ACHTSTE TOONEEL

_De vorigen, behalve Tootje._

_Henri_ (_op zijn horloge ziend_). Zoo -- nu kunnen we nog een pijp rooken,

en dan moet jullie ook weg, hoor.

_Herman._ Dat is me der ook eentje!

_Frits._ Laat haar maar gaan.

_Henri._ Die brengt het nog ver -- in de liefde.

_Nellie._ Liefde -- !? -- wat weet zìj nou van liefde!

_Jules._ Lieve juffrouw Nellie: sommige vrouwen brengen het in de liefde

juist het verst zonder de liefde.

_Herman._ Hoor nou! hoor nou! Nee -- liefde is alles!

_Henri._ En schoonheid.

_Herman._ Ja -- maar liefde is toch meer.

_Henri._ Hoe kun je dat zeggen, als kunstenaar -- ! -- Nee, schoonheid is

alles.

_Nellie_ (_met de ellebogen op tafel en de kin in haar handen_). Waarom --

?

_Henri_ (_korzelig_). Waarom -- !?

_Nellie_ (_merkend, dat Henri wat geprikkeld is_). Jullie zijn allemaal

aardige jongens, en ik geloof, dat jullie allemaal altijd een beetje gelijk

hebben.

_Frits_ (_plagend_). Maar Henri toch het meest -- ?

_Nellie_ (_lachend afwerend_). Och -- ! (_zij staat op en begint de tafel

af te ruimen_).

_Henri._ En wat zeg jij er van Jules -- ?

_Herman._ Ja, wat zeg jij er van?

_Jules_ (_met dichtgeknepen oogen de rook van zijn cigaret opblazend_). Nee

-- als jullie er ernst van gaat maken----

_Frits._ Nou, biecht nu eens op!

_Henri en Herman._ Nou -- ? -- Nou -- ?

_Jules._ Wel -- -- ik zou zeggen: de theoretische quintessence van alle

schoonheid en van alle liefde, dat is de "inspiratie", -- en de practische

quintessence van de kunst en de liefde, dat is: "je doe maar!" -- Ik houd

me aan de inspiratie.

_Henri._ Maar je moet toch werken! toch ploeteren, toch doen!?

_Herman._ Ja -- anders kom je er niet.

_Jules._ Maar ik heb nergens te "kommen", ik wil nergens "kommen"! -- ik

houd me eenvoudig aan de inspiratie, die is altijd veel mooier dan alle

uitwerking. Verbeel je eens, wanneer Onze Lieve Heer het alleen maar bij de

inspiratie had gelaten, en niet tot zoo'n miserabele uitwerking was gekomen

-- dàt zou een artiest zijn geweest! -- Tegen een liefde en tegen een

schoonheid en tegen een kunstwerk en tegen de wereld kun je redeneeren --

maar de inspiratie blijft overeind: -- ik houd me aan de inspiratie en aan

den beredeneerd negatieven kant van de kunst!

_Herman._ Ja, jij hebt makkelijk praten: jij hoèft niet te schilderen: jij

hebt geld, dan kun je wel leven van de inspiratie en negatief zijn -- dat

is makkelijk genoeg!

_Jules_ (_met dédain_). O man, dat is veel moeilijker dan je denkt!

_Henri._ Nou maar dat noem ik eenvoudig met je welnemen: "artistieke

luierij".

_Jules._ Mis vadertje! -- dan leef ik juist, dan zie ik, dan schilder ik,

dan werk ik, dan "be-leef ik de idee"!

_Frits._ Maar bovendien is je uitgangspunt verkeerd: de uitwerking is niet

minder dan de inspiratie, integendeel: -- ik ben bij mijn portretten altijd

weer opnieuw verbaasd, dat ik er nog zooveel van terecht breng! Nee hoor:

bij wie de uitwerking altijd beneden de inspiratie staat -- ik geloof, dat

dàt de ware broeders niet zijn.

_Jules_ (_allengs zich opwindend_). Ja, jawel: jullie hebt allemaal een

gearrangeerde werkelijkheid noodig -- een interieurtje of een bloemetje of

een kippie of een hippie -- en als je er dan lang genoeg aan gesabbeld

hebt, ben je zelf verbaasd, dat de kopie nog zooveel op de werkelijkheid

lijkt. Maar dat is 't juist: ik neem alle willekeurige werkelijkheid aan,

en arrangeer ze in mijn eigen ziel tot iets prachtig moois -- dàt is kunst,

dàt is inspiratie! -- àlles is schoonheid, àlles is mooi -- als je zelf

maar mooi bent -- ! -- Dààr! (_hij gooit wat kopjes, schoteltjes en

eetgerei, die Nellie nog niet weggenomen heeft, door elkaar op een hoop,

zoodat enkele breken_) dààr, dààr -- ! is dàt niet mooi!? Daar zie ik nou

schoonheid in, in al die witte lichtvlakken tegen elkaar: dat ronde boven

die punt, en dan dwars die hoek en dan een breed vlak, -- dat is een

harmonie van disharmonieën, dat is voor mij nou een schoonheid, een genot

-- een "genòt!" -- In me zelf heb ik daar nou al een prachtig ding van

gemaakt -- en dat hangt nou al in den hemel -- in mìjn galerij! Voilà! dàt

is kunst, dàt is inspiratie -- en dat is voor mij genoeg -- -- (_weer heel

nuchter_) en nou steek ik een cigaret op. (_de anderen zwijgen even, wat

verbluft_).

