ACHTSTE TOONEEL

_Henri, daarna Nellie._

_Henri_ (_hij blijft even in gedachten, en komt dan langzaam, neuriënd naar

voren, terwijl hij de aria van het champagnelied uit Mozart's "Don Juan"

tracht te zingen. Daar hij niet muzikaal is, wil het niet best. Hij

probeert nog eens de wijs te vatten, zich in den kleinen spiegel naast den

ezel beziende en daarbij met het zakdoekje van Helena manoeuvreerend, als

d'Andrade met de handschoenen. Juist wanneer hij het zakdoekje bij het

overmoedige slot triomfantelijk ophoudt, ziet hij in 't spiegeltje Nellie

achter zich de deur openen. Hij blijft even, zich bedenkend, in dezelfde

houding, en keert zich dan kalm om_). Tja -- (_het zakdoekje wegbergend_).

Ja, je zou nog terugkomen, hè -- dat is waar ook (_neuriënd_). Ken je die

wijs nog uit de "Don Juan", Nellie? (_hij tracht de laatste noten van de

aria te herhalen_).

_Nellie_ (_is stil op de bank gaan zitten en zwijgt_).

_Henri_ (_niet goed wetend wat te zeggen, herhaalt nog eens neuriënd het

slot_). Hè -- ? -- dat is mooi -- ?

_Nellie._ Daar heb ik toch geen verstand van, -- je hebt me nooit

meegenomen naar de opera.

_Henri._ Nooit meegenomen! -- En we zijn laatst nog naar dat nieuwe

café-chantant geweest? (_als zij minachtend lacht_). Ja, God, dat gaat nu

eenmaal moeilijk! En bovendien heb ik daar geen tijd voor: -- ik kan niet

eeuwig naar de schouwburg loopen! -- O, maar dat is ook al zoo lang

geleden, die "Don Juan" -- ha, ik weet geen eens de wijs precies meer. Ze

zeggen wel eens, dat ik heelemaal niet muzikaal ben, -- onzin natuurlijk:

ieder mensch is eigenlijk muzikaal -- maar daarom hoef je nog niet dadelijk

zoo'n wijs te kennen -- (_hij probeert nog eens neuriënd_).

_Nellie_ (_die zwijgend voor zich uit is blijven kijken_). Moet ik nog

poseeren?

_Henri._ Poseeren -- ? -- Ja, dat is waar ook, hè: je komt -- -- (_hij gaat

voor den ezel zitten_). Ja, maar eigenlijk zijn we klaar, (_de figuur van

dichtbij bekijkend_) -- nee -- ik durf er voorloopig niet meer aan te

komen.

_Nellie_ (_opstaand_). Nou, dan zal ik maar gaan.

_Henri_ (_verward opkijkend_). Gaan -- ? Nee kind -- zet nog wat thee, --

dan drinken we een kop thee, hè? -- Je begrijpt: voorloopig moet dat nou

wat rusten, ik moet nu aan de linksche figuur -- .

_Nellie._ En daar heb je nou een ander voor.

_Henri._ Daar hebben we 't nu al eens meer over gehad, hè. Je weet, dat ik

je voor de linksche figuur nu eenmaal niet kan gebruiken.

_Nellie._ "Gebruiken" -- juist: nou die ander er is, kan je mij heelemaal

niet meer "gebruiken", hè?

_Henri._ Nou, nou, "gebruiken" -- dat zeg ik niet, wat is dat nou voor een

uitdrukking.

_Nellie_ (_uitbarstend_). Dat zeg je wèl -- en je bedoelt 't ook,

gemeenert! O, ik heb het altijd wel geweten, dat ik hier maar was tot je er

genoeg van zou hebben! (_naar de schilderij wijzend_). Dáárvoor had je me

alleen maar noodig, hè? en de rest was maar bijzaak -- en nou laat je me in

de steek, nou dat malle spook hier komt -- nou ben ik hier te veel, hè?

_Henri_ (_driftig_). Wel allemachtig, hoe heb ik 't nou! -- Wat is hier

gemeen -- ? Ik zou toch zeggen, dat dat werk voorgaat! -- Ik kan je hier

toch niet altijd over de vloer hebben, nou ik aan die tweede figuur begin!

_Nellie._ O, maak je maar niet ongerust hoor -- ik zal heelemaal niet meer

over je vloer komen. Je hebt al een ander, die je huishouden kan doen, hè?

die voor je brood zal zorgen en voor je kleeren, hè? -- nou, laat die fijne

madam dan maar je sokken stoppen en je vuile rommel redderen -- ìk zal mijn

voeten hier niet meer zetten hoor -- ik bedank je hier voor je meid te

spelen -- !

_Henri_ (_pogend te sussen_). Nou, nou Nellie -- zoo is 't niet bedoeld.

Mijn hemel wind je toch niet zoo op, -- ik heb alleen maar willen zeggen,

dat je niet meer zoo dikwijls -- niet meer zoo elke dag...

_Nellie._ O, ik weet heel goed wat je bedoelt! Zoo zachies aan kant gezet,

hè? Eerst wat minder komen, en dan voor goed de bons -- net als je vorige.

Nou maar, al ben ik dan niet veel -- daar ben ik toch nog te goed voor,

hoor! God, ik zal wel uit me zelf gaan! Maak je maar niet ongerust, ik zal

't je niet lastig maken hoor, -- als je dacht dat ik niet buiten je kon,

dan vergis je je -- ik gùn je dat malle mensch -- dààr: ik gun je er!

