_De vorigen, Tootje._
_Tootje_ (_om de deur_). Mag ik binnenkomen -- ?
_Henri._ O -- 't is Tootje. Ja, kom maar binnen! -- Maar je moet dadelijk
weer weg -- ik kan je niet gebruiken, hoor: ik krijg een leerling, en
oompje -- die mijnheer van beneden -- heeft om je gevraagd, -- --
(_rondwijzend_) je kent de heeren toch?
_Tootje_ (_pruilig coquet rondkijkend_). Nou, of ik de heeren ken, van
haver tot gort, hoor -- (_Frits bemerkend_) alleen mijnheer Frits ken ik
heelemaal niet -- (_zij gaat meteen wat uitdagend op Frits' knie zitten_).
_Jules_ (_zich kwasi gechoqueerd afwendend_). Nu niet zoo familiaar!
_Tootje._ "Niet zoo familiaar" zeit ie! (_Jules aankijkend, kwasi
verschrikt_). O, maar ù ken ik echt niet!
_Frits._ Heb je mijnheer Jules dan nooit bij me ontmoet?
_Jules_ (_neuriënd_). "Och Toosje, mijn Roosje, mijn suikerdeprij -- "
_Tootje._ Nou maar, nou mag ìk wel zeggen: "niet zoo familiaar!" -- (_zij
ziet Jules' cigarettenkoker, en haalt er brutaal een uit_). Daar heeft u
zeker eentje voor mij in bewaard? (_zij steekt haar cigaret op aan Frits'
sigaar; Herman ziend_). En daar heb je Herman ook! Hoe gaat het ouwe
jongen?
_Herman._ Kleine rakker!
_Tootje_ (_tot Henri_). En wat zei u nou van "naar beneden?" (_pruilend_).
Ik zal hier toch wel mogen blijven?
_Henri._ Nee -- : ik krijg plotseling een leerling, en nu heeft juist
oompje, van beneden, om je gevraagd.
_Tootje._ Nou maar dat is wat moois -- wie is dat nou: -- mijnheer "oompje"
-- daar heb ik nooit van gehoord!
_Jules._ O, dat is een heel aardige jonge man.
_Henri._ Veel aardiger dan ik.
_Herman._ Pas maar op: 't is een oude doordraaier, hoor!
_Frits._ Een groote bok met een groote sik!
_Tootje._ Ajakkes! -- Nou maar ik blijf veel liever hier, -- waarom moet ik
naar beneden toe? (_boozig verwijtend tot Henri_). U heeft me besteld!
_Henri._ Nou nou, zoo erg is het niet; troost je maar voor dezen keer, --
(_hij neemt een bonbon uit het zakje van Nellie, waar deze juist zelf een
uitgenomen heeft, en steekt die Tootje in haar mond_) de anderen moeten
straks toch ook allemaal weg.
_Nellie._ Dat zijn mìjn bonbons!
_Tootje_ (_met uitdagend zuigend snoetje_). Ze smaken niet slecht -- ,
(_met een oogje van Nellie naar Henri_) jij weet ook wel, waar de lekkerste
bonbons zijn te krijgen!
_Nellie_ (_haalt verontwaardigd haar schouders op_).
_Herman_ (_voorzichtig plagend_). En wat een mooie hoed -- !?
_Tootje_ (_coquet haar hoed schikkend_). Ja, vind je niet -- ? die heb ik
gister ook pas gekre... (_met een oogje naar Frits_) gekocht. Mooi hè, met
die bos veeren, -- en ze wapperen zoo!
_Frits_ (_laat haar paardje rijden en blaast in de veeren_). Kijk ze
wapperen! (_Hij klapt met de tong_).
_Henri_ (_neuriënd_) "... En wie zal dat betalen..."
_Tootje._ Nee Frits, schei nou uit, zeg. -- Nou, je moet toch als model
goed gekleed gaan! -- de mannen willen toch, dat je altijd wat knaps
aantrekt, altijd "gekleed" bent!
_Jules_ (_voor zich heen_). Integendeel!
_Tootje._ De mannen willen toch niet die pruldingen uit een modebazar.
_Nellie_ (_geërgerd_). Ach kind, jij met je "mannen" -- je komt nauwlijks
kijken! wat weet jij nou van de mànnen -- ? -- wat weet jìj nou van de
mannen!
_Tootje_ (_schamper_). "Ik van de mannen -- ?" -- nee: dat zal ik aan joù
vertellen! -- ha, ha -- wat ìk van de mannen weet!
_Jules._ Ktsch! Ktsch!--
_Tootje_ (_tot Jules_). Poeh -- , -- zij gééft in ieder geval meer om de
mannen dan ik, hoor: -- ik geef niets om de mannen -- daar: geen cent hoor!
_Jules._ Als de mánnen maar centen geven!
_Henri._ En hoeden. (_Nellie lacht_).
_Tootje_ (_tot Jules_). Mijnheer ... hoe heet u ook weer -- ?
_Frits._ Mijnheer Jules.
_Tootje._ Nou -- mijnheer Jules, ik geloof, dat u een impertinent mensch
bent.
_Jules._ Integendeel -- ik mis die deugd!
_Henri._ Lieve Tootje, nu moet je heusch naar beneden hoor.
_Tootje._ Maar ik wil niet naar dien ouden vent toe! -- ik vind het hier
veel te leuk -- -- ofschoon jullie heelemaal niet aardig zijn, dat moet ik
zeggen.
_Henri._ Het is een hééle lieve man -- en heel royaal!
_Tootje_ (_ongeloovig, nieuwsgierig_). Heel royaal -- ?
_Herman._ En hij houdt veel van de meisjes.
_Nellie._ Dat komt goed uit -- jij geeft immers geen cent om de mannen!
_Tootje._ Ach, bemoei jij je er niet mee -- ga jij dan!
_Nellie_ (_haalt haar schouders op_).
_Henri._ Nee, hij heeft expres naar jou gevraagd -- "om je mooie handjes".
_Tootje_ (_half pruilend, half gestreeld haar handjes bekijkend_). Om mijn
mooie handjes -- ? (_opstaand van Frits' knie_) Ach wat -- ! Dag -- dag
(_zij neemt vluchtig afscheid en gaat schoorvoetend naar de deur_).
_Henri._ 't Is hier vlak beneden: eerste deur links, -- en-ne -- netjes
gedragen hoor!
_Tootje_ (_bij de deur uitdagend omziende_). Als jullie je hier maar netjes
gedragen, (_met een nijdigen blik naar Nellie_) en jìj vooral, met je
"mánnen"! (_af_).