_Henri, Nellie, Oompje._
_Oompje_ (_zijn witte sik om de deur stekend_). Hm -- precies! precies, --
zoo hard aan 't vrijen? (_naar binnen schuivend_). Zijn jullie ook al zoo
ver me kinders? hè?
_Nellie_ (_naar hem toegaande en bij een mouw vattend_). Nou, hoort ù nou
es!
_Henri_ (_half gekscherend de andere mouw vattend_). Ja, hóórt u nou es!
_Oompje_ (_naar voren gehaald, kijkt hen de een na den ander over zijn
schouders aan en schudt zijn hoofd_). Nee, oompje heeft niets meer te
hooren (_zijn beide oogjes dichtknijpend_) Oompje weet er alles van, hm, --
hij heeft het zijn heele leven al gehoord -- dat is zoo de spe... (_hij
niest_) de specerij van de liefde me kinders, hm, -- maar dat komt terecht
-- gerust: dat komt altijd weer terecht! (_met een zucht_) àltijd weer
terecht.
_Nellie_ (_nog opgewonden_). Nou maar hìj--
_Henri_ (_spottend in denzelfden toon_). Nou maar zìj--
_Oompje_ (_hen om beurten aankijkend_). Hm, "nou maar ik!" Precies! ik mag
wel zeggen "nou maar ik" -- want oompje zit er leelijk tusschen.
_Henri en Nellie._ Wat is er dan? Wat is er dan?
_Oompje._ Oompje heeft geen centen mekinders (_ze laten hem los_). Nee! Het
is niet voor mìj hoor, -- jullie weet hoe ik leef hè: kalmpjes an met m'n
pijpie, en, (_zijn neus wrijvend_) een heel enkele keer mag 't es een
borreltje zijn (_de een na den ander aankijkend_) -- ja, God, in mìjn tijd
hè, toen waren we nog niet zoo geheelonthouders hè, toen lustten we 'm nog
wel es, zie je -- maar afijn -- -- nee, waarachtig voor mij is 't niet. Hm.
_Henri_ (_meesmuilend_). Nee natuurlijk, dat weten we wel.
_Oompje._ Precies! Voor mij is 't niet -- maar voor Cor. (_vertrouwelijk
tot Henri_). Hm, Cor vraagt, of je misschien es eventjes tijd had, om
beneden te komen. Ze zou je zoo graag es effen spreken, -- (_hem met den
vinger dreigend_) ja jongeheer, zij heeft een zwak voor jou! -- 't Is voor
hààr, zie je -- of eigenlijk is het voor ... e, voor dat kind, zie je. Ze
heeft berichten gekregen -- hm, het is nou op eens weer minder goed
geworden, en nou maakt ze zich zoo belabberd over dat wurm en nou wil ze er
met alle macht heen -- dat is de choos. Maar oompje heeft geen centen --
dat is m'n zwakke punt, hm, en nou maakt ze zich zoo overstuur -- enne --
afijn -- als je nou misschien es een oogenblikkie had, om naar beneden te
komen en haar wat te kalmeeren -- enne...
_Henri_ (_korzelig_). Jawel, jawel -- ik zal wel even meegaan (_hij reddert
wat bij den ezel en veegt een paar penseelen uit_).
_Nellie._ Och, is Cor zoo overstuur? Is 't kindje dan zoo erg ziek? Zou 't
dood gaan, denkt u?
_Oompje._ Ach, ze zit beneden te grienen om dat wurm, of 't heel wat is,
maar 't is zoo dikwijls ziek, -- ik voor mij, ik moet zeggen, zie je -- ik
mag lijden dat -- -- hm...
_Nellie_ (_die onderwijl in haar beursje gezocht heeft, aarzelend_). Zou u
dat misschien aan Cor willen geven -- ? Dan kan ze er misschien wat van
meenemen voor 't kindje, hè -- wil u -- ?
_Oompje_ (_het geldstukje nemend_). O -- dat is heel lief me kind -- heel
lief, hoor (_hij bekijkt het geldstukje met zijn bijziende, knippende oogen
en steekt 't in zijn vestjeszak_). Ik zal er aan denken hoor, hm -- . Heel
lief! (_hij heeft Nellie's hand genomen en geeft er een zoen op_) heel
lief!--
_Henri_ (_klaar met zijn penseelen_). Nou, zal ik dan even meegaan?
_Oompje._ Precies!
_Nellie_ (_oompje naroepend, die vóór Henri de kamer uitgaat_). Doet u mijn
groeten aan Cor -- ? en het beste met 't kindje, hoor -- ! zal u 't aan
haar zeggen -- ?
_Henri_ (_zich in de deur nog bedenkend, tot Nellie_). O ja, als -- e --
(_aarzelend_) als intusschen die leerling van me mocht komen, dan -- e --
dan doe jij wel open!
_Nellie_ (_verward_). O! -- ja -- wel -- ik zal wel open doen.