_Henri, Nellie, Herman._
_Herman_ (_van ongeveer eenzelfden leeftijd als Henri, maar blijkbaar uit
armer stand afkomstig. Met z'n bleeke, aldoor klamme voorhoofd, zijn
vlas-rossig haar, en zijn ietwat te hooge schouders, maakt hij een niet
heel gezonden indruk. Hij draagt een ouderwetsche, groen geworden pelerine.
Voorzichtig de deur openend en naar binnen ziend_). Mag ik binnen komen --
?
_Henri_ (_omziende_). O, ben jij het! -- kom binnen! -- (_schilderend_).
Lang niet gezien!
_Herman_ (_verrast ook Nellie te vinden, komt aarzelig binnen_). Nee -- hoe
gaat het, -- (_drukt Henri, daarna ook Nellie de hand_) zoo -- dat tref ik!
_Nellie_ (_heeft bij Hermans binnenkomen even opgezien, maar dadelijk
dezelfde pose bewaard, waarin zij zich, totdat Henri opstaat, niet meer
beweegt, -- hem de hand drukkend_). Dag. -- !
_Henri_ (_wenkt met penseel_). Ga zitten -- ga zitten.
_Herman_ (_blijft achter Henri staan en ziet beurtelings naar de schilderij
en naar Nellie_). Lief -- lief -- !
_Henri._ Nee, heelemaal niet lief -- "lief" wordt het heelemaal niet!
_Herman_ (_verward_). Nee -- ik bedoel -- de -- het -- ik bedoel -- (_hij
keert zich wat verlegen om en zoekt een stoel_).
_Henri_ (_schilderend_). Jawel -- jij zou er wel iets liefs van maken.
_Nellie_ (_vergoelijkend_). Nou maar hij heeft laatst een heel mooi van me
gemaakt, vroeger -- gekleed -- met die blauwe blouse -- (_met haar oogen
tot Herman_) weet je nog wel?
_Herman_ (_onhandig_). Ik bedoel -- je model: het model is lief. (_Nellie
zet een pruimemondje en Henri lacht meesmuilend. Met den rug van zijn hand
over zijn voorhoofd vegend, zich herstellend_). Ik kwam eigenlijk juist om
Nellie, hè -- dat wil zeggen: (_tot Nellie_) ik had het nieuwe adres na je
verhuizing nog niet -- enne -- nou kwam ik hier es even oploopen -- ik
dacht, dat Henri het nummer misschien wel zou weten, -- ik wist wel: zelfde
straat...
_Nellie._ Honderd-drie-en-veertig twee hoog.
_Herman._ O -- wacht: (_hij noteert zorgvuldig in een notitieboekje_)
"honderd-drie-en-veertig -- twee hoog", -- -- ik had idee, zie je...
_Henri_ (_schilderend_). Ja -- maar ik kan haar niet missen, hoor!
_Herman._ Nou ja, het is natuurlijk alleen om maar al vast af te spreken;
(_achter hem staande_) ik zie, je bent met haar nou toch betrekkelijk gauw
klaar -- en dan----
_Henri._ "Mee klaar"? -- (_hij duwt palet en penseelen weg, opspringend_)
"mee klaar"? -- ik kom er nooit mee klaar! Telkens ben ik er weer uit: dan
dít, dan dàt, aldoor weer wat anders -- ik kan er verduveld nòòit
inblijven!
_Herman._ O -- maar als ik ongelegen kom... (_hij maakt beweging om te
vertrekken_).
_Henri._ Wel nee, wel nee kerel -- nee, dat is de bedoeling niet. Ik wil
alleen maar zeggen in 't algemeen, hè: ik wou er juist es wat moois van
maken, zie je -- ik dacht, misschien voor een expositie, of zoo, -- en de
opzet was zoo allemachtig goed -- en nou raak ik vast en zit ik er op te
sabbelen...
_Herman._ Nee maar... (_maakt opnieuw beweging voor afscheid_).
_Henri_ (_hem terughoudend_). Och nee kerel, heusch -- -- , maar dat weet
je immers zelf ook wel (_met een zucht_): van den mooien opzet tot het
mooie eind, hè -- dat is de choos! (_naar Nellie kijkend, die uit haar pose
is op gaan zitten en een bonbon eet_) en Nellie is een goed model -- (_met
een schuin oogje naar Herman_) je kent haar -- prachtig, uitstekend voor de
pose, en mooi genoeg waarachtig, maar...
_Nellie._ Wat "maar" -- ?
_Henri_ (_haar op haar neus tikkend_). Jij hebt een mooi figuurtje Nel, en
een mooi gezichtje -- nou -- maar soms wil ik meer hebben, hè: -- het
"ideale" model, hoe zal ik zeggen, dat zou zelf moeten leven, zie je, ik
bedoel "meeleven" -- ik bedoel als 't ware "meeschilderen", enfin: de ziel
aan 't stuk geven, hè -- een lijf is niet genoeg -- .
_Herman_ (_fijntjes_). Ja, jij wil altijd alles hebben, hè -- het lijf en
de ziel -- en het hart -- .
_Nellie_ (_opspringend_). Ja, hij wil altijd alles hebben! -- en geef ik je
dan niet alles -- ? (_tot Herman_) maar hij is toch zoo'n moeilijke vent,
hè -- ik begrijp soms niet, wat ie eigenlijk wil.
_Henri._ Nee, dat is het juist; (_peinzend_) het "ideale" model -- "hèt"
model -- -- maar... (_op zijn horloge ziend_). O! maar het is ook al --
God, en dat is waar ook: Jules en Frits zouden op de koffie komen! (_tot
Herman, die weer aanstalten maakt tot vertrekken_). Nee, dan blijf jij
natuurlijk ook -- nee maar dan gaan we een complete lunch op touw zetten!
(_hij rolt den ezel wat terug, verschikt de stoelen enz. terwijl Herman
zijn hoed en jas ophangt_).
_Nellie_ (_die weer op de bank is gaan zitten en een bonbon eet, lang
uithalend_) "Lùnch" -- "lùnchen" -- hà wat klinkt dat leuk, zeg -- wat zegt
ie dat leuk: "lùnchen" -- , wat is eigenlijk "lùnchen" -- ?
_Henri_ (_haar nadoend_). "Lùnchen" -- ? dat is jou een zoen in je halsje
geven! (_hij zoent haar; dan, in zijn handen klappend_). En nou aan 't werk
jongens! (_hij telt op zijn vingers_). Brood is er -- maar niet genoeg --
eieren, kaas, koffie -- dat vind je allemaal in het keukentje Nellie, --
dan ga ik wat sigaren halen -- en nog wat brood -- en sardines (_op zijn
manchetten noteerend_).
_Nellie._ Hè ja, sardines! -- maar dat kan ìk toch wel doen?
_Henri._ Nee, jij hebt de vorige keer heelemaal verkeerde meegebracht! Maak
jij nou alles klaar en zet de koffie -- en dan kun je straks meteen de
omelet maken, -- dat kun je nou immers zoo mooi.
_Nellie._ Piekfijn -- (_tot Herman_) dat heeft ie me zelf geleerd, zeg --
-- (_dringend tot Henri_) maar toe, laat mij dat nou halen.
_Henri_ (_naar de deur gaand en zijn hoed nemend, terwijl Nellie mee naar
de deur loopt_). Nee, zet jij nou klaar en maak koffie -- ik moet toch zelf
voor sigaren naar beneden, en het is vlak bij. (_af_).