_Henri, Helena._
_Henri._ Zoo -- ?
_Helena._ Dank, dank je wel. Nou -- ik denk, dit zal dan wel de laatste
keer zijn geweest, hè, -- je bent nu toch heusch klaar met de figuur -- ?
_Henri._ Klaar!? -- Nog één keer, nee, ik moet je hiervoor nog één keer
hebben, Helena.
_Helena_ (_glimlachend_). Ach, jij zegt altijd, dat het de volgende maal de
laatste keer is, en dan komt er nog één keer bij! Je hebt er vandaag bijna
niets meer aan gedaan; (_naar de schilderij ziend_) en je màg er ook niets
meer aan doen: -- het is àf, het is mooi -- ja, het is mooi zoo -- je màg
er nìèts meer aan dòèn!
_Henri._ Ja -- maar dat: die achtergrond moet ik nog wat aanzetten -- en
dan, die eene voet nog een tikje lichter -- misschien.
_Helena._ O, maar daarvoor heb je mij niet meer noodig.
_Henri._ Niet noodig -- ?! -- En dan de kop -- ?
_Helena._ Maar dat is toch phantasie, die is toch klaar, voorzoover je er
mij bij noodig had?
_Henri._ Ja, natuurlijk -- maar ik bedoel het middenstuk, het gelaat.
_Helena_ (_warm_). Ja -- je moet nu aan het gelaat; dat moet de kroon, dat
moet de ziel er van worden! Hoe noemde jij 't ook weer -- ? -- de
hemelvaart -- nee, nog iets anders: het gelaat van herinnering...
_Henri._ En verlangen! Ja, zoo denk ik het dikwijls: een gelaat van
herinnering en van verlangen, die beide nooit tot waarheid werden, die zijn
opgelost...
_Helena_ (_peinzend herhalend_). "Een gelaat van herinnering en van
verlangen, die beide nooit tot waarheid werden" -- -- maar daarvoor heb je
mij niet meer noodig.
_Henri_ (_ziet haar van terzijde even onzeker aan, terwijl zij naar de
schilderij blijft kijken, en reddert dan aan zijn penseelen bij de tafel_).
Nou, daar spreken we nog wel over (_stilte_).
_Helena_ (_die onderwijl van naderbij de lijst heeft bekeken_). Die lijst
doet wel goed -- (_zij ruikt aan het hout_). Hè -- dat ruikt naar: -- naar
Arabië, naar een moskee -- !
_Henri._ O, heb jij dat ook? -- ik heb soms de heerlijkste verbeelding bij
een geur.
_Helena._ Ja, soms -- bijvoorbeeld als ik langs een drogist, of een
pakhuis, of een kelder kom -- dan ruik ik een heel stuk uit mijn eigen
jeugd, uit mijn eigen meisjesjaren. Maar waarom heb je eigenlijk die lijst
er om gezet -- je kunt de rest daar toch niet in schilderen?
_Henri._ O, sommigen schilderen wel in de lijst -- maar dat doe ik nooit.
Nee, ik heb er maar een proeflijst om gezet, die toevallig zoowat past. Zoo
voor de feestelijkheid, zie je, om 't eens "af" te zien.
_Helena._ Maar een lijst geeft toch wel dikwijls cachet aan een schilderij.
_Henri._ Natuurlijk! -- zoolang een schilderij een salonmeubel is, moet het
een lijst hebben. Het is eigenlijk net als met sommige vrouwen, hè: die
zijn pas voltooid, door de coiffure of de hoed en de kleuren, die ze
dragen...
_Helena_ (_lachend_). En de kleeren -- !
_Henri_ (_lachend_). Ja -- : ik schilder jou ook immers niet in lijst! --
O, er zijn maar zoo weinig vrouwen, die de lijst kunnen missen: -- de
meeste mooie vrouwen zijn maar "kostuumstukken"! -- Maar ik zou jou toch
ook zoo graag eens in de lijst schilderen, Helena (_vroolijk_). Dat zullen
we toch eens doen, nietwaar? (_haar beziende_). Kijk: wat staat dat nou
weer mooi -- -- wacht, wacht! (_hij neemt een paar takken witte rozen,
steekt ze in haar haar en dringt haar op de rustbank te liggen_).
