_Nellie, Herman, Henri, Frits, Jules._
(_Rumoer op de trap. Henri komt met Frits en Jules druk in de deur. Herman
is opgestaan en wischt zich het voorhoofd, terwijl Henri vluchtig een
nieuwsgierigen blik op hem en Nellie werpt_).
_Henri._ Ziezoo: -- daar zijn we alle drie! Ik ontmoette ze juist bij de
voordeur. (_tot Frits en Jules_). Kom binnen, kom binnen! (_naar Herman_)
Jullie kent elkaar -- (_tot Nellie_) en jij kent ze ook Nellie? -- mijnheer
Frits ken je...
_Nellie._ Ja, mijnheer Frits ken ik wel.
_Henri._ En dat is nou mijnheer Scheffer: Jules Scheffer -- juffrouw
Nellie.
_Jules_ (_wat jonger dan de anderen, levendig, gladgeschoren gezicht,
modieus gekleed met kleurig dasje en met een bloemetje in 't knoopsgat_).
"Enfant terrible", juffrouw Nellie, onder al die kwasten.
_Frits_ (_wat ouder dan de anderen, rustiger, met iets van den arrivist
over zich, maar toch joviaal met zijn puntbaard_). Ja, jij bent een fijn
nummer!
_Jules._ Hij bedoelt een "fijn penseel" juffrouw Nellie.
_Henri_ (_zet het gehaalde op tafel, terwijl de anderen met Herman naar den
ezel komen_). Nou Nel, hier is brood, en sardines en zoo -- is alles klaar?
_Nellie._ Ja, maar ik moet natuurlijk de omelet nog maken.
_Henri._ O -- , maar dan gauw hè, dan kunnen we beginnen.
_Nellie._ Ja -- ja -- (_zij verdwijnt in het keukentje, waarvan de deur
openblijft, terwijl Henri bij de anderen voor den ezel komt_).
_Frits._ Knap werk, -- maar wat bedoelt ie er eigenlijk mee?
_Jules._ Wel, zie je dat niet -- dat is je reine duidelijke symboliek: twee
violen en een baspartij -- twee naakten op den voorgrond, als de lichte
noten, en een soort kop op den achtergrond als de zware noot -- -- Henri is
altijd een "Schwerenöter" geweest -- wat jij, ouwe jongen.
_Henri_ (_glimlachend_). Ach jij met je onzin! Natuurlijk is 't symbolisch,
-- maar toch bijna reëel hè, (_uitleggend_). Ik wou er een soort drieluik
van maken, een synthese zoeken, zie je -- daar moeten we toch weer heen: --
de twee naakten op het voorplan als het veelvuldige, het dualistische --
bijvoorbeeld ook het anti-monogame in ons...
_Jules._ A ha!--
_Henri._ De eeuwige tweestrijd, zie je -- enfin. En daarachter, in het
midden: "het gelaat" -- als het symbool van het monistische hè, het ideaal
achter de dingen -- als het beeld van de ziel, zie je, die zich losmaakt
van de naakte werkelijkheid... (_Nellie is onderwijl in het keukentje aan
het klutsen gegaan, wat Henri afleidt_). Nou is ze daar waarachtig aan het
klutsen! -- (_naar de open deur van het keukentje gaande_). Nellie -- wat
is dat nou voor manier van doen!
_Nellie_ (_met een schotel in de deur_). Ik moet toch klutsen voor de
omelet!
_Henri._ Nou maar doe dan de deur dicht -- (_zij schijnen nog wat te
harrewarren, waarna Henri de deur sluit_).
_Frits_ (_onderwijl met de anderen voor den ezel_). Dat rechtsche naakt
staat er mooi op -- maar de idee van die kop in het midden lijkt me wat erg
vaag.
_Jules._ De baspartij speelt altijd min of meer in het obscure -- dat noem
je: "tremolo in oscuro."
_Herman._ De idee vind ik juist mooi.
