_Nellie, Herman._
_Nellie_ (_komt aarzelig terug van de deur, scharrelt wat aan de tafel,
verdwijnt in het keukentje en begint klaar te zetten_).
_Herman_ (_naast de tafel zittend volgt haar met de oogen; hij zucht;
stilte_). Is 't nog altijd zoo an -- ?
_Nellie._ Och Henkie, begin daar nou niet weer over.
_Herman_ (_loopt pijnlijk rond en blijft voor den ezel staan_). Ik kwam
zeggen -- ik kwam vragen, of je -- na dit ding -- nog es kwam -- voor een
nieuw stuk; (_zich tot haar wendend_) wit! en grijs en blauw -- een nimf,
als een droom in een bosch.
_Nellie_ (_aldoor bezig_). Ja, later misschien, hè -- maar nou kan ik niet.
(_naar de schilderij knikkend_). Dàt moet eerst af -- enne -- -- ik ben nou
van hem, hè.
_Herman_ (_met afwerend gebaar, dan met den rug van zijn hand zich het
voorhoofd wisschend_). Maar -- jouw figuur is immers toch bijna af, -- en
dan beloof je me toch -- dan kom je weer -- voor de nimf -- ik moet je dan
hebben, zie je -- (_hij gaat weer zitten en dringt nader_) ik moet -- .
_Nellie_ (_tegenover hem, brood snijdend_). Och Henkie, zit nou niet te
zeuren -- ik ben nou hier.
_Herman._ "Hier" -- "hier" (_bitter_) hier zijn er al zooveel geweest.
_Nellie_ (_geprikkeld_). Och wat -- "hier veel geweest" -- en wat weet jij
daar nou van! Dat is nou maar enkel, omdat je jaloersch bent. (_stilte_).
En wat dan nòg? -- ik ben toch maar een model! -- ik ben toch vrij!
(_stilte_). Och Henkie, toen ik bij jou kwam, was ik nog maar een schaap.
_Herman_ (_opspringend_). Ja -- ja, dàt is het! Ik was de eerste hè -- en
dan zie je niet zoo nauw! en nu je de smaak beet hebt, nu wil je ook de
anderen leeren kennen! -- -- Nou leer ze dan maar kennen! allemaal -- den
een na den ander -- dan zul je zien, wat voor een egoïsten het zijn!
egoìsten! egoìsten! -- -- de heele wereld is egoïst! (_stilte, weer naar
haar toekomend, zachter_). Maar wat ìk voor je voelde, zie je -- dat zal je
niet weer vinden -- zie je. (_hij komt weer zitten, terwijl zij brood
snijdt. Stilte_). Weet je nog -- zoo snee je bij mij ook altijd brood,
Nellie, -- we hadden 't toch goed samen, Nel, -- -- hou je dan heelemaal
niet meer van me -- zeg -- ?
_Nellie_ (_zachter_). Och ja jongen -- och jawel -- . (_Zij zet koffie, en
legt daarbij haar arm over de tafel_).
_Herman_ (_haar hand vattend_). We hadden het zoo goed samen, zeg -- kon
het niet zoo blijven -- ? kan het niet meer zoo worden, Nel -- ? Ik heb je
zoo noodig zeg -- ik kan je niet meer missen -- ! ik kàn niet buiten je!
_Nellie_ (_haar hand terugtrekkend_). Och nee Henkie -- toe! Ik kom wel es
-- ja, ik kom nog wel es -- voor poseeren -- misschien, (_jagend_) maar noù
niet -- noù ben ik hier, noù ben ik van hem -- en ik hoù van hem! -- ik heb
hem lief -- daàr: ik hoù van hem!
_Herman._ St -- ! St! -- niet zoo hardop! -- (_hij staat op, loopt kreunend
rond, -- dan bij de tafel terug_). Hoe kun je dàt nou tegen me zeggen!
_Nellie_ (_een beetje verschrikt over haar eigen uitval_). Nou ja --
(_luisterend, -- opgelucht_). Daar komen ze -- !
_Herman_ (_haastig_). Je spreekt hem toch nooit over -- ons -- ?
_Nellie._ Och wel nee.