gezoend...
--Maar, m'nheer!
... gezoend op allebei z'n wangen.
"Naar Weenen, naar Weenen!" riep alles wat stem had in Wouter's
gemoed. Met geografische inspanning legde hy zich de vraag voor, of
Haarlem in den weg lag naar dat verrukkelyk oord. Jansen vermaakte
zich kinderlyk met z'n verbazing. Ze werd ten-top gevoerd--ach,
vernietigd te-gelykertyd--door 't vervolg en slot van de historie.
--De keizerin stopte z'n zakken vol...
--Hè?
... vol suikerdemangelen.
Hier berstte Jansen in lachen uit, zoodat de voorbygangers er schik
in kregen. Maar 't was moeielyk niet te lachen by 't gekke gezicht
dat Wouter zette, en hierom was 't dan ook den goeden pater te doen
geweest, want hy hield van vroolykheid. Na zich eenige oogenblikken
te hebben laten bidden om opheldering, lichtte hy de zaak toe:
--Ik zal 't je dan maar zeggen. Die klavierspeler was pas zes
jaren oud, en 'n heel lief jongetje. Pastoor Koens heeft met hem
gestudeerd--later, weetje--en ze zyn groote vrienden gebleven. Ik
zei je-n-immers al dat-i 'n kyrie voor hem gemaakt heeft? Ze hebben
samen gestudeerd op 't Jezuiten-kollegie...
Wouter rilde protestantelyk.
...daar krygen wy onze knapste menschen vandaan. Maar 't gaat niet
altyd door, want... ik ben er ook geweest. Gut, wat keek je gek,
toen ik je vertelde van die suikerdemangelen! Maar ik zou je wat van
die kyrie zeggen. Als Koens hem zingt... o! In z'n kamer, meen ik,
want in de kerk doet-i 't niet graag. Styn heeft er van gehuild,
want het is heel gehoorig by ons, we kunnen elkander best hooren
zuchten... maar ik zucht nooit. Waarom zou ik zuchten? Nu, Styn huilde,
en ik kreeg kippevel. En weetje wat ik er by dacht? Ik dacht: God,
God, wat ben ik 'n prul by pastoor Koens!
--Hè, m'nheer!
--'t Is de waarheid! Maar ik van myn kant ben weer veel sterker
van bouw en spieren. Dat is ook iets, niet waar? Godbewaarme voor
ondankbaarheid! Als m'n vader me op z'n smedery gedaan had, zou ik net
zoo sterk geworden zyn als m'n broer, maar de theologie maakt 'n mensen
'n beetje lebberig, vindje niet? En toch... verbeelje, ik heb thuis
'n Vulgata. Daar staat wat in! Ze is in kwarto, zóó dik, en dat in
't vierkant, en in leer gebonden... 'n heele vracht! En er zyn sloten
aan, ook, Styn schuurt ze alle weken blank. Welnu, ik pak een van die
koperen lippen met m'n pink, en Styn zegt paters op, en ik houd m'n
Vulgata--altyd met die ééne pink, moet je denken--tot quotidianum van
de derde. En Styn is niet eens heel vlug met 'r paters. Als ik ze zelf
zei, bracht ik 't zeker tot remitte van de vierde, of misschien wel
tot amen. Maar ik moet je 'r byzeggen dat wy katholieken geen kracht,
macht en heerlykheid hebben. Dat scheelt altyd 'n beetje. En... er
is niets apokriefs in de Vulgata. Met 'n protestantschen bybel zou ik
't wel laten, dat vat je wel!
Neen, Wouter vatte het niet! Of althans hy begreep niet alles. Maar de
konkluzie nam-i goedig aan. Hy hield zich overtuigd dat pater Jansen
byzonder sterk in z'n pink was, en zou voor die overtuiging in den
dood gegaan zyn.
--Ja, 't is 'n heel ding, niet waar? En dàt kan nu pastoor Koens weer
niet. Zoo zieje dat God altyd ieder 't zyne geeft. Maar ik heb Styn
verboden 't hem te zeggen. Hy mocht eens verdrietig worden omdat-i
't me niet na kan doen, en dit hoeft niet, want zulke dingen komen
toch in ons vak maar zelden te-pas. Maar eens toch heb ik er recht
schik van gehad... niet van die Vulgata, meen ik, maar dat God me zoo
sterk gemaakt heeft. Hy doet niets voor niemendal, houd je dáár maar
aan vast! Verbeelje, ik was op 't Simmenarie, en daar woonde-n-'n boer
in de buurt, 'n ryke boer. Hy heette Koremans, maar hy was heel ryk,
en hy had veel arbeiders in z'n dienst, meiden en knechts, allemaal
boeremenschen, dat begryp je wel. Een van de meiden heette Trineken,
en ik dacht dat Koremans goed en gul was... maar och, ik heb er geen
pleizier in, je dat te vertellen. Waartoe dient het? Liever vertel
ik je-n-'n ander stukjen, iets van hèm, van pastoor Koens. Dat moet
je hooren!
't Speet Wouter dat-i niets van Trineke te weten kwam. Met allen
eerbied voor de gaven van pastoor Koens, gaf-i de voorkeur aan 'n
boeremeisje. Hy was in de jaren que tout ce qui porte jupon intéresse,
en in z'n verbeelding vertaalde hy elk onbekend vrouwspersoon in
"Femken" of... iets als Femke. Maar hy begreep toch dat-i den goeden
Jansen niet dwingen mocht in de keus van z'n onderwerpen, en hy
luisterde zoo aandachtig mogelyk, weldra zéér aandachtig zelfs,
en zonder dat dit hem moeite kostte.
--'t Was eens zyn beurt van preeken, ging de pater voort, en
hy preekte. Den tekst weet ik niet meer, maar 't was over goede
behandeling. Van den eenen mensch jegens den ander, weetje, want dat is
eigenlyk de hoofdzaak van ons geloof. Ik preek er ook wel eens over,
maar... zóó niet, daar scheelt veel aan! Want, wat gebeurt er? Er zat
'n man in de kerk--'t was 'n slachter, moet je begrypen--die kreeg
'n toeval, en hy moest er uit gedragen worden, en ieder dacht dat
het van de warmte was. Maar 't was niet van de warmte. Die man had
stiefkinderen, en hy behandelde ze niet goed, en hy voelde zich zoo
zondig door de preek van pastoor Koens, dat-i van zichzelf viel. Vind
je dat niet sterk voor 'n slachter? Toen-i weer wèl werd, heeft-i z'n
stiefkinderen voor z'n bed geroepen, en hun om vergiffenis gevraagd,
en beloofd dat-i ze nooit weer mishandelen zou, want... dat deed-i
vroeger. En, omdat-i slachter was, zond-i 'n mand met worst aan pater
Koens, met 'n brief er by. Je kunt denken hoe bly we waren... om
die kinderen.
--En, m'nheer, heeft die slachter woord gehouden?
--Ik denk 't wel, want hy zal 't zeker prettig gevonden hebben, goed
voor z'n stiefkinderen te wezen, en 'n mensch houdt van pret. Maar
Koens wou de worst niet hebben, want hy eet geen vleesch, Styn moest
ze terugbrengen, zeid-i.
--Hè, riep Wouter die 't jammer vond zoo'n geschenk aftewyzen.
--Ja, niet waar, 't zou den man bedroefd hebben. Dit vond Styn ook,
en ik ook, en daarom hebben wy die worst opgegeten, zy en ik, want
ik mag wel worst.
--Maar, m'nheer, wat was er dan met die Trineke?
--Och, ik heb me verpraat. Ik had den man z'n naam niet moeten noemen,
want het past me niet, iemand zwart te maken na z'n dood.
--Wat had-i gedaan met die Trineke?
--Gedaan? Niets! Ik wil 't je wel vertellen, maar spreek er nooit
over. Misschien leven z'n kleinkinderen nog, en hoe zou jy 't
vinden als men kwaad sprak van je grootvader? Koremans was juist
niet erger dan andere boeren, en daarom zou 't me leelyk staan
z'n naam te bekladden, maar wáár is wáár! Hy was heel ryk, en goed
voor de kerk, o best! In onze kapel--want we hadden 'n kapel in 't
Simmenarie--hing 'n geelkoperen Sebastiaan met z'n lyf vol pylen,
wel duizend pond zwaar... nu, die was van hèm. En opschepperig was-i
als we hem bezochten, goedgeefs... je hebt er geen begrip van! Aan
brood en kaas of karnemelk was nooit gebrek, al kwamen we met z'n
twintigen... net 'n zoete-n-inval! En z'n dochters zetten rozynen
op brandewyn, en daar dronken wy simmenaristen van dat het 'n aard
had. Maar dat kregen we alleen als er feest was, doopen of paschen
of trouwen, of zoowat. En eens zou een van z'n dochters trouwen--'t
was al z'n derde, want daar de mâskes veel meekregen, wou ieder ze
hebben--en wy kwamen gelukwenschen, en werden best onthaald, maar de
bruid keek sip, en we dronken brandewyn op rozynen, en er was 'n pret
van belang... op de bruid na! Maar op-eens... och, jongeheer, ik had
het je eigenlyk niet moeten vertellen. Je belooft me toch zeker dat je
'r nooit over spreken zult?
--Nooit, nooit, m'nheer, op m'n woord van eer!
--Wàt? Nu, je belooft het, dat 's genoeg. Dat ik schik van de zaak
gehad heb, is waar, en nòg! Want je zult hooren hoe sterk ik geweest
ben, en toch was ik nog niet eens terdeeg uitgegroeid. Je begrypt,
'n jongen in theologie-tweede is anders nog niet veel mans. Nu, we
aten en dronken, en er zou gedanst worden ook. Dit mocht eigenlyk
niet, en als 't in 'n ander huis gebeurd was, zouden we zeker straf
gekregen hebben, maar Rector zag wat door de vingers als 't by Koremans
gebeurde, om dien Sebastiaan, weetje, en ook omdat-i wel-eens in z'n
wagen naar stad reed, en roomkaas kreeg. Ik was dol op dansen... in
dien tyd. Nu zou 't niet staan! En ik zou dansen met de bruid die ik
graag lyden mocht... vroeger. En ze hield van my ook wel, dat weet ik
zeker. Juist toen we beginnen zouden, bemerkte ik dat Trineken er niet
was, en ik vroeg: waar is Trineke? Want anders was ze-n-'r altyd by,
net als de andere knechts en meiden, maar nu was zy er niet. En dat
zag ik, en ik vroeg er naar aan Lies, en ook aan Koremans-zelf. Lies
was de bruid, weetje, die met me dansen zou, en wel 't allereerst,
omdat ik 'n weddingschap van haar vryer had gewonnen... ook al over
sterkte. "Trien is ziek, zei Koremans, en ga nu je gang maar met
Lies." "Is Trineke ziek, vroeg ik, en waar is ze dan?" Want dàt wou
ik weten. "En, zei ik, ik ga nu me gang met Lies niet, voor ik weet
waar Trineken is."
Wouter verwachtte nu 'n landelyk drama met... iets als liefde er
in. Heel véél kon 't niet wezen, dit begreep hy wel, om den aanstaanden
werkkring van den held. Maar juist deze bedenking prikkelde z'n
nieuwsgierigheid te meer. Hy tooverde zich den jeugdigen nog niet
geheel tot geestelyke verwrongen jongeling voor oogen, staande tusschen
twee-, drieërlei plicht, misschien wel tusschen formeele trouwbeloften
en gemoedelyke beloftentrouw, tusschen Trineke, Lies en theologie. En
op den achtergrond vertoonde zich de sombere gestalte van den bruigom,
die gereed stond by de minste overhelling naar Liesje's kant, den al te
gelukkigen Seminarist met één slag doodongelukkig en liefst heelemaal
dood te maken. In byna alle Dorfgeschichten die Wouter gelezen had,
droeg zich de zaak op die wys toe. Of zou pater Jansen den bruigom
hebben neergeveld? Een mensch doet rare dingen als-i verliefd is,
en daarby zoo byzonder sterk.
--Nu moet ik je iets zeggen, jongeheer, dat me in de ziel leed doet...
--Ik zal er heusch nooit over spreken, beloofde Wouter, die meende
dat-i 't geheim van 'n moord te bewaren kreeg, en bang was dat Jansen
't verhaal afbreken zou.
--O, dit mag je wel vertellen, 't kan soms nuttig wezen dat men 't
weet. Ik wou je dan zeggen--maar 't spyt me wel--dat de boeren... soms
niet heel lief omgaan met hun volk. Die oude Trineke...
--Hè?
