DERDE TOONEEL

_Henri, Nellie._

_Nellie_ (_verbaasd_). Wat was dat voor een mensch -- ?

_Henri_ (_uit zijn humeur_). Dat mensch was mijn zuster.

_Nellie_ (_wat onthutst_). Oh -- ! je zuster -- ! -- ?

_Henri._ Ja, wat duvel kom je dan ook zoo binnen! -- Waarom kom je nù al --

je zou toch komen na de les? -- Je hebt hier nog heelemaal niet te zijn!

_Nellie._ Nou, word maar niet zoo boos, -- dat kan ìk toch niet helpen, dat

juist dat men... dat je zuster hier was. Ik kwam maar even oploopen, omdat

ik in de buurt moest wezen bij Mien -- 't is nou toch nog geen tijd voor je

les met die leerling, -- die -- hoe heet ze ook weer -- ?

_Henri._ In ieder geval had je eerst kunnen kloppen, dan had ik je kunnen

zeggen, dat er iemand was.

_Nellie._ Och, je was toch aan 't zingen -- ! en--

_Henri_ (_opnieuw verontwaardigd over de scène van daar straks_). En dan

ook altijd die uitbundige manieren van jou! (_het broekje op dezelfde

manier als zijn zuster tusschen duim en vingers nemend_). Dat is van jou,

geloof ik.

_Nellie._ "Geloof ik" -- ? "geloof ik" -- ! Ja natuurlijk is dat van mij --

dat weet je toch waarachtig ook wel! -- Ha! het moest ook eens niet van mij

zijn! -- "Geloof ik" -- ! -- Draagt je nieuwe leerling ze dan ook zoo -- ?

_Henri._ Hou je mond! Wat is dat nou weer voor ordinairheid! -- Wat duvel,

jij met je grove manieren! -- Wees toch een vrouw! Wees toch een nette

vrouw! Probeer toch eens eindelijk een "dame" te zijn! (_hij heeft het

broekje onderwijl verfrommeld en gooit het op de rustbank_).

_Nellie_ (_wat kleintjes_). Ja, zoo'n "dame" als je nieuwe leerling kan ik

niet wezen.

_Henri._ Dat is onzin! Die nieuwe leerling heeft er niets mee te maken, --

iedere vrouw kan een "dame" zijn -- als ze maar wil.

_Nellie._ Och Henri, hoe kan ik nou een "dame" zijn, voor een "dame" moet

je geld hebben, en fatsoenlijk wezen -- dàt is een "dame!"

_Henri._ Ach, jij met je eeuwige gezanik over fatsòènlijk en ónfatsoenlijk!

-- Er bestaat eenvoudig geen fatsoen -- wat is nou fatsoen -- ! Het eenige

kenmerk van een fatsoenlijke vrouw is, dat je nooit aan haar kunt zien, dat

ze niet fatsoenlijk is -- begrijp je?

_Nellie._ Nee, dat begrijp ik heelemaal niet.

_Henri._ Dat is toch anders zoo eenvoudig als ik weet niet wat: -- je kunt

toch wel "spélen!" Je kunt je toch wel fatsoenlijk bewegen! en fatsoenlijk

spreken! en fatsoenlijk doen! -- -- toch nàdoen?

_Nellie._ Nee -- nee -- ik kán niet spelen en ik wìl niet spelen -- en ik

ben zooals ik ben!

_Henri._ Dat is onzin -- dat is naïeve aanstellerij: je hèbt eenvoudig niet

altijd te zijn zooals je bent! Iedereen speelt een rol, en een vrouw...

mijn hemel, wat is nou een vrouw, die geen comedie kan spelen! Dat is zelfs

het kenmerk van beschaving -- (_doceerend_): het kenmerk van beschaving is,

dat iedereen "netjes speelt."

_Nellie._ Och, dat is flauwe kul!

_Henri_ (_haar niet hoorend, tevreden zijn vondst bij zichzelf herhalend_):

"netjes speelt" -- juist: "netjes speelt" -- (_tot Nellie_). Wat zei je?

_Nellie._ Och Henri, je weet wel, dat ik voor die dingen geen begrip heb.

_Henri._ Nee, dat is het juist: "je hebt geen begrip!" -- Geen begrip van

comedie tenminste, -- daarom zit er ook geen kunst in je. God! ìk zou wel

voor "dame" kunnen spelen -- (_hij doet gemaakt aanstellerig zijn zuster na

en tript met een stijf buiginkje voor Nellie nuffig naar de deur_).

_Nellie_ (_lacht_). Gekke vent!

_Henri_ (_komt meelachend op de rustbank naast haar zitten. Stilte_).

_Nellie._ Zeg Han, hoeveel maal komt die leerling nou wel in de week?

_Henri._ Denk je, dat ik dat opschrijf! -- Zij komt -- wanneer ze komt.

