_Nellie, Helena, Henri._
_Henri_ (_binnenkomend_). Ach! neem me niet kwalijk, ik wist niet...
_Helena_ (_nog lachend om haar laatste woorden op hem toegaand_). Ah -- !
mijn vriend!
_Henri_ (_innemend_). Neem me niet kwalijk, maar ik moest juist even
beneden bij een kennis zijn. Heeft Nellie je goed ontvangen? (_gekscherend
tot Nellie_). Heb je de "honneurs" goed waargenomen Nellie?
_Helena._ O, juffrouw Nellie heeft me heel lief gezelschap gehouden -- wij
hadden het juist over jou.
_Henri._ Over mij -- ?
_Helena._ Ja -- juffrouw Nellie waarschuwde me ernstig voor je
gevaarlijkheid -- (_lachend_) voor je mànnelijke gevaarlijkheid!
_Nellie_ (_ziet haar verontwaardigd aan; zij is intusschen op de rechtsche
tabouret naast den ezel gaan zitten en steekt het haar wat vaster om haar
hoed op te zetten, waardoor zij, met opgeheven armen en wat
achterovergebogen, een overeenkomstige houding heeft met de rechtsche
naaktfiguur, -- terwijl Helena gedurende de volgende woorden op de linksche
tabouret naast den ezel gaat zitten en, met de handen in haar schoot naar
Henri opziende, een houding heeft, die eenigszins met de schets der
linksche naaktfiguur overeenstemt_).
_Henri_ (_die tusschen hen voor den ezel is komen staan, half korzelig,
half gevleid glimlachend_). Ach, wat een onzin! -- Nee, wat een onzin! Ik
gevaarlijk?! (_boozig tot Nellie_). Wat heb je juffrouw Helena nou voor
gekkigheid op de mouw gespeld? Ik gevaarlijk! -- Nee (_tot Helena_): er
bestaat maar één groot algemeen gevaar -- en dat is de vròùw -- , dè vrouw!
-- (_hij kijkt van hen naar de schilderij en ziet plotseling in hun houding
zijn naaktfiguren; verrast_). Kijk! -- Ah! -- Blijf zoo zitten -- blijf
zitten! (_een stap terugdoend_). Ah! dat is -- -- (_Helena en hij zien
elkaar, na een snellen blik van haar naar de schilderij, een oogenblik
strak aan en alle drie begrijpen zij tegelijk de plotselinge gedachte. Een
moment zijn alle drie verward, dan haalt Henri een schetsboekje uit zijn
zak, en doet nog een stap terug_). Even! -- éven maar! -- blijf zitten --
(_hij maakt een vlugge krabbel van Helena, terwijl Nellie stil opstaat en
naar de deur treedt, hetgeen Henri ternauw bemerkt, en slechts even met de
hand doet terugwenken_). Nee, blijf nou zitten (_doorteekenend_) -- zoo
zitten (_hij teekent verder_) zoo -- zoo (_Helena en hij zien eerst verrast
terzijde, als Nellie de deur achter zich sluit_).