ZEVENDE TOONEEL

_Helena, Henri._

_Henri_ (_wat onthutst zijn boekje opbergend_) Ah -- ! -- ? (_hij doet een

paar stappen naar de deur, maar wendt zich dan tot Helena_). "Voilà la

femme!"

_Helena._ "Voilà l'hòmme!" -- jullie zien altijd de vrouwen als theoretisch

allemaal 't zelfde.

_Henri._ Maar in de practijk proeven wij ze apart!

_Helena._ Nee -- wees nu niet zoo cru.

_Henri_ (_wrevelig voor zich heen_). En wat valt er nu aan haar te proeven

(_half tot Helena_). Wat heb je aan die modellen après tout!

_Helena._ Dat mag je niet zeggen! Ik vind dat een heel lief, naïef kind.

Het was een heel ding voor haar me hier gezelschap te houden -- nee, je mag

niet zoo cru zijn!

_Henri._ Juist cru! De dingen zeggen, zèggen -- en niet alleen dènken! Wat

zou de wereld verder zijn, als iedereen maar zei wat hij dacht --

(_zachter, met een zucht_) en wat zouden wìj verder zijn.

_Helena_ (_ontwijkend_). O nee -- nee, de menschen zouden veel te veel

schrikken.

_Henri._ Laat ze dan maar eens schrikken en door elkaar geschud worden! O,

die eeuwige conventie! -- Het is soms als watten, als een wolk die op de

wereld ligt, -- zij hangt over de menschen en dekt ze toe -- ons allemaal!

Zie je, ik voel me soms als mensch en als kunstenaar te kort gedaan door de

conventie, beschadigd, gekortwiekt aan mijn vrije ziel -- gedeukt en

gedrukt -- ja, gedrukt vooral! als een dier gevangen onder een net! Wij,

conventioneele menschen, kunnen de wereld en de hemel, en Onze Lieve Heer

er bij, alleen nog maar zien door de mazen van het net -- door vierkantjes!

-- alles door vierkantjes!

_Helena._ Ja -- zoo voel ik het ook dikwijls, daar heb je gelijk in.

_Henri._ En, zie je, ik geloof soms, dat dat de eenige taak, de hoogste

taak van een kunstenaar is -- of van 't genie in 't algemeen: het

dóórbreken van de conventie. Wat hebben alle grooten eigenlijk anders

gedaan, alle genieën en denkers en kunstenaars, dan een scheur te geven in

het net, en er boven uit -- -- o! er boven uit te komen!

_Helena._ Ja, ja -- dat moet jij ook!

_Henri_ (_peinzend_). En dat is 't mooie van de vrouw: jullie zijn soms

meer dan wij "er boven uit" -- jullie dùrven soms meer.

_Helena_ (_onzeker_). Ja -- soms.

_Henri_ (_haar onzekerheid bemerkend_). Tenminste -- ja, zie je, dàt is nou

wel 't mooie van zulke modellen, als die Nellie nou bijvoorbeeld, -- ah!

zulke kinderen kennen geen conventie, hè.

_Helena._ O nee Henri, zeg dàt niet -- nee, nee dàt is niet waar: juist

zij, juist die standen zitten vol met conventie en duffe begrippen!

_Henri._ Maar ik kèn haar toch, ik weet toch, hoe de meesten van hen denken

-- hoe vrij zìj bijvoorbeeld is, hoe...

_Helena._ Ah! ja, jij denkt alleen aan -- jawel, jawel in dat ééne opzicht:

het diertje, het ... nee, nee daarin ben je nu weer de echte man, die de

vrouwen maar allemaal over één kam scheert en te laag taxeert! Nee: juist

bij de vrije, zelfstandige en moderne vrouwen, juist in die tusschenlagen,

of hoe je 't noemen wil, vind je een eerlijkheid en een vrij zijn van

conventie...

_Henri_ (_onstuimig in de rede vallend_). Juist niet! juist niet! hoe kùn

je dat nu zeggen Helena! -- En jìj dan -- jij -- ! O, hoe zou je me kunnen

helpen! (_hij grijpt haar hand_) als je maar woudt -- en als jij óók maar

niet vastzat aan een conventie!

_Helena_ (_haar hand terugtrekkend, onzeker aanvallend_). Niet zoo cru,

Henri! niet zoo -- dat kan ik niet hebben -- ik ben nu eenmaal níet zoo'n

model -- ik voel nu eenmaal -- -- anders.

_Henri_ (_ietwat verschrikt aflatend_). O nee -- nee, natuurlijk. (_stilte,

dan zuchtend voor zich heen_). Ach! wat zijn jullie vrouwen subliem

onlogisch!