_Nellie._ Nou -- Herman had net zoo goed leerlingen, -- die heeft er wel

drie, en die kwamen op een vast uur -- en die schreef het wel degelijk op,

hoor.

_Henri._ Zoo -- nou maar ik ben Herman niet.

_Nellie._ Maar, je moet het toch ook opschrijven voor -- voor de rekening?

_Henri_ (_proestend_). De rekening! "de rekening!" Ha, ha! die is goed!

_Nellie._ Nou -- is dat zoo gek?

_Henri._ Ach mensch, ze kon mij net zoo goed een rekening sturen! -- Ik

geef haar soms wat les, jawel, maar ze weet er waarachtig genoeg van --

theoretisch tenminste -- en ik leer zèlf, ik heb zelf veel aan haar (_heen

en weer loopend, meer voor zich redeneerend_). Dat is nou eens een nieuwe,

een bizondere vrouw -- dat is een verschijning! -- Een mensch moet altijd

weer nieuwe ideeën, nieuwe gevoelens op zich laten inwerken, als een

sproeibad -- dat heb ik noodig! Een mensch moest eigenlijk telkens weer in

nieuwe vormen kunnen opleven -- -- niet na je dood -- maar zóó: je moet je

altijd metamorphoseeren (_voor haar staan blijvend_). Zie je Nellie, dat

noem je metamorphose: "mètàmòrphóse" -- (_afbrekend_) enfin, dat begrijp je

toch niet!

_Nellie._ Dat begrijp ik best! dat begrijp ik best! je wil eenvoudig weer

eens wat anders! Je hebt genoeg van mijn poseeren, en nou komt die

opgemaakte madam hier over de vloer, en zit je met haar te zaniken en thee

te zetten -- en -- dat mensch komt hier tegenwoordig elke dag!

_Henri._ En wat zou dat? -- Je vergeet eenvoudig -- omdat je daar geen

begrip van hebt -- dat ik schilder ben, "schilder!" -- begrijp je dat

Nellie? (_naar de schilderij gaand_). Dààr geef ik om, dààr leef ik voor,

dààr gaat het hier om! -- Ik heb die vrouw noodig, ik zie daar dingen in,

die ik kan gebruiken -- dat is een gezicht, dat is een "gelaat, dat

strààlt" begrijp je: "waar licht uit komt!" Ik heb lìcht noodig -- en die

vrouw is mooi, begrijp je -- mooi -- "mooi"!

_Nellie_ (_even wat onthutst_). Mooi? mooi -- ? Ben ik dan niet mooi

genoeg? Heb je niet altijd opgegeven over mijn haar, en mijn lijf? Heb je

dan altijd weer anderen noodig voor je schilderijen? (_zich opeens

herinnerend_). En je hebt zelf verleden nog gezegd, dat ik er telkens zoo

anders uitzag! -- -- "Mooi?" -- nou, maar je maakt mij niet wijs, dat dat

mensch hier altijd alleen om te schilderen komt!

_Henri_ (_in den grond gevleid_). Poeh! wat een ideeën -- wat een ideeën!

-- En al kwam hier de heele wereld over de vloer, dan had je daar nog niks

niemendal mee te maken! Dacht je dan, dat ik altijd maar naar een en

hetzelfde gezicht kon zitten schilderen!? -- Och, dat is immers eenvoudig

te gek om los te loopen! -- Nee, lieve Nellie, sinds jij hier bent, komen

hier veel te weinig vrouwen -- dàt is de kwestie! Ik kàn niet schilderen

zonder vrouwen -- een schilder moet vrij zijn -- "vrij!"

_Nellie_ (_voor zich uit starend_). Je bent een harde man.

_Henri._ Hard -- !? Ha, ik wou, dat ik hard wàs! Ik ben juist heelemaal

niet hard -- niet hard genoèg. Ach God, ik ben juist veel te zacht: een

kunstenaar moèt hard zijn -- alle groote kunstenaars waren hard!

_Nellie._ En Herman dan?

_Henri._ Herman -- ? (_hij haalt zijn schouders op_).

_Nellie._ Nou, is Herman dan geen kunstenaar?

_Henri_ (_kregel_). -- Ach! -- (_luchtiger_). Ach ja, jullie, modellen,

snappen ook juist nooit iets van kunst, -- en van de moderne schilderkunst

nog minder, -- en van mij heelemaal niets.

_Nellie._ Nou, en je bent toch een harde man.

_Henri._ Maar God mensch, waar moet ik nou hard om zijn?

_Nellie._ Je bent voor vroùwen hard. Je hoèft niet altijd over vrouwen te

praten en over "vrij" zijn, -- als je van iemand houdt, dan màg je niet...

heelemaal vrij meer zijn! Nee! -- Jij doet maar, jij leeft maar, jij moet

maar vrij zijn -- en van mìj wil je niet, dat ik ergens meer poseer: ik mag

niet meer bij Herman komen, ik mag niet naar Willem, niet naar mijnheer

Hendriks -- .

