Opmerkelyk, niet waar, dat Wouter wel de gaaf had zich zoo nauwkeurig

voortespiegelen wat er gebeuren zou, wanneer men na z'n wegblyven z'n

archief doorsnuffelde, hy die zich niet in-tyds rekenschap had weten te

geven van den zotten toestand waarin iemand geraken moet, die z'n zeer

behoorlyk jasje verruilt voor 'n schanslooper van de vreemdste soort,

en z'n fonkelnieuw hoedje voor 'n rooden kalen gedeukten tromblon die

hem bovendien eenige nummers te groot was? Weinig jongelieden zouden

zich in Wouter's geval hebben schuldig gemaakt aan de zotterny die hy

begaan had, en toch zou 't onrecht wezen hen daarom voor verstandiger

te houden. Voor 't meerendeel hadden ze slechts door onthouding van

't excentrieke, blyk gegeven beneden Wouter's fouten te staan. Kon

hy 't helpen dat-i z'n ongewoonheid niet wist te regeeren? Dat er

'n aanhoudende stryd was tusschen de wereld die hy in zich omdroeg

en de wereld waarin hy leefde?

De manier waarop hy zich gedurende den afgeloopen dag gedragen had,

kon zonder verkrachting van den zin der uitdrukking, gerangschikt

worden onder de rubriek: krankzinnigheid. Wel zeker! De arme dwaas

die in den waan verkeert dat z'n beenen van glas zyn, is niet verder

van de waarheid dan de dweeper die zonder de wereld te kennen zooals

zy inderdaad is, z'n aanraking met haar meent te kunnen regelen naar

't schema dat hy in omgang met zichzelf alleen, samenknutselde. Wouter

droomde van engelen... die er niet zyn, en van zielenadel... die

niet bestaat. Hy onderging allerlei aandoeningen die aan anderen

niet bekend zyn. Het is er ver af dat deze aandoeningen onverdeeld

schoon waren, en dat alzoo in alle opzichten de werkelykheid beneden

z'n droomeryen zou staan. Integendeel. Onder alle personen, zonder

onderscheid, die hy tot-nog-toe had leeren kennen, was niemand die

niet in 't een-of-ander opzicht hem in zedelyke waarde te-boven ging,

't geen reeds hieruit blykt dat geen hunner ooit zich vervoeren liet

tot dwaasheden als die welke hem daar zoo wanhopig deden rondzwerven in

den Haarlemmer-Hout. Inderdaad, lezer, 't is onzedelyk 'n nieuwe jas

te verruilen voor 'n oude! Ik laat nu de kazuistische finesse waarmee

sommigen zotterny willen onderscheiden van slechtheid, stilzwygend

in haar onwaarde, zéker is 't dat onze held even beschaamd was over

't verkwanselen van z'n kleeren, als-i over diefstal zou geweest

zyn. En, wanneer hy de wereld goed gekend had, zoud-i gróóter

schaamte nog gevoeld hebben over z'n dwaasheid dan over eigenlyke

misdaad. Deze immers wordt begrepen, omdat ieder deelt in de aandrift

die daartoe leiden kan. Met 'n vroom: "God zy by ons... wie staat, zie

toe!" bekruist men zich--en hangt den dief op, nu ja--maar men deelt

volkomen in de gevoeligheid voor verlokking die den zondaar máákte tot

'n zondaar. Vraag eens aan juffrouw Pieterse en haar vry groot aantal

verwanten in geestesarmoed, of ze 't voor mogelyk houden dat zy een

der tien geboden zullen overtreden, of zelfs maar 'n artikel uit het

Wetboek van Strafrecht? Zy en allen zullen antwoorden: "de mensch is

zwak! Heer, wees my armen zondaar genadig!" Heel goed, ik mag lyden

dat de Heer het doet. Maar, eilieve, stel haar de mogelykheid voor

oogen dat zy 'n splinternieuwen merinossen rok zou weggeven, en in

'n onderrokje ronddolen op den publieken weg... zonder de minste

aanroeping van den Heer, zal ze verontwaardigd uitroepen: nooit! En dit

is de waarheid. Zóó ver kan de slimste Duivel 't mensch niet brengen,

al liet God haar in den steek. Wel schynt alzoo zyn hulp onontbeerlyk

om bewaard te blyven voor galg en rad, maar domheden als die van

onzen Wouter weet men te vermyden zonder de minste tusschenkomst van

den Hemel.

En nog 'n opmerking, ditmaal van eenigszins aangenamer aard. Dat

Wouter's manier van spekuleeren niet tot welvaart leidt, zal ieder

erkennen en goedkeuren. Maar men is te zeer gewoon zich goede

uitkomsten voortestellen van het tegendeel. Dit is onjuist. Ik kan

den lezer verzekeren dat de kleerenjood die zich zoo handig toonde in

zaken, niet eens millionair was toen-i stierf, en dit is 't geval met

velen die zich vermeten minachtend neertezien op 't eigenaardig gebrek

aan praktyk, dat 'n uitvloeisel is van nog onvolkomen dichterlykheid.

Wouter verweet zich dat niemand in gelyke maat als hy, de begaafdheid

had zich vasttewarren in 'n net van verdrietelykheden. Gelyk de

meeste jongelieden die in nood zitten, dacht-i aan zelfmoord. De

lezer herinnert zich dat dit meer geschied was. Het leven kwam hem

ondragelyk voor, en hy drong zich op, dat-i ditmaal wel degelyk van

plan... wezen zou daaraan 'n kordaat einde te maken, als-i maar niet

zoo terugschrikte voor 't denkbeeld dat die vervloekte Kopperliths

in z'n minneklachten zouden snuffelen. Eerst die verzen vernietigd,

dacht hy, en dan sterven! God zou wel begrypen dat-i 't niet kon

uithouden in zóó'n wereld! In den hemel was zeker wel deze of

gene werkkring die hem paste. Daar zoud-i zich stipt toeleggen op

z'n... naastbyliggenden plicht! O, waarom had-i dien goeden dokter

Holsma veronachtzaamd? En... hoe zou 't zyn als-i zich in z'n

tegenwoordigen nood--ei, zonder sterven, alzoo?--tot hèm wendde?