_Helena_ (_onzeker_). Wij zijn misschien spontaan -- maar er is een

vrouwlijke spontaniteit, die hooger gaat dan jullie mannelijke logica.

_Henri_ (_met zijn handen in de zakken voor de schilderij_). Nou ja, dat

zijn per slot maar woorden (_stilte_). Zie je, (_naar de figuur van Nellie

wijzend_) dat is af, aan haar kan ik niet meer doen. Dat is het naakt op

zichzelf hè, waar een kunstenaar niets meer bij te voegen heeft -- het

aesthetisch physieke naakt. Daarachter ligt niet meer iets anders -- je zou

bijna zeggen: "daar ligt geen ziel meer achter", -- het "classieke" naakt,

dat is 't eigenlijk!

_Helena._ Classiek?

_Henri._ Nou ja, dat is natuurlijk als een moderne impressie geschilderd,

maar in heel algemeenen zin toch "classiek". Het naakt, dat leeft, dat

ademt -- maar ook niet meer, hè, -- ja, als "soort" van kunst kun je 't

natuurlijk impressionistisch noemen. -- Nou, dat is af -- dat is af. Maar

nu dat andere! Dat is het naakt met een sluier, met een sfeer, of liever

met een ziel -- dat is de "romantiek" van het naakt! Dat eerste is het

lichaam als verschijning, hè, maar dàt moet het lichaam als ziel worden,

als een wonder -- als iets waar zoo veel nog àchter ligt, -- het naakt als

een levend bloembed, waar de warme hemel over trilt!

_Helena_ (_zacht_). Ja, dat is juist wat ik in je stukken altijd zoo mooi

vind, -- (_weifelend, naar de rechtsche figuur_) dat ligt daar misschien

niet zoo in -- .

_Henri._ Maar dat heb ik nog nooit heelemaal bereikt, dat wat ik wil!

Zooiets groeit met je leven als schilder, en zelf groei je er naar toe; en

in zoo'n groot ding als dit groeit dat onderwijl -- (_mismoedig_) groeit

alles wat je zou willen je over je hoofd.

_Helena_ (_voorzichtig_). Maar -- dat alles, wat je er in ziet, dat leg jij

er in, dat is toch van jou, van jou eigen -- en dat alles kan je toch zien

-- in elk mooi model?

_Henri._ Nee! nee! juist niet -- hoe kun jij dat nu zeggen, jij, die toch

weet wat kunst is! Er moet toch een wisselwerking zijn, je kan toch niet

alles uit je zelf alleen phantaseeren -- er moet toch een bezieling uitgaan

van iets, waar je een ziel in wil leggen! En zulke modellen zijn dood --

dood. Om dat te bereiken wat ik wil, moet ik in een roes zijn Helena --

moet ik betooverd zijn! betooverd! (_vurig aandringend_). En nou zie ik

voor me, wat ik zoo lang heb gezocht! nou zie ik jou Helena! -- nou zie ik

jou, die betoovert en me dàt kan geven!

_Helena_ (_die teruggeweken is op de rustbank en naar de schilderij staart,

terwijl Henri aan haar voeten gaat zitten en haar hand neemt_). En het

gelaat -- ? het gelaat -- ?

_Henri_ (_zich afwendend_). Het gelaat? -- O, daar ben ik nog niet aan toe.

Dat is het eind, het symbool van de beide anderen -- dat wat de beide

anderen opheft in een louter geestelijke sfeer. (_glimlachend naar de

schilderij_). Ik noem het wel eens hun "hemelvaart" zie je -- ja, maar daar

ben ik nog niet aan toe, dat komt later.

_Helena._ Misschien kan ik je daar ook aan helpen -- ?

_Henri_ (_afgetrokken_). Daarbij? -- Nee -- ja, misschien, -- maar dat is

voor later, ik zie je nu alleen zóó.

_Helena_ (_zich werktuiglijk een zijden sjaaltje dat zij draagt vaster om

de schouders trekkend_). Maar -- hoe weet je, dat ik mooi zou zijn, hoe

weet je, dat al mijn vormen -- en de kleur...

_Henri._ Maar dat zie ik Helena! Ik heb toch oogen! Dacht je, dat ik je

niet zag -- dacht je, dat ik niet wist hoe mooi je bent -- ? Ik ben toch

schilder! -- Ach, dat spreekt zich immers in alles uit, dat verschil van

jou met -- met al die anderen. -- Kijk nou je haar alleen (_op Nellie's

figuur wijzend_) dat is haar -- nou ja, dat is mooi haar, mooi als kleur,

mooi als noot tegen die blanke huid -- maar het is per slot niet meer dan

een mooie kleurvlak. Maar jouw haar, dat heeft een glans, een wrong, een

golving -- dat is meer dan schildermooi, zie je, dat leeft -- ! (_allengs

meer koel ontledend_) En dan -- jouw hals bijvoorbeeld: -- zoo die lijn van

jouw hals naar je schouder -- o! dat vind je zoo zelden, dat is altijd

onzuiver: (_met zijn handen aan haar teekenend_) dat is altijd te recht, of

dan weer te kort, -- -- en trouwens: je huid, dat soort van heel licht

olijf...