_Henri_ (_intusschen weer bij hen gekomen_). Zie je: dat linksche naakt
moet de tegenstelling van het rechtsche worden -- een naakt van hooger orde
-- meer bezield, meer het geestelijke tegenover het lichamelijke naakt --
-- enfin, daar ben ik nog niet aan toe, daar heb ik nog niet eens een model
voor. En dan het gelaat als de bevrijding -- bevrijding uit de banden van
liefde en kunst, -- de vrijheid----
_Frits_ (_plagend_). A ha, nou begrijp ik Henri: "de vrije liefde en de
vrije kunst" -- en de vrije liefde op den voorgrond! (_de anderen lachen,
terwijl Henri glimlachend zijn schouders ophaalt_).
_Jules._ Ik voel voor de vrijheid! Maar waarom zet je haar dan in
afdeelinkjes? -- en dan nog een lijst er om! -- Dan zijn wij, modernen,
toch consequenter; de lijst, dat heeft zijn tijd gehad: decoratief en
fresco vadertje -- dat is de toekomst, wat ik je brom. (_Henri blijft in
gedachten voor zijn ezel staan, terwijl de anderen meer naar de rustbank
komen_).
_Frits._ En waarom ga jìj dan niet es voor, met je praatjes?
_Jules._ Ik wacht ouwe heer: het gaat me momenteel wat te gauw. Ik wacht
tot er stagnatie komt, en dan sticht ik eenvoudig een nieuwe richting -- je
zult nog van me hooren -- -- , maar mijn theorie is nog niet heelemaal
klaar.
_Herman_ (_verontwaardigd_). En vroeger zei je precies andersom, dat je
nooit moest schilderen naar een theorie!
_Jules._ "Andersom?" -- nou natuurlijk: een mensch moet toch niet altijd
hetzelfde zeggen! Dat zou waarachtig een vervelende boel worden! Mijn
hemel, laat een mensch toch wat spatie in zijn particuliere meeningen!
_Frits._ Ach wat, al dat getheoretiseer en geïdealiseer -- jullie leeft
allemaal veel te veel in de wolken! De kunst is een vak als een ander: --
als jong broekje zie je er hoog tegen op -- maar kunst is talent en werken,
en als je eerst maar een beetje gerangeerd bent en je vak verstaat----
_Jules_ (_met zijn duimen in de armsgaten_). Ah jawel: als je "gerangeerd"
bent, dan merk je eerst "wie leicht sich's leben lässt!"
_Henri_ (_die zich uit zijn gedachten voor den ezel weer bij de anderen
voegt_). Ja, jij hebt mooi praten -- jij bent tegenwoordig maar het heertje
met je portretten!
_Jules_ (_tot Frits_). Nee maar ouwe heer, nou stel je je zelf toch weer te
plat voor, nee--
_Herman._ Hoe kun je het idealistische in kunst ontkennen!
_Frits_ (_wat in 't nauw gebracht_). Dat zeg ik ook niet, volstrekt niet,
ik zeg alleen, dat jullie te veel in de wolken leeft en te weinig practisch
bent -- en te weinig werkt misschien ook -- , tegenwoordig is er geen
respect meer voor talent en voor arbeid.
_Jules._ Jawel vadertje, "arbeid" -- nou ja, alle respect, en "talent" --
nog mooier, maar: "een chique kunstziel" zie je, dàt is eigenlijk de
quintessens van het neodandinisme in de kunst! -- en "rood", vadertje,
rood! de toekomst is aan de rooden: "sociaal-monumentaal!"
(_Nellie komt intusschen uit de keukendeur nog een paar dingen klaar
zetten, waarop Herman ook bij de tafel komt scharrelen om haar te helpen_).
_Henri._ O ja "rood" -- dat ben ik eigenlijk ook.
_Frits._ Een "chique kunstziel" en "rood" -- "wie reimt sich das zusammen?"
_Jules._ Dat is eenvoudig ordinair achterlijk, om dat niet te laten rijmen!
_Frits._ Nou ja, op die manier zijn we allemaal rood, (_lachend met een
knikje naar Herman_) Herman is ook rood.
_Jules._ Maar de nuance -- de nuance vadertje!
_Frits._ "De nuance?" -- ja, wat weet jullie tegenwoordig nog van nuancen
-- ! -- je zet de hoofdkleuren maar fel tegen elkaar...
_Henri._ Ik niet! Nee daar heb je gelijk in: de nuance is eigenlijk alles.
