_Henri, Marie._
_Marie_ (_verschrikt verwijtend_). Ik geloof -- dat die man -- niet goed
wijs was -- !?
_Henri_ (_droog-af_). O: -- hij was dronken.
_Marie._ Wat zeg je? -- dronken!? -- -- Maar Henri, met wat voor menschen
ga jij dan toch om? (_zij komt naar voren en gaat bij de tafel zitten,
terwijl Henri den stoel voor den ezel neemt_).
_Henri._ Och -- : zoo nu en dan es dronken, hè.
_Marie_ (_verontwaardigd_). Nee! Henri, nee! -- -- O, dus wat ik dat mensch
gegeven heb, zal ook wel naar de kroeg gaan?
_Henri_ (_lachend_). Wel nee! je dubbeltjes zullen deze keer wel goed
besteed worden: -- ze had een idioot kind, dat buiten verpleegd werd, en nu
gestorven schijnt -- -- maar goed ook.
_Marie._ Dat is toch wel zielig.
_Henri._ Er is zoo veel zielig. -- Maar jij had dat niet zoo ostentatief
hoeven te geven, hoor: ik had ze 't ook wel voorgeschoten -- maar die
menschen komen den laatsten tijd zoo dikwijls vragen.
_Marie._ "Ostentatief" -- ! (_als Henri zijn schouders ophaalt, wil ze
uitvaren, maar zich het doel van haar komst herinnerend, houdt zij zich in;
op anderen toon_). Nou maar je moet toch ook wat voor zulke menschen doen
-- je moet toch voor elkander wat over hebben.
_Henri_ (_zich bij haar woorden herinnerend, waarvoor zij, na haar laatste
bezoek, waarschijnlijk komt, licht spottend_). Oh -- -- wat dat aanbelangt
-- .
_Marie_ (_zenuwachtig met haar parasol op den grond prikkend, weet niet
goed hoe te beginnen, zij kijkt Henri even schuins onderzoekend aan -- dan,
op de schilderij de voltooide tweede naaktfiguur bemerkend_). Ach -- heb je
daar nog een nieuwe figuur bijgeschilderd! (_kijkend_). Ja -- ik heb je
laatst ook al gezegd: ik vind, dat je tegenwoordig niet meer schildert met
die beschaafde smaak van vroeger, -- (_kijkend_) nee -- die twee, dat is
toch wel weer -- erg, dat is toch...
_Henri_ (_over zijn schouder omkijkend naar de schilderij_). Weet je wat:
-- als het je hindert om er op te kijken, kom dan hier zitten.
_Marie_ (_even weifelend_). Ja -- eerlijk gezegd, vind ik dat wel een
beetje -- hinderlijk. (_Henri biedt haar zijn stoel en zij verwisselen van
plaats_).
_Henri._ Zoo -- zoo is 't beter -- -- je doet zoo heel goed tegen die
achtergrond!
_Marie._ Och maak nu eens geen gekheid, -- ik kom voor ernstige dingen. Ik
kwam nog eens praten over die logeerpartij -- .
_Henri._ Oh -- -- wat dat aanbelangt -- .
_Marie._ Wij kunnen het nu niet langer uitstellen: tante heeft gister
geschreven of we decideerden, en je weet: -- het slagen van alles hangt
voor een groot deel van jou af.
_Henri._ Ik vrees, dat ik niet zal kunnen.
_Marie._ Hoe bedoel je -- je gaat toch -- ?
_Henri._ Lieve zus: ik kan onmogelijk -- juist nù ónmògelijk.
_Marie._ Nee -- dat meen je niet -- ?
_Henri._ Het spijt me waarachtig, maar ik kan niet: ik ben aan dat ding
(_naar de schilderij knikkend_) bezig, en 't komt er juist nu erg op aan.
Ik ben afhankelijk van modellen -- modellen, die maar een enkele keer komen
kunnen -- -- modellen, die -- enfin, -- en bovendien is dat heele plan van
die logeerpartij, met die Arie en die Lientje, mij hoogst onsympathiek.
_Marie_ (_zenuwachtig geprikkeld_). Dat zal je ons toch niet aandoen -- ?
Mama had zich er zooveel van voorgesteld, dat weet je -- en ik...
_Henri._ En ik zou ook volstrekt niet weten, waarom ik zoo noodzakelijk mee
moet!
_Marie._ Dat weet je heel goed, dat heb ik je de vorige keer duidelijk
genoeg gezegd -- dat is nu al veertien dagen geleden, en tante moest het
vóór 't eind van de maand weten! Je weet heel goed, hoe tante op je gesteld
is -- dat mocht je werkelijk wel meer apprecieeren -- en Lientje en Arie
ook.
_Henri_ (_proestend_). Arie! Nee die is goed! Ik ken die vent eigenlijk
geen eens -- en als ik hem kende -- -- dan zou ik hem liever niet kennen!
-- En dàt zeg ik je nog eens: die plannetjes van jou met die doordraaier
zijn mij, als je broer, hóógst onsympathiek!
_Marie_ (_fel_). Ach, wat weet jij daarvan! -- (_zich spijtig inhoudend
voor een laatste poging_). Toe -- bedenk je nog eens, -- je bent nu
misschien niet in een goede stemming...
_Henri_ (_nijdig_). Ik ben in een bèste stemming -- uitmúntende stemming!
(_kalmer_). Maar zoo is 't nu eenmaal: ik kàn niet -- -- en ik wìl ook
niet!
_Marie._ Je hebt dus niet dat kleine pleiziertje voor mama en mij over -- ?
(_nog een moment weifelend, of Henri ook nog op zijn weigering terug zal
komen -- dan, vóór hem staand_). Goed: blijf dan maar -- goed, doe jij dan
maar wat je wilt, hoor: wij zullen 't ook wel zonder mijnheer de artiest
kunnen stellen. Maar dat zeg ik je: die Arie, waar jij je een oordeel over
aanmatigt, terwijl je hem niet eens goed kent, daar heb jij dan ook verder
geen woord over mee te praten, of hij je sympathiek of niet sympathiek is
-- begrijp je! En jij, die de zedemeester uithangt over anderen, jij, met
je leventje hier, met die menschen en -- (_naar de schilderij knikkend_)
die dingen -- jij mocht wel eens in de eerste plaats op je zelf letten!...
(_er wordt geklopt, beiden zien verrast op_).
_Henri._ Binnen!