liefde anders dan begeerte en
begeerte alleen -- !?
_Henri._ Nee Helena -- niet alleen begeerte, maar: (_zijn armen
uitbreidend_) verlangen -- ! verlangen -- !
_Helena._ En heb je wel gedacht aan mìjn verlangen -- ?
_Henri._ Ik zal je alles geven wat je verlangt -- alles! álles!
_Helena._ Nee -- ik geloof niet... O, er is zooveel door me heen gegaan bij
dat poseeren -- zooveel wat ik vroeger niet kende! Maar ik weet nu, dat ik
meer wil -- -- ik -- ik wil ànders: (_naar de schilderij duidend_) juist,
juìst omdat ik je dàt gegeven heb, juist omdat ik je model ben geweest --
je "ideale model" -- -- kan ik het andere niet meer worden, -- en -- en ik
wil ook geen schildershuwelijk.
_Henri_ (_gekrenkt_). O -- maar nu spreek je over heel iets anders dan
daarnet! Daarnet zei je: om mìj, om mijn werk, om mijn bestwil, en nu --
nee Helena, dat is niet eerlijk -- wees dan tenminste open -- -- ach,
jullie vrouwen maakt je zelf altijd dingen wijs! jullie -- jullie knoeit
met je ziel!
_Helena._ Misschien; maar dan is dat gekomen, omdat jullie ons het heele
leven dwingt te knoeien, -- maar in ieder geval heb ik mij nooit zoo
eerlijk gevoeld als nu: -- je hebt geen recht mij zoo iets te verwijten --
jij bent het, die je zelf bedriegt en de dingen niet durft zien als ze
zijn.
_Henri_ (_opgewonden_). Ik -- !? ik, die het alles zoo klaar en duidelijk
zie? Ik zie alleen jou, ik schilder jou -- ik heb je lief, ik wil alles
voor je zijn, alles voor je doen -- en jìj kunt niet om mìjn bestwil en
om...
_Helena._ Ja, en om mezelf: -- je hebt me straks niet laten uitspreken --
ook om mezelf. Je ziet: ik doe me niet mooier voor dan ik ben: -- ook om
mezelf, omdat ik niet kan en -- niet wil.
_Henri._ Niet...? -- O, je hebt me dus niet lief!
_Helena._ Misschien te veel als -- kunstenaar, misschien -- niet genoeg --
-- ik weet het niet.
_Henri._ Je "weet" het niet...? O nee -- dan heb je me dus niet lief!
_Helena._ Ach, jullie mannen, voor wie de liefde altijd maar zoo eenvoudig
is!
_Henri._ Maar 't ìs eenvoudig! Mijn God, jullie moderne vrouwen ziet liefde
zoo zwaar, zoo ingewikkeld!
_Helena._ Ja -- misschien; maar dat komt omdat voor ons, met alle
moderniteiten, liefde nog 't eenig waarachtige is, wat we bezitten.
_Henri._ En wat wil ik je dan anders geven -- ! en wat heb ìk dan anders
dan liefde, Helena!
_Helena._ Je kunst -- (_als hij zenuwachtig geringschattend glimlacht_) o,
daar moog je niet om lachen: je kunst is je meer dan je liefde, (_als hij
een gebaar maakt van heftige tegenwerping_). Goed -- in ieder geval zou ze
het weer worden, -- (_opstaande en op hem toetredend_) en dat moet ook
Henri, en dat wil ik ook, en -- ik wil je ook niet anders zien dan als
kunstenaar!
_Henri_ (_tegenover haar, hartstochtelijk_). Maar een kunstenaar is toch
ook een mensch! Ik heb toch ook een hart dat klopt, een hart met bloed --
voor jou, Helena! (_zij is voor zijn aandringen teruggeweken en weer op de
rustbank komen te zitten, en ziet, zijn hartstocht ontwijkend, naar de
schilderij, waar haar blik zich weer van de naaktfiguren afwendt_). Ja, dat
ook: wat is kunst waard zonder hart, zonder ziel -- zonder liefde! En die
liefde heb ik voor jou -- voor jou alleen! Help jij me dan -- help verder
me dàt te maken! Jij spreekt van het ideale van dat gelaat, maar voel je
dan niet, dat ik juist niets meer zal kunnen doen zonder jou! -- Jij moet
me helpen, Helena! blijf! -- altijd! -- altijd! -- (_hij knielt naast haar
schoot en grijpt haar handen_).