... die oude Trineke kon haast niet meer voort, en ik had al meer
gemerkt dat men haar achteraf zette, en wegdeed als er wat vroolyks
voorviel op den deel. En ik vroeg weer, waar Trineke was, en zei dat
ik niet dansen wou voor ik wist wat haar scheelde. Want toen ik den
vorigen keer by Koremans was, had ik al gemerkt dat ze erg hoestte, en
nog kaduker was, dan gewoonlyk. Ze was 'n beetje mank ook, maar ze had
altyd braaf gewerkt... o, by Koremans z'n ouders al! En daarom vroeg
ik waar ze was? "Ze is op 'r bed, zei Lies, en ik begryp niet wat je
hebt uittestaan met dat ouwe mensch. Kom, dans maar!" En ze wenkte den
speelman dat-i beginnen zou. Maar ik liep weg om Trineke te zoeken,
want het was me alsof God me ingaf--dit gebeurt soms--dat ze slecht
behandeld werd. En Lies me na! En Koremans ook! Je moet nu geen kwaad
van dat meisje denken omdat ze me naliep. 't Was maar dat ze niet wou
dat ik Trineke zou vinden, en weten waar ze lag. Want... ze lag in den
stal. Maar dat wist ik niet, en Koremans zei 't me niet--dat begryp
je wel--maar 't was of God het me ingaf. En ik stond voor den stal,
en vroeg: "is ze hier?" maar Koremans durfde niet antwoorden, en Lies
riep weer: "wat wil je toch met dat ouwe mensch?" Maar ik zei: "met
jou dans ik niet!" en 't speet 'r. Toen vroeg ik aan Koremans, of-i de
deuren van den stal wou openen? "Neen, zeid-i, en ze is er niet!" En
ik zei dat ze 'r wèl was, en vroeg 't hem nògeens, want men moet
'n mensch altyd tyd laten om zich te beteren. Dat doet God ook. Maar
hy zei weer neen, en Lies wou me vasthouden, maar ik duwde haar weg,
en zette m'n schouder tegen de staldeur dat-i kraakte, en... ik was
er in, hoor! Vind je dat niet sterk? Ik heb er nog schik van.
--En Trineke, m'nheer?
--Wel zeker, daar lag ze-n-als de reiziger uit 's heeren Schrift! 't
Was naar en akelig om aantezien. Heel lang heeft ze niet meer geleefd,
maar... ze is toch behoorlyk gestorven op 'n kristelyk bed. Want ik heb
Koremans onder handen genomen, dat verzeker ik je! Ik zei dat God hem
verbryzelen zou, precies zoo als ik de staldeur gedaan had... neen,
veel erger nog! En ik zei--met 'n zwaren vloek er op--dat ik bord
noch beker in z'n huis zou aanroeren voor Trineke op 'n bed lag,
met 'n dokter er voor, en medicyn op de plank. 't Gebeurde, hoor!
O, ik heb veel gezegd! Ook over dien Sebastiaan... want daar was-i
erg groots op, en ieder die in de buurt van ons dorp kwam, moest
het weten dat de Sebastiaan in onze kapel van Koremans was. Ik zei:
"denk jy dat God met koperen koppen gediend is? Die oude Trine draagt
meer pylen in haar lyf dan Sebastiaan ooit gehad heeft, want ze is
er heelemaal kaduuk van, en mag je dan zoo'n mensch op stroo leggen
in je stal? Zet jy daar jou Sebastiaan in, die zal er geen weet van
hebben, want hy is maar van koper, en de levendige Trineken is je
nader. Ze heeft je-n-uit de sloot gehaald toen je-n-'n dreumis was,
en wat heeft ooit Sebastiaan voor je gedaan? 't Was 'n heilig man, ja,
maar jy moet ook 'n beetje heilig wezen, en niet je volk in de mest
leggen. Wie denk je wel dat je bent, omdat je geld hebt, en koeien en
land? God heeft veel meer dan jy, en als-i verkiest, kan-i Trineke wel
honderd boerderyen geven waar de jouwe-n-in verdrinken zou. 't Is nu
Gods wil dat zy niks heeft, en jy veel, maar als 't hem in z'n hoofd
komt, keert-i 't om, en geeft je hoest en jicht en allerlei krupsies
meer. Wil jy dan op stroo liggen als 'n varken?" Zoo heb ik gesproken,
en ik zei nog veel meer, en ik gaf er latynsche teksten by, want daar
kan 'n boer niet tegen. Ook zei ik dat-i in de hel komen zou, maar ik
weet niet zeker of dat wel waar was. Je moet denken, ik was nog maar
in theologie-tweede. Gut, er hoort zooveel toe om alles precies te
weten van God en goddelyke zaken! 't Is 't zwaarste vak van de heele
wereld, en ik was nooit erg voorlyk. Die Koremans had eens pastoor
Koens vóór zich moeten hebben, die had 't hem ànders ingepeperd! Maar
Koens had nu weer die staldeur niet zoo gauw opengekregen... krak,
daar lag-i! De hengsels waren verdraaid.
--En Liesje, m'nheer?
--Ze had er veel weet van dat ik zoo driftig geweest was, en toen
Trineken op 'n bed lag, vroeg ze-n-of ik nu met haar dansen wou? Maar
ik wou niet. En toen bracht ze Trineken 'n glas brandewyn met rozynen
en krentenkoek, dat heel versterkend is by de boeren, en toen vroeg
ze weer of ik met 'r dansen wou, en ik deed het, maar zonder veel
plezier. Ik schoof maar zoo'n beetje heen-en-weer, en Liesje was ook
anders. En ze wou haar huwelyk uitstellen, maar Koremans was er kwaad
om, en haar vryer ook. Ik geloof dat-i me niet lyden mocht... zeker
om die weddingschap.
Hier zweeg Jansen 'n oogenblik: en 't scheen wel of z'n gedachten
minder vroolyk waren dan naar gewoonte. Misschien "schoven ze
maar zoo'n beetje heen-en-weer, zonder veel plezier." Wouter was
wreed genoeg, de herinneringen van den ouden man aantezetten tot
wat gehuppel. Jazelfs hy verwachtte een flinken sprong, 'n saut
périlleux. De onkunde der jeugd is wreed--cet âge est sans pitié ,
zei de fabeldichter--en Wouter wist niet wat-i deed, toen hy vroeg:
--En is Liesje met haar vryer getrouwd, m'nheer?
--O ja, zeker, zeker! Waarom zou ze niet met hem getrouwd zyn? Alles
was immers afgesproken en klaar. Maar ze beloofde my vooraf dat
ze-n-altyd goed voor haar volk wezen zou, want dàt had ik haar
verzocht, maar ik zei er by dat ik niet heelemaal zeker was van de
hel, omdat ik nog maar theologie-tweede was. Ja, niet waar, ik mocht
me niet voor hooger uitgeven dan me toekwam, en waarom dan zoo'n
meisje voor niemendal schrik aantejagen, als ik 't soms mocht mis
hebben? Maar ze zei dat ze geen hel noodig had, en dat ze-n-altyd
heel goed wezen zou als ze 't my maar beloofd had. Nu, ze méénde
't wel, want ze gaf er my 'n hartelyken zoen op... och, ze huilde zoo!
--Waarom huilde ze zoo, m'nheer?
--Je moet begrypen, de eene mensch is niet als de ander, en soms
heeft men verdrietige buien. Misschien huilde ze-n-omdat ik zoo
driftig tegen haar vader geweest was, en dat was goed van haar, want
'n kind moet altyd partytrekken voor z'n ouders. 't Begon al toen ik
Trineken opnam...
--Had U dat gedaan, m'nheer?
--Ja zeker, ik was de sterkste van allemaal, en 't bed was boven in
huis. Wie zou haar den trap opgedragen hebben zonder 't mensch zeer
te doen? Ze was maar vel en been, en alles deed haar pyn. 't Was
Koremans z'n eigen bed...
--Och!
--Daar stònd ik op! Ik hield me koppig, en zei dat het zoo wezen moest,
of ik zou 'n omgekeerd Jeruzalem van z'n huis maken. En Lies wou
háár bed afstaan, maar ik zei: "né, in 't zyne, of ik kom hier nooit
weer!" En ik zei er 'n heel ruw woord by, tegen haar vader--je bent
maar 'n ruige Ezau! zei ik--en daarom zal ze misschien gehuild hebben.
--Was ze-n-'n... lief meisje, m'nheer?
Deze vraag zweefde Wouter reeds lang op de lippen, maar de weifeling
tusschen de varianten "mooi" en "schoon" deed hem telkens aarzelen. 't
Een kwam hem tegenover 'n geestelyke wat gemeenzaam voor--te gemeen ook
misschien--'t andere klonk te boekerig by Jansens gemeenzaamheid. Toch
moest ons roman-lezertjen iets van Liesjens uiterlyk weten, en
hy kleedde z'n nieuwsgierigheid naar dat hoofdmoment van de zaak,
zoo deftig in als de omstandigheden toelieten. Maar ook Jansen had
zeker dekorum in-acht te nemen. Niet met bewustheid tegenover Wouter,
of wien ook, maar zonder zelf hiervan iets te weten, jegens z'n eigen
vlekkelooze reinheid. Van mooi of niet mooi was dus ook by hem geen
spraak. En meer nog: hy dacht er niet aan, hy wist het niet!
--O ja, heel lief. En vroom ook, op zondag en hoogty, dàt moet
ik zeggen! Maar de heiligheid van den huwelyken staat wou ze niet
vatten. 't Is by ons 'n Sakrement, weetje, en dat zei ik haar. Maar ze
was er niet mee tevreden, en wou haar trouwen uitstellen tot zy al haar
kristenplichten beter kennen zou, zei ze. En ze vroeg of ik 'r daarin
helpen wou? Maar haar vryer had er geen zin in en zei dat hy dat wel
zou doen, en toen gaf ik hem 'n boek waar alles in stond. Maar, och,
zy is na haar trouwen bleek en verdrietig en ziek geworden, en heeft
niet lang geleefd. Kort voor haar dood liet ze nog vragen hoe Trineken
't maakte, en of ik de stumpert wel trouw bezocht? Nu, dit deed ik,
en 't zal Liesje zeker plezier gedaan hebben.
--En, m'nheer, bezocht u Liesje niet?
--Neen, want haar man was niet heel vrindelyk als ik naar haar
vroeg. Ik geloof dat-i bang was dat ik iemand mee zou brengen, dien-i
misschien liever niet zag. Want Liesje... kyk, de zaak was zóó. In
't dorp zei iedereen dat ze liever 'n ander gehad had, als ze 't maar
had durven zeggen. Maar dit durfde ze juist niet, omdat die ander
van de kerk was. Ja ja, ik weet wel wie 't was, ook!
--Hè? vroeg Wouter die 't ook meende te weten.
--Ja, maar zeg 't niemand. Ik had al lang gemerkt dat ze zoo best op
de hoogte was van onze uitgangsuren, en als we-n-om karnemelk kwamen,
stond zy aan 't venster. Ook soms aan 't hek, maar zoodra we naderby
kwamen, ging ze naar binnen, net als iemand die niet weten wil dat-i
uitgekeken heeft. Zoo zyn de meisjes, en dit wist ik heel goed, want
nergens doet men zooveel menschenkennis op als op 'n simmenarie. Nu,
dat ze-n-altyd zoo uitkeek, was zeker om Kruger, 'n besten, besten
jongen! En dat haar man zoo stuursch tegen me was, zal ook zeker om
Kruger geweest zyn. Misschien dacht-i dat ik hem zou meebrengen, en dat
zou ik ook misschien weleens gedaan hebben, want Kruger was m'n beste
vrind, en hy hield byna net zooveel van Liesjen als ik. O, heel veel!
Tot zoover was Jansen gevorderd met z'n vertrouwelykheden, toen 't
paar de Haarlemmerpoort bereikte. Wouter had gaarne meer vernomen van
de roerende tragedie die niet recht scheen begrepen te worden door een
der hoofdpersonen zelf. Hy voelde wel dat Jansen eigenlyk meer verteld
had dan-i zich veroorloofde te weten. Of wist hy meer? Gedurende
het doorgaan van de duistere bochtige poort had de man gezwegen. De
eigenaardige galm die door dat zonderlinge gewelf dreunde en 't spreken
moeielyk maakte, was daarvan zeker de oorzaak. Maar toen ze weer in
de open lucht kwamen, klaagde Jansen over den vreeselyken tocht die
hem de oogen vol zand gewaaid had.
--Zou je wel gelooven, jongeheer, dat ze 'r van tranen? En ik ben
moè ook. Ja, ja, ik heb vandaag al wat af gedraafd, en verlang naar
'n zitje. Maar... wat is dáár te doen?
Inderdaad, er was 'n "standje" by de aanlegplaats van de schuit Onze
wandelaars versnelden hun stap, om er zoo spoedig mogelyk 't rechte
van te weten.
Wat my betreft, ik meen in dit hoofdstuk voldaan te hebben aan de
belofte dat ik eens 'n staaltje van pater Jansen's preekmanier geven
zou, en ik zeg er dit uitdrukkelyk by, om niet dezen of genen onkundige
in den waan te laten dat-i 'n idylle gelezen heeft.
Wouter en deugdzame lezers worden teleurgesteld door Fancy, die
'n lynch-vonnis kasseert. Ter vergoeding levert ze bydragen tot
de physiologie van zekere nyverheid, en benoemt ze Wouter tot
trooster van 'n diep bedroefde moeder. De lezer wordt gepaaid
met het stuk volksroem, waarop hy al zoo lang gewacht heeft. Of
Wouter Haarlem bereikt?
--Wel, jongeheer, daar schynt wat vreemds voortevallen. Hoor me die
vrouwspersoon eens schreeuwen!
--Ja, m'nheer, ze schelden. Ik geloof zeker dat er ruzie is.
De opmerking van pater Jansen was gegrond, en Wouter's geloof ditmaal
eens byzonder goed. Er was inderdaad iets byzonders aan de hand en
er werd gescholden.
