_Helena, Henri._
_Henri_ (_hoffelijk Helena naar de rustbank wijzend_). Ik maak mijn
excuses, dat ik u in zoo'n herrie ontvang, -- maar ik had juist een paar
vrienden hier... (_Nellie komt nog even terug, en haalt rustig haar hoed,
-- Henri ziet haar wat korzelig na, waarop zij in de deur van het keukentje
verdwijnt_). Dat is een modelletje -- -- een mo-dèlletje, -- ze moet daar
nog wat redderen.
_Helena._ Een modelletje -- ? Och -- maar gaat die nu weg voor mij? -- had
u haar maar laten blijven.
_Henri_ (_licht verwonderd over haar vrije manier_). O -- pardon juffrouw
van Dijk, maar het is toch beter onze eerste lessen -- later kunnen wij
misschien naar het model werken. (_nog wat geaffaireerd opruimend_). Ik
hoop, dat u mij niet kwalijk neemt, dat u zoo'n gezelschap hier vond --
maar, het was een afspraak -- en u hadt zoo laat geschreven -- -- en dan
die tabaksrook -- hindert u die lucht niet -- ?
_Helena_ (_met iets van teleurstelling over Henri's conventioneelen toon_).
O nee mijnheer van Bergen, volstrekt niet -- dat vind ik juist aardig, ik
houd juist van tabakslucht -- ik rook zelf ook wel.
_Henri_ (_haar nog even verwonderd van terzijde opnemend, biedt cigaretten
aan_).
_Helena_ (_een oogenblik aarzelend_). O -- ! -- nee, dank u -- nu niet --
later.
_Henri._ O maar dat vind ik anders heel sympathiek: moderne dames, die
rooken. Daar ligt iets heel gracieus in: "de dame met de cigaret", (_een
elegant rookgebaar makend_) ik zou bijna zeggen -- daar ligt iets
artistieks, iets voor een schilder in: een mooie lijn -- .
_Helena_ (_meer geanimeerd_). Juist, ja -- de lijn, dàt is, geloof ik, wat
me daar altijd in aantrekt; (_lachend_) kijk, daar geeft u me al een eerste
les: "de lijn van het rooken"!
_Henri._ Maar de meeste dames vinden het rooken toch aantrekkelijk om
andere redenen.
_Helena._ Waarom dan?
_Henri._ Ja, dat is niet zoo makkelijk te zeggen, dat is een kwestie van
sentiment -- ze zoeken er -- ja, hoe zal ik dat zeggen -- ze zoeken er een
tikje van het scabreuze in. O, een tikje maar! een druppeltje -- een
homoeopatisch druppeltje misschien -- begrijpt u?
_Helena._ Ja -- of eigenlijk nee, niet precies: ik voel dàt er nu niet zoo
in -- of misschien... (_uit haar gedachtengang opkijkend_) maar ik ben
volstrekt niet zoo tegen het scabreuze mijnheer van Bergen -- -- wat
verstaat u eigenlijk precies onder het "scabreuze" -- ?
_Henri_ (_wat in de war gebracht, en opnieuw lichtelijk verbaasd_)
"Scabreus" -- ? Wel, scabreus -- dat is bijvoorbeeld een modelletje, (_zich
verbeterend_) of nee, niet alle modelletjes natuurlijk -- dit (_met een
gebaar naar het keukentje_) was een lief modelletje, volstrekt niet
scabreus -- maar de meeste modelletjes zijn toch een beetje "scabreus"; of
laat ik zeggen, met verlof: een "cocotte" nietwaar, pardon, dàt is
"scabreus".
_Helena._ O -- maar ik heb toch wel cocottes gekend, die heelemaal niet
scabreus waren.
_Henri_ (_die bij de tafel was gaan zitten, springt verbaasd op en staart
haar even vragend aan_). U zegt -- ? -- O -- ja.
_Helena_ (_glimlachend_). Ja, daar verbaast u zich natuurlijk over, dat ik
cocottes heb gekend, -- dat was een toeval, en dat waren ook maar enkelen,
-- (_met een half spottend, half nieuwsgierigen blik naar hem_) u zult er
ongetwijfeld meer gekend hebben dan ik -- , maar enfin die -- die vrouwen
waren niet wat ik meen dat "scabreus" is. -- Wilt u wel gelooven mijnheer
van Bergen, dat mij dat bijzonder aantrekt -- ik bedoel bijzonder
intrigeert: "het scabreuze" -- ?
_Henri_ (_die haar aldoor met verbazing heeft aangehoord, ziet haar nu ook
wat achterdochtig aan_). Hoe bedoelt u -- ?
_Helena_ (_die zijn gedachten raadt, lachende_). O nee! ik ben zelf heusch
geen cocotte mijnheer van Bergen -- en heelemààl niet scabreus -- "helaas",
zou ik bijna zeggen -- maar begrijpt u niet, dat dàt ons, moderne vrouwen,
juist interesseert, die streken van het leven, die altijd zoo gesloten voor
ons zijn, en waarmee we eigenlijk toch zoo veel te maken hebben -- --
althans zijdelings?