_Helena_ (_zich losmakend, eerst wat onzeker, allengs vaster sprekend_). Je
bedriegt je zelf, je bedriegt ons beiden -- maar 't is niet waar! Je kunt
die droom van dat gelaat alleen schilderen -- als het een droom blijft --
-- als ik ga. Dat voel ik, dat weet ik, Henri. Hoe zou je een droom kunnen
schilderen, als er het geheim van was afgevallen -- als het alles tot
werkelijkheid was geworden? Dat geheim wil ik bewaren, dat beeld wil ik zoo
laten in je ziel! -- dat zal het beeld zijn van mij -- van mìj -- -- omdat
ik een lichaam en een ziel voor je geweest ben, en toch niet een bezit heb
willen worden!
_Henri._ Maar waarom niet, Helena! -- waarom -- ? waarom -- ?
_Helena._ Omdat ik alles wil hebben -- álles, of alles wil opofferen, -- en
ik wil niet nemen van je -- en ik zou nemen: ik zou jou nemen, en je ziel,
en je kunst -- (_naar de schilderij duidend_) en dàt: dat gelaat, dat
levend is geworden in je, zou ik nemen -- -- en dat is het blijvende en al
het andere zou toch maar een -- een hersenschim zijn.
_Henri._ Maar waarom -- ? waarom -- !
_Helena._ Omdat ik die werkelijkheid in de verte te duidelijk zie -- en
omdat de werkelijkheid alle idealen verwoest -- -- (_zachter_) en jij zou
mijn ideaal van jou verwoesten -- dat ik nu nog -- heb bewaard.
_Henri_ (_tot haar opziende, bitter_). Ondanks alles -- ?
_Helena_ (_hem even schuchter over het haar strijkend_). Nee -- nee.
_Henri_ (_door haar aanraking ontroerd, opspringend_). O Helena, neem alle
idealen, die je van me hebt, weg -- neem mij! neem mìj, zooals ik ben --
die ééne arme werkelijkheid -- en geef mij die rijke werkelijkheid van jou!
-- dàt is geven -- dat is geven, Helena! En dat is leven! -- de kunst is
een ideaal -- een droom, ja -- maar het leven zelf is toch een
werkelijkheid -- (_met hartstochtelijken aandrang_). Neem het leven,
Helena! voor het voorbijgaat -- grijp het geluk, zoolang het duurt -- !
drink de beker, Helena, en werp hem dan weer weg -- -- daarna komt de kunst
-- komt de droom te mooier weerom!
_Helena_ (_opspringend tegenover hem_). Maar dat wil ik juist niet! maar je
spreekt tegen je zelf! Ik wil geen middel zijn alleen! -- ik wìl geen
tweede zijn bij je kunst! -- en ik wìl ook niet begeerd worden alléén! --
Ik wil vròùw zijn! -- vrouw! vrouw! -- Ik ben een bohème geweest -- ik heb
de bohème "gespeeld" -- -- maar nu weet ik, dat ik geen bohème-liefde wil!
-- (_zachter en triomfantelijk tegelijk, voor zich heen_) nu weet ik, dat
ik geen bohème-liefde wil!
_Henri._ Maar dat wil ik óók niet, dat vráág ik ook niet: -- ik heb met
anderen geleefd, (_met geringschatting zijn schouders ophalend_) o ja --
maar jou wil ik alles geven -- àlles!
_Helena_ (_langzaam schuddend_). Nee -- ook wat jij mìj te geven had, heb
je mij gegeven. Ik ben gekomen om te leeren -- en ik heb geleerd -- -- meer
en anders dan ik dacht. O -- er is zooveel door mij heengegaan, als ik daar
lag! -- -- jij spreekt van verlangen, Henri, maar ik heb zooveel verlangd
-- ! -- Misschien ben ik hier anders -- meer vrouw geworden -- -- ja -- en
soms ben ik jaloersch geweest op je kunst! (_bij een plotselinge beweging
van Henri_). Nee -- nee: (_naar de schilderij wijzend_) voor jou wil ik
alleen dat zijn, voor jou wil ik alleen een model en -- een bezieling zijn
geweest -- -- dàt is mijn liefde voor jou.
_Henri._ En de andere liefde -- ?!
_Helena._ Die zal ik gaan zoeken in de wereld -- -- misschien is het nog
niet te laat.
_Henri_ (_wanhopig_). Maar dat wil ik niet! -- ik wil je voor mij! -- voor
mij!--
_Helena._ O! -- maak het me niet moeilijk Henri!