En alweer vroeg Wouter waarom die vrouw zoo schold, en "tegen wien
ze 't had?" Hy kon aanvankelyk niet uit de zaak wys worden, en deed
hiermee tot m'n groot genoegen z'n leermeesters by het postkantoor
weinig eer aan. Uit de onnoozele vragen die hy tot z'n bejaarden vriend
richtte, bleek duidelyk dat hun onderwys niet best aan hem besteed
was geweest. En pater Jansen was nu juist de rechte man niet om hem
behoorlyk intelichten, want er was by die schuit iets zeer gemeens te
doen, en daarvan had-i geen verstand. Wel kende hy in z'n hoedanigheid
van zielengeneesheer de gewone verschynselen van de ziekten die men
hem in theologie-derde als "zonde" had leeren kennen en behandelen--de
kursus liep, excusez du peu, in theologie-eerste tot en met genezen
toe!--maar juist omdat-i ze slechts als zoodanig bestudeerd had,
stond-i met de handen verkeerd, zoodra de vyand tot wiens verdelging
hy ambtshalve geroepen was, zich in levenden lyve aan hem vertoonde,
wat hier werkelyk 't geval bleek. De goede pater mocht van geluk
spreken dat-i, eenigszins verlegen door de verrassing, en misschien
ook weerhouden door de stoffeering van het tooneel dat byzonder weinig
op 'n biechtstoel geleek, niet terstond aan 't bedokteren ging van
de zieken die hier overvloedige blyken gaven van behoefte aan wat
beterschap. De goede man zou zeker 'n gek figuur hebben gemaakt, en
dit ware jammer geweest. Hy vernam by deze gelegenheid byna evenveel
nieuws als Wouter, en ook zonder deze overeenstemming was 't opmerkelyk
in hoevéél opzichten de indrukken die zy hier opvingen, elkander
geleken. Jansen was in wereld- en menschenkennis ongeveer blyven
staan op 't standpunt dat Wouter onlangs bereikt had, en alzoo steeds
minderjarig in de boosheid gebleven. Het verschil tusschen deze beide
kinderen bestond hoofdzakelyk hierin, dat de ontwikkelende knaap méér
weten wilde en zichzelf beschuldigde van domheid, terwyl de volwassen
man heel tevreden was met z'n verstandelyke toerusting. En waarom
zoud-i niet? Hy had immers alle voorgeschreven examens achter den
rug, en wist dus precies wat er in zake zielenherderschap kon geweten
worden. Z'n tevredenheid sproot volstrekt niet uit eigenwaan voort,
maar uit plichtmatig vertrouwen op de knappe luî die verklaard hadden
dat-i behoorlyk volleerd was en raad wist met alle zonden. Hy had er
latynsche getuigschriften van, met zegels er op. Wat wil men meer?
Ik kan de meening niet deelen van sommigen die beweren dat 'n
katholiek geestelyke zoo byzonder veel menschkunde zou opdoen in den
biechtstoel. Het komt me voor, dat men daarby over 't hoofd ziet hoe
moeielyk het is zichzelf te schetsen, en dat de biechteling, ook by de
hoogstdenkbare oprechtheid--volkomen oprechtheid is onmogelyk!--slechts
daden en feiten kan openbaren. Vanwaar immers zou hy de psychologische
ontwikkeling halen, die niet ontbeerd worden kan door iemand die al
de schakeeringen van de roersels zyner handelingen uit elkaar wil
houden? En vanwaar de welbespraaktheid om die duidelyk blootteleggen
voor 'n ander? Waarlyk, wie dit kan, knielt niet naast 'n biechtstoel
om de geheimen van z'n ziel toetefluisteren aan 'n priester! Niet
voor dezulken is de oorbiecht uitgevonden, en niet voor hèn wordt ze
in-stand gehouden. Wie dit betwyfelt, lette eens op den graad van
verstandelyke ontwikkeling waarmee 't meerendeel der geestelyken
blykt te kunnen volstaan. Er hing me hier 'n beeld in de pen,
waarmee ik 't verschil in soort van hun werkzaamheid wilde schetsen,
doch ik houd het terug. 't Was iets als 'n vergelyking tusschen den
Schwartzwalder boer die houten klokjes snitselt, en den fabrikant van
fyne zakuurwerken te Genève. Deugt niet, deugt niet! Er is hier geen
spraak van 't onderscheid tusschen grof en fyn, niet eens zelfs altyd
van meer of minder ingewikkeldheid der organismen. Op 't oneindig
wyd gebied van menschkunde heerschen àndere verschillen! Reeds
zeer lang geleden zagen we hoe tevreden pater Jansen was over
Femke's ziel--geen Schwartzwalder snitselwerk, op m'n woord!--en
onlangs stelde ik den lezer in de gelegenheid 'n brok theologischen
kursus bytewonen, door hem in kennis te brengen met Styntje. Hoe
gelieft men nu den toon te noemen, waarop die beidie personen zich
uitlieten over zaken die door anderen slechts werden behandeld met
konynenmondjes en in pontifikaal! Ondeftig was die toon, o zeker! Maar
toch--en ik bedoel dit in zéér hoogen zin--onaesthetisch, grof,
onzedelyk dus, was die toon niet! Er was hart in, en kinderlykheid,
en overtuiging. De uitdrukkingen die pater Jansen en z'n dienstbode
zich veroorloofden... och, ze wisten niet dat er iets te veroorlooven
viel! Van kinds-af vereenzelvigd met hun naïf geloof, bespraken zy
de dingen die daarmee in verband stonden, met dezelfde gemakkelykheid
als andere belangen van hun huishoudentje, en Styntje's tevredenheid
over 't vereffenen der schuld van haar moeder was van gelyke soort
als haar voldoening zou geweest zyn over 't wèlslagen van ingemaakte
zuurkool. 't Spyt me dat ik op 't oogenblik niemand tot getuige roepen
kan die haar aankomst in den hemel heeft bygewoond, maar we mogen ons
verzekerd houden dat ze by die gelegenheid even onbevangen gevraagd
heeft: "wel, waar is ze nu... m'n moeder? Ze weet immers dat ik alles
krek in-orde heb gebracht?" als ze Wouter opdroeg haar teerbeminden
pater te beschermen tegen z'n goedgeefsheid. En ook hyzelf was er
de man niet naar, om z'n God en goddelyke dingen terugstootend te
maken door deftigheid. Z'n geloof en al wat daaruit voortvloeide,
was hem de meest dagelyksche zaak van die wereld.
Maar... die wereld-zelf kende hy nu eenmaal niet! Hy wist er niet
veel meer van dan z'n biechtelingen hem konden of wilden meedeelen,
en deze zeer gebrekkige inlichtingen namen nog bovendien steeds
de kleur aan van z'n eigen schuldeloos gemoed. Elk bedreven kwaad
scheen hem 'n ongeluk toe, en de vermaningen die hy uitsprak of de
boetedoening die hy soms meende te moeten voorschryven, geleken meer
op 'n vriendschappelyk toegediende hartsterking dan op berisping
en straf. 't Was waarlyk geen wonder dat-i niet recht vatte wat er
by die haarlemmer-schuit verhandeld werd! Een der hoofdpersonen in
het drama-bedryf dat hier werd afgespeeld, de vrouw die door haar
luidruchtigheid en gemeenen opschik de aandacht van 't publiek tot
zich trok, was te Amsterdam geweest om wat koopwaar optedoen voor haar
winkel te Haarlem. Die koopwaar bestond in 'n tweetal... meisjes,
neen--twee "meiden" zeg ik ook niet graag--uit twee jeugdige
vrouwspersonen dan, die ze door geschenken en de voorspiegeling van
'n lui leven tot zich had weten te lokken. Wat ik hier "geschenken"
noem, was in werkelykheid 'n driedubbel geboekt woekervoorschot. En
"ze had het zwart op wit" zei ze, op haar dy slaande, waar de kostbare
dokumenten geborgen schenen die haar woorden konden bevestigen. Deze
bewysvoering was tegen de moeder van een der beide schepseltjes
gericht, die lucht van de zaak gekregen, en gezorgd had vóór 't afvaren
van de schuit daar te zyn. 't Woord "moeder" klinkt liefelyk, en de
goedige lezer verwacht dat de vrouw zich daar bevond om haar kind te
ontrukken--"zoo noemt men zulks" zou Stoffel zeggen--aan de klauwen
des verderfs... och, ik ben daar jammerlyk op 'n boekenfraze verzeild
geraakt. Dat komt er van, als men z'n schryftafel zoo vol modellen
heeft liggen! [27] Die "moeder" was doodeenvoudig daargekomen om 'n
aandeel te vorderen in 't reeds genotene, en vooral om 'n aandeel
te bedingen in de toekomstige winst. Het toegeschoten publiek was
verontwaardigd, of toonde zich zoo, en verdeelde de uiting van z'n
misnoegen vry gelyk tusschen de moeder en de waardin. Deze beiden
aan 't kyven! De twee rekruten zwegen, maar toch kon 'n opmerkzaam
toeschouwer te weten komen wie van de strydvoerende partyen met
haar sympathie vereerd werd, en wel door de plaats die zy innamen,
of die ze trachtten te hernemen als ze voor 'n oogenblik vandaar waren
weggedrongen. Blykbaar schaarden ze zich, zoowel in overdrachtelyke als
in letterlyke beteekenis van 't woord, aan den kant der waardin. En er
was reden toe! Deze had "so werachtich as Chot" niets minder verzekerd
dan dat haar kontubernaaltjes 's morgens zoo lang konden slapen als ze
maar verkozen, en 's avends zouden ze onthaald worden op jenever met
suiker... als ze maar 'n "heer" wisten te bewegen die versnaperingen
voor zyn rekening aan 't buvet te bestellen. Nu, hiertoe meenden de
meisjes kans te zien. Maar 't zou haar tegenvallen. Ze overschatten den
invloed en den markt-prys van haar bekoorlykheden--de goedkoopste zaak
ter-wereld!--en ook wel 'n beetje de mildheid van de "heeren." Maar
de beminnelyke waardin liet haar aanstaande voedsterlingetjes in
den waan dat er met nagebootste huurliefde terdeeg wat 'te verdienen
viel. En er werd nog meer beloofd. Ze zouden Krelien en Sefie heeten,
en door de meid "juffrouw" genoemd worden. Om 'n voorsmaak van die
heerlykheid te geven, en tevens van den toon die in haar etablissement
heerschte, sprak 't wyf gedurig van haar "dames." Wat kon, tegenover
zulke schitterende aanloksels, de moeder bieden, zy die maar 'n arme
werkster was? Ik weet wel dat sommige boekenluî 'n antwoord op deze
vraag gereed hebben. Ze spreken by zulke gelegenheden van tucht,
reinheid van ziel, eer, gemoedsrust, moederlyke teederheid... och,
onze beide Kaatjes hadden liever jenever met suiker! Maar ik moet
er by zeggen dat de keus haar niet zóó moeielyk gemaakt werd, als
de papiermoralisten van zoo-even wel denken zouden, want de moeder
hield zich met al die roerende dingen niet op. Ze reklameerde haar
deel van de zaak, en eischte vóór alles 'n bonten voorschoot terug,
dat ze volgens haar beweren aan haar dochter geleend had.
--En zal ik er nou dàt niet eens van hebben, riep ze, dat ik m'n
eigen goed weerom kryg? Hy heeft me drie skelling en 'n oortje gekost?
Er van? Wáárvan, o vrouw? Wáárvan? Ik vraag u, wáárvan? Nu, dit kon
háár niet schelen, en:
--Dat kan my niet schelen, schreeuwde ook de waardin. Mensch,
je moest je schamen, dat moest je! Wel ja, wat zeg jylui--dit was
'n beroep op de kiesheid van de omstanders, die deze onderscheiding
ten-volle verdienden--wat zeg jylui? Is 't geen schande dat 'n moeder
haar eigen kind 'n standje komt maken om 'n boezelaar?
--Ik wou maar dat we-n-afvoeren, zuchtte een van de Kaatjes. Wat
treuzelt die schipper!
--Drie skelling en 'n oortje, zoo waar as er 'n God in den hemel is,
op de Numàrt in den bontjeswinkel! Geef hier, m'n goed! 't Is myn goed,
zeg ik je! Geef hier!
Een poging om 't betwist voorwerp met geweld machtig te worden,
mislukte. Op-eens wendde de teedere moeder de zaak over 'n anderen
boeg. Ze trachtte haar stem aandoenlyk te maken, en huilde:
--Heb ik je dáártoe opgebracht?
Wel zeker! Waartoe ànders, o teedere moeder?
--'t Is om te besterven, menschen, dat is het! En zeg, wat zal je
vader daarvan zeggen?
--Nou, laat er je man maar buiten, zou ik je raden! Die zit hoog en
droog in de rooie zaagsel. [28] Wat zeg jy, Ka?
Kaatje bevestigde de zaak wel niet uitdrukkelyk, maar gaf toch
'n antwoord dat heel weinig op verontwaardigde ontkenning geleek,
door op-nieuw moeite te doen om zich van haar moeder te verwyderen,
en 'n veilig plaatsje te krygen achter de waardin. Deze haastte zich
'n zegel op de beteekenis van Kaatje's manoeuvre te zetten:
--Wel ja, meid, 'n woord 'n woord, 'n man 'n man, niet waar? En... ik
heb ommers al de papieren in m'n zak. Wat zeg jyluî? Een mensch kan
toch niet meer verlangen als zwart op wit!