Al wat hy zich van die familie herinnerde, kwam hem nu liefelyker voor

dan ooit. Die vlugge Sietske! Die waardige moeder! Die ernstige oom

Sybrand! En Willem... nu ja, z'n wyzigheid was drukkend, maar kon hy

't helpen dat Wouter geen latyn verstond? Had z'n moeder hem dàt

maar laten leeren, meende hy, dan zou alles anders wezen! Hy zou

dan nu op weg zyn om dominee te worden, of advokaat, of rechter,

of minister... allemaal menschen die 'n behoorlyke jas aanhebben,

en precies weten waar ze belanden moeten als 't nacht wordt! Dit

namelyk wist Wouter nog altyd niet, en 't bezwaarde hem zeer. Maar

al was 't dag geweest, waarheen, waarheen? Op die gansche aarde geen

plek waar-i zich vertoonen kon! Zeker, zeker, God zou er genoegen

mee nemen, als-i onaangediend en ongeroepen in den hemel kwam.

Sterven dus! Heel goed, als-i maar geweten had, hoe? Inweerwil

van deze onzekerheid stond z'n voornemen byna vast. Byna! Want het

afscheidnemen van z'n plannen, van z'n droombeelden, van z'n toekomst,

viel hem zeer moeielyk. En zelfs het verledene, hoe dor en schraal ook,

bood hem gezichtspunten aan waarvan hy de oogen niet kon afwenden. Die

verschyning in den Schouwburg... die dubbelgangster van Femke... hemel,

de rozeknopjes! Ook die immers lagen in z'n lessenaar op 't kantoor,

geborgen in z'n zakboek, in 't zakboek dat-i anders altyd op 't hart

droeg--schoon 't hem zéér deed, als-i vuile praatjes aanhoorde by 't

postkantoor!--maar dat-i nu voor 't eerst had weggesloten om er niet

mee bezwaard te zyn op z'n voorgenomen tocht naar "buiten." Mocht-i

aan sterven denken zoolang hy dat pand niet had teruggehaald om het

te vrywaren tegen hoon? En nog iets! Was 't niet al te jammer, van

deze wereld te scheiden voor-i zeker wist hoeveel prinselyks er stak

in Femke, hoeveel van 'n bleekmeisjen in die prinses? Hy begreep niet

hoe hy zoolang zich had kunnen bezighouden met allerlei onderwerpen,

en vond het onverantwoordelyk zoo'n raadsel onopgelost achtertelaten.

Leven dus, leven! Makkelyk gezegd, als-i maar geweten had waar-i slapen

zou? En... eten! Z'n sarrende fantazie hield hem 'n monster-boterham

van Vrouw Claus voor, en hy begon nu werkelyk zich te verbeelden

dat z'n honger onuitstaanbaar was. Stoffelyke behoefte nam de

overhand op smart van anderen aard--daar is ze voor!--en hy begon

afgunstig te worden op 't lot van Jakob Claesz. Want, meende hy,

in zoo'n onbeschaafd Vuurland waren zeker allerlei vruchtboomen,

en er groeide niets eetbaars in den Haarlemmer-Hout. Die Laurens

Coster had ook beter gedaan, vygen en ananassen te planten--of al

waren 't dan maar burgerlyke appels en peren geweest!--dan zich

bezigtehouden met de uitvinding van die vervelende drukkunst! Wat

heeft 'n dolend wildemannetje daaraan? En wat baatte hem nu z'n braaf

oppassen by Pennewip? O, die vervloekte beschaving! Hy verlangde

naar 'n voorwerp waarop-i z'n woede kon koelen, al ware het, byv. 'n

bende Vuurlanders geweest. Dan had-i geweten wat het Noodlot van hem

verlangde: stryden en... overwonnen worden, nu ja, en men zou hem

opeten, ook. In-godsnaam! Daartegenover immers stond altyd de kans dat

hy--onder aanroeping van deze of gene dame: 't was meer gebeurd!--de

overwinning behaalde, z'n vyanden tot Christenen maakte, en zichzelf

tot koning, juist wat-i wezen wilde. Wie weet of niet Jakob Claesz

ook zoo-iets gedaan had, en Wouter besloot dat Vuurland eens. te

bezoeken zoodra hy te beschikken had over 'n vlootje. Dan zoud-i...

Helaas, heiaas, wat gekke overleggingen in zyn toestand! Beurtelings

woedend en verdrietig, slenterde hy laan-in laan-uit, en wist geen

raad. Eindelyk zette hy zich moedeloos onder 'n boom, en viel in

slaap. Hy droomde dat-i in nood was en dat Femke hem redde. Toen-i

wakker werd, was 't volkomen nacht. Het kostte hem veel moeite zich

te bezinnen wat er gebeurd en hoe hy daar gekomen was. Maar helaas,

hy voelde zich wel genoodzaakt het gebeurde voor inderdaad geschied te

houden, en z'n verdriet weer aanteknoopen waar 't eenige uren geleden

was afgebroken door den slaap. Toch was de daartusschen liggende droom

te levendig geweest om daarop geen acht te slaan, en by gebrek aan

beter dwong hy zich dien optevatten als 'n wenk. Hy besloot dus naar

Amsterdam te gaan en zich onder Femke's hoede te stellen. Al zag hy

niet in hoe zy hem van dienst wezen kon, 't zou hem reeds verluchten

indien hy iemand kon deelgenoot maken van z'n verdriet. En de schaamte

die hem pynigde omdat-i haar zoo lang had verwaarloosd... zeker,

dit maakte den stap niet gemakkelyk. Want hy voelde zeer goed dat-i

zich haar onwaardig had gemaakt, en kon het denkbeeld niet van zich

stooten dat zy dit wist. Ach, mocht hy den dag van vandaag, en dien van

gisteren... neen, de vier, vyf laatste maanden kunnen overleven! Zyn

nu verwaarloosd gemoed zou daarby wèlvaren, en Hersilia's parasol ook.

