_De vorigen, behalve Tootje._
_Henri_ (_op zijn horloge ziend_). Zoo -- nu kunnen we nog een pijp rooken,
en dan moet jullie ook weg, hoor.
_Herman._ Dat is me der ook eentje!
_Frits._ Laat haar maar gaan.
_Henri._ Die brengt het nog ver -- in de liefde.
_Nellie._ Liefde -- !? -- wat weet zìj nou van liefde!
_Jules._ Lieve juffrouw Nellie: sommige vrouwen brengen het in de liefde
juist het verst zonder de liefde.
_Herman._ Hoor nou! hoor nou! Nee -- liefde is alles!
_Henri._ En schoonheid.
_Herman._ Ja -- maar liefde is toch meer.
_Henri._ Hoe kun je dat zeggen, als kunstenaar -- ! -- Nee, schoonheid is
alles.
_Nellie_ (_met de ellebogen op tafel en de kin in haar handen_). Waarom --
?
_Henri_ (_korzelig_). Waarom -- !?
_Nellie_ (_merkend, dat Henri wat geprikkeld is_). Jullie zijn allemaal
aardige jongens, en ik geloof, dat jullie allemaal altijd een beetje gelijk
hebben.
_Frits_ (_plagend_). Maar Henri toch het meest -- ?
_Nellie_ (_lachend afwerend_). Och -- ! (_zij staat op en begint de tafel
af te ruimen_).
_Henri._ En wat zeg jij er van Jules -- ?
_Herman._ Ja, wat zeg jij er van?
_Jules_ (_met dichtgeknepen oogen de rook van zijn cigaret opblazend_). Nee
-- als jullie er ernst van gaat maken----
_Frits._ Nou, biecht nu eens op!
_Henri en Herman._ Nou -- ? -- Nou -- ?
_Jules._ Wel -- -- ik zou zeggen: de theoretische quintessence van alle
schoonheid en van alle liefde, dat is de "inspiratie", -- en de practische
quintessence van de kunst en de liefde, dat is: "je doe maar!" -- Ik houd
me aan de inspiratie.
_Henri._ Maar je moet toch werken! toch ploeteren, toch doen!?
_Herman._ Ja -- anders kom je er niet.
_Jules._ Maar ik heb nergens te "kommen", ik wil nergens "kommen"! -- ik
houd me eenvoudig aan de inspiratie, die is altijd veel mooier dan alle
uitwerking. Verbeel je eens, wanneer Onze Lieve Heer het alleen maar bij de
inspiratie had gelaten, en niet tot zoo'n miserabele uitwerking was gekomen
-- dàt zou een artiest zijn geweest! -- Tegen een liefde en tegen een
schoonheid en tegen een kunstwerk en tegen de wereld kun je redeneeren --
maar de inspiratie blijft overeind: -- ik houd me aan de inspiratie en aan
den beredeneerd negatieven kant van de kunst!
_Herman._ Ja, jij hebt makkelijk praten: jij hoèft niet te schilderen: jij
hebt geld, dan kun je wel leven van de inspiratie en negatief zijn -- dat
is makkelijk genoeg!
_Jules_ (_met dédain_). O man, dat is veel moeilijker dan je denkt!
_Henri._ Nou maar dat noem ik eenvoudig met je welnemen: "artistieke
luierij".
_Jules._ Mis vadertje! -- dan leef ik juist, dan zie ik, dan schilder ik,
dan werk ik, dan "be-leef ik de idee"!
_Frits._ Maar bovendien is je uitgangspunt verkeerd: de uitwerking is niet
minder dan de inspiratie, integendeel: -- ik ben bij mijn portretten altijd
weer opnieuw verbaasd, dat ik er nog zooveel van terecht breng! Nee hoor:
bij wie de uitwerking altijd beneden de inspiratie staat -- ik geloof, dat
dàt de ware broeders niet zijn.
_Jules_ (_allengs zich opwindend_). Ja, jawel: jullie hebt allemaal een
gearrangeerde werkelijkheid noodig -- een interieurtje of een bloemetje of
een kippie of een hippie -- en als je er dan lang genoeg aan gesabbeld
hebt, ben je zelf verbaasd, dat de kopie nog zooveel op de werkelijkheid
lijkt. Maar dat is 't juist: ik neem alle willekeurige werkelijkheid aan,
en arrangeer ze in mijn eigen ziel tot iets prachtig moois -- dàt is kunst,
dàt is inspiratie! -- àlles is schoonheid, àlles is mooi -- als je zelf
maar mooi bent -- ! -- Dààr! (_hij gooit wat kopjes, schoteltjes en
eetgerei, die Nellie nog niet weggenomen heeft, door elkaar op een hoop,
zoodat enkele breken_) dààr, dààr -- ! is dàt niet mooi!? Daar zie ik nou
schoonheid in, in al die witte lichtvlakken tegen elkaar: dat ronde boven
die punt, en dan dwars die hoek en dan een breed vlak, -- dat is een
harmonie van disharmonieën, dat is voor mij nou een schoonheid, een genot
-- een "genòt!" -- In me zelf heb ik daar nou al een prachtig ding van
gemaakt -- en dat hangt nou al in den hemel -- in mìjn galerij! Voilà! dàt
is kunst, dàt is inspiratie -- en dat is voor mij genoeg -- -- (_weer heel
nuchter_) en nou steek ik een cigaret op. (_de anderen zwijgen even, wat
verbluft_).