_Henri_ (_bruusk haar beide armen grijpend_). Ik wil! -- ik wil! begrijp je
-- ik wil...
_Helena_ (_is door zijn greep een oogenblik teruggezonken op de rustbank,
maar staat dadelijk, na zich door een driftige beweging te hebben
losgemaakt, weer op; -- ontsteld verwijtend_). Nee -- -- zóó niet! -- zóó
niet!--
_Henri_ (_treedt verslagen terug, terwijl Helena zich herstelt en zich
gereed wil maken te vertrekken; -- na een oogenblik van stilte en
vertwijfeling, zwak_). O -- -- maar ik kan mijn kunst toch een tijd laten
rusten -- wij kunnen toch reizen, Helena -- samen, alleen voor elkaar --
ver weg reizen -- -- alleen voor elkaar -- -- ?
_Helena._ Ah -- ! laten we geen concessies doen -- laten we niet laf
worden!
_Henri_ (_voelend, dat thans alles verloren is, zinkt naast de rustbank
neer en verbergt zijn hoofd in zijn handen_).
_Helena_ (_zich na een oogenblik van weifelen bij hem zettend, zacht_). Ik
kàn geen concessies aan het leven doen, Henri -- ! ik heb het nooit gekund!
Ik weet wel: andere vrouwen zouden misschien anders doen -- ik zeg niet,
dat het beter of mooier is, wat ik doe -- maar ik moet doen zooals ik voel
-- -- ik kan niet anders.
_Henri_ (_snikkend_). Oh -- !--
_Helena._ Er zijn vrouwen, die alleen geboren schijnen, om kinderen voort
te brengen, -- en andere alleen om naast een man te leven -- als vriendin
of als verzorgster...
_Henri._ Of als verwoester!
_Helena_ (_hem even schuw over het haar strijkend_). En er zijn vrouwen,
die als wilde vlammen door het leven flikkeren, -- maar je hebt ook
vrouwen, die voor niets geboren schijnen -- of misschien voor iets, dat wij
nu nog niet kunnen zien -- -- en zoo een was ik. En nu heb ik iets bereikt,
iets gedaan -- iets gegeven! en voel ik mezelf rijker -- en misschien ook
rijper geworden, -- -- en daarvoor dank ik je Henri: ik dank je voor wat je
mìj gegeven hebt.
_Henri._ Helena -- !
_Helena._ In mij heb je het naakt gevonden, dat je zocht -- zou je dat nu
zelf weer willen -- vertroebelen? En ik ben de bron geweest, waarin je de
trekken zag van dat ideale droombeeld, dat je zocht en dat je nu in je ziel
voor oogen hebt -- -- als je het proefde, als je het dronk met je lippen,
zou het breken, -- en nu ik ga, zal het te mooier worden -- dàt weet ik!
(_opstaand en naar de schilderij duidend_). Dáár heb ik het gelaten -- daar
zal je dat droomgelaat schilderen -- dat zal je -- ! dat zàl je -- !
_Henri._ Helena -- ik heb je lief!
_Helena_ (_ontroerd, maar zich bedwingend_). Ik kàn niet -- ik mag niet --
het zou een diefstal zijn aan jou, aan je kunst -- aan ons beiden -- een --
-- een leugen.
_Henri_ (_aan de rustbank blijvend, terwijl Helena zich naar de deur
wendt_). En als -- als de leugen eens achteraf tot -- -- waarheid werd --
?!
_Helena_ (_zich omwendend en naar de schilderij wijzend_). Dan zal dàt toch
ons mooiste kind zijn geweest -- dat, wat je zelf de herinnering noemde: --
"het gelaat van herinnering en verlangen, die beide nooit tot waarheid
werden!"
_Henri._ Helena! -- ik heb je lief -- !
_Helena_ (_wil gaan_).
_Henri._ Helena! -- zeg me nog, dat -- -- dat je me hebt liefgehad!
_Helena_ (_neemt het boeketje viooltjes van haar borst en legt het op de
tafel_).
_Henri._ Helena -- !
_Helena_ (_haar ontroering bedwingend en zich aan de deur steunend, ziet
nog eenmaal om, -- dan gaat zij_).
_Henri._ Helena -- ! -- (_hij is opgestaan en grijpt den stoel voor den
ezel, waarop hij neerzinkt; daarna wenden zijn oogen zich langzaam af van
de deur naar de schilderij, die hij een oogenblik verbijsterd beziet, --
dan omklemt hij ze met beide armen, terwijl hij zijn snikkend hoofd aan de
lijst legt_).
_Scherm._