Na lang zoeken en dwalen bevond hy zich op den weg dien hy den

namiddag van den vorigen dag was langsgekomen in 't achterbakje van

de britschka. Reeds toen was-i niet tevreden. En nu! Naar Femke,

naar Femke! riep hy, alsof 't meisjen 'n toovergodin was die maar te

bevelen had om verandering te brengen in z'n verdrietigen toestand. En

ongegrond was Wouter's vertrouwen eigenlyk niet, schoon hyzelf daarvan

zeker geen reden geven kon. Femke's eenvoudige kalmte--uitvloeisel der

harmonie van haar gaven, inborst, ontwikkeling en begeerten--maakten

haar inderdaad tot 'n goede raadsvrouw. Zeer vermoeid kwam Wouter tegen

den morgenstond by haar huisjen aan. Hier wachtte hem 'n zonderlinge

verrassing... o, die ondeugende Fancy!

De buitenblinden waren gesloten, wat Wouter niet verwonderde daar het

nog zeer vroeg was. Maar wel was z'n verbazing groot, toen hy bemerkte

dat de deur áánstond. Zou die den geheelen nacht open geweest zyn? Was

Vrouw Claus zoo vroeg reeds uitgegaan? Of misschien Femke-zelf? Helaas,

zou ze dáár wezen? Moed om 't meisjen optezoeken by de Holsma's,

had-i niet. Hy was beschaamd voor die familie, en bovendien,

hy durfde de stad niet in, om die gekke jas! Zeer waarschynlyk

had juist de afkeer om zich in de straten te vertoonen, hem 't

denkbeeld ingegeven hulp of raad by Femke te zoeken, of wel--indien

ze hem noch het een noch het ander verschaffen kon, gelyk immers

te voorzien was--haar tot vertrouwelinge van z'n kommer te maken,

om wat troost. Zeker zoud-i niet tot dit besluit gekomen zyn als 't

meisjen in de stad gewoond had, en niet op 'n buitensingel waar ze

bereikt worden kon zonder 'n spitsroedengang tusschen de reien van

't straatpubliek. By 't opsporen van de oorzaken onzer handelingen,

moeten we niet zelden afdalen tot het nietigste. Wouter wist niet dat

er verband was tusschen liefde en stryd, en al ware hy in dit opzicht

minder onkundig geweest, dan nog blyft het de vraag of-i lust zou

gevoeld hebben zich in z'n allerzonderlingst kostuum te vertoonen

aan de uitverkorene van z'n hart. Bovendien, nooit had hyzelf zich

rekenschap van z'n verhouding tot Femke gegeven. Nog altyd dobberden

z'n aandoeningen op die grens die 't kind overschryden moet om mensch

te worden, en 't was meer de ontwakende behoefte aan liefde die hem

vervulde, dan de liefde-zelf. Wouter was niet veel meer dan 'n jongen,

en wanneer-i met wat meer juistheid z'n standpuntje begrepen had,

zoud-i ontheven zyn geweest van 'n groot deel der schaamte over z'n

bespottelyke uitrusting. Wel beschouwd kwam 't er nog drommels weinig

op aan, hoe hy er uitzag. Maar hy was alweer niet jong genoeg ook, om

onbewust de voordeelen van z'n onbeduidendheid te genieten. Hoe dit zy,

de nood perste, en hy voelde instinktmatig behoefte aan 't ontmoeten

van iets liefs, iets vriendelyks, na al 't leelyke waarmee men hem

sedert zoo langen tyd oververzadigd had. Toch wist-i zeer goed dat

Femke niet bymachte wezen zou hem zyn kleeren terug te bezorgen,

noch de verhouding tot die gevreesde patroons in orde te brengen,

noch hem te verzoenen met z'n moeder die woedend wezen zou als ze

te weten kwam dat-i onfatsoenlyk was geweest, parasols gebroken,

en fortuinen met voeten geschopt had. Neen, neen, Femke zou hem niet

kunnen helpen! Byna begon hy te wenschen dat-i niet dáár was.

Maar Vrouw Claus dan? Evenmin! In-godsnaam, als-i zich dan maar

'n oogenblik in haar huisje mocht neerzetten, haar z'n nood klagen,

en... 'n dikken boteram eten. Dàt zou hem de kracht geven om afscheid

van 't leven te nemen. Hy wou wel sterven, heel graag zelfs, als-i maar

niet zoo'n honger gehad had! Dááraan eerst 'n eind gemaakt, en dan...