_Henri_ (_na een kleine pauze_). God, ga je gang hoor.

_Nellie_ (_even in de war, dan driftiger_). Wat -- "ga je gang" -- ? -- Wat

zeg je -- ? -- O! dus het kan jou niets schelen hè, waar ik zit en wat ik

uitvoer! -- O ja -- dan ben jij des te vrijer hè? (_bijna in tranen_). Om

mìj heeft ie zich niet te bekommeren, als hìj maar doen en laten kan, wat

ie wil! -- Heb je dan nog niet genoeg gehad, vroeger -- met al die meiden?

O! jullie mannen hebt 't maar makkelijk -- jullie hebt geen gevoel, dàt is

't: jullie hebt geen gevoel!

_Henri_ (_wat onthutst over den uitval en de opkomende tranen_). Nou, nou

-- "makkelijk"! ìk "makkelijk"! (_hij zet zich op den stoel voor den

ezel_). Nee -- dàt kan je waarachtig niet van me zeggen hoor. Ik mag

misschien niet zoo zwaar op de hand zijn als jouw Herman...

_Nellie_ (_opstuivend_). "Mìjn Herman" -- !?

_Henri._ Nou ja -- als Herman dan, en sommige anderen -- maar makkelijk

(_hij draait zich om naar de schilderij_). Goddorie nee. Hoe lang zit ik

nou al aan dat ding, en ik kan er maar niet verder mee komen, nou ik met

jou haast klaar ben, -- hoe lang zoek ik al naar dat tweede naakt? En ik

kan 't toch niet zonder model -- ik kan 't toch niet uit mijn duim zuigen!

-- Maar ik zal zoeken, zoeken tot ik 't vind -- tot ik heb wat ik wil! Ah!

jij met je "vrouwen" -- ! Vrouwen? Ja natuurlijk -- dáárvoor, dáárvoor heb

ik ze noodig! -- ik kàn niet schilderen zonder vrouwen! -- Maar voor mezelf

-- ? (_zich weer tot Nellie keerend_). Ach lieve Nellie, ze zeggen zoo

dikwijls van mij, dat ik zoo op vrouwen ben, en -- er zooveel gehad heb. --

(_opstaande_). Ach, ik zou me misschien schamen om te zeggen "hoe weinig"

-- hoe weinig of ik waarachtig -- -- ha! als al die zoogenaamde Don Juans

eens dorsten opbiechten hoe weinig... (_hij blijft voor haar staan, en

opeens heftiger met saamgeknepen vuisten_). Maar begèèrd, begèèrd, zie je,

ja dàt heb ik -- altijd -- altijd -- "begeerd!" (_moedeloos weer op den

stoel voor den ezel vallend_) -- -- en daarom is 't leven zoo vermoeiend.

_Nellie_ (_verteederd, legt haar arm om zijn schouders_). Maar Han, nou

toch niet meer, nou heb je toch mij! nou hoef je toch niet meer zoo

onrustig te zijn. Kijk es, hoor nou es: als ik nou eens een heel nieuwe

pose aanneem -- je laat me ook altijd maar zóó liggen, maar...

_Henri_ (_zich wrevelig losmakend_). Ach nee, dat begrijp je niet. Het gaat

maar niet zoo om een willekeurig lijf! God, die zijn er genoeg, maar om een

nieuw "aspect," om een nieuw wézen -- om een "ziel," om iets dat bè-zièlt,

lieve Nellie, -- dát heb ik noodig!

_Nellie_ (_nadenkend_). Nou zal ik dan nog eens rondzien, en bijvoorbeeld

vragen of Ant es aankomt, die met dat mooie rooie haar, hè? die heb je hier

nog nooit gehad. Dàt is een mooie vrouw Han -- tenminste, voor een

schilder...

_Henri_ (_uitvallend_). Ach verdomd nee, dat bête gezeur over Ant en Lien

en -- -- Goddorie nog an toe, wat geef ik om de heele zooi! Dacht je dan,

dat ik daarmee opschoot, of ik de eene of de andere dooie hark daar heb

liggen!--

_Nellie_ (_geprikkeld_). O, ik begrijp 't heel goed hoor! ik begrijp 't

best: -- dat nieuwe mensch maalt je door je hoofd, en nou zijn wij -- nou

ben ik niet genoeg, hè! Nou maar...

_Henri._ En nou is 't uit met "dat mensch" dìt en "dat mensch" dàt! Ik

verbied je eenvoudig...

_Nellie._ Verbieden! verbieden! (_heftig, met weer opkomende tranen_). Ja,

ik zal me door jou laten verbieden! -- verbeel je! -- (_er wordt geklopt,

beiden kijken om_).

Naakt model: Toneelspel in drie bedrijven · 第 22 / 37 题