De vrouw had weer op haar dy geslagen, en scheen antwoord te
wachten. Er gingen dan ook uit het publiek eenige stemmen op, maar ze
getuigden van verdeeldheid der meeningen. Wel hoorde men hier-en-daar:
"zieje, 't is toch altyd haar moeder!" maar ook toonden sommigen
zich verontwaardigd over de vreemde soort van 't moederschap dat hier
vertoond werd. Een stemming by zittenblyven en opstaan kon moeielyk
verordend worden, omdat de heele zaak in de letterlyke termen van 'n
"standje" viel. Bovendien, de strydvoerende partyen wachtten zich wel
'n beroep op de meerderheid te doen, voor ze met eenige zekerheid
berekenen konden die meerderheid op haar hand te hebben. En hiertoe
bestonden aan geen van beide zyden voldoende gegevens. Velerlei
scheldwoorden rezen uit de vergaderde menigte op, maar 't viel
moeielyk te beslissen tot wie ze gericht waren, omdat ze meestal nogal
toepasselyk konden geacht worden op ieder van de vier vrouwspersonen in
't byzonder. De hieruit voortspruitende verwarring bewees hoe groot
de behoefte was--ook zelfs in de laagste standen der Maatschappy--aan
eenig besef van onderscheid tusschen schelden en beschuldigen.
--M'n drie skellinge wil ik hebben, kryschte de vrouw, terwyl ze
trachtte haar dochter by den voorschoot te grypen. Ik wil m'n geld,
m'n drie skellingen, of anders...
Haar schreeuwen herinnerde Wouter aan de wanhoop der edele Hersilia
over die verloren zeven gulden dertien, en langs de rails van al wat er
sedert 'n etmaal weer met hem was voorgevallen, liep z'n herinnering
uit op de vyftig guldens die hy in z'n zak had. "Als hy eens die arme
vrouw aan 'n nieuw voorschoot hielp? God zou 't zeker weer niet doen,
en daar er nu toch eenmaal in 't helpen iets goddelyks ligt:
--Wat dunkt u, m'nheer? vroeg-i aan pater Jansen?
--Ik ben erg bedroefd over die menschen, zei de goede man.
--O zeker, m'nheer! Maar... die boezelaar? Drie schellingen is nog
geen volle gulden, en als wy nu eens...
--Dat mag volstrekt niet, jongeheer! Het doet my in de ziel leed dat
die menschen op zoo'n verkeerden weg zyn--want dit moet ik er haast wel
van gelooven--maar 't geld dat je by je hebt, is je niet gegeven om...
--M'n drie skellinge, huilde het wyf, of anders ten-minste m'n
kind weerom!
Dit "ten-minste" was verrukkelyk! Zal er misschien straks blyken dat
prinses Erika onzen Wouter die vyftig guldens geschonken heeft om
'n radelooze moeder weer in 't bezit van haar verloren kind te stellen?
--Ze is heel ongelukkig, m'nheer... hoor maar! Och, wat komt er nu voor
òns die ééne gulden op aan? En... 't is nog niet eens 'n volle gulden!
--We mogen 't heusch niet doen, jongeheer! Kom, kom mee in de
schuit! Ik word er koud van, en kan 't heusch niet langer aanzien.
't Scheen wel dat pater Jansen z'n eigen standvastigheid wantrouwde
en de verlokking ontvlieden wou. Maar hy aarzelde. Ook Wouter volgde
slechts heel langzaam, en niet zonder telkens opnieuw, by z'n geleider
aantedringen op interventie.
--Wat is voor òns 'n enkele gulden, m'nheer!
Kyk me-n-eens zoo'n kleine rykaard! Jansen antwoordde niet, bleef
weer staan, en scheen te weifelen. De vrouw die met 'n eigenaardig
armeluî's-instinkt iets bemerkt had van wat er tusschen die twee gaande
was, vond het raadzaam van tekst en toon te veranderen, en begon te
jammeren over de drie "wurmen die ze thuis had, en die nu zouden moeten
vergaan van ongemak en kou." Inhoever deze verdrietige omstandigheden
't gevolg konden wezen van Kaatje's wangedrag, of van 't bankroet dat
ze aan haar boezelaar leed, liet zy onopgehelderd. Toch had vooral de
beweerde plotselinge temperatuurverlaging van die "wurmen" zoo in 't
hartje van den zomer, best eenige meteorologische toelichting kunnen
gebruiken. Maar hiernaar werd door de tegenparty niet gevraagd. Zoowel
de waardin als anderen uit den hoop beantwoordden haar klachten slechts
met onwetenschappelyke scheldwoorden, doch tereere van 't stukje
publiek dat hier vergaderd was, moet ik erkennen dat ook de koopvrouw
uit Haarlem niet verschoond werd. Haar beroep leverde overvloedige
stof tot schimp en smaad. Maar 't scheen dat ze de uitdrukkingen
waarmee men haar zedelyk en maatschappelyk standpunt kwalificeerde,
wel eens meer gehoord had, en niet gewoon was flauw te vallen om 'n
beetje schande. Tartend, en als om te pronken met haar ongedeerdheid,
bauwde zy de scheldwoorden na die men haar naar 't hoofd wierp,
en wanneer daarin zekere eentonigheid begon te heerschen, omdat de
voorraad wat klein bleek in verhouding tot den duur van de scène,
hielp zy de schreeuwers op den weg door 'n sarrend: "nou mot jelui dàt
weer 'ns zeggen!" of: "ik heb in lang niet dàt of dàt gehoord, koman,
bedenk jelui je nou 'reis goed of je niet ereis wat nieuws weet!" Deze
betrekkelyke kalmte prikkelde tot opwinding, en op zeker oogenblik
nam de afkeer van haar ellendig bedryf zoo de overhand... neen, dit
is onjuist, men werd zóó boos over de onverschilligheid waarmee ze
't schelden opnam, dat de moeder hoop begon te scheppen. Het blyft 'n
raadsel wat die vrouw eigenlyk van plan was met haar "kind" aantevangen
als 't bevryd wezen zou uit de handen van de waardin, doch zonder
zich hierover te bekommeren begon de meerderheid haar bytevallen.
Wouter zou weer ruimschoots in de gelegenheid geweest zyn de
psychologie van de massa te bestudeeren, als-i niet te zeer vervuld
ware geweest van z'n zucht om... ja wat? Hy wou helpen, redden,
te-rechtbrengen, hy wou iets doen. Wel ja, 'n mensch heeft niet alle
dagen twintig ryksdaalders in z'n zak! En niet dikwyls valt zoo'n
schitterend standpunt samen met 'n drama als hier vertoond werd, noch
met de akeligheid waarmee 't--niet gansch onverhoopt, om de waarheid
te zeggen--straks dreigde of beloofde te sluiten. Er werd namelyk
geroepen: "te-water!" en dit woord klinkt vreeselyk in de ooren van
'n hollandsch jongetje, opgebracht in de vreeze voor kou-vatten en
den wallekant!
--Te-water, allo, dat wyf de vaart in, sebit! En die meiden na huis!
Naar huis, o onbesuisde menigte? Naar wèlk huis? Naar de krotten waar
ze onder opzicht komen zouden van zulke moeders? Ik ben overtuigd dat
geen myner lezers, indien hy 't hier beschreven voorval had bygewoond,
zich met die hoogst onfatsoenlyke zaak zou bemoeid hebben. Maar,
lezer, gesteld eens dat ge hadt moeten stemmen? Zoudt ge in-gemoede
hebben durven roepen: die meisjes naar huis? Men behoeft waarlyk
niet zoo onnoozel als pater Jansen te wezen, om verlegen te zitten
met de keus tusschen twee hellen. En wat het lynch-vonnis tegen die
waardin aangaat... onze Maatschappy--hier niet byzonder oneigenaardig
vertegenwoordigd door 'n troep gemeen--is wel zonderling! Het schepsel
dat men hier te-water wilde dringen, was een van háár leden, en 'n
lid ook van 't gild dat diezelfde Maatschappy blykens eeuwenlange
ervaring nooit heeft kunnen ontberen. Waarom nu, als zoo'n onmisbaar
meubelstuk onzer beschaving zich in 't openbaar vertoont, op-eens
zooveel verontwaardiging voorgewend? Verbiedt niet de wysheid der
volkeren 't schenden van z'n aangezicht? Bedenk toch, o preutsche
Maatschappy, dat zoo'n winkelierster in ontucht een uwer meest
vooruitstekende neuzen is!
--Te-water met dat wyf, werd er weer geroepen, de vaart in!
Er viel optemerken dat de hevigheid van dit geschreeuw in omgekeerde
rede stond tot de nabyheid van de plek waar de bedoelde exekutie
zou plaats hebben, en hieruit bleek dat de verst-afstaanden 't meest
verontwaardigd, d. i. de deugdzaamsten waren. We mogen aannemen dat ze
zich in hun braafheid wel 'n beetje gesterkt voelden door de betere
kans zich snel uit de voeten te maken, zoodra het deugd-zoenoffer
zou liggen te spartelen in de Haarlemmer-vaart Ieder weet immers dat
niets op aarde onvermengd is, tot en met de courage van de braven
toe? Hierop scheen de waardin dan ook te rekenen, want ze gaf weinig
blyk van angst, en de uitkomst bewees dat ze gelyk had. Het doet
me leed dat ik den lezer, die waarschynlyk braaf is, en--als die
verst-afstaanden!--met fatsoenlyk verlangen uitziet naar de zegepraal
der deugd, eenigszins moet teleurstellen. Het wyf werd beschimpt
en gehoond, maar... ze bleef droog. Wie er spyt van heeft, trooste
zich met de kameraadschap van Wouter, die by mangel aan ander emplooi
van moed, gulheid en goeden wil, zoo byzonder graag eens iemand uit
het water gehaald had. "'t Komt zoo zelden voor!" mymerde hy, en dit
vind ik ook. Het redden van drenkelingen moet 'n vervelend vak wezen,
tenzy men er compérage by te-pas brengt, en hieraan werd noch door
Wouter noch door 't kandidaat-offerlam gedacht.
Wel ver van zich op 't altaar der zedelykheid te laten zoen-offeren,
noch zelfs blyk te geven dat ze zich rechtens als de zwakste
beschouwde, dreigde de waardin met de policie.
--Wel nou nog mooier! Jy, schandvlek, wou jy de policie roepen jy? Je
mag God danken dat er geen diender in de buurt is, jy, die hier de
meissies komt verdibbeseeren!
--Ik heb 't zwart op wit, schreeuwde zy weer. En, als er policie was,
zou ik 't jelui laten zien!
Wàt? Haar dy? Neen, denk ik. Dat ze in haar recht was? Dit ook wel
niet, maar toch was de kans dat de vertegenwoordigers der autoriteit
haar niet geheel-en-al in 't ongelyk zouden gesteld hebben, grooter
dan sommigen wel meenen. [29]
De vrouw uit Haarlem raakte alzoo niet te-water. Een vuil partyblad
uit de dagen waarin m'n geschiedenis voorvalt, beweerde dat ze zich
redde door den kreet: "als jelui niet ophoudt met dringen, laat ik
m'n kerel stemmen voor X!" Dit was gelogen, anakronistisch gelogen,
gelyk dan ook slechts van 'n blad dat tot... die andere party
behoorde, te verwachten was. Nooit zou men zoo'n afschuwelyk laag
verzinsel vinden in 'n blad van de... niet-andere party. Hoe dit zy,
'n leugen wàs het. Ieder beschaafd mensch en krantlezer weet dat het
kiesrecht der echtgenooten van zulke dames, eerst van eenige beteekenis
is geworden na 't uitsluiten van de arme drommels die zich moeten
tevreden stellen met minder winstgevenden werkkring. Onze Maddam dééd
niet aan staatkunde, en dit is 't slechtste niet wat ik van haar zou
kunnen zeggen. In-plaats daarvan pakte zy een der meisjes by den arm,
en duwde haar naar 't gapend luikje van de schuit. "Allo, d'r in,
as 'n meid! Koman, ik heb nou genoeg van dat gezanik! Toe, allo,
d'r in, en jy ook!" Met deze woorden werd ook het tweede Kaatje
ingescheept. De schuit wiegelde by 't opstappen en dreunde by 't
neerkomen op den vloer van 't ruim. Van onwil bleek er niets. De
bedroefde "moeder" die de zoo vurig begeerde boezelaar uit het oog
verloor, verdubbelde haar eentonig misbaar. De waardin scheen nog
iets aan den wallekant te doen te hebben. Had ze misschien pas 'n
krygsgeschiedenis bestudeerd? Trachtte zy zeker soort van veldheeren
natevolgen, die de specialiteit beoefenen, hun overwinnaars jaloers
te maken op de kunstige ingewikkeldheid van hun terugtrekken? Wou ze
't slagveld verlaten met kalmte, met majestueuze waardigheid? Och,
neen, op eer en roem was ze in 't minst niet gesteld, maar er viel voor
haar iets optemerken, en daarom aarzelde zy. Ze wilde weten of er van
dien pastoor en dat jongetje wat te halen viel. Wouter's aandringen by
Pater Jansen om voorzichtigheidje te spelen had haar aandacht gewekt,
en ze wilde meer van de zaak weten voor ze die beide personen uit het
oog verloor, 'n oplettendheid die rechtstreeks tot de eischen van haar
"vak" behoorde. Een gelyke indruk, doch hier slechts 't uitvloeisel
van gewoon bedelaars-instinkt, bewoog de "radelooze moeder" nogeens
ter-markt te komen met haar radeloosheid:
--Hi, hi, hi, m'n arm kind!