Juist wilde hy de deur openstooten en binnengaan, toen z'n aandacht

werd getrokken door 'n luid gelach. Het kwam van verre. Over 't

bleekveld heen, den weg op, zag Wouter twee gestalten die hem schenen

te naderen. Met begeerigheid elk voorwendsel aangrypend om 't gevreesd

binnentreden uittestellen, staarde hy zoo scherp mogelyk op de beide

personen die in luidruchtig gesprek schenen. Van-lieverlede werden de

omtrekken duidelyker. De een scheen 'n jong zeeman en de ander... myn

God, was dat Femke niet? Wouter keek zich blind, en moest telkens

de oogen uitwisschen om opnieuw... ze wàs het! En de ander? 't

Was wel waarlyk 'n matroos: wie anders draagt zoo'n gelakt-leeren

hoed? Van-tyd tot-tyd kaatsten daarop de nog horizontale zonnestralen

in schitterend goud af, zoodat Wouter de oogen sluiten moest als ze

door dien glans getroffen werden. Maar, ze weer opslaande, kon hy zich

niet troosten met onzekerheid. Femke liep daar in den zeer vroegen

morgen--byna was 't nacht nog--met 'n matroos! Ach, Wouter zou minder

tydmeterig-fatsoenlyk met z'n aandoeningen hebben omgegaan, wanneer

de begrooting van de heeren Ouwetyd & Kopperlith vyf-en-twintig gulden

's jaars had kunnen dragen aan busrecht!

Femke liep daar in den zeer vroegen morgen, naar Wouter's meening,

met 'n matroos! Een oogenblik lang vlood alle herinnering aan 't

gebeurde en aan de oorzaken die hem daar brachten, op den achtergrond,

om slechts plaats te maken voor yverzucht, vreeselyke yverzucht. De

arme jongen had 'n gevoel alsof hem 'n gloeiende dolk in 't hart

werd gestoken. Z'n knieën knikten, en als wezenloos viel hy tegen

den post van de deur aan. Maar jalouzie is de minst kleinzeerige

van alle kwalen: ze houdt van pyn. Wouter sloeg geen oog af van 't

schouwspel dat hem zoo wondde en hoe langer hoe smartelyker aandeed,

want de blykbare vertrouwelykheid tusschen de beide jongelieden

was groot. Gedurende hun wandeling gaven ze elkander de hand, of

liever 't scheen dat ze hun pinken ineenhaakten. Dit kon worden

opgemaakt uit 'n eigenaardig gelykmatig slingeren van den linkerarm

der persoon die rechts liep, en van den rechterarm der andere. Het

gesprek was luidruchtig en zelfs van sarrende vroolykheid. Vooral

het meisje joelde en schaterde, en hierdoor voelde Wouter zich als

vernietigd. Het baatte niet of-i zich al vóórzei dat ze hem niets

schuldig was, dat hy geen recht op haar had, en dat ze... god in

den hemel, moest het nog erger worden? Daar liet zy de hand van den

jongeling los, en viel hem om den hals, en 't duurde wel 'n eeuw,

vond Wouter, of 'n uur, of zooiets, maar 'n zéér langen tyd in allen

geval. In al de romans die hy gelezen had, werd de aandoening die hy

onderging omschreven met de woorden: "onze held stierf duizend dooden"

maar hy had waarlyk geen afgezaagde boekenfraze noodig om te voelen

wat-i leed. Na de omhelzing hervatte het dartele paar de wandeling

op den weg, en naderde, telkens omkeerend, nu en dan het huisje,

waarop dan ook eenige malen door 't meisje gewezen werd alsof ze

daarover iets aan haar vrindje te vertellen had. Wouter spande zich

in om iets van hun gesprek te verstaan, maar 't lukte niet. Als

om hem 't begrypen onmogelyk te maken, keerden zy zich telkens

om als-i juist op 't punt meende te zyn eenig gevolg verzekerd te

zien aan z'n onbescheidenheid, en dan slenterden ze weer den weg

naar de Aschpoort op. De arme jongen meende te droomen, want zelfs

't niet verstaan van wat er gezegd werd, bracht het zyne tot z'n

verbazing by. Telkens meende hy eenige klanken duidelyk genoeg

te hebben opgevangen om te begrypen wat-i hoorde, en toch wou dit

maar niet het geval worden. Hy wreef zich de ooren alsof daarover

'n vlies gespannen was, doch zonder baat. En, wanneer 't paartje

weer wat verder-af was, hoorde hy slechts 't geschater. Er ontbrak

maar aan dat ze daar gingen dansen op den publieken weg. Waarachtig,

't scheelde niet veel! Het uitgelaten meisje pakte 'n paar malen den

jonkman, die iets bedaarder bleek dan zy, by den arm, en zwaaide hem

om zich heen. Daarop volgde dan weer luid gejuich en gesnap... er was

geen eind aan! Ja toch, eindelyk bleven ze staan en schenen afscheid

te nemen. Er werd hartelyk gekust, de jongeling verwyderde zich, en 't

meisje sloeg met bedaarder tred, den weg naar 't huisjen in. Eens nog

stond ze stil, wuifde met 'n doek, en ontving haar groet behoorlyk van

't zeemannetje terug, die driemaal met z'n hoed zwaaide. Voor evenwel

't meisje genoeg genaderd was om Wouter met kennis te zien, liep deze

woedend heen, en wou... en zou... ja, wat? Na eenig heen-en-weer

zwerven, waarby hem z'n onbehagelyke kleeding zeer ergerde, vooral

omdat het getal der voorbygangers aangroeide, niet zonder verdriet

ook over den honger dien-i zich toedichtte om 'n afleider te hebben

van z'n velerlei wanhopen... kortom, 'n half uur daarna stond-i

weer voor 't huisje van Vrouw Claus, en ditmaal trad hy binnen. De

tafel droeg toebereidselen tot 'n flink ontbyt--goddank!--maar hy

zag niemand. Uit het kamertje waar-i eens zoo heerlyk geslapen had,

klonk 'n stem--'n lieve heldere jonkvrouwelyke stem toch!--die hem

begroette met 'n soldatesk: werda! Wouter antwoordde niet, of byna

niet, want het onnoozele "ik" dat-i zeer verwonderd uit-piepte,

mag geen naam hebben. Hoe drommel kon-i voorbereid wezen op zoo'n

militaire ontvangst? Gelukkig dat zich hierop Vrouw Claus vertoonde,

die hem wat burgerlyker toesprak.

