ZEVENDE TOONEEL

_De vorigen, Tootje._

_Tootje_ (_om de deur_). Mag ik binnenkomen -- ?

_Henri._ O -- 't is Tootje. Ja, kom maar binnen! -- Maar je moet dadelijk

weer weg -- ik kan je niet gebruiken, hoor: ik krijg een leerling, en

oompje -- die mijnheer van beneden -- heeft om je gevraagd, -- --

(_rondwijzend_) je kent de heeren toch?

_Tootje_ (_pruilig coquet rondkijkend_). Nou, of ik de heeren ken, van

haver tot gort, hoor -- (_Frits bemerkend_) alleen mijnheer Frits ken ik

heelemaal niet -- (_zij gaat meteen wat uitdagend op Frits' knie zitten_).

_Jules_ (_zich kwasi gechoqueerd afwendend_). Nu niet zoo familiaar!

_Tootje._ "Niet zoo familiaar" zeit ie! (_Jules aankijkend, kwasi

verschrikt_). O, maar ù ken ik echt niet!

_Frits._ Heb je mijnheer Jules dan nooit bij me ontmoet?

_Jules_ (_neuriënd_). "Och Toosje, mijn Roosje, mijn suikerdeprij -- "

_Tootje._ Nou maar, nou mag ìk wel zeggen: "niet zoo familiaar!" -- (_zij

ziet Jules' cigarettenkoker, en haalt er brutaal een uit_). Daar heeft u

zeker eentje voor mij in bewaard? (_zij steekt haar cigaret op aan Frits'

sigaar; Herman ziend_). En daar heb je Herman ook! Hoe gaat het ouwe

jongen?

_Herman._ Kleine rakker!

_Tootje_ (_tot Henri_). En wat zei u nou van "naar beneden?" (_pruilend_).

Ik zal hier toch wel mogen blijven?

_Henri._ Nee -- : ik krijg plotseling een leerling, en nu heeft juist

oompje, van beneden, om je gevraagd.

_Tootje._ Nou maar dat is wat moois -- wie is dat nou: -- mijnheer "oompje"

-- daar heb ik nooit van gehoord!

_Jules._ O, dat is een heel aardige jonge man.

_Henri._ Veel aardiger dan ik.

_Herman._ Pas maar op: 't is een oude doordraaier, hoor!

_Frits._ Een groote bok met een groote sik!

_Tootje._ Ajakkes! -- Nou maar ik blijf veel liever hier, -- waarom moet ik

naar beneden toe? (_boozig verwijtend tot Henri_). U heeft me besteld!

_Henri._ Nou nou, zoo erg is het niet; troost je maar voor dezen keer, --

(_hij neemt een bonbon uit het zakje van Nellie, waar deze juist zelf een

uitgenomen heeft, en steekt die Tootje in haar mond_) de anderen moeten

straks toch ook allemaal weg.

_Nellie._ Dat zijn mìjn bonbons!

_Tootje_ (_met uitdagend zuigend snoetje_). Ze smaken niet slecht -- ,

(_met een oogje van Nellie naar Henri_) jij weet ook wel, waar de lekkerste

bonbons zijn te krijgen!

_Nellie_ (_haalt verontwaardigd haar schouders op_).

_Herman_ (_voorzichtig plagend_). En wat een mooie hoed -- !?

_Tootje_ (_coquet haar hoed schikkend_). Ja, vind je niet -- ? die heb ik

gister ook pas gekre... (_met een oogje naar Frits_) gekocht. Mooi hè, met

die bos veeren, -- en ze wapperen zoo!

_Frits_ (_laat haar paardje rijden en blaast in de veeren_). Kijk ze

wapperen! (_Hij klapt met de tong_).

_Henri_ (_neuriënd_) "... En wie zal dat betalen..."

_Tootje._ Nee Frits, schei nou uit, zeg. -- Nou, je moet toch als model

goed gekleed gaan! -- de mannen willen toch, dat je altijd wat knaps

aantrekt, altijd "gekleed" bent!

_Jules_ (_voor zich heen_). Integendeel!

_Tootje._ De mannen willen toch niet die pruldingen uit een modebazar.

_Nellie_ (_geërgerd_). Ach kind, jij met je "mannen" -- je komt nauwlijks

kijken! wat weet jij nou van de mànnen -- ? -- wat weet jìj nou van de

mannen!

_Tootje_ (_schamper_). "Ik van de mannen -- ?" -- nee: dat zal ik aan joù

vertellen! -- ha, ha -- wat ìk van de mannen weet!

_Jules._ Ktsch! Ktsch!--

_Tootje_ (_tot Jules_). Poeh -- , -- zij gééft in ieder geval meer om de

mannen dan ik, hoor: -- ik geef niets om de mannen -- daar: geen cent hoor!

_Jules._ Als de mánnen maar centen geven!

_Henri._ En hoeden. (_Nellie lacht_).

_Tootje_ (_tot Jules_). Mijnheer ... hoe heet u ook weer -- ?

_Frits._ Mijnheer Jules.

_Tootje._ Nou -- mijnheer Jules, ik geloof, dat u een impertinent mensch

bent.

_Jules._ Integendeel -- ik mis die deugd!

_Henri._ Lieve Tootje, nu moet je heusch naar beneden hoor.

_Tootje._ Maar ik wil niet naar dien ouden vent toe! -- ik vind het hier

veel te leuk -- -- ofschoon jullie heelemaal niet aardig zijn, dat moet ik

zeggen.

_Henri._ Het is een hééle lieve man -- en heel royaal!

_Tootje_ (_ongeloovig, nieuwsgierig_). Heel royaal -- ?

_Herman._ En hij houdt veel van de meisjes.

_Nellie._ Dat komt goed uit -- jij geeft immers geen cent om de mannen!

_Tootje._ Ach, bemoei jij je er niet mee -- ga jij dan!

_Nellie_ (_haalt haar schouders op_).

_Henri._ Nee, hij heeft expres naar jou gevraagd -- "om je mooie handjes".

_Tootje_ (_half pruilend, half gestreeld haar handjes bekijkend_). Om mijn

mooie handjes -- ? (_opstaand van Frits' knie_) Ach wat -- ! Dag -- dag

(_zij neemt vluchtig afscheid en gaat schoorvoetend naar de deur_).

_Henri._ 't Is hier vlak beneden: eerste deur links, -- en-ne -- netjes

gedragen hoor!

_Tootje_ (_bij de deur uitdagend omziende_). Als jullie je hier maar netjes

gedragen, (_met een nijdigen blik naar Nellie_) en jìj vooral, met je

"mánnen"! (_af_).

Naakt model: Toneelspel in drie bedrijven · 第 15 / 37 题