Wouter vroeg weer aan z'n begeleider, of er dan van hunnentwege
volstrekt niets aan de zaak te doen zou wezen?
--M'n arm kind! En... m'n boezelaar! Als ik dan in-godsnaam maar m'n
boezelaar weerom had!
Deze uitroep rymde vry-wel op den loop van Wouter's gedachten.
--Drie skelling en 'n oortje!
Weer rekende Wouter z'n Mentor voor, dat dit nog geen vollen gulden
bedroeg.
--Och, m'nheer, nog niet eens 'n volle heele gulden! Wat scheelt òns
die eene gulden?
De waardin en de moeder bespiedden om 't zeerst wat er tusschen die
twee broeide.
--Hoor eens, jongeheer, 't mag niet, zei Jansen, 't mag waarlyk
niet! Maar...
--Toe, asjeblieft, m'nheer!
...dan zal ik 't er byleggen. Ga je gang! Ik zal om geld schryven aan
m'n broer te Vucht. Maar gauw dan, 't is geen pleizierig staan hier.
Jansen stapte naar de roef, en Wouter op de vrouw toe. Hy haalde
't grauwlinnen zakje waarin z'n geld geborgen was voor den dag, had
'n beetje tyd noodig om den styf in-een-gedraaiden hals te laten
ontkrinkelen...
De waardin zag dit heel goed, en berekende den inhoud naar de snelheid
van de wenteling. Maar... 't kon kopergeld wezen? Neen, Wouter haalde
een ryksdaalder voor den dag.
--Hi, hi, hi, m'n arm kind!
De treurende moeder stak de hand uit, en gebruikte de ander om de
oogen rood en blind te schuren met haar voorschoot. Van de "drie
skelling" sprak ze niet meer. Inderdaad, waarom dien weldadigen
jongeheer op de gedachte te brengen dat 'n ryksdaalder méér bedroeg
dan de oorzaak van haar gejammer, en dat er volgens de eenvoudigste
regelen van komptabiliteit iets viel terug te geven? Ze veranderde
dus van tekst, en huilde nu by-voorkeur over haar "verloren kind"
'n onderwerp dat haar voorkwam in beter evenredigheid te staan met
'n schadeloosstelling van vyftig heele stuivers. Wouter stond met
open mond, en... wachtte? Ja, neen, ik kan waarlyk niet zeggen of-i
wachtte. De vrouw droeg wel zorg, genoeg met haar oogen te doen te
hebben om geen voedsel te geven aan de gissing dat zy op wachten
verdacht was, en misschien was het voor Wouter-zelf 'n verrassing
toen hy op-eens--in-godsnaam, 't moest wel!--zich aanstelde alsof
't wel werkelyk z'n bedoeling was geweest den ganschen ryksdaalder
te offeren op 't altaar van... van... ja, van wat eigenlyk?
--God zal 't je duizendmaal loonen, jongeheer!
--Dat 's vier zak guldens, en nog 'n beetje toe! riep 'n rekenaar
uit den hoop.
--Duizendmaal, jongeheer! Hi, hi, hi, wat zal er van m'n arm kind
worden?
Er begon waarachtig kans te komen dat Wouter beproeven zou de
zedelyke toekomst van dat "arme kind" eenigszins te verbeteren,
door de jammerende moeder 'n tweeden ryksdaalder aantebieden.
't Was waarlyk Wouter's verdienste niet dat-i ditmaal bewaard bleef
voor 't verergeren van de reeds begane fout. Hy hoorde mompelen:
"nou, voor twee-gulden-tien levert ze-n-'t heele nest dat ze thuis
heeft" waarmee waarschynlyk de ons reeds eenigszins bekende "wurmen"
bedoeld werden. Deze taxatie kwam ons weldoenertje liefdeloos en
onhoffelyk voor. Opgewekt tot verzet tegen de "massa" die natuurlyk
met luid gelach den uitval toejuichte, wilde hy... zou hy... och,
't kwam er niet toe. Pater Jansen stond in den stuurstoel te wenken,
de schipper nam zyn plaats by 't roer in, de knecht maakte het touw
los waaraan de schuit had vastgelegen, en z'n "aan-boord, wie mee
mot!" maakte aan de vertooning 'n eind. Onder luid spotgejuich van de
menigte op den wallekant, gleed de schuit heen. De waardin had heel
fatsoenlyk plaats genomen in de roef, misschien wel om den edelmoedigen
jongeheer in 't oog te houden, schoon men ook zonder deze strategische
byzonderheid erkennen moet dat haar middelen zoo'n gedistingeerdheid
wel veroorloofden. 't Scheen haar alweer niet erg te hinderen dat de
personen die ze in dat hokje vond, ruimer plaats voor haar maakten dan
stipt gezegd noodig was. Elk ander zou zich beleedigd getoond hebben
over de verregaande inschikkelykheid waarmee ze ontvangen werd. Maar
zy? Onze twee helden hoorden haar by 't binnentreden zeggen: "ook
goed! Beter zóó, dan allemaal op 'n hoop, lieve menschen! Wie zweeten
wil, kan z'n gang gaan, maar ik houd van de ruimte. Wel ja, niet waar?"
Dit vraagje werd gericht tot den état major die in den stuurstoel
zat, en ik zou 't overgeslagen hebben als 't me niet te-pas kwam om
'n opmerking te maken over den oorsprong van de Vrymetselary. Van:
vrymetselary liever, zonder lidwoord. Ik vind het wel zonderling dat
men nog altyd daarnaar zoekt, alsof 'n aanleiding die zich dagelyks
aan onze oogen vertoont, en die zoolang bestaan heeft als er menschen
op de aarde wonen, eenmaal in nauwkeurig bepaalbare omtrekken 'n
historische gebeurtenis zou geweest zyn. Elke Nyl moet, volgens
zeker soort van volksvoorgangers, z'n byzondere bronnen hebben die
men met den vinger op de kaart kan aanwyzen, en uit valsche schaamte
voor den leerling die er naar vraagt, wil men maar niet erkennen
dat die bronnen heel eenvoudig in de wolken liggen. Waarom zou een
der tallooze waarneembare spruitjes die 't hunne bydragen om zoo'n
rivier te maken tot wat zy is, meer dan elk ander beekje, meer dan elke
àndere vereeniging van doorgesypelde druppels, den naam van eigenlyke
bron verdienen? Zoo bestaan er veel vraagstukken welker oorzaak van
bestaan... 'n vraagstuk behoorde te zyn, of niet eens 'n vraagstuk. We
kunnen de oogen niet opslaan zonder Wording waartenemen, en toch blyft
men nog overal droomen van 'n Schepping. 't Lykt wel of zekere natuur-
en geschiedfilozofen hun beroep leerden op 'n registratiekantoor,
en vandaar de meening meebrachten vóór alles geroepen te zyn de
wereld-akten van 'n vasten datum te voorzien. Het boekdrukken, 'n
hoogstbelangryk vak zeker, maar slechts in zeer letterlyken zin van
't woord: 'n Kunst, het "stichten" van steden, de volksverhuizingen...
Hola, we zyn er! En 'n behoorlyke date certaine hebben wy ook. Wel
zeker, de lieftallige herderin was aan 't volksverhuizen met haar
twee veroverde schapen, en men schreef: haarlemmer kermis, den
zooveelsten dag. Ziedaar registratie! Och, ik moet wel korrekt tewerk
gaan. Vanwaar anders dan uit 'n deugdelyk vastgestelden kermistyd zou
ik den orgelman bekomen, die straks langs de vaart over den weg moet
sukkelen om op 't juiste oogenblik onze Maddam te-hulp te komen in
haar natuurvrymetselary? Er is veel talent noodig om dit uitteleggen
aan lezers die 't niet zonder uitlegging verstaan. Vooreerst gelieve
men te begrypen dat er op den ganschen weg, althans zoover 't oog van
onze reizigers reikte, geen orgelman te zien was. Niets natuurlyker. De
man was met de zynen--waaronder z'n gewichtig instrument--'n vol uur
voor 't afvaren der schuit van Amsterdam vertrokken, en 't spreekt
dus vanzelf dat men hem nog niet had ingehaald. Zonder loggen of
zonschieten kan nu de lezer vry precies berekenen hoeveel geografische
zoetwater-ellen door ons vaartuig waren afgelegd, toen de edele vrouw
die betuigd had van ruimte te houden, aan 't stuurstoelpersoneel
vroeg: of 't niet waar was? Strikt genomen hadden Jansen, Wouter
en de schipper 't recht gehad, hierop te antwoorden dat ze 't wel
gelooven wilden maar niet met zekerheid wisten. Inderdaad, men moet
niet alles voor waar aannemen wat er door den eersten den besten
gezegd wordt. Die vrouw kon booze redenen gehad hebben om 't publiek
in 'n verkeerden waan te brengen omtrent haar opinie over zweeten en
benauwdheid. Maar, och, ons drietal dacht zoo diep niet na. Jansen was
te bedroefd om te spreken, en Wouter te zeer vervuld van... iets dat op
'n aventuur geleek, om zoo terstond te kiezen tusschen twyfel, geloof
en ontkenning. Wat den schipper aangaat, hy hééft geantwoord. Maar,
lezer, zoolang ik u niet meedeel wàt de man zei, is 't voor u alsof-i
niet geantwoord had, en ge hebt dus 't recht, u voortestellen dat de
schuit 'n haarbreed verder was dan op 't oogenblik toen de belangryke
vraag gedaan werd. Hoe kan 't na deze opmerkingen iemand in 't hoofd
komen, te meenen dat men dien orgelman reeds had ingehaald? Haasten
laat ik me zoomin als 'n haarlemmer-trekschuit zelf. De schipper
heeft geantwoord, o ja, maar ik ben aan 't woord over de vrymetselary,
en dat gaat vóór. Hoe kan 't anders, daar juist de vraag "of 't niet
waar was, dat ze van ruimte hield?" my de opmerkingen in de pen gaf,
die nu--misschien niet eens terstond--zullen volgen! Zou ik tuchteloos
genoeg wezen my met het antwoord te bemoeien voor ik de vraag heb
afgehandeld? Zulke kapriolen...
Die orgelman dan was door Fancy besteld om zich niet voor 't juiste
oogenblik te laten zien, en we zouden verkeerd doen haar beschikkingen
vooruit te loopen, vooral wanneer we door geduldig wachten gelegenheid
vinden iets zeer wetenswaardigs te vernemen over den oorsprong van
vrymetselary. Waar de bronnen van den Nyl zyn, heb ik reeds gezegd,
en als ik nu ook dat andere ophelder zal de billyke lezer erkennen
dat ik niet gierig met nieuws ben, schoon 't wel wat veel is voor
één hoofdstuk.
Eilieve, wat ter-wereld bewoog die waardin tot de vraag: "of 't
niet waar was?" Weetgierigheid? Om-godswil, hoe konden Wouter en
de schipper, of zelfs Jansen die 'n "gestudeerd" persoon was, meer
van de zaak weten dan zyzelf? 't Mensch was wel zoo oud als ik, dat
heel erg is, schoon ik tot eer van haar Publiek erkennen moet dat ze
't veel verder dan ik in de wereld gebracht had. Maar, gewaardeerd
of niet, men wordt geen zeven-en-vyftig jaar zonder ruimschoots
tyd te hebben tot beoordeeling van de vraag of men aan ruim- of
nauw-zitten de voorkeur geeft. Waarom in deze zaak de meening van
anderen ingeroepen? Hoe zou ze 't opgenomen hebben, als een van
de drie haar geantwoord had: "ik ben 't volstrekt niet met u eens,
juffrouw. U houdt meer van benauwdheid, want de groote die of die
heeft gezegd... enz?" Ik doe de werkelykheid geen geweld aan, door te
veronderstellen dat zoo'n tegenspraak niet zou gewaagd zyn zonder
beroep op den bekenden grooten dichter die frazen geleverd heeft voor
alle gelegenheden. Ik vraag my af wat ikzelf op haar nederig verzoek
om inlichting zou geantwoord hebben indien ik in dien stuurstoel had
gezeten? Maar ik kan me de mogelykheid daarvan niet voorstellen omdat
ik op dat tydstip niet geboren, en alzoo nòg onbekwamer was dan nu in
't oplossen der vraagstukken van zoo aetherischen aard als waartoe
afkeer van benauwdheid schynt te behooren. Er is geen woord van waar,
van deze klassifikatie, bedoel ik, want op m'n volstrekte onbekwaamheid
om vóór m'n geboorte meetepraten, valt niets aftedingen. En ongeboren
wàs ik. Er liggen honderd twee en zeventig genien tusschen myn
eersten kreet en 't laatste woord van die waardin. De lezer weet
dat er in Nederland dertien genien op 'n maaneklips gaan, en kan
dus nu precies uitrekenen wanneer ik jarig ben. Men wordt verzocht
de miskende meetetellen, anders zou men tot de slotsom komen dat ik
nog in de wieg lig.