--Zoo, jongeheer, ben jy daar? Heel goed! Waarom bleef je zoo lang

weg? Onze Fem heeft wel honderdmaal naar je gevraagd. Ga zitten... ik

kleed me, zooals je ziet, en kom terstond weer by je.

Ze trad haar kamer weer in, en Wouter hoorde haar zeggen: "dat is nou

't jongetje van 't paard, weetje?" Hierop volgde iets als teruggehouden

lachen en daarop 'n doodelyke stilte. Wouter wist alweer niet hoe hy

't had. Na eenig wachten waagde hy 't even in de kamer te gluren,

waaruit men hem zoo geheimzinnig had toegeroepen. Vrouw Claus,

dacht-i, zou nu toch wel met haar toilet gereed zyn. Nu, dit was zoo,

maar in de kamer was niemand. Moeder en dochter waren zeker op 't erf

by de bekende pomp. Een oogenblik daarna keerde Vrouw Claus terug,

en noodigde op haar gewone vriendelyke manier Wouter op 't ontbyt.

--Asjeblieft, juffrouw. Maar wil u me asjeblieft zeggen waarom Femke

niet komt?

--Fem? Jawel, o jawel, die zal wel komen. Of misschien komt ze niet,

want ze staat te wasschen. Zoo zal ik nu maar zeggen, weetje? Weetje

wat jy doet? Eet 'n boteram, jongen, en hier is koffi. En zeg me nu

eens gauw hoe 't met je moeder gaat? Die is immers ziek geweest? Ja,

'n mensch kan gauw wat krygen... neem er wat kaas op.

--M'n moeder is heel wel, maar...

--En jy? Heb je geen pyn meer? Van je val, meen ik. Och... neen, neen,

neen, ik weet al! Je hebt immers nooit op 'n paard gezeten. Hoe kan

ik zoo mal vragen, maar je moet altyd denken, 'n mensch z'n hoofd

loopt wel 'reis om. En is moeder weer heelemaal in orde. Wel, dat's

best. Als ze nu maar oppast niet weer ziek te worden. Was 't koorts,

of wat was het?

--M'n moeder is heel wel, juffrouw, maar ikzelf ben 'n beetje...

--Ben jy ziek? Wat mankeert je? Maar... gut, jongen, wat heb je daar

'n gekke jas aan je lyf. Hoe kom je daaraan?

--Ja, dat komt... dat is... ik moet... ik wilde...

Wouter stotterde. Vrouw Claus greep hem by den arm, trok hem van z'n

stoel, en draaide hem in de rondte, om hem op haar gemak van alle

kanten te bekyken.

--Ajakkes, jongen, wat schikt jou moeder je raar op! Je lykt wel 'n

sjouwerman, neen... ik weet niet wat je wel lykt! Je broekie is netjes,

dat moet ik zeggen, en je boordjes zitten redelyk, maar die jas! En

wat zit je vol stof. Waar heb je gezeten, jongen? Waar ben je geweest?

Toen de goede vrouw zich bukte om 't stof van z'n schoenen te slaan,

kreeg ze tot overmaat van ergernis, Wouter's hoed in 't oog, dien-i by

't plaatsnemen had verstopt onder z'n stoel.

--Heeremensch, wat 'n hoed! Ik geloof dat je mal bent, jongen! En,

nu ik je wel bezie, je gezicht staat ook niet best! Och, och, vroeger

was je zoo'n lief jongetje, en op dat paard... o neen, op 'n paard

heb je nooit gezeten, maar toch, je zag 'r vroeger aardig uit. En

nu? 't Is 'n ware schand zooals je moeder je toetakelt!

--Moeder kan 't waarlyk niet helpen! Ik zal u alles vertellen,

juffrouw.

--Wàt? Kan je moeder niet helpen dat jy voor spot loopt? Ik zeg je dat

het schande-n-is, 'n ware schande, ja... 'n schandaal! Hoor eens, ik

ben maar 'n waschvrouw, en dat wil ik blyyen ook, al zouden ze... nu,

dit gaat jou niet aan, maar ik verzeker je dat ik me schamen zou,

schamen, ja schamen, hoorje!

--M'n moeder weet het niet...

--Weet je moeder niet wat je-n-aan je lyf draagt, jongen? Waar is ze

dan moeder voor?

--Neen, juffrouw, maar...

--Zeg jy maar Vrouw Claus. Ik ben geen juffrouw, en wil 't niet wezen.

--Och, Vrouw Claus, m'n moeder weet er niets van. Ik kom van Haarlem,

en...

--Van Haarlem? Wat deed je dáár? En moet je 'r daarom zoo verpieterd

uitzien? Als Fem hier was, zou ze...

--Is ze dan niet hier, vroeg Wouter haastig, is Femke niet hier? En

ik heb 'r gezien!

De beurt om verlegen te worden, was aan Vrouw Claus. Ze antwoordde met

'n zonderling gerekt "ja" dat heel best kon gelden voor 'n ontkenning.

--Nu ja, Fem is wel hier, maar... toch, neen, ze is hier eigenlyk

niet. Je moet denken, ze is dikwyls uit, en by m'n nicht op den

Kolveniersburgwal ook, en ze brengt waschgoed weg... och, ze heeft

allerlei te doen, en weetje wat jy doet, jongen? Eet jy nog 'n boteram

of twee, want als je heel van Haarlem komt... onze Fem is aan de

wasch, weetje, en als ze gehinderd wordt in haar werk... jeesis-maria,

wat lieg ik!