_Helena_ (_onwillekeurig uitroepend_). Maar zoo zie je me alleen als

schilder!

_Henri_ (_zich vaag bij het doel voelend, maar niet wetend in welke

richting hij moet antwoorden_). Als -- als schilder? Ja -- wil je dan -- --

je weet Helena, dat ik je ook in andere -- opzichten bewonder, dat ik...

_Helena_ (_verward haar uitroep pogend te herstellen_). O nee, nee dat

bedoel ik niet -- ik wil alleen zeggen, dat -- ja, omdat je daarnet juist

uitlegde, dat je in mij, in mijn figuur, meer dan 't schildermooi zag --

iets daar boven uit -- je sprak toch over "meer dan schildermooi", dat zei

je toch?

_Henri._ Ja, natuurlijk -- maar dat moet hier toch ook berusten op een

lichamelijk schoon.

_Helena._ Jawel, jawel, maar -- zie je, jij trekt die grens altijd zoo

scherp, ik begrijp eigenlijk niet, dat je dat altijd zoo scherp kunt

scheiden -- als mensch en als schilder.

_Henri_ (_opstaand, geprikkeld over wat hem verward schijnt_). O, jullie

vrouwen! jullie speelt altijd -- speelt met kunst, en met leven, en liefde

-- jullie spéélt! -- -- En als 't er op aankomt dan dùrven jullie niet!

_Helena_ (_gekwetst, tegenover hem_). Ik speel niet, dat is niet waar, --

en "durven"? -- wat is daar voor durven aan -- voor mij! Maar je begrijpt

een vrouw niet, je begrijpt niet, dat sommige gevoelens van een vrouw nu

eenmaal -- anders zijn, dat een vrouw zich nooit zuiver als een

schilderselement kan voelen! Zie je; als het er op aankomt, dan hebben wij

juist meer ziel -- meer menschelijkheid -- !

_Henri._ Maar dat begrijp ik, dat respecteer ik, dat...

_Helena_ (_een beweging makend of zij de hand op zijn mond legt_). Ik wil

alleen zeggen, dat -- als je me schildert -- als je me zou schilderen -- je

me alleen moet zien, zooals je me zelf zei, als een -- een model, dat

"bezielt" -- -- een model met een ziel...

_Henri_ (_in vervoering_). O maar -- -- wìl je! -- wìl je! -- je wilt

Helena!?

_Helena_ (_ziet hem aan en stemt zwijgend toe_).

_Henri._ Je wilt! -- (_hij kust hartstochtelijk haar hand_). O, ik zal niet

aan je komen -- ik zal je niet aanraken Helena!

_Helena_ (_wat ontsteld door zijn hartstocht en door zijn woorden,

verwijtend_). Henri -- !

_Henri_ (_zich herstellend_). O! -- nee, vergeef me, vergeef me, -- het was

alleen maar uit dankbaarheid, het was alleen uit vreugde!

_Helena_ (_nu weer zekerder van zichzelf_). En -- wanneer?

_Henri._ Vandaag! -- Nu! (_ronddenkend_). Nee, nu kan 't niet meer -- ik

geloof, dat Nellie nog terug zou komen. (_op zijn horloge ziend_). Ja, de

tijd is om -- ze zou nog wel terugkomen, geloof ik -- , (_zich bezinnend_)

maar -- nee, vandaag kan 't niet meer.

_Helena_ (_wat gejaagd_). O komt ze nog terug ? Ja, dan is 't beter, dat ik

nu maar ga, hè. (_zij neemt haar hoed en maakt zich haastig klaar_).

_Henri._ Ja, misschien is 't dan ook beter, dat je nu maar gaat -- voor 't

geval -- -- (_blij_) maar dan hebben we morgen ook den heelen dag, den

héélen dag voor ons! Ik zal haar dan afzeggen, en wij zijn alleen, den

heelen dag voor òns -- den heelen dag Helena!

_Helena_ (_hem de hand drukkend en snel afscheid nemend_). Tot morgen -- !

(zij ziet nog even naar de schilderij en gaat dan snel heen).

_Henri_ (_haar uit de deur geleidend_). Tot morgen Helena, tot morgen! tot

morgenochtend!

Naakt model: Toneelspel in drie bedrijven · 第 26 / 37 题