--Maar ik houd van de ruimte. Wel ja, niet waar?
Mensch, waarom vraag je dat? Is 't uit wysbegeerte? Heb je aan
duitsche filozofie gedaan, en wil je misschien de eigenschappen van 't
leelyke ding an und für sich dat je--met permissie--je ikheid noemt,
objektievelyk onderwerpen aan de subjektieve reinen-vernunftskritiek
van den haarlemmer-schipper die z'n pyp stopt?
--Asjeblieft, schippertje!
Zoowaar, ze wil hem den koperen vuurbak aanreiken, waarin 'n turfkool
ligt te glimmen, voor verstuiving bewaard door 'n deksel van messing,
voor uitdooving ook door vyf ronde gaten, juist groot genoeg om
aan pypekoppen den toegang open te laten naar 't vuur. Toegang? 't
Mocht wat! De schipper, deugdzaam, griffermeerd en verontwaardigd,
vader van zes gehuwde kinderen, antwoordde ditmaal niet. Hy haalde
'n tondeldoos uit z'n zak, nam de roerpen onder den oksel, en bikte
z'n eigen vuur. Was er geen konsekwentie in dat waardig gedrag van den
haarlemmer-schipper? En is 't billyk, my te verwyten dat ik by-voorkeur
beelden teeken die thuis hooren op laag terrein? Kan men zich iets
verheveners voorstellen dan die tondeldoos en dat vuurslaan voor eigen
rekening--als schryver zou de man 'n gek figuur gemaakt hebben!--terwyl
hy de hand maar hoefde uittesteken om met z'n pyp den koperen cylinder
te bereiken die hem zoo gul... neen, zoo verleidelyk werd aangeboden
door de ondeugd? Of, al ware het dat-i met z'n grootkop zou te-kort
geschoten hebben om 't altaar te bereiken dat de valsche Vestale hem
aanlangde, zou niet Wouter, de hulpvaardige by-uitnemendheid, het
vaasje met de meest mogelyke toewyding hebben vastgehouden? Meent ge,
lezer--gy die 'n man van ondervinding en oordeel zyt, en bovendien
als Christen bedreven in de geheimenissen der demonologie--meent ge
dat ooit aan 'n haarlemmer-schipper die op 't punt staat z'n eerste
pyp aantesteken...
Ze waren alzoo pas by de Eén honderd Roe, of ter-nauwernood zoo
ver. Alweer 'n bewys dat die orgelman nog niet "in-zicht" kon
wezen. Finaal onmogelyk!
... meent ge dat ooit de Satan zich aan zoo'n schipper aanlokkender
kan vertoond hebben dan in de warme gedaante van 'n gloeiende kool? En
tòch deugdzaam! Tòch konsekwent!
Deugdzaam? Ja. Maar wie van konsekwentie spreekt, heeft alweer slordig
gelezen. Hoe kan men weten of 's mans pyp-opsteken voor eigen rekening
en risiko, in overeenstemming kan gebracht worden met het antwoord
dat de vrouw zoo-even van hem moet gekregen hebben, zoolang men van
dat antwoord geen kennis draagt? Overyling... uw naam is lezer! Stel
dat-i gezegd had: "Eulalia, ik bemin u meer dan m'n schuit!--en nog
altyd weet geen sterveling of-i wat anders zei--zou 't dan niet van
onvergeeflyke harteloosheid getuigd hebben, als-i zoo kort daarop
Eulalia's vuur had afgewezen? Dat mannen veranderlyk zyn weet ik,
en niemand betreurt deze karakterfout meer dan ik, doch juist daarom
noem ik 't voorbarig dien schipper te stempelen tot uitzondering,
voor wy 'n beetje meer van hem weten. In de eerste plaats alzoo...
Lieve God, wat moet ik nu 't eerst vertellen? De natuurmetselary
wacht op verklaring. De schipper zuigt en blaast, de tondel tintelt,
en klaagt over m'n spelling, nu ja, maar kan ik 't helpen dat onze
taalwetgevers hun eigen wetten niet volgen? De waardin schuift met
mismoedig gebaar den versmaden vuurbak zoo ver ze maar eenigszins
reiken kan over 't roertafeltje binnenwaarts, en verbergt haar smart
onder den uitroep:
--Wel man, als 't je niet lykt mot je 't maar zevend'half voet van
je zetten. Graag of niet! 'n Mensch z'n lust' is 'n mensch z'n leven...
En, 't hoofd buiten de deur-opening stekende, herhaalde zy de
gewichtige vraag:
... wel ja, niet waar?
Jansen en Wouter hadden nu twee zaken voor één optelossen.
De vrouw wilde weten of 't waar is dat 't leven van den mensch in z'n
lust bestaat, 'n onderwerp dat weleens tot de konkluzie zou kunnen
leiden dat men niet juist alle dooden op 't kerkhof behoeft te zoeken,
schoon ik niet verzekeren kan dat de weetgierige vraagster van deze
vroolyke slotsom 't ware besef had. Er bleek dat het zoo duidelyk
uitgezwegen non tali auxilio van den schipper 't mensch gewond had,
en ik verkies nu in haar herhaalde poging om eigen indruk aan 't
oordeel van anderen te toetsen, 'n bydrage te vinden tot den oorsprong
der maçonnerie.
Ten-allen-tyde bestonden er menschen die meer te zeggen hadden dan
'n ander, en zy die--zooals op 't oogenblik onze schipper--aan 't roer
zitten, maakten wel eens misbruik van hun voordeeliger standpunt. Laat
ons onderzoeken wie de vrouw was die daar in de roef zat, en telkens
haar hoofd buiten 't deurtje stak alsof ze kennis maken wou. Wie ze
was? Wel hoe kan ik dit weten, ik ken 't mensch niet. De vraag is
zonderling. Ik weet alleen dat ze zoo-even terdeeg was uitgescholden,
en daar ze nog geen gelegenheid had gehad het gepeupel dat haar met
zooveel verachting behandelde, te doen verzwelgen door dezen of genen
afgrond, bevond ze zich in 'n staat van vernedering die 't midden
hield tusschen wrevel en kontritie, wel eenigszins gematigd of tot
nader order teruggedrongen door den wensch om Wouter te ontlasten
van z'n ryksdaalders. Wat haar boosheid aangaat, spot er niet mee,
verwaten lezer. Ik had U wel eens willen zien, tien minuten na
't afgryselyk oogenblik dat 'n brokje Publiek u gebruikt had als
voorwerp van deugdmanifestatie!
Tien minuten, zeg ik? Misschien was 't nog wat minder, schoon
ik erkennen moet dat de schipper z'n tonteldoos... goddank, met
'n tintelende t dezen keer, 't staat er! Ja, de schipper had z'n
vuurtuig geborgen waar zulks te doen gebruikelyk is. Hy dampte deftig
en dapper, en reeds had-i aan Jansen verzekerd dat het vandaag
mooi weer was. Toch blyf ik beweren dat de schuit nog geen volle
tien minuten gevaren had. Zóólang nog maar was de waardin woedend
geweest. Dit komt iemand die 't nooit ondervond zoo heel erg niet
voor, maar men moet bedenken dat de deugdzame gemaaktheid waarmee
't roefpubliek zich by haar binnentreden tegen 't voorbeschot had
gedrongen, geen goed aan de zaak deed. Men kan gerust aannemen dat haar
minuten dubbel telden, en waarschynlyk is 't aan deze byzonderheid te
wyten dat sommige historieschryvers, haar zielewenteling verwarrende
met de kopernikaansche gegevens van 't andere zonnestelsel, in de
dwaling vervielen dat onze schepelingen den orgelman reeds in 't
oog konden hebben. Niets is minder waar. De man was de Driehonderd
Roe al lang voorby, toen de vrouw de eerste keer vroeg "of 't niet
waar was?" En nu? Nu, na alles wat er sedert dat gewichtig oogenblik
plaats vond? Dat ik instaat ben op 't kleinste wereldkaartje de
plek aantewyzen waar hy zich bevond, mag beschouwd worden als 'n
billyk schryvers-prerogatief. Maar zoolang ik m'n meerdere kennis
voor mezelf houd, baat die alziendheid weinig aan 'n ander. Om
nu evenwel bewys te geven dat ik op dat geestelyk overwicht niet
groots ben, deel ik gulweg wat van m'n overvloed mee, door alles
te vertellen wat ik van de zaak weet. Het zal velen interesseeren,
vooral omdat er iets onmogelyks in voorkomt. De orgeldraaier dien
ik den lezer vóór den tyd laat zien, was 'n Franschman. Dit is niet
volstrekt onmogelyk. Om geloofszaken had-i z'n land verlaten. Ook dit
gaat de perken van 't denkbare niet te buiten. Wie verlaat niet soms
z'n vaderland wegens verschil van opinie met z'n medeburgers? Hierin
lag alzoo de mogelykheid van z'n aanwezen niet, maar hy torschte een
straatorgel, en dit vind ik ongeoorloofd-byzonder, omdat zoo'n ding
in Wouter's tyd nog niet bestond. Zoo ziet men dat alle verbeteringen
in armwezen, politiek en industrie worden aangekondigd door 'n soort
van voorloopers. 't Voorgeslacht heeft er geen weet van--omdat het
overleden is--de tydgenoot miskent en steenigt ze uit broodnyd,
en de naneef... nu, dit ben ik in dit geval, en ik zal m'n émigré
geven wat hem toekomt. Vooreerst dan kan ik u na 't raadplegen met al
de oude schryvers die de zaak behandeld hebben, verzekeren dat-i op
't oogenblik toen de waardin bezig was met de vruchtelooze poging om
't hart van den schipper te doen smelten, in z'n koeterwaalsch stond
te kibbelen aan 't Sloterdyker tolhek. Hy trachtte vrye passage te
bedingen, maar 't lukte niet. Z'n vrouw--zaagt ge ooit 'n orgelman
zonder vrouw?--en haar kinderen--wie zag ooit 'n orgelvrouw zonder
kinderen?--nu, 't heele gezin stond om hem heen, en wachtte met angst
de beslissing af. Maar de tolgaarder was onvermurwbaar, en betoogde op
staathuishoudkundige gronden dat ouwerwetsche kwalen als die waarin
hy een zoo nuttig bestaan vond, met de meeste stiptheid moesten
gehandhaafd worden, omdat alleen hieruit te-eeniger-tyd de algemeene
afkeer kan voortvloeien die de afschaffing zal mogelyk maken. "Maar
ik zal 't niet beleven, zeid-i, en m'n kinderen ook niet!" Dit
was wèl gezegd, voorwaar, en hy had gerust nog 'n paar geslachten
verder kunnen gaan, wat-i zeker naliet uit de bescheiden vrees zich
gezegender stamvaderschap aantematigen dan de Heer hem toedacht. Vol
karakter, en met 'n aandoenlyk vertrouwen op de taaiheid van misbruik,
bleef-i z'n recht tot plicht verheffen, en eischte twee duiten de
persoon. Had de man geen gelyk? By de minste weifeling liep de Staat
gevaar dat de Regeering in den Haag zyn toegevendheid tot precedent
stempelen, en zich daarop beroepen zou om eens 'n enkelen keer met
den tyd meetegaan. Wie huivert niet? En wie huivert niet nogeens by
de bedenking dat misschien alle Haarlemmers en Amsterdammers op-eens
vice-versa aan 't verhuizen zouden gaan, als zoo'n tweeduits-slagboom
werd overgebracht naar 'n muzeum? Wie 't wèl meent met z'n dierbaar
vaderland en ouwerwetsche zotternyen, huivere ten derden maal. Maar
dan is 't ook genoeg.