_Henri_ (_driftig opstuivend_). Hou je mond! Ik verkies niet, dat je hier

zoo over mijn leerling spreekt!

_Nellie_ (_heftig, tegenover hem_). "Jij verkiest" -- !

_Henri._ Ja zeker: "ìk verkies"! versta je dat!? ik verkiès niet, dat je

hier zoo over mijn leerling spreekt!

_Nellie._ "Zijn leerling" -- ! -- O! dat moet er nog bij komen, dat je me

uitscheldt! Wat heb ik je dan gedaan, dat je me zoo behandelt -- heb ik

niet alles gedaan, wat je van me wou -- àlles -- en nou -- (_in tranen

uitbarstend, aan de tafel_) o, maar ik heb lak aan je leerling, hoor! ik

heb lak aan je fijne madam! ik heb lak aan jullie!----

_Henri_ (_in de war, nog ingehouden driftig_). Ik verkies niet, dat je hier

zoo spreekt! ik verkies niet, dat je hier scènes maakt! ik verkies niet...

_Nellie_ (_snikkend_). O! ik zal wel gaan! -- ik zal wel gaan! -- ik zal

wel gaan!--

_Henri_ (_onder den indruk_). Ach -- Nellie -- toe--

_Nellie_ (_te erger snikkend_). Ik zal wel gaan! -- ik zal wel gaan!--

_Henri._ Ach Nel -- wees nou verstandig (_hij klopt haar op den schouder_).

_Nellie_ (_snikkend, zijn hand afschuddend_). Nee -- je hoeft me niet meer

aan te raken! -- je hoeft me niet meer aan te raken!

_Henri_ (_sussend_). Nou, maak je nou toch niet zoo overstuur.

_Nellie_ (_zich allengs beheerschend_). O wees maar gerust, ik zal je niet

meer tot last zijn.

_Henri._ Daar is geen kwestie van Nellie. Je weet wel, dat je mij volstrekt

niet tot last bent. Je weet toch, hoe graag ik je heb -- we hebben 't samen

toch altijd goed gehad. Maar denk je nu toch eens in de zaak, -- het is

toch zoo eenvoudig mogelijk: -- Ik moèt nu aan die andere figuur, -- iemand

wil me daaraan helpen -- nou, natuurlijk neem ik dat aan! -- Je weet toch

immers, hoe lang ik daar naar gezocht heb! In dien tijd kan jij nu

natuurlijk minder komen -- , -- later -- daarna...

_Nellie_ (_voor zich uit starend_). Herman had gelijk: -- egoïsten zijn

jullie! egoïsten! -- egoïsten!--

_Henri_ (_zijn schouders ophalend_). Ach, Herman -- wat kan die je nou

geven!

_Nellie_ (_uitdagend_). O, meer dan jij!

_Henri._ Wat?! -- Heb je hier dan niet alles gehad, wat je wilde? heb ik je

niet alles gegeven, waar je om vroeg? heb ik je niet altijd met je kleeren

geholpen, als je wat noodig had -- ?

_Nellie_ (_opstaande, trotsch tegenover hem_). En wat heb ìk je gegeven --

?

_Henri_ (_verbaasd, glimlachend_). Jij -- ? -- ach, wat kan jij me nu

geven, Nellie!

_Nellie._ Ik heb je àlles gegeven -- àlles, alles -- mijn lijf en mijn

alles!

_Henri_ (_geprikkeld door haar houding_). Ach wat "lijf"! -- wat is een

lijf! ik wil meer! -- het "ideàal" van een lijf, als je me dát kon geven,

ja...

_Nellie._ Ik heb je álles gegeven -- mijn lijf en mijn ziel en...

_Henri._ Ach -- "ziel" -- !--

_Nellie_ (_hem ontsteld aanziende_). God, ik wist niet, dat je zóó hard

was.

_Henri_ (_stampend, daar hij voelt het moreel te verliezen_). Dat is niet

hard, dat is wáár! Dat is een wáárheid! Maar de menschen willen geen

waarheid -- jullie kunt geen waarheid verdragen!

_Nellie_ (_zich terugtrekkend naar de deur_). Ik wist niet, dat je zóó hard

was.

_Henri._ Als ik zeg "meer", dan bedoel ik dat overdrachtelijk natuurlijk,

"ideëel" begrijp je -- ach nee, dat begrijp je natuurlijk niet. -- Dat is

het juist, dat je me niet begrijpt -- niet begrijpen kùnt -- !

_Nellie._ Ik wist niet, dat je zóó hard was.

_Henri_ (_met zijn armen naar den ezel wijzend_). Ik bedoel dàt, ik bedoel

mijn kunst, begrijp je! Ik wil alleen mijn kunst! dàt zoek ik achter een

lijf en een ziel en alles -- en dáárvoor moet al 't andere wijken --

begrijp je.

_Nellie_ (_in de deur_). Ik wist niet, dat je zóó hard was.

_Henri._ Nellie -- -- ! (_zij heeft de deur gesloten; hij weifelt een

oogenblik, zet zich dan op de rustbank en staart met het hoofd tusschen de

handen voor zich uit_).

_Scherm._

Naakt model: Toneelspel in drie bedrijven · 第 27 / 37 题