_Henri, daarna Nellie._
_Henri_ (_klopt glimlachend zijn pijpje uit, en gaat schouderophalend weer
voor zijn ezel zitten; voor zich heen mompelend_). "In ónzen tijd" -- "in
ónzen tijd!" -- (_zijn hoofd schuddend_) en dan zóó te blijven hangen! (_er
wordt geklopt_). Ja! (_over zijn schouder omkijkend_). Ah!
_Nellie_ (_mooi figuurtje van omstreeks twintig, trouwhartige oogopslag in
een niet heel sterk geteekend, maar jong en levendig gezichtje, stadsteint
bij donkerbruin haar. Naar binnen trippend_). Daar ben ik!
_Henri._ Nou, het werd ook hoog tijd hoor, -- ik zit te wachten -- ìk
wacht! (_opspringend_) en nou gaan we meteen beginnen!
_Nellie_ (_rustig voor den schoorsteenmantel haar hoed afdoend_). Wel, wat
heb je weer een haast -- ik mag toch wel even uitblazen? (_ze gaat op de
bank zitten_).
_Henri._ Nee: -- één zoen, en dan beginnen! (_hij komt naast haar zitten,
zoent haar, neemt haar handje en zoent in haar hals_).
_Nellie._ Nou -- ! nou!
_Henri._ Dat is om op streek te komen! -- Oompje was hier, en Cor.
_Nellie._ Die ouwe draak óók? -- en wat hadden ze?
_Henri._ Oompje kwam eerst, hè -- vragen of ik Tootje stuurde -- je weet
toch, dat ik Tootje voor vanmiddag besteld had, om es te probeeren voor de
linksche figuur -- ? Alleen maar es om een indruk -- (_als Nellie betrekt_)
-- nou daar hoef je niet zoo van op te kijken, want ik kan haar juist niet
gebruiken, omdat die nieuwe leerling van me komt, -- ik had de heele Tootje
vergeten. Nou, dan kan ze meteen naar oompje -- -- tante Cor moest weer uit
stad -- je begrijpt! -- en toen kwam zij hem zelf halen, hoor. (_zij lachen
samen_). Ja hè, om er zoo in te loopen: haar te trouwen! Ofschoon: zij
zorgt goed voor hem -- hij verdient eigenlijk niet beter, -- maar toch --
(_haar van terzij aanziend, terwijl hij met een lachje opstaat_). Nee
Nellie -- "trouwen" dat doen we lekker niet, hè?
_Nellie_ (_wat betrokken_). 't Wordt je ook niet gevraagd.
_Henri._ Nou ja, dat is toch onzin, je kan het toch samen goed hebben, je
kan toch van elkaar houden -- maar: trouwen, (_voor zich heen_) die
schildershuwelijken met...
_Nellie._ 't Wordt je ook niet gevraagd.
_Henri._ Verduveld, daar heb ik het toch al zoo dikwijls met je over gehad!
Dat heb je toch zelf wel meegezegd: liefde moet vrij zijn -- en kunst moet
vrij zijn, -- dat kun je niet binden. Als liefde vrij is, dan is ze juist
het zekerst en het mooist Nel, dan is ze echt, -- maar trouwen -- ? -- dan
zet je je liefde onder een stollepie -- dat is immers onzin!
_Nellie._ 'k Weet wel, dat je niet van me houdt.
_Henri._ Wel God nog toe -- "niet van je hou" -- ! Ach meid, ik houd immers
juist veel te veel van je -- hè? (_verliefd_). Klein dierage, dat me
telkens er uit haalt! -- Ik moest juist wat minder van je houden, dan ging
het werk beter -- want telkens zie ik jou en niet mijn werk: dàn ben ik er
in -- en dàn weer lig je me aan te kijken met je bruine oogen -- dan zie ik
niks dan je oogen -- o, jullie -- jullie! -- -- En dat weet je ook bliksems
goed!
_Nellie_ (_gauw bijgetrokken_). Nou, ik mag er toch ook wel wàt van hebben.
(_aanhalig_). Ik ben nou toch alleen maar voor jou, -- en als ik nog es
voor anderen zit, is het toch alleen maar gekleed -- -- en als jij het niet
wilt, dan doe ik dàt ook niet!
_Henri._ Je bent een snoes! -- Wacht: (_hij haalt uit de kast een papiertje
met bonbons_) kijk eens -- , dat heb ik voor je bewaard, van Zondag, bij
mijn familie -- -- verjaardag van m'n zuster.
_Nellie._ Oh -- ! -- dat is nou weer lief van je -- je bènt wel lief!
_Henri._ En nou gaan we beginnen!
_Nellie._ (_geeft hem een zoen, en begint haar blouse los te maken_).
_Henri._ Nee, vandaag alleen de kop -- ik moet nou eerst de kop nog wat
beter hebben. (_hij gaat voor den ezel zitten_).
_Nellie._ O -- (_zij neemt een half liggende pose aan als op de schilderij,
met de armen onder haar hoofd_). Zoo -- nietwaar?
_Henri._ Ja -- nee, wacht: (_hij staat op en verlegt haar hoofd wat,
waarbij hij haar kriebelt_).
_Nellie_ (_met een gilletje opvliegend_). Hè nee! -- nou maak je 't zelf
weer in de war! ik lag goed -- (_zij gaat weer liggen_).
_Henri_ (_de kussens schikkend_). Zoo -- ja -- zoo, (_hij gaat weer voor
den ezel zitten en kijkt nog eens_) zoo is 't goed. (_hij schildert.
Stilte_).
_Nellie_ (_voor zich heen_). -- Zoo -- was die Cor hier -- -- wat een
mensch, hè.
_Henri_ (_schilderend_). Nou -- (_stilte_).
_Nellie._ Ik kan niet begrijpen, dat die model is geweest -- hè -- -- ?
_Henri._ Nee -- (_stilte_).
_Nellie._ En oompje, -- aardige man wel -- wèl aardig -- maar mìjn man is
toch nog veel aardiger -- (_stilte. Voor zich heen, terwijl zij telkens met
haar schoentje een wip in de lucht geeft_) -- Hénri -- Hárri -- Hánni --
Hénk -- Hénnie -- nee: Hánnie, dat vind ik het leukst (_vleierig_) --
"Hánnie" -- !
_Henri_ (_schilderend_). Nee: "Henri" (_even korzelig opkijkend met
nadruk_) "Hén-rì"! (_stilte_).
_Nellie_ (_in zijn zelfden toon_). Hén-rì -- -- en Nél-liè -- . (_stilte_).
Zeg, heb ik je wel es verteld, dat ik een neef heb, die ook Henri heet? --
maar die noem ik Henk.
_Henri._ Nou ja, maar houd nou es je mond! (_stilte. Er wordt geklopt_). Ja
-- !