De vrouw van den orgelman was 'n Duinkerksche, en kon zich redelyk
verstaanbaar maken, maar haar aanhouden had even weinig gevolg als de
niet verstane hoewel best begrepen vertoogen van haar echtgenoot. Wat
te doen? De stumperts waren nu eenmaal de tien, twaalf duiten niet ryk,
die er noodig waren om Haarlem te bereiken, waar ze zeker opgang en
goede zaken zouden maken met hun zeil. Want ze hadden 'n zeil, waarop
'n fraaie geschiedenis stond afgebeeld. Het was, om 'n paar staken
gerold, gedragen door de twee oudste kinderen, die nu echter by dien
slagboom hun vrachtje moedeloos hadden neergelegd. Ook 't orgel was
op den grond gezet, en de vermoeide man ging er op zitten, niet zonder
vrees dat men tol zou komen vorderen voor 't beetje rust dat-i waarlyk
wel noodig had. De vrouw was uitgepraat, en de tolgaarder had alle
verzoeking tot het schenden van z'n plicht afgesneden door zich in z'n
huisje terugtetrekken, waar-i z'n werkzaam leven voortzette. De nood
was hoog, en alzoo de redding naby. Nu denkt de lezer dat Wouter aan
de beurt komt. Welzeker, wat beteekenden voor hem tien duiten, of al
waren 't er twaalf! Ik heb de kinderen niet geteld, en weet bovendien
niet of de vele zuigelingen die daarby waren, moesten meedragen in
't onderhoud van den straatweg? Maar al had ik ze geteld, en al wist
ik dat, om godswil, lezer, hoe kon Wouter hier helpen, hy die nog ver
af was, en van de heele zaak geen kennis droeg? Geloof me, als Wouter
in dit byzonder geval God met anderhalven stuiver was te-hulp gekomen
in 't redden van vyf, zes ongelukkigen, ik zou 't zeggen! Reeds voor
mezelf houd ik niet van nederigheid, waarom zou ik--ten-koste nogal
van m'n roem als nauwkeurig geschiedschryver--preutsch omgaan met
de verdiensten van 'n ander? Wouter zat nog altyd lang en breed te
peinzen over... die twee meisjes, en wie z'n indrukken gekend had, zou
gevonden hebben dat-i ditmaal byzonder weinig op 'n plaatsvervangende
Voorzienigheid geleek. Er was toch iets aardigs in, dacht hy, zoo
op-eenmaal door 'n vrouw uit Haarlem uit z'n gewonen kring gehaald
te worden. Hy wou graag gelooven dat ze de wereld niet van den
allerfraaisten kant intraden, maar 't was die Wereld toch, 't was
'n uitvlucht, iets ongewoons. Zoo'n meisje had toch veel voor. Wie
zou ooit hèm komen halen, wie hèm verlossen van Stoffel, Kopperlith's
en gewoonheid? Die meisjes waren "gevallen" o zeker, en dit is heel
verkeerd, maar hadden ze niet byzonder prettige genoegens te wachten
van 't opstaan? Ieder weet dat God graag vergeeft--men moet bedenken
dat het z'n eenige uitspanning is--en ook de Maatschappy strekt tot
verrekkens toe haar armen uit om berouwhebbenden aan haar vriendelyke
borst te sluiten. Onder al die omhelzers bevindt zich alligt 'n prins
die zich zoo verheugt over 't weervinden van 'n verloren schaap,
dat-i al z'n koningryken wat weinig acht om op 't laatste blaadje
van den roman te worden neergelegd aan de voeten... och, hoe jammer
dat Jansen plaats had, genomen in de roef!
Maar met al die overleggingen hebben we niet te maken, omdat, we nu
te Sloterdyk zyn. Daar Wouter er nog niet was, zag God-zelf zich wel
genoodzaakt 'n hand uittesteken. Hy verwekte een verlosser in Israël,
in de gedaante van 'n kleinen boerenjongen, die uit het dorp over
de vaart heen bemerkte dat er by het tolhek iets byzonders aan de
hand was, en z'n ontdekking aan twee, drie anderen meedeelde. Dezen,
gedreven door den geest, maakten er ook geen geheim van, en alles
liep uit, de brug over, naar den slagboom: er was Publiek! Wat kan
'n artist meer verlangen? "A la bonne heure!" zei de man, en hy
gaf bevel de paaltjes in den grond te slaan, waaraan 't zeil werd
opgeheschen, ontrold, vastgehecht... och, zoo kleurig! Heel Sloterdyk
stond verbaasd, en er was reden toe. Want, al z'n leven, men kreeg
de geschiedenis der schoone Genoveva van Brabant te aanschouwen! Wie
't zag, zou moeten erkennen dat Wouter groot gelyk had, toen-i in z'n
print-kleurperiode zoo jaloersch was op dat leven in 'n woesteny. Geen
kind in heel Sloterdyk dat er niet precies zóó over dacht. Het zeil was
verdeeld in vier kolommen, en overdwars in zeven ryen, 'n verdeeling
die me straks kan komen te staan op 't vertrouwen van den lezer. Want
zie, de man zong welgeteld negen-en-twintig koepletten, en 't zal dus
schynen dat ik òf 'n koeplet van eigen vinding valschelyk onderschuif,
òf dat ik--erger nog--te-kort doe aan 't zeil. 't Een is zoo onmogelyk
als 't ander. Men schudt geen poëzie als de hier bedoelde uit den mouw,
en wat het zeil aangaat, wie zag er ooit een met negen-en-twintig
vakken? Blyft men in-weerwil hiervan m'n nauwkeurigheid wantrouwen,
't spyt me wel, maar ik zal trachten my in 't verdriet daarover
weer te schikken. Men is nu eenmaal niet voor z'n pleizier op de
wereld. Misschien ook voelt de ergdenkende lezer berouw, als-i den
tekst van de Complainte gelezen heeft. Hy zal inzien dat men zoo-iets
niet machtig wordt zonder nauwkeurige bronnen geraadpleegd te hebben.
Men moet daartoe beneden de twaalf jaar zyn, of... véél ouder. Dat de
Sloterdykers er niet veel van verstonden, deed weinig schade aan 't
effect. De acht-en-twintig kleurige tooneeltjes op 't zeil schreeuwden
wèl zoo hard en spraken duidelyker dan de beide zwervers. En wat
men op printjes niet begreep, werd opgehelderd door 't larmoyeerend
orgel. [30]
Niemand van de toeschouwers had achtgeslagen op 't naderen van de
schuit. Wonder was 't niet, want toen ze begon in-zicht te komen,
had men zich even te-voren vermaakt met de exekutie van Golo,
die zoo duidelyk op het drie-en-twintigste vakje was voorgesteld
dat slechts weinigen er geen kippevel van kregen, en wie in dit
ongevoelig geval verkeerde, wachtte zich wel het te zeggen. Niemand
beklaagde den booswicht, en als de Sloterdykers zitting hadden gehad
in die rechtbank, zouden de stukjes waarin hy gesneden werd, nog
veel kleiner uitgevallen zyn. De chères en de grandes tendresses
waarop Genoveva vervolgens onthaald werd, waren op 't zeil heel
aanlokkelyk voorgesteld. 't Doet me genoegen dat Wouter er niets van
gezien heeft. Ook had de schilder middel gevonden, den toeschouwer
te doordringen van haar aanhoudend omgaan met "J. C." [31] slechts
afgewisseld door 't biddend en dankend gebruiken van ongekookte
boomwortelen. Och, men hoeft zoo weinig fransch te verstaan om zulke
dingen innig te begrypen! Nog één koeplet, en heel Sloterdyk was aan
't bidden en uitgraven van boomwortels gegaan. Ieder ziet in dat het
publiekje van den troubadour, in zoo'n gewyde stemming wel wat anders
te doen had dan op de schuit te letten, die daar zoo onverschillig kwam
aanschuiven alsof er nooit 'n Genoveva in de wereld geweest was. En die
hinde! Juist toen 't arme dier bezig was met z'n miracle nouveau, door
quoiqu'on lui porte van honger te sterven op dat graf, hoste de jager
voorby. De lyn van zoo'n haarlemmer-schuit is tachtig vaam lang... [32]
Oorsprong der vrymetselary. Hoe men 't moet aanleggen om met
sommige menschen kennis te maken. Wouter komt niet te Haarlem. [33]
Ze was terdege boos. De lezer zal wel weten dat invloed, macht,
gezag, heerschappy, overwicht en de van al deze factoren grootendeels
afhangende tevredenheid met zichzelf voortdurend in stygende of
dalende beweging zyn. Wie aan de verliezende hand is, voelt zich
genoopt naar bondgenooten omtezien, en opent met 'n klein toespraakje
de preliminaire onderhandelingen. Hy tracht te weten te kernon of
er kans bestaat dat anderen in z'n verdriet deelen--of al was 't
maar in z'n afkeuring--en hy staat gereed het minste blyk daarvan
aantegrypen tot herstel van de ondergane krenking. Het spreekt vanzelf
dat de onderliggende party gewoonlyk meer scherpzinnigheid aan deze
taktiek ten-koste legt dan de zegepralende tegenstander die weleens
op z'n behaalde lauweren in den dut valt, en niet aan versterking van
standpunt begint te denken voor de stygende invloed van den vyand
hem daartoe aanspoort. In oogenblikken van betrekkelyke gelykheid
openbaart zich de wryving in morren, twist, krakeel, vechtpartyen
of oorlog, al naarmate de stryd zich tot individueele belangen
bepaalde, of wyder gebied innam. Daar evenwel zoodanige gelykheid
nooit lang aanhoudt, en er alzoo telkens op-nieuw 'n onderliggende
party gevormd wordt die aan herstel van standpunt behoefte voelt, is
dat zoeken naar geestverwantschap 't perpetuum mobile geworden dat
de gansche maatschappy in beweging houdt. De machtigste korporatie
die ooit bestond, moet begonnen zyn met de vraag: of 't niet waar
was? Maar de Geschiedenis zwygt over de tallooze malen dat er op die
vraag geen weerklank werd gegeven, of wel 'n antwoord dat verdere
onderhandelingen afsneed en alle toenadering onmogelyk maakte. Het
is aan 'n zeer byzonder toeval te danken, dat ik kan meedeelen hoe
de eerste poging van de waardin was beantwoord geworden. Zie hier wat
de schipper had gezegd, toen ze terstond na 't instappen van de roef
'n gesprek trachtte aanteknoopen:
--Zeg 'ns, mensch, als ik jou was, zou ik me nou ereissies heel
bedaard houwen. Ik ben hier baas aan-boord, versta je dat?
Zeker verstond ze 't wel, maar ze zal evenmin als ik begrepen hebben
hoe dat baasschap hier te-pas kwam? En wat de bedaardheid aangaat,
waaraan de schipper betuigde zich te willen overgeven zoodra hy háár
was... och, ik zeg dat die schipper onmogelyk weten kon wat-i in dat
vreemd geval doen zou.
--Wel nou keman, nog bedaard ook, en dat na zoo 'n veraffrentasie!
Meer had ze niet gezegd, en daarmee was 't voor datmaal uit
geweest. Laat ons de geestkracht en de gevatheid bewonderen, waarmee
ze dat komfoor te-baat nam om den aanval te hervatten. Doch we weten
reeds dat ook die poging schipbreuk had geleden op de onafhankelykheid
van karakter die de deugdzame schipper wist te putten uit z'n
tonteldoos. Het speet ons voor de waardin, maar we zyn niet ondankbaar
voor de leering hoe goed het is, by zekere gelegenheden eigen vuur
by de hand te hebben. Het wyf zat nu heel menschenkennig te loeren
op 'n derde gelegenheid. Dat er in elk kuras gapingen zyn, wist ze
wel... lieve god, pater Jansen en Wouter waren in 't geheel niet
geharnast! Ja, had ze maar met die twee alleen te doen gehad. Maar
de schipper was drukkend pedant en groots. Hy blufte op z'n gezag
aan boord, op z'n deugd, op z'n zes gehuwde kinderen:
--Allemaal best af, m'nheer pastoor, best! Twee by 't waagdragen...
'n mooi vak, m'nheer pastoor!
Jansen liet z'n kin op de gevouwen handen, en deze op den knop van z'n
rotting rusten, maar antwoordde niet. Z'n gelaat teekende droefheid,
en de waardin bespiedde z'n stemming. 't Was, meende zy, al iets dat-i
door z'n zwygen weinig blyk gaf van den lust om in vriendschappelyke
verstandhouding tot den schipper te komen.
--En de derde is op 'n armenschool... als onderwyzer, weet u. Dàt
is er een! Als-i 'n woord ziet, vraagt-i dadelyk waarvan ontleent
zich dat? En hy wéét 't! Nou, ik heb ze best opgebracht, dat moet ik
zeggen. 't Oog op God, zoo zei ik maar altyd, en dan...
Een blik op de roef.
...eerlyk door de wereld! Wat zegt U, m'nheer pastoor?
Helaas, Jansen zei weer niets, en de fondsen van de waardin rezen
'n beetje. 't Leek wel of nu de beurt aan den schipper was gekomen
om behoefte te voelen aan wat weerklank. De man verwonderde zich
dat-i met z'n "God voor oogen!" niet beter slaagde vooral omdat-i
met 'n geestelyke te doen had, die beroepshalve wel verplicht was
zulke praatjes heel mooi te vinden. Maar hierin vergiste zich onze
schipper. Over 't algemeen vinden die heeren 't niet aangenaam dat
de terminologie van 't vak door leeken ontwyd wordt. Ze houden meer
van zondaren dan van dilettanten in zaligmakery, omdat 'n klant boven
'n konkurrent gaat. Deze algemeene waarheid was nu wel niet op den
goeden Jansen toepasselyk, maar de teleurstelling van den schipper
werd er niet geringer om. Sedert dertig jaren verkondigde hy z'n
fameuze hoofdgrondstelling tweemaal daags--op den zeldzamen keer na,
dat-i geen enkelen passagier in de roef had--en nog nooit was z'n
hoogstmerkwaardig maxime aangehoord zonder hem 'n zalvend: "ja, ja,
schipper, daar heb je wel gelyk in!" optebrengen. Dit behoorde tot de
emolumenten van z'n verheven beroep, en die pastoor zat maar zwygend op
z'n neus te staren! Zelfs voor het ditmaal zoo byzonder toepasselyke:
"eerlyk door de wereld!" had die vervelende passagier geen goedkeurend
woordjen over, geen knikje! Er moesten andere loopgraven geopend
worden:
--Ja, God voor oogen, zeg ik maar. Nou, onze Chris--want Chris heet-i
naar z'n grootmoeder, omdat die ook Chris heette--'t is 'n eerst
platje. 't Was eigenlyk m'n vrouws moeder... ook 'n brave vrouw,
dat kan ik je gerust zeggen, m'nheer pastoor! 't Mensch is dood,
maar anders... Jan, vier 'n scheutje tot die modderpraam voorby is.
