_De vorigen, Helena._
_Helena_ (_rijzige gestalte, achter in de twintig, donker haar met donkere
wenkbrauwen en lange wimpers, waaronder lichte oogen, zuiver gesneden
gelaat, met wat bleek teint; haar verschijning contrasteert tegen de groep
door een zekere bewuste vrijheid van aristocratischen huize; zij draagt een
eenvoudig maar gedistingeerd costume-tailleur. Weifelend in de deur_).
Neemt u me niet kwalijk, maar ik had al een paar maal geklopt -- ik ben
hier toch terecht bij mijnheer van Bergen -- ?
_Henri_ (_die op een knie haar eerst nog een oogenblik verbaasd heeft
aangezien, opstaand_). Ah! -- pardon -- pardon! Zeker -- neemt u me niet
kwalijk: -- wij zochten juist naar iets... naar iets, dat verloren was
(_hij wijst verward op den grond, zich dan bezinnend slaat hij 't kleed
weer recht en trekt de rustbank op haar plaats, terwijl de anderen zich
naast de tafel retireeren, waar Nellie, die ook een oogenblik op haar
knieën Helena's verschijning heeft aangestaard, zich bij hen voegt. Zich
thans beheerschend, op zijn horloge kijkend_). Ach, maar ik was ook
heelemaal den tijd vergeten: -- ik heb toch het genoegen met juffrouw van
Dijk te spreken -- ?
_Helena_ (_knikt_).
_Henri._ O, ja -- (_met uitgestoken hand haar tegemoet gaand_) komt u
binnen; wij waren eigenlijk allemaal den tijd vergeten, en mijn vrienden
hebben zich wat verlaat: -- (_voorstellend_) mijnheer Boogaert, mijnheer
Scheffer, mijnheer ten Kate, juffrouw Nellie -- juffrouw van Dijk.
_Frits._ Ja, we hebben ons verlaat: het is onze tijd.
_De anderen._ Ja -- ja. (_zij buigen vluchtig naar Helena en gaan_).
_Nellie_ (_gaat het laatst, nadat zij Henri een hand heeft gegeven_). Dag
-- ! (_zij maakt een stijf buiginkje naar Helena en kijkt bij de deur nog
even nieuwsgierig verwonderd om_).