Met dezen kreet op de lippen stoof Vrouw Claus de kamer uit, en 't

achtervertrekjen in. Het scheen wel dat ook zy wat te verbergen had,

want Wouter bemerkte tot z'n verbazing dat zy de deur achter zich

sloot, alsof ze bevreesd was dat-i haar volgen zou. Een oogenblik

lang meende hy 'n onderdrukt lachen te hooren, maar weldra werd

het in de kamer naast hem volkomen stil. Zeker was Vrouw Claus op

haar erfje by de pomp gegaan, om daar aan Femke te vertellen hoe

bespottelyk hy was opgetooid. Hy begon zich optedringen dat de in 't

oog vallend zonderlinge houding der moeder, inverband stond met dat

al te vroegtydig bezoek van den matroos. Zeker giste Vrouw Claus dat

hy daarvan iets bemerkt had, en ze wist niet hoe ze dat voor de eer

van haar huisje zou goedpraten. Zoo wàs het! Weinige maanden geleden

nog, zou Wouter zeker niet op zulke gedachten gekomen zyn. Maar

z'n wereldwysheid was aan 't groeien, en wel als naar gewoonte den

verkeerden kant uit. Wat de kans op juist-raden aangaat, had-i beter

gedaan zich te houden aan z'n kinderlykheid, want de wysheid van deze

wereld is dwaasheid by Fancy.

Wouter bleef niet zeer lang met z'n boterammen alleen. De buitendeur

werd opengesloten, en een man die blykbaar zoo-even was komen aanryden

met 'n handkar waarop 'n koffer geplaatst was, vroeg of-i te-recht

was by Vrouw Claus? Er bleek dat deze 't voertuig had zien aankomen,

en tevens dat zy de bestemming daarvan kende, want voor nog Wouter

tyd had gehad iets te vernemen van de herkomst--sommigen beweren

dat-i grooten lust had er naar te vragen--kwam de goede oude vrouw

haastig aanloopen. Ze stuwde Wouter op-zy, toen-i met z'n gewone

dienstvaardigheid behulpzaam wezen wou in 't afladen, en droeg met den

kruier 't vry zware voorwerp dat haar gebracht werd, het huisjen in,

en met één vaart naar de achterkamer door. Indien 't haar plan was,

den naam des afzenders voor Wouter geheim te houden--en zoo scheen

't wel--liep ze gevaar hierin te worden teleurgesteld door den kruier

die op haar vraag naar 't bedrag van 't veerloon, ten antwoord gaf dat

de vracht voldaan was door de heeren... sakkerloot, Wouter verstond

den naam niet! Na 't vertrek van den man met de handkar voelde hy zich

verlegen omdat hem maar al te duidelyk gebleken was dat er iets voor

hem verborgen werd. Hy wilde dus niets liever dan vertrekken, maar

werd weerhouden door Vrouw Claus die hem op-nieuw 'n stoel aanwees.

--Ze zegt... ik wil maar zeggen dat ik nu graag eens precies weten wou

waarom je 'r zoo mal uitziet, en wat je toch in 's heere-menschen-naam

te Haarlem hebt uitgevoerd? Zeg, jongen, wat deed je te Haarlem, en

waarom heb je zoo'n schandaligen hoed op? En die jas? Vertel me nu eens

alles precies, net of ik je moeder was. Want ze wil alles weten ...

--Femke? vroeg Wouter.

--Ja, neen, nu ja... Femken ook, dat kan je denken. Heeremensch,

wat verveelt me dat liegen...ah!

Deze uitroep gold pater Jansen, die z'n goedig gezicht aan de deur

vertoonde. Wouter zag hem met groot genoegen. Er was in dat bejaard

kind iets vredigs, iets verzoenends, dat weldadig werken moest op

'n ontstemd gemoed.

--Wel, dat 's goed, pater! Ga zitten, en eet 'n stuk. Heb je-n-'n

zieke-n-in de buurt.

--Dat ook. Maar ik kom 'ns hooren of ze 't gedaan heeft?

--Ja zeker! Maar... dat jongetje weet er niets van. We praten er dus

maar niet over voor-i weg is.

Natuurlyk alweer wilde Wouter, zich hoorende uitmaken voor zoo storend,

z'n bezoek afbreken. Maar Vrouw Claus liet het niet toe.

--Neen, mannetje, jy blyft nog wat. Net goed dat pater 't hoort wat

je hebt uitgevoerd. Kyk 't kind er 'ns disselaat uitzien, pater!

De goede pastoor bekeek Wouter van onder tot boven, maar hy was nu

juist de rechte man niet om den snit van 'n jas te-beoordeelen, en

toonde dus minder verontwaardiging dan volgens Vrouw Claus behoorlyk

zou geweest zyn.

--Nu, pater, jy weet dat zoo niet, maar hy is 'n fatsoenlyk mans kind,

en ziet er uit als 'n schooier uit de polders. En hy is te Haarlem

geweest zonder dat z'n moeder er van weet. Maar vertel dan toch,

jongen, wat je gedaan hebt! Wel ja, niet waar, dan weet pater 't ook!

Wouter begon z'n relaas hakkelend en verward, en sprak nog veel

slechter dan over 't algemeen de hollandsche gewoonte is, 'n fout

die vergeeflyk voorkomt omdat ze in zekeren zin 't gevolg is van den

rykdom der taal. Och, niet dáárop kon zich de jongen ter verschooning

van z'n gebrabbel beroepen. Behalve de schaamte die hem beheerschte,

hinderde hem zekere onzekerheid omtrent het bevattingsvermogen

van z'n hoorders, 'n twyfel die Demosthenessen en Ciceroos zou

stom gemaakt hebben. Hierdoor werd hy vooral belemmerd wanneer-i

ter verklaring van z'n vreemd gedrag, oorzaken wou uitleggen die

hemzelf niet zeer duidelyk waren. 't Is waar ook, waaròm toch voelde

hy zich zoo ontevreden, zoo alleen, zoo weinig "thuis" in 't wereldje

dat hem omgaf? De wrevel in byzondere gevallen--over de minachting,

byv. waarmee de opgeblazen Hersilia hem behandeld had--was gemakkelyker

te verklaren, en dit deed-i dan ook zoo goed hy kon.