_Henri_ (_van zijn verbazing bekomend_). O ja -- o ja -- maar...
_Helena._ Maar u vindt 't eigenlijk niet te pas komen, dat ik daar maar zoo
dadelijk over redeneer, -- ik dacht anders juist, dat ik met u...
_Henri_ (_met warmte_). O nee, zeker, zeker, dat interesseert me allemaal
bizonder! Nee, integendeel, gaat uw gang. Maar, eerlijk gezegd, maakte u me
even wat in de war met zoo te spreken, -- u -- ja, hoe zal ik dat
uitdrukken: -- u haalt om zoo te zeggen verschillende kringen door elkaar
-- de dames uit uw kringen zijn anders niet...
_Helena._ Maar ik ben juist een dame uit geen enkele kring, ziet u. Ja, ik
begrijp wel, dat u dat maar niet zoo dadelijk aan kunt nemen: -- u vindt,
dat er verschillende kringen moeten zijn, en u had me vooraf alvast
gerangschikt onder de nette, artistiek conventioneele dames! En nu raakte u
even uit uw humeur, omdat u zich in de conversatie wat gedesoriënteerd
voelde -- . O! de mannen zijn zulke huichelaars -- nog veel erger dan wij
vrouwen: -- de vrouw is tenminste sòms heelemaal waarachtig eerlijk, maar
de mannen zijn 't geloof ik nooit zóó heelemaal -- -- daarom irriteert het
ze zoo van een vrouw waarheden te hooren.
_Henri_ (_meer en meer geïnteresseerd, gaat naast haar zitten_). Ik ben nu
heusch heelemaal niet meer uit mijn humeur. (_pogend het gesprek een andere
wending te geven, om zijn autoriteit te herstellen_). Maar juffrouw van
Dijk, nu ik u zoo hoor, ben ik toch nieuwsgierig, waarom u juist tot mij
komt om lessen -- ?
_Helena._ O, noemt u me alsjeblieft niet juffrouw van Dijk: dat klinkt zoo
-- dat klotst -- haha, dat klotst, zooals een biljartbal! Ik heet Helena --
of Lena -- of hoe u maar wilt.
_Henri._ O, ik wil graag zeggen wat u 't prettigst vindt: juffrouw Helena
-- of Lena -- of Helena--
_Helena_ (_weifelend_). Nee -- ik geloof dat dat wat te familiaar is om mee
te beginnen, -- zegt u dan maar liever juffrouw Lena.
_Henri._ Juffrouw Lena -- (_haar aanziende_) nee, dat gaat toch niet goed:
"juffrouw Helena" -- dat past veel beter. En noemt u mij dan ook
alsjeblieft bij mijn voornaam: Henri.
_Helena._ "Henri", "Mijnheer Henri" -- nee: mijnheer van Bergen en juffrouw
Helena -- dat klotst tenminste iets zachter.
_Henri_ (_met een aai door de lucht_). Laten wij zeggen: dat "klutst". Maar
juffrouw van... juffrouw Helena, nu heeft u me nog heelemaal niet gezegd,
waarom u juist naar mìj gekomen bent, om lessen te nemen -- ?
_Helena._ Kijk, daar heb je nu de mannelijke ijdelheid! want u voelt zich
al vooraf gestreeld door de redenen.
_Henri_ (_wat onthutst_). O -- nee -- -- het is louter nieuwsgierigheid.
_Helena._ En dààr heb je de mannelijke huichelarij!
_Henri_ (_een weinig geraakt_). U bent -- -- u heeft wel een slechte
meening van de mannen!...
_Helena_ (_als ze hem wat geraakt ziet, invallend_). Och -- dat moet u niet
zoo ernstig opvatten! -- (_lachend_) u moet me niet al te serieus nemen.
Maar ik dacht dat alleen zoo, omdat de reden, waarom ik juist naar u kom,
betrekkelijk zoo eenvoudig is: -- ik had bij professor Muller van de
Academie geïnformeerd, die mij ook uw naam noemde -- en de rest heb ik u
geschreven; -- (_eenvoudig_) ik houd van uw werk, vooral van dat nevelig
kuische in uw naaktfiguren -- dat boeit me.
_Henri_ (_die zich, gevleid, toch even den meerdere voelt_). En -- heeft u
al eens lessen gehad? u teekent zeker?
_Helena_ (_schalks bescheiden_). O ja -- zoo heelemaal niets niemendal ben
ik niet: ik heb veel geteekend, en ook wel geschilderd, en -- (_met een
lichte zucht_) veel gezien, -- een matig talentje, mijnheer van Bergen --
een matig talentje, maar toch heusch wel eenig talent. Ik hield ook van uw
schilder"wijze", en daarom ook kwam ik naar u.
_Henri_ (_nog even in den toon van den leeraar_). Dus -- 't is vooral voor
het eigenlijke schilderen -- ?