_Frits._ Ja -- dat is nu juist jullie symbool: je slaat den boel maar kapot

-- en dan heb jullie iets moois gedaan!

_Herman._ Dat is eenvoudig egoïsme, dat is anarchie!

_Nellie_ (_die juist de scène, uit de keuken komend, heeft aangezien,

verontwaardigd_). En mìjn koppen -- !

_Frits._ O! ze zegt "mìjn koppen!" -- Is 't al zòò ver, juffrouw Nellie?

_Nellie_ (_haalt boozig haar schouders op en ruimt verder weg, waarna zij

op de tafel gaat zitten_). 't Is wat moois!

_Henri_ (_korzelig uithalend_). Ach -- ! -- ach -- ! -- ach -- ! -- (_hij

wendt zich schouderophalend af en neemt een mandoline, die aan een ezel

hangt; hij grijpt in de snaren en probeert te spelen, maar haspelt_).

_Jules_ (_klapt in de handen_). Juist vadertje! je hebt gelijk: muziek, dat

is de opperste uiting van alle inspiratie: -- de edelste praktijk van "je

doe maar", dat is de moderne muziek.

_Henri_ (_spottend_). Ja -- maar ik houd eigenlijk juist zoo van de

romantische.

_Jules._ Jammer -- jammer voor jou, -- ja, jullie zijn eigenlijk allemaal

veel te sentimenteel, (_hij blaast peinzend de rook van zijn cigaret naar

boven_) dat is jullie grondfout. (_even toekijkend_). Ik mag het anders zoo

graag, zoo'n mandoline, hè -- een viool is mooier, maar zoo langademig:

(_hij gooit zijn hoofd op zij en doet alsof hij een lange vioolstreek

maakt_) -- , maar zoo'n ding, daar zit iets van het moderne leven in: (_hij

buigt zich over een denkbeeldige mandoline en grijpt zenuwachtig heen en

weer, met zijn hoofd en heele lichaam in beweging_) pang-pang-pàng --

pang-pang-pàng!--

_Henri_ (_probeert nog verder, geeft dan de mandoline aan Herman_). Nee,

verduiveld, dat kan jij beter Herman: je weet, dat leuke ding van "Een

lieve meid."

_Herman_ (_speelt en zingt, -- allen vallen in en zingen mee_).

Een lieve meid,

Een mooi model,

Dat mag ik bliksekaters wel--

Ti rá la la,

Ti rá la la,

Ti rá la la la lá!

(_Voor het tweede couplet aarzelt Herman even_). Hoe is 't ook weer -- ?

_Nellie_ (_van de tafel springend en, met haar hand aan haar oor, zich naar

den vloer buigend_). Ik geloof waarachies, dat ik Tootje beneden hier kan

hooren lachen -- !?

_Henri._ O, dat kan best -- dat is toch zoo'n gemeene vloer: je zou er soms

bijna doorheen kunnen zien -- (_hij legt opeens een vinger op den mond_)

wacht -- ! (_terwijl de anderen luisteren, schuift hij de rustbank opzij en

slaat een grooten hoek van het vloerkleed om, -- dan legt hij weer een

vinger op den mond_) -- nee, nee: we moeten juist doorspelen! Speel nou

door, Herman! Speel nou door! (_zij liggen met handen en knieën op den

grond, links, tegenover de deur, Henri, rechts, met de deur achter zich,

Jules en Nellie, tusschen hen Frits, gebukt_).

_Herman_ (_naast Nellie staande en op haar neerziend, speelt verder en

zingt nu alleen, een beetje sentimenteel uithalend_).

Eens, 's avonds, in

De Kalverstraat

Zoo'n snoepekoppie langs me gaat--

Ti rá la la,

Ti rá la la,

Ti rá la la la lá!

(_Henri probeert eerst te kijken, dan dringt Nellie op, doch zij schijnen

niets te zien_).

_Henri_ (_probeert nog eens_). Ik geloof waarachtig, dat ik wat zien kan

(_even opkijkend_) speel nou door Herman!

_Herman._

Wij bleven zoo

Bij toeval staan,

En zage' elkaar beteuterd aan--

Ti rá la la

Ti rá la la

Ti rá la la la lá!

_Henri_ (_kijkend, maar niets ziende, voor de grap uithalend_). Oh -- !

(_op dit oogenblik verschijnt Helena in de deur, welke zij nog onder

Herman's zingen heeft geopend, een moment door niemand gezien, daar allen,

behalve Henri, die juist voorover op den grond ligt, met hun rug naar de

deur zijn gekeerd en door 't zingen van Herman niets gehoord hebben; als

Henri, opkijkend, nog eens_ "Oh!" _roept, ziet hij haar vanzelf recht

tegenover zich_). -- Ah -- !

Naakt model: Toneelspel in drie bedrijven · 第 16 / 37 题