--Als 't kind van de kerk was, zou ik zeggen dat je hem eens

onderhanden moest nemen, zei Vrouw Claus tot den pater. En, zieje,

't is niet om 't verkwanselen van z'n kleeren alleen, en ook niet om

dien perresol, maar z'n gezicht bevalt me-n-ook niet. Zeg jyzelf nu

eens, pater, of-i er niet verpieterd uitziet? Nu, we zullen zien wat

er aan te doen is.

Dit gezegd hebbende, stond zy op en begaf zich naar 't achterkamertje,

alsof daar de geneesmiddelen voor Wouter's kwalen moesten gezocht

worden. En dit bleek eenige minuten later werkelyk 't geval te zyn.

--Hoor eens, jongeheer, zei pater Jansen, wil je weten hoe ik over de

zaak denk? Ik vind dat je je kleeren moest zien weerom te krygen. Zie

je kans, 't huis van dien man terugtevinden?

Wouter vertoonde het adreskaartje van den menschenvriend die hem

zoo edelmoedig behulpzaam geweest was in 't uit- en aankleeden. Hy

maakte de opmerking dat er tot het lossen van de verkochte stukken

geld noodig wezen zou, véél geld, en dat juist dit bezwaar...

--Geld heb ik ook niet veel, zei de goede man, maar als je wat wachten

kan, zal ik er om schryven naar Vucht, aan m'n broer die daar smid is,

en 't gaat 'm goed. En 'n herberg houdt-i ook, en zondags wordt er by

hem gedanst... nou! Na kerktyd, weetje? Dàt moet je zien, vooral als

't kermis is. Een pret... je leven zoo niet!

De zedepreeken van pater Jansen waren ligt te verteren, gelyk men

ziet. Of liever, 't waren geen preeken, en misschien zelfs was z'n

taal onzedelyk. Want de man sprak van dansen, pret en kermishouden

zonder afschuw, 'n byzonderheid waarin de scherpzinnige lezers een

der oorzaken zullen ontdekken, waarom de goede pater nooit lid van

'n gemeenteraad geworden is. In zulke kollegien heeft men leden van

eigenaardige bravigheid noodig. Och, Jansen was zoo braaf niet! Hy

preekte niet, en sprak niet over zedelykhedens. Ternauwernood roerde

hy zulke dingen aan, als 't zyn beurt was alleen te praten in de kerk,

wat hem moeielyk genoeg viel, omdat hy er volstrekt geen slag van had

zich aantestellen alsof-i beter was en meer wist dan 'n ander. Voor

schryver zou hy in 't geheel niet gedeugd hebben. Hy was goed in den

uitgestrektsten zin van 't woord, tenzy men het toekennen van deze

hoedanigheid beperke tot de personen die in zichzelf iets kwaads

te bestryden hadden en overwinnaars bleven in dien stryd. Dit kon

nu eenmaal met pater Jansen 't geval niet wezen omdat hy niet wist

wat kwaad was. Toch, of juist daarom misschien, wekte z'n voorkomen,

z'n manier van spreken en vooral, waar 't noodig was, z'n handelwys,

in zeer hooge maat tot deugd op. Maar ook dit was hemzelf geheel

onbewust, 'n onkunde die hem bewaarde voor de nederigheid waarop hy

in dat geval zich misschien zou hebben toegelegd, en die z'n overigens

zoo volkomen ongekunsteld karakter zou ontsierd hebben.

Hy verhaalde nog een-en-ander van z'n dorp, en Wouter die behoefte

voelde aan afleiding, luisterde met meer belangstelling dan de zaakjes

die pater Jansen meedeelde, waard waren. Het was de gemoedelyke,

zachte, onhartstochtelyke toon die hem goeddeed, en telkens betrapte hy

zich op de verzuchting: "och, was ik maar te Vucht by dien smid!" De

herberg en 't dansen hoefde er niet eens by om naar zoo'n heerlyk

land te verlangen.

--Je moet 'm zien staan in z'n travalje, zei de pastoor. Klik,

klak, bim, boem, de vonken vliegen rechts en links! En z'n mouwen

opgestroopt tot den schouder toe, want je begrypt, zoo'n smid werkt

in z'n hemdsmouwen.

Wouter voelde neiging z'n pronkjas uittetrekken, en aan 't smeden te

gaan. Wat zoo'n smid toch 'n gelukkig mensch is, en hy...

--Och, m'nheer, ik zit zoo verlegen! Ik durf waarlyk niet thuis komen

met dit vervloekte ding aan m'n lyf.

--O, we moeten niet vloeken. Zoo'n jas heeft er geen weet van of-i

mooi of leelyk is, moet je denken. Ja, de man zal zeker veel geld

willen hebben, want van z'n winst moet-i leven, zieje, en zulke

menschen hebben altyd groote huishoudens. Heb je misschien kennis aan

'n horlogemaker?

--Neen, stamelde Wouter.

--Misschien weet Vrouw Claus wel waar we wezen moeten, zei de pater,

terwyl-i 'n ouwerwetsch zilveren horloge uithaalde. Maar 't is niet

best van loop... als we maar wisten wie 't koopen wou! Waarom huilje?

Inderdaad, de tranen liepen Wouter over de wangen.

--O neen, neen, dàt niet, m'nheer, dat kan niet!