_Helena_ (_peinzend zijn woorden herhalend_). Ja -- "vooral voor het
eigenlijke schilderen" -- (_levendig_). O ja, maar 't is dat niet alleen --
het is de "sfeer", die me altijd zoo aantrekt, ziet u; ik heb veel gereisd:
Noorwegen, Italië, Amerika -- maar het is "de sfeer", die me altijd
aantrekt en die ik wil begrijpen en doordringen -- het is het "leven" --
ja: het "leeren leven" ziet u -- -- (_zij rekt zich traag_).
_Henri._ "Leeren leven?" -- (_glimlachend_) "leeren leven!" -- iemand, die
zich zoo vrij beweegt -- vrijer dan al die losse schilders hier -- maar: u
beweegt u nog veel vrijer dan ik!
_Helena_ (_even glimlachend_). Nóg vrijer -- ? -- Ach nee, dat lijkt maar
zoo, mijnheer van Bergen; al die vrouwen, die zich zoo vrij bewegen -- !
Nee, ik ben niet zoo vrij -- -- of misschien ook tè vrij -- (_haar
gedachten afschuddend_). Maar -- ik zit hier maar te praten -- (_zij kijkt
onwillekeurig zoekend rond en ziet de schilderij op den ezel; verrast_). O
-- ! -- is dat uw laatste werk? Ach, dat heb ik nog heelemaal niet gezien!
(_zij staat op en gaat er belangstellend voor staan, loopt dan terug en zet
zich ten slotte op een stoel voor den ezel_).
_Henri_ (_komt naast haar staan, terwijl zij even beiden zwijgend toezien;
dan met ijver, maar toch met een lichten schijn van nonchalance,
uitleggend, terwijl hij den indruk op haar bespiedt_). Ziet u: -- in de
beide naaktfiguren heb ik het dualisme, de tweespalt in ons leven willen
uitdrukken -- de polen van het natuurlijke en het gecultiveerde in ons
leven, -- u ziet: de tweede naaktfiguur heb ik nog maar aangezet -- er is
zoo moeilijk een model voor te vinden, omdat ik er al het edele,
geestelijke mee wil uitdrukken tegenover het primitieve, natuurlijke van de
andere figuur. En dan op den achtergrond "het gelaat" -- het zielsgelaat,
als een beeld van het standvastig blijvende, dat als een stille lamp voor
ons uitschijnt -- -- enfin...
_Helena_ (_met warmte_). Ja -- ja -- ! dat is mooi gedacht, dat vind ik
mooi gevoeld, -- daarin herken ik u weer -- uw kunst.
_Henri_ (_lachend_). Beter dan in den persoon?
_Helena._ O nee, dat niet -- (_hem glimlachend aanziend_) daaraan mag ik
nog niet toe zijn, -- (_weer naar de schilderij gekeerd_) maar ja, in het
algemeen geloof ik wel, dat de kunst zuiverder is dan de kunstenaar zelf.
_Henri._ O ja -- ze vallen tegen in 't gebruik!
_Helena._ Och, dat zegt u nu maar alleen, om een complimentje te krijgen --
maar mijn beste compliment is toch mijn belangstelling voor uw kunst --
want dat is toch in ieder geval het beste in een kunstenaar.
_Henri._ Nee maar zeker, zeker -- dat geloof ik ook, -- en daarom kan een
kunstenaar zelf nooit meevallen: het beste in hem kennen de menschen al.
_Helena_ (_nog in de schilderij verdiept, mijmerend_). Toch misschien niet
altijd, -- (_zich plots omkeerend_) maar mijnheer van Bergen: wij vergeten
de les! (_zij doet haar hoed af, legt haar handschoenen weg en bereidt zich
ijverig voor op den arbeid; even vrouwelijk vleiend_). Misschien zou ik
mogen beginnen met een schets van uw eigen werk -- ? dat zou ik graag --
dan zoudt u mij meteen daar juist enkele dingen in kunnen wijzen...
_Henri_ (_die haar reeds een portefeuille en papier heeft gegeven, dat zij
op haar schoot neemt, zet een tabouret met verdere benoodigdheden bij
haar_). Dat is best -- ja, dat is best. -- (_Helena begint nu te teekenen,
voor de schilderij gezeten, terwijl Henri achter haar is komen staan, met
één voet op een spaak van de tabouret, terwijl hij, over haar heengebogen
en enkele hoofdpunten aanwijzend, tevens met verwondering en
nieuwsgierigheid op haar neerziet; op dat oogenblik komt Nellie met stoffer
en blik uit de keukendeur om een rest van de gebroken koppen op te vegen,
-- zij ziet even naar hen beiden, die haar niet opmerken, knielt dan om te
vegen, waarop Henri bij het geluid van het blik verstoord omkijkt en haar
met een barschen wenk terugwijst; aarzelend wijkt Nellie naar het
keukentje_).
_Scherm._