_Frits._ Ja -- dat is nu juist jullie symbool: je slaat den boel maar kapot
-- en dan heb jullie iets moois gedaan!
_Herman._ Dat is eenvoudig egoïsme, dat is anarchie!
_Nellie_ (_die juist de scène, uit de keuken komend, heeft aangezien,
verontwaardigd_). En mìjn koppen -- !
_Frits._ O! ze zegt "mìjn koppen!" -- Is 't al zòò ver, juffrouw Nellie?
_Nellie_ (_haalt boozig haar schouders op en ruimt verder weg, waarna zij
op de tafel gaat zitten_). 't Is wat moois!
_Henri_ (_korzelig uithalend_). Ach -- ! -- ach -- ! -- ach -- ! -- (_hij
wendt zich schouderophalend af en neemt een mandoline, die aan een ezel
hangt; hij grijpt in de snaren en probeert te spelen, maar haspelt_).
_Jules_ (_klapt in de handen_). Juist vadertje! je hebt gelijk: muziek, dat
is de opperste uiting van alle inspiratie: -- de edelste praktijk van "je
doe maar", dat is de moderne muziek.
_Henri_ (_spottend_). Ja -- maar ik houd eigenlijk juist zoo van de
romantische.
_Jules._ Jammer -- jammer voor jou, -- ja, jullie zijn eigenlijk allemaal
veel te sentimenteel, (_hij blaast peinzend de rook van zijn cigaret naar
boven_) dat is jullie grondfout. (_even toekijkend_). Ik mag het anders zoo
graag, zoo'n mandoline, hè -- een viool is mooier, maar zoo langademig:
(_hij gooit zijn hoofd op zij en doet alsof hij een lange vioolstreek
maakt_) -- , maar zoo'n ding, daar zit iets van het moderne leven in: (_hij
buigt zich over een denkbeeldige mandoline en grijpt zenuwachtig heen en
weer, met zijn hoofd en heele lichaam in beweging_) pang-pang-pàng --
pang-pang-pàng!--
_Henri_ (_probeert nog verder, geeft dan de mandoline aan Herman_). Nee,
verduiveld, dat kan jij beter Herman: je weet, dat leuke ding van "Een
lieve meid."
_Herman_ (_speelt en zingt, -- allen vallen in en zingen mee_).
Een lieve meid,
Een mooi model,
Dat mag ik bliksekaters wel--
Ti rá la la,
Ti rá la la,
Ti rá la la la lá!
(_Voor het tweede couplet aarzelt Herman even_). Hoe is 't ook weer -- ?
_Nellie_ (_van de tafel springend en, met haar hand aan haar oor, zich naar
den vloer buigend_). Ik geloof waarachies, dat ik Tootje beneden hier kan
hooren lachen -- !?
_Henri._ O, dat kan best -- dat is toch zoo'n gemeene vloer: je zou er soms
bijna doorheen kunnen zien -- (_hij legt opeens een vinger op den mond_)
wacht -- ! (_terwijl de anderen luisteren, schuift hij de rustbank opzij en
slaat een grooten hoek van het vloerkleed om, -- dan legt hij weer een
vinger op den mond_) -- nee, nee: we moeten juist doorspelen! Speel nou
door, Herman! Speel nou door! (_zij liggen met handen en knieën op den
grond, links, tegenover de deur, Henri, rechts, met de deur achter zich,
Jules en Nellie, tusschen hen Frits, gebukt_).
_Herman_ (_naast Nellie staande en op haar neerziend, speelt verder en
zingt nu alleen, een beetje sentimenteel uithalend_).
Eens, 's avonds, in
De Kalverstraat
Zoo'n snoepekoppie langs me gaat--
Ti rá la la,
Ti rá la la,
Ti rá la la la lá!
(_Henri probeert eerst te kijken, dan dringt Nellie op, doch zij schijnen
niets te zien_).
_Henri_ (_probeert nog eens_). Ik geloof waarachtig, dat ik wat zien kan
(_even opkijkend_) speel nou door Herman!
_Herman._
Wij bleven zoo
Bij toeval staan,
En zage' elkaar beteuterd aan--
Ti rá la la
Ti rá la la
Ti rá la la la lá!
_Henri_ (_kijkend, maar niets ziende, voor de grap uithalend_). Oh -- !
(_op dit oogenblik verschijnt Helena in de deur, welke zij nog onder
Herman's zingen heeft geopend, een moment door niemand gezien, daar allen,
behalve Henri, die juist voorover op den grond ligt, met hun rug naar de
deur zijn gekeerd en door 't zingen van Herman niets gehoord hebben; als
Henri, opkijkend, nog eens_ "Oh!" _roept, ziet hij haar vanzelf recht
tegenover zich_). -- Ah -- !