Kijk hier: (_hij haalt de anderen weer bij zijn ezel_) -- dat vleesch, --
en de atmospheer van dat heele lijf -- God, wat is levend naakt anders dan
"nuance!" Nuance is de "idealiteit" van het naakt!
_Frits_ (_gekscherend_). En de realiteit?
_Nellie_ (_met de omelet uit het keukentje komend_). De omelet is klááaar
-- !
_Jules._ Ah -- !
_Frits._ Zie je: -- de omeletten en de modellen, dat zijn de aangenaamste
realiteiten van het leven!
_Jules._ En de omeletjès -- ?!
_Frits_ (_maakt afwerend gebaar; allen gaan lachend aan tafel en bedienen
zich, terwijl Nellie koffie schenkt, waarbij Herman helpt. Nellie zit
rechts, aan haar rechterhand Herman, dan Jules, Henri tegenover haar, Frits
links vooraan_).
_Henri_ (_het gesprek weer opvattend_). Maar dat is het beroerde hè -- :
het ideale losse naakt, dat vind je niet -- je zit altijd met modellen!
_Frits._ Tja, ik heb in 't buitenland eens een bekend "Berliner" gesproken,
die nam altijd zijn modellen -- zijn naaktmodellen -- uit "die
Gesellschaft" -- zooals hij zei. "Ik neem nooit van die beroepsmodelletjes,
of ateliermeisjes of zoo," zei hij -- "alleen maar die Damen aus der
Gesellschaft, mijnheer -- die kunnen zich veel beter bewegen, die begrijpen
je altijd dadelijk."
_Jules._ "Compris"! -- maar daar moet je zoo een fijne puntbaard voor
hebben als jij!
_Henri._ Nou maar dat is opsnijerij!
_Herman._ Nee -- ik vind juist: die eenvoudige modellen, dat is het liefst
wat je hebt -- -- (_schouderophalend_) wat zijn nou "die Damen aus der
Gesellschaft"!
_Henri._ Maar mijn God, ze zijn dan ook zoo onhandig, de meeste modellen!
_Jules_ (_tot Herman_). Ken jij dan zoo goed "die Damen aus der
Gesellschaft"? -- Nee vadertje, Frits heeft schoon gelijk: (_met een
knipoogje naar Nellie_) die modellen moesten eenvoudig afgeschaft worden
voor "die Damen aus der Gesellschaft"!
_Nellie_ (_die door het drukke bezoek en in 't bijzonder door de zorg voor
de omelet wat zenuwachtig is geworden_). Nou, ben ik dan zoo slecht model
-- !? (_tot Henri_). En je hebt juist zoo dikwijls gezegd, dat ik zoo goed
model was! -- (_met tranen in haar stem_). Nou heb ik een uur voor die
omelet staan zorgen, en nou -- -- O! wat zijn jullie mannen toch
ondankbaar! Weet je wat jullie zijn -- ? -- "egoïsten"! dát zijn jullie --
egoïsten! (_zij pruilt met haar hoofd in haar hand; allen willen sussen en
troosten; Herman neemt schuchter haar andere hand, Frits staat op en geeft
haar van achter een zoen in haar halsje_).
_Henri._ Ajasses, wees nou niet zoo flauw! -- nee -- daar kan ik heelemaal
niet tegen----
_Herman._ Ach, dat bedoelt ie niet zoo erg.
_Frits._ De omelet is eenvoudig prachtig!
_Henri_ (_tegen Frits, als hij Nellie weer een zoen in haar halsje geeft_).
Wil je daar wel es afblijven!
_Jules_ (_met zijn kop koffie opstaande_). Ik drink op de modelletjes in
het algemeen -- en op juffrouw Nellie's halsje in het bijzonder!
_Nellie_ (_weer bijtrekkend_). Nou jongens -- zoo is 't genoeg hoor -- ,
zoo is 't genoeg. (_allen gaan weer lachend zitten en eten_). -- -- Zeg,
jongens: Tootje komt straks.
_De anderen._ Tootje -- !?
_Jules._ Het nieuwe sterretje! (_Een Fransch wijsje neuriënd_)
"Un poète m'a dit
Qu'il savait une étoile,
Où on aime toujours -- "
_Herman_ (_tot Frits_). Jouw Tootje?
_Frits_ (_zijn schouders ophalend_). Mijn Tootje -- !? -- -- Nou maar het
is een aardig snoetje hoor.
_Nellie._ Ajakkes, hoe kun jullie die nou zoo aardig vinden -- ! Zoo'n
brutaal nest! -- dat komt nauwlijks onder en boven 'r broek uit!
_Jules_ (_effen_). Nou, als ze de broek maar uitkomt.
_Nellie._ O, hoor dat! (_hem met den vinger dreigend_). Ik geloof, dat u
een erg gevaarlijke man bent, mijnheer Jules.
_Frits_ (_voor zich heen_). Nee, zulke "erg" gevaarlijke mannen, zijn juist
nooit zoo erg "gevaarlijk".
_Henri._ Ja, maar ze moet dadelijk weer weg, want ik krijg een leerling.
_De anderen._ Een leerling -- !?
_Nellie._ Ja jongens, hoe vindt jullie: Henri heeft een nieuwe leerling --
en wat een fijne, hè Han?
_Henri._ Nou.
_Nellie._ En ze heeft hem ook een brief geschreven -- nee, die moet jullie
toch eens hooren!
_De anderen._ Laat hooren! -- laat hooren!
_Henri_ (_protesteerend_). Ach, wel nee -- nee, nee!
_De anderen._ Toe -- toe!
_Jules_ (_plagend_). Laat es zien, of het waar is.
_Henri_ (_een beetje gevleid glimlachend_). Nou, es kijken -- één zinnetje:
-- ik weet geen eens, of ik hem bij me heb -- (_hij haalt den brief meteen
uit zijn binnenzak; hem inziende_) Nou maar -- e...
_De anderen._ Draai af! -- draai af!
_Henri._ Hm -- (_lezend_). "Zeer geachte heer" -- -- (_hij mompelt eerst
een paar zinnen door_) -- -- "ik houd van uw werk, als van een vriend -- --
zag het vaak -- en bewonder de idealistische kuischheid van uw naaktfiguren
-- -- ik -- " nou maar met de rest heb jullie ook verder niets te maken.
_Frits._ "Hear! hear! hear!"
_Jules._ Heel pikant!
_Frits_ (_zich den geur van de enveloppe, waar Henri den brief weer
ingestopt heeft, toewuivend_). Nou -- nou!
_Nellie._ Ja jongens -- nou moet jullie es ruiken!
_Henri_ (_na eenig protest_). Nou netjes hoor! -- netjes! (_de enveloppe
gaat langs de neuzen_).
_Herman_ (_ruikend_). Nee, daar houd ik niks van.
_Jules_ (_snuivend_). Beslist idealistisch kuische geur! (_aan Henri
teruggevend_). Nou maar dan is ze bij jou wel aan het goede adres!
_Nellie_ (_haar vingers nog naruikend_). Een fijne dame! -- Maar ik vind
dat toch een gekke brief voor een dame hoor, -- -- zou ze mooi zijn?
_Jules._ Natuurlijk is ze mooi! -- Pas maar op!
_Nellie._ O, mijnheer Jules, u bent een nare vent -- een reuzeplaag!
_Herman._ Och, zulke dames zijn nooit mooi.
_Frits._ Nee, Herman heeft schoon gelijk Nellie: idealistisch kuische dames
zijn nooit mooi -- mooi zijn alleen de realistisch onkuische modelletjes!
_Nellie_ (_niet goed wetend hoe het op te nemen, pruilend_). Nou maar, ik
vind jullie niks lief, hoor. (_Frits geeft haar een handkus_).
_Henri_ (_op zijn horloge ziend, zenuwachtig_). Zeg es lui, we moeten
voortmaken: over een half uurtje zou ze al kunnen komen -- en dan moet
jullie weg wezen, hoor.
_Jules._ En hij moet zich eerst nog prepareeren!
_Nellie._ Nou, jullie zijn ook klaar, hè?
_Henri._ Hier zijn sigaren. (_hij en Herman steken een pijp op, Frits een
sigaar_).
_Jules_ (_een cigaret aanstekend_). De moderne sleutel van alle hooge
inspiratie is de cigaret. (_er wordt geklopt_).
_Henri._ God! dat kan ze toch nog niet zijn!? -- (_allen staan op_).