--Ik zal er weinig weet van hebben, want dikwyls staat-i stil. 't

Is heel lastig, 'n horloge dat niet goed gaat, maar 't is van m'n

vader, en daarom... och, ik hecht er niemendal aan, want ik heb genoeg

andere dingen van hem, die ik bewaar als goud, dat begryp je wel! Als

je-n-'ns by me komt, zal je 't zien. 't Briefje van z'n eerste kommunie

hangt boven den schoorsteen. Hy was ook 'n smid, en nog veel sterker

dan m'n broer... zooals ze zeggen, want gekend heb ik den man niet,

omdat ik pas 'n jaar oud was toen-i stierf. Als we nu maar wisten wie

't koopen wou!

De goede man woog 't horloge op de hand.

--Dat zal niet gebeuren, pater, riep Vrouw Claus, die weer

binnentredend, de laatste woorden verstaan, en terstond begrepen

had wat er mee bedoeld werd. Dàt zal niet gebeuren, en 't is niet

noodig ook, ging ze voort, 'n papiertje waarin geld gewikkeld scheen,

omhoog houdende. Ik heb hier andere hulp, maar al was dat zoo niet,

dan zou ikzelf nog wel raad weten voor 'n dukaton of tien. Hoor eens,

jongeheer, kyk me-n-eens goed aan... ja, pater, 't moet er nu maar

uit, ze zegt het zelf, en dat gedraai en gemaal verveelt me danig.

Zeg, jongen, kan je zwygen?

--Ja, zei Wouter, en hy sprak de waarheid.

--Nu dan, Fem is niet hier, en 't meiske dat je zeker gezien hebt op

den weg... ja, aan je oogen zie ik dat je 'r gezien hebt...

't Is waar dat Wouter 'n eigenaardig gezicht zette by 't ontwaren van

wat kans op opheldering over de vreemde vertooning van dien ochtend.

... ja, ja, ik begryp heel goed dat je 'r naar gekeken hebt! Nu, dat

was onze Fem niet, jongen! Dat is, om 't nu maar zoo eens uittedrukken,

'n juffer die--hoe zal ik zeggen, pater? Want de pater weet er van,

dat begryp je wel, anders deed ik 't niet!--dat is 'n juffer die van

staat veranderen wil.

--Prinses Erika, riep Wouter, prinses Erika die komt ruilen! O God,

o God, ik wist het wel!

--Hè? Hoe kon jy dat weten, jongen? Wat weet je? Niks!

--Prinses Erika! Heeft ze niet naar me gevraagd! O, zeg, of ze niet

naar me gevraagd heeft?

--'t Is 'n juffer die van staat verandert, zeg ik je, en die by my

't wasschen leeren wil. Maar ze wil 't niet weten voor de menschen

en voor 'r familie, en daarom laat ze je verzoeken, nooit 'n woord

over haar te spreken. Ze zei me dat je woord houden zou als je 't

beloofde. Je schynt iets met 'r gehad te hebben...

--Ja, o ja, riep Wouter.

--Men moet altyd z'n woord houden, zei pater Jansen.

--Dus je belooft het? vroeg Vrouw Claus.

--Ja, by God! riep Wouter.

--Je hoeft er niet op te zweren, mannetje, vermaande de pater, die

als 'n eed opnam wat in Wouter's mond slechts 'n romanfraze was,

al meende hy 't dan even goed alsof-i eenvoudig "ja" gezegd had. Hy

'n dame verraden, en háár nogal!

--Nu, goed dan, vervolgde Vrouw Claus, ik heb haar verteld wat je

op die buitenplaats en te Haarlem hebt uitgevoerd, en ze zegt dat er

geen kwaad by is, als je nu maar precies doet wat ik je zeggen zal.

--O, alles, alles!

--Kyk, hier is geld voor je kleertjes--steek je horloge gerust weer in

je zak, pater--maar ze zegt dat het eerst gewisseld moet worden. Gut,

pater, als de jongen 't nu maar niet weer verdoet!

--Je moet het vooral niet verdoen, jongeheer. Ik ken die munt wel. We

hebben er eens precies zoo een in 't zakje gehad... verleden, weetje,

toen er zooveel vreemde heeren in de stad waren.

't Waren gouden friedrichs, en wel vyf in getal. Vrouw Claus zei

dat het meisje meer had willen geven, maar dat ze haar hiervan had

teruggehouden uit vrees voor 't "verdoen." Die glinsterende stukken

herinnerden Wouter aan de gemakkelykheid waarmee de schipper met

den bonten muts zich gezag had weten te verschaffen in die kroeg

op de Botermarkt. Er ging hem 'n lichtjen op, waarvan-i gebruik

maakte om 'n schrede voorwaarts te doen op 't gebied van munt- en

menschenkennis. Maar tyd om zich te verdiepen in de aandoeningen van

dien vreeselyken en toch zoo heerlyken nacht, had-i niet. "Ze noemde

my broeder..." begon hy te mymeren toen Vrouw Claus z'n gedachten

afbrak, al had het er dan wel iets van alsof zy ze voortzette, want

ook zy sprak van 'n broeder, schoon men erkennen moest dat het woord

in haar mond wat minder voornaam en boekerig klonk.

Op-eens zag ze Wouter nadenkend aan, alsof z'n trekken haar byzonder

belang inboezemden.

--Ja, gut, jy zag er vroeger ook lief uit, maar nu niet meer, als

ik je nu eens de gulle waarheid zeggen zal. 't Was misschien voor

jou ook wel 'reis goed als ie 't zeegat uitging--want, pater, hy wil

naar zee... haar broer, meen ik--je ziet erg bleek, jongen, wat zeg

jy, pater? Zoo'n kind versagrineert en verpietert zoo in stad. