_Henri, Marie, Herman._
_Herman_ (_in zijn ouderwetsche pelerinejas bescheiden naar binnen
draaiend, en bij het zien van Marie ietwat gegeneerd in de deur staan
blijvend_). O -- als ik stoor -- ?
_Henri._ Nee, nee -- kom binnen, kom binnen! Mijn zuster was juist bezig
afscheid te nemen: -- (_tot Marie_) mag ik je eens voorstellen: mijn vriend
ten Kate -- mijn zuster.
_Marie_ (_even uit het veld geslagen, maakt een stijf buiginkje naar
Herman; dan, met nog een laatste poging, halfluid tot Henri_). Dus -- ?
_Henri_ (_zijn hoofd schuddend_). Onmogelijk.
_Marie_ (_hem vinnig toefluisterend_). Weet je wat jij bent: -- je bent een
egoïst -- dat ben je: een egoïst -- ! (_naar de deur gaande, tot Herman,
die opzij treedt_). Pardon mijnheer, -- (_in de open deur tot Henri_) en je
ziet me hier nooit meer terug! (_af_).