_Helena_ (_laat hem glimlachend begaan_). Zoo -- ?
_Henri_ (_verrukt_). Kijk eens wat mooi -- o wat mooi! (_hij beziet haar
door zijn oogharen_). Maar kom hier, wacht es: -- dat groen, daar houd ik
zoo van. (_hij helpt haar weer op te staan, neemt een grasgroenen lap van
een anderen ezel, dien hij op de rustbank uitspreidt, en dringt Helena weer
te gaan liggen; dan, na het effect nog eens, eerst van dichtbij, dan op een
afstand bekeken te hebben_). Nee: wacht (_hij verwisselt de witte rozen,
die zij hem helpt wegnemen uit het haar, met den bos roode anemonen,
waarvan hij de rest over haar paarsen peignoir strooit_).
_Helena_ (_glimlachend_). Zoo -- ?
_Henri._ Ja -- (_als zij de rozen op haar schoot houdt_). Ja, dat wit kan
er wel bij, -- prachtig! prachtig! (_in zijn handen klappend_). O, zoo moet
ik je schilderen -- bizonder!
_Helena_ (_glimlachend voor zich heen_). Maar zoo kun je eigenlijk alles
wel mooi maken -- met bloemen en met kleuren. --
_Henri_ (_niet hoorend_). Kleuren wekken soms, net als geuren, allerlei
verbeeldingen, hè. (_haar nog eens door zijn oogharen bekijkend_). Zoo kan
ik allemaal mooie dingen in je zien: zoo zie ik je als één groote donkere
bloem in een land -- of een bloem, die drijft.
_Helena_ (_terwijl zij weer rechtop gaat zitten_). Waarom schilder je
eigenlijk nooit een landschap!?
_Henri_ (_naast haar op de rustbank, terwijl Helena met de rozen in haar
schoot speelt_). O maar dat zal ik zéker; daar denk ik dikwijls aan -- voor
later -- -- God, je moet zooveel doen! Maar dan niet als de gewone
impressionisten, zie je, maar 't "gestyleerde" landschap, het idealistische
landschap -- ik zal maar zeggen als Claude Lorrain of als Turner -- maar
dan toch weer heel anders natuurlijk -- fèller, zie je. En dan niet 't
landschap alleen, maar als omgeving van 't symbool -- een verbinding met de
idee! -- zie je.
_Helena_ (_die met graagte heeft geluisterd_). Ja, dat moet je doen -- dàt
moet je doen!
_Henri_ (_allengs onder de opwinding van zijn verbeelding rakend, teekent
hij met de handen zijn phantasie in de lucht, terwijl Helena, bekoord door
zijn woorden en hem met aandacht volgend, gedachteloos de rozen leegplukt,
waarvan zij de blaadjes op haar kleed en den grond strooit_). O, daar moet
een prachtig ding van te maken zijn. Ken je uit de Louvre dat schilderij
van die boot met allerlei figuren, die wegvaart in de nevel: "Verloren
Illusies" heet het -- .
_Helena_ (_ziet hem vragend aan_).
_Henri_ (_de woorden nastreelend_). "Verloren Illusies"! Weet je wel: die
boot met de gestalten der illusies -- van roem -- en van rijkdom -- en van
liefde, en zoo, -- en een oude man staart ze na -- -- , nou ja: dat is
natuurlijk wel wat academisch en conventioneel gedaan -- uit de oude doos
een beetje, hè -- maar de gedachte is toch mooi! En zoo wil ik ook, zie je
-- maar dan modern!
_Helena_ (_in gedachten de blaadjes van haar schoot vegend_). Hoe dan -- ?
_Henri_ (_opstaand_). Dat heb ik al lang in mijn hoofd gehad: -- Een
horizon van licht, een opgaande zonnehemel -- door en door vol licht, zie
je! En dan een donker laaiende stoet daar tegen in: -- een zwarte boot,
recht er tegen in over de golven, met de verbeeldingen van bloemen
daaromheen -- geen werkelijke bloemen, zie je, maar verbeeldingen van
bloemen -- en een rood spoor van gebroken kleuren. En in de boot de
gestalten van deze tijd, zie je: -- de vechtenden, die roeien -- roèien, --
en de verlangenden, die vooruitstaren, -- en de twijfelenden, die omzien,
-- en de wanhopigen en de ellendigen, die zinken, -- -- en al die bloeiende
illusies daaromheen, zie je -- . En voorop: voorop een vrouwengestalte --
donker, jong en naakt tegen de zon -- recht tegen den hemel aan, zie je: --
-- "de vaart naar het ideaal", zoo zal ik het noemen: "de vaart naar het
ideaal" -- !
_Helena._ Dat is mooi, dat is mooi! dat moet je doen! -- (_naar de
schilderij opziend_). Maar eerst moet je dat afmaken -- eerst het gelaat.
_Henri._ Ja -- eerst het gelaat.
_Helena_ (_peinzend_). O, als ik je zoo hoor spreken, dan geloof ik weer,
dat schoonheid eigenlijk alles is: het hoogste en het beste in het leven.
_Henri._ Maar natuurlijk Helena! daar gaat 't immers om: om de schoonheid,
om de kunst, de groote kunst van alle tijden, die altijd aan de menschheid
de weg heeft gewezen naar het ideaal!
_Helena_ (_voor zich heen_). "De vaart naar het ideaal".
_Henri._ Zoo zie ik het dikwijls: De vaart over de zee, over de donkere
wereld naar de toekomst -- . En de groote genieën en de kunstenaars zijn de
lichten geweest, de bakens, de vuurtorens, die op elkander volgden --
telkens weer, als een eindelooze keten van lichten naar de toekomst! -- O!
een licht te zijn in die keten Helena! Groot te zijn, en groot te doen! --
ik hunker soms naar het groote in ons kleine land!
_Helena_ (_opstaand_). Maar je bènt groot -- als schilder. Je moet groot
zijn -- dat hangt toch van je zelf af, wanneer je dat in je ziel hebt, en
het voelt, en je wilt.
_Henri_ (_die zich, uit zijn enthousiasme terugvallend, bij de tafel
neerzet_). Ja -- ja, -- maar die verdoemde werkelijkheid altijd om je heen!
-- dát haalt je naar beneden! Altijd die vrinden, die allemaal toch weer
anders denken -- en dan je familie -- en dan die vrouwen! O, altijd die
afleiding van die modellen, -- zie je: de vrouwen halen een kunstenaar naar
beneden -- -- een vrouw vermoordt een kunstenaar!
_Helena_ (_afwerend glimlachend om zijn overdrijving, afgetrokken_). Ja --
ik heb me ook dikwijls vreemd gevoeld, bij dat oppervlakkige in de
schilderswereld.
_Henri._ Dàt is 't: ik ben niet van die wereld -- mijn heele kunst drijft,
om er boven uit te komen! De jongens -- ach, dat is allemaal zoo gewoon hè,
als ze ouder worden: -- menschen die schilderen, nou ja -- behalve
misschien Jules -- maar die is ook nog jong. O, die sfeer om een schilder
is dikwijls zoo ordinair! zoo benauwd!
_Helena_ (_peinzend_). Ja -- ik heb er ook altijd maar korte tijd in
geleefd -- .
_Henri_ (_op eigen gedachten doorpratend_). Ach, daar verzuip je toch
altijd een beetje in! In je jeugd ken je alleen de meisjes uit de nette
burgerwereld; daar heb je nu bijvoorbeeld de vriendinnen van mijn zuster --
ja, mijn hemel: die zijn dan ook zoo heel erg fatsoenlijk, omdat ze
eigenlijk niet veel anders kunnen zijn, hè -- : voor een heeleboel vrouwen,
geloof ik, is het fatsoen het eenige, wat ze hebben! -- Nou, en dan later
die modellen: eerst "openbaringen" -- openbaringen van leven -- en dan --
-- ach God: het zijn toch maar "vrouwtjes zonder meer!"
_Helena_ (_als boven_). Ja -- "vrouwtjes zonder meer!"
_Henri_ (_haar afgetrokkenheid bemerkend en geheel van toon veranderend,
alsof hij ontwaakt uit zijn gedachtengang_). En nu kom jij, Helena! Met jou
voel ik verwantschap -- ! Nu kom jij, als een wezen uit een heel andere
sfeer, -- -- dàt is het, zie je: wij staan buiten die wereld, en zij staan
er binnen -- dàt is het verschil!
_Helena._ Nee, dat lijkt maar zoo, omdat ik een beetje intellectueeler ben,
of bewuster, en een beetje eerlijker -- misschien. Maar ik wou juist, dat
ik ook zoo'n vrouwtje was "zonder meer", -- zie je: dat "meer" doet juist
zoo'n pijn!
_Henri._ Nee, nee -- jij hoort niet bij hen, Helena -- en niet bij de
anderen: jij bent een -- een tusschending.
_Helena_ (_bitter_). Een "tusschending" -- !? Ah ja -- "een tusschending"
-- -- en daarom knelt het zoo.
_Henri._ Dat komt alleen, omdat je je vrij hebt gemaakt van de meeste
conventies en banden -- dan voel je juist de overblijvende des te meer: de
anderen voelen niets, juist omdat ze aan àlle kanten vastzitten.
_Helena._ Weet je: ik voel me soms als een "eeuwige vreemdeling" in het
leven.
_Henri._ Dat zijn we allebei! -- dat zijn we misschien allemaal een beetje:
vreemdelingen voor elkander, -- -- (_aarzelend_) maar wij toch voor elkaar
niet heelemaal meer -- ?
_Helena_ (_schijnbaar zijn laatste woorden niet hoorend_). Ik heb soms het
gevoel, dat ik altijd leef naar modellen, maar nooit zèlf leef: -- ik heb
soms het gevoel, als die Helen Keller, die blind en doof en stom is -- en
die tòch heeft leeren leven. Ik geloof, dat er tegenwoordig veel vrouwen
zoo leven -- . Maar dat ìs geen leven! ik wil iets zijn! -- iets doen! --
iets...
_Henri._ Maar dat kùn je -- ! dat zal je, Helena: je kunt mij helpen, met
mij samenwerken -- samen zullen wij mooie dingen maken!
_Helena._ Ach, ik kan in kunst toch nooit iets bereiken.
_Henri._ Dat hoeft ook heelemaal niet -- maar ík zal mooie dingen van jou
maken!
_Helena_ (_pijnlijk_). Ja, zoo zijn jullie mannen allemaal! Een man ziet
ons altijd als een middel: -- als hèt wijfje -- als zijn huishoudster -- of
weet ik wat, -- en dan vooral als de moeder van zìjn kinderen -- -- en jìj
als model!
_Henri_ (_opspringend_). Als model!? O, dat mag je niet zeggen -- dat meen
je niet! Als je wist wat ik voelde, toen je daareven zei, dat dit de
laatste maal zou wezen -- dat was je geen ernst? Nee, dat mag niet! Ik kan
me niet indenken, dat je hier niet meer zoudt komen -- dat is onmogelijk,
Helena! (_haar hand vattend, die ze weifelend in de zijne laat_). Ik heb
nog nooit een vrouw gevonden, die mijn werk zoo begreep, ik heb nog nooit
een ziel zoo als -- als kunstgelijke gevonden Helena, als -- als
zielsgelijke (_naar de schilderij ziende_). Hoe kan ik daaraan verder
werken zonder jou -- ?
_Helena_ (_haar hand zachtjes losmakend_). Ik geloof juist, dat je daaraan
alleen nog verder zult kunnen werken zònder mij, -- (_zacht_) je noemde het
zelf een "gelaat van -- herinnering en..."
_Henri_ (_verschrikt_). O maar nee -- waar denk je aan! Ik bedoelde alleen,
dat 't geen kopie naar een willekeurige kop zou zijn -- ik bedoelde: een
verbeelding, -- en bovendien: ik wil toch ander werk van je maken -- ? O,
ik zou je wel elke dag kunnen schilderen!
_Helena_ (_allengs onrustig_). Maar je kunst staat daar toch boven! je mag
je kunst toch niet afhankelijk stellen van een model -- een -- een vrouw,
-- en je zei zelf zoo pas nog, dat een vrouw je zoo afleidt, dat je kunst
het hoogste is en boven alles -- ?
_Henri_ (_zich allengs opwindend_). Niet boven -- -- ik kan niet schilderen
zonder een vrouw!
_Helena._ Dan zou je geen artiest zijn -- en dat ben je.
_Henri._ Wat zeg je -- ?
_Helena._ Nee: een artiest moet daarboven staan -- boven de vrouwen!
_Henri._ Dat is niet waar! O, dat is heelemaal niet waar! -- God, de helft
van een artiestenziel zelf is een vrouw!
_Helena._ Misschien daarom juist.
_Henri._ Ach, je begrijpt me niet Helena! Ik bedoel: de vrouw moet de
bezieling, de ondergrond -- ik bedoel: het leven in een kunstwerk zijn! En
dat leven zie ik telkens in jou, -- (_voor de schilderij, met aandrang_)
hebben we dat niet samen gemaakt? samen? -- o, daaraan zal je me verder
helpen -- ?
_Helena_ (_zacht_). Maar ik heb juist daarvoor alles gegeven, wat ik te
geven had.
_Henri_ (_uitbarstend, op zijn knieën haar kleed omvattend_). Dàt!? -- dàt
-- !? dat was een aalmoes Helena! -- je hebt me nog maar een aalmoes
gegeven! -- ik wil alles -- ! -- geef me alles -- ! geef me alles -- !
_Helena_ (_verschrikt, pogend zich zacht los te maken_). Henri -- !--
_Henri._ Ik heb je lief Helena -- ! ik heb je aldoor lief gehad -- ! ik kan
niet meer buiten je -- -- ! Helena -- ?
_Helena._ Henri -- !--
_Henri._ Nee, ik kan niet meer buiten je -- blijf hier! blijf bij me! Ik
heb 't aldoor willen zeggen, maar ik wist niet hoe -- en ik was juist zoo
bang, dat je dan niet meer zou willen poseeren. O, het was dikwijls zoo
moeilijk, als ik naast je zat, als ik -- God, maar ik heb je aldoor lief
gehad Helena -- dadelijk al -- dàdelijk! -- Wil je blijven -- ? wil je met
me samenwerken -- samen mooie dingen maken -- samen -- (_hij springt op
eens, zich bang bezinnend, op en legt zijn hand op haar mond, -- gejaagd_).
Nee, antwoord niet! antwoord niet! -- ik heb je overvallen, ik heb je
verschrikt, ik ben te bruusk -- ik kan zoo moeilijk alles zeggen, wat ik
voel. (_nog eens haar hand vattend, wat zij toelaat, vragend_). Maar je
komt straks, je komt vanmiddag weer terug, nietwaar -- ? dan zullen we
spreken -- dan zullen we rustig praten -- Helena -- ?
_Helena_ (_die zich thans los heeft gemaakt, haar kleed om zich heen
trekkend, verward_). Ja -- maar ik moet me kleeden, ik moet weg, -- ze
wachten mij in 't pension.
_Henri._ Maar je komt terug -- ? je komt straks terug -- ?
_Helena_ (_hem aanziende, aarzelend_). Ja -- vanmiddag.
_Henri._ Dat is goed, dat is goed -- . (_hij volgt haar naar de slaapkamer,
waar Helena zich bij de deur omkeert en hem aanziet, -- hij begrijpt haar
bedoeling en treedt terug_). O, ja -- je hebt gelijk -- tot straks dan --
-- de deur naar de gang is los -- tot straks. (_Helena sluit de deur. Hij
komt terug, blijft even in gedachten voor den ezel staan, kijkt nog eens
weifelend naar de gesloten deur, draait vervolgens het slot van de trapdeur
weer open, en verdwijnt, na nog wat zenuwachtig geredderd te hebben, in het
keukentje, om voor zijn tweede ontbijt te zorgen_).