Jan de knecht vierde drie vaam van de jaaglyn. Heel noodig was 't
juist niet, maar de schipper vond de gelegenheid gunstig iets van
z'n zeemanschap te laten zien.
--Ja, m'nheer pastoor, zoo ben ik! Ik heb graag wat speling in de
lyn als er drukte-n-in de vaart is. Een mensch moet op z'n zaken
passen, en... God voor oogen! Dan kom je 'r wel. Haal nu maar weer in,
Jan. Zóó heb ik ze opgebracht, alle zes, m'nheer pastoor. En onze Chris
zei--want hy is 'n platje--"wel, vader, waarom noemen je de menschen
haarlemmer-schipper? Nou, ik begreep terstond dat er wat achter stak,
maar waar 't 'm zat kon ik niet raden, want geleerd ben ik, om 't zoo
'reis ronduit te zeggen, niet. Maar ik versta m'n werk als de beste...
Waarschynlyk om Jansen hiervan te overtuigen, gelastte hy nu z'n knecht
het dek van de schuit dat met teer en gestampte schulpen besmeerd was,
met water te bevochtigen.
--'n Paar pussies maar, want ziet u, m'nheer pastoor, anders kleeft
het zoo, als er den heelen dag de zon op staat. Nou, en m'n.. eene
dochter--Jansje heet ze, omdat ze eigenlyk naar my genoemd is,
want... myn naam is Jan--nu die is getrouwd met 'n boekbinder. Die
heeft ook al haar vierde... allemaal meisjes. En de tweede is in de
blye verwachting, want haar man is op 'n kantoor in de accynsen. Daar
worden alle varkens gewogen... van de stad, weet u?
--Maar, m'nheer, waagde Wouter te vragen, waarom mag men u geen
haarlemmer-schipper noemen?
--Ja, niet waar, dàt is 'n vraag! Nou, hy is 'n guit, dat zal je
hooren. En alles maar zoo droog-weg. Hy zei... maar zeg eens, ben je
meer te Haarlem geweest?
Of Wouter er geweest was!
--Want anders kan je 't niet zoo dadelyk begrypen. Maar ik wou m'nheer
pastoor vertellen van m'n derde dochter. Die woont in de Langstraat, en
haar man heeft 'n winkel, en daarin verkoopen ze zoowat van alles. 't
Is om 't nu zoo eens uittedrukken: 'n komeny, maar aanspreker is-i
ook, en hy bedient 'n begrafenisfonds, en dat geeft nogal. Toen
verleden haar jongste gestorven is, hebben ze-n-uit hun eigen bus
twintig gulden gehad. Bn nu is de middelste ook ziek, 'n meisje,
m'nheer pastoor, met kromme beentjes en nogal pieperig. Ja, 't gaat
'rlui best. Ze wil altyd dat ik m'n rust zal nemen omdat ik op jaren
kom, want Pietje heet ze, omdat ze genoemd is naar m'n vader, en die
heette Piet. En ze wil dat ik zal uitscheien met werken omdat ik zoo
erg op jaren kom, m'nheer pastoor, en al zooveel beleefd heb. Maar
ik zeg maar altyd: né, zoolang God me kracht geeft...
Zóólang zoud-i zeven uren daags in dien stuurstoel zitten, en nog
meer beleven, en haarlemmer-schipper blyven, of wat-i dan volgens
z'n guitige zoon wezen mocht.
--Een mensch moet op z'n post blyven naar Gods bestel, m'n-heer
pastoor. Dàt heb ik altyd m'n kinderen voorgehouden, en daarom gaat
het hun best.
--Maar, m'nheer, waarom mag men u geen haarlemmer-schipper noemen?
--Precies, zoo kom je-n-op 't ware punt van de zaak. Wel, jongeheer,
hy zei--maar 't is 'n guit, dat zal je zien--"vader, zeid-i, zoodra
je Halfweg gepasseerd bent, word je Amsterdammer-schipper." 't Is
waar ook, zei ik, en ik had er nooit aan gedacht. Zoo zieje wel dat
zoo'n jongen me de baas is. Maar... God voor oogen, dat 's best van
allemaal. Wel ja, straks voorby Halfweg--als je-n-in die streken
bekend bent, zal je 't zelf zien--dan kom ik, om zoo te zeggen, van
Amsterdam, en hier gaan we nog altyd maar naar Haarlem. Hoe vind je
die? En hy is pas zeventien!
Wouter glimlachte even uit goedhartigheid, maar verder kon-i 't
niet brengen. Dat de maçonnieke poging van den schipper om met pater
Jansen in gesprek te komen niet gelukken kon, spreekt vanzelf. Dit zou
't geval gebleven zyn al ware de meegedeelde geestigheid eenigszins
geestiger geweest, want de goede man repeteerde z'n theologischen
kursus. Hy overpeinsde of er iets goeds kon gedaan worden, en
wat? Geestelyke hovaardy was hem vreemd, maar toch voelde hy als
fatsoenlyk man 'n instinkmatigen afkeer van 't wyf dat hy wel zou
moeten aanspreken als-i besloot zich het lot van die twee meisjes
aantetrekken. Dit nu hield hy in z'n onnoozelheid voor plicht, en... zy
wist het! Ze wist dat er slechts 'n gepaste aanleiding noodig was om
hem aan 't spreken te krygen. Zonder uitbundige instemming hebben we
hem hooren beweren dat er op 'n Simmenarie zooveel menschenkennis
viel optedoen, maar wel durven we deze eigenschap toekennen aan
de vele simmenarien die onze waardin in haar jeugd bezocht, en na
voleindigde studien op ryper leeftyd bestuurd had. Met grapjes of
'n geestigheid was die ernstige pastoor niet te genaken, dit voelde
ze wel. Met opgedrongen vriendelykheid evenmin. De weg naar z'n
gemoed... ze wàs er!
--Dàt kan ik niet aanzien, riep ze, 't schreit werachtich tot
God! Schipper, leg 'ereis an, en neem die stumperts in je schuit. Ik
ben goed voor de vracht.
--Ik mag 't niet afslaan, zei de schipper, die Jansen aankeek alsof-i
zich verontschuldigde. Zaken zyn zaken, dat zal m'nheer pastoor ook
wel weten.
Hy riep den jager toe, halt te houden. De lyn plaste in 't water,
en de schuit werd naar wal gestuurd. De waardin die uit de roef in
den stuurstoel gestapt was, riep en wenkte de tobbende orgelfamilie
die na eenige opheldering over de onverwachte vriendelykheid in de
schuit werd opgenomen.
--Zit jelui daar nou maar ereis heel op je gemak, lieve menschen,
en rust wat uit. Ik ben goed voor de vracht...
En Jansen aanziende:
... wel ja, niet waar, men moet z'n evenmensch 'n beetje helpen in
de wereld?
Ziedaar nu haar derde: "niet waar?" en 't beste! Jansen antwoordde wel
niet terstond, maar zag haar vriendelyk aan, en toen ze daarop blyk gaf
naast hem te willen plaatsnemen, overschreed de ruimte die hy maakte,
de grens niet die de welwillendheid in zulke gevallen aanwyst. De
waardin gunde zich de genoegdoening, den schipper 'n zegepralenden blik
toetewerpen. Maar we mogen aannemen dat-i met het oog op God dien slag
overleefd heeft, daar we van-goeder-hand weten dat-i eerst jaren daarna
overleden is, waarschynlyk in 'n oogenblik dat-i 'n verkeerden kant
uitzag. Wie dit vermoeden te liefdeloos vindt, mag veronderstellen
dat de man, ook zonder de minste fout in de richting van z'n oogen,
ten-laatste bezweken is aan deze of gene ziekte die Gods macht te-boven
ging. Aan ouderdom, by-voorbeeld. Want dat gebeurt soms.
Hoe dit zy, by de gelegenheid die we hier behandelen, hield de man zich
kras. Hy verdampte zoo goed mogelyk z'n ergernis over den triumf van de
waardin. Deze was er werkelyk in geslaagd met den geestelyke in gesprek
te komen, en Wouter luisterde aandachtig toe. Nu 't ys eenmaal gebroken
was, bleek het wyf raad te weten voor 't wegruimen van de schotsen.
--Best, wees jelui maar vroolyk in de schuit! riep ze toen de tonen
van het draaiorgel zich deden hooren. Ja, m'nheer pastoor, ik hou
van vroolykheid, en de man kan nu zitten by z'n werk! 't Was niet
aantezien, niet waar?
--Ja, juffrouw, zoo'n orgel is 'n heele vracht.
--En die arme vrouw met al haar wurmen van kinderen! [34]
--Ja, zeker, juffrouw, 't is wel om meely mee te hebben. Maar...
Wat-i "maren" wou, wist hyzelf niet recht. Geheel onwillekeurig
voelde hy aandrang tot iets als protest tegen háár bevoegdheid om 'n
aandoening te openbaren die goed was, of by hem voor goed doorging. De
slimme feeks, op den weg gebracht misschien door 'n eigenaardige
uitdrukking op z'n gelaat, begreep iets van de vyandige strekking
die zich zoo schroomvallig openbaarde, en nam haar maatregelen:
--Och, m'nheer pastoor, ik kan m'n evenmensch niet zien lyen. Als
ik niet zoo vol behuisd was... kyk, ik nam zoowaar graag een van die
stumperts by me, al was 't de kleine jongen die op 't orgel zat.
--Hé, riepen Jansen en Wouter tegelyk.
--Ja, m'nheer, ja, jongeheer, zoo ben ik, werachtich as Chot!
--Maar, juffrouw...
--Och, m'nheer pastoor, menig mensch is niet zooals-i 'r uitziet. Ik
heb altyd m'n evenmensch geholpen, dat heb ik. Daar heb je nu die
twee meissies daar vóór in 't ruim! Wat is 't geval? De een heeft
geen moeder, geen vader, geen levendige ziel... nooit gehad, m'nheer
pastoor! Wat doet ze? Ze loopt voor oud vuil op de straat rond. Ze
had om zoo te zeggen, geen hemd aan 't lyf. Wat heb ik gedaan? Ik heb
'r kleeren gekocht, voor dertig gulden kleeren, m'nheer pastoor! En
die andere? Nou, die heeft 'n moeder... godbetert! Liever géén, zeg
ik. Ze stuurt 'r kind de straat op om jongens nateloopen, jongens en
heeren! Nou, 't zyn er heeren na! En van dat schandloon wil de moeder
't hare hebben! Ik vraag u, m'nheer pastoor, wat komt er te-recht van
'n meid die op straat loopt?
De arme Jansen was verbluft, en niet genoeg ingewyd in de geheimen van
't vak, om zoo terstond te weten wat er te antwoorden viel. De vrouw
ging voort:
--Toen heeft ze my 'n brief geschreven... of ze 'm zelf geschreven
heeft, laat ik daar, maar ze vraagt of ik niet in Haarlem 'n
nette fatsoenlyke dienst voor haar weet by stille menschen,
en... en... en... om 'n beetje voorschot, zooals 't by zulke
gelegenheden gaat. En wat doe-n-ik? Ik zend haar tien dukatons. Tien
dukatons, m'nheer pastoor! En nu ik kom om haar aftehalen--wel ja,
van m'n verlies kan ik niet leven!--wat gebeurt er? De menschen
schelden me-n-uit!
Hier begon de edele vrouw zeer toepasselyk te schreien. Wouter bleef
haar bewegingloos en met open mond aanstaren. Jansen was geheel in de
war. Uit het ruim der schuit klonken 'n paar wegstervende maten van
de fransche complainte. De schipper richtte z'n oog... altyd op God,
natuurlyk, maar nu ook zeer in 't byzonder dan eens op de wolken,
dan weer op den nagel van z'n linkerduim, 'tgeen scheen te moeten
beteekenen dat het verhandelde hem niet aanging.
Met allerlei praatjes bracht de waardin 't zoover dat Jansen
haar uitnoodigde de reis naar Haarlem niet met de beide meisjes
voorttezetten. "Hy zou haar wel eens willen spreken" zeide hy, en
ze had er niets tegen. Hieruit vloeide voort dat Jansen, Wouter,
de waardin en haar beide beschermelingen zich by 't "overloopen"
te Halfweg 't genoegen ontzegden den haarlemmer-schipper te zien
overgaan in 'n amsterdammer. Zy wenschten hem goede reis, en namen
gezamenlyk plaats aan 'n herbergtafeltje voor 't gastvrye Huis
Ter-Hart, waar Wouter alweer niet van z'n preek over zuinigheid
verloste. Arme Styntje!
De waardin kwam 'n volle schuitbeurt later thuis dan ze gedacht
had. Voor haar vertrek van 't Huis Ter-Hart had ze Jansen, Wouter en de
beide berouwhebbende Kaatjes te-voet het pad der deugd zien inslaan,
dat was--in dit byzonder geval, en zonder de minste konsekwentie voor
den vervolge--den vervelenden straatweg naar Amsterdam...
Om-'s hemelswil, we willen toch hopen dat Jansen niet van plan is
die twee schepsels by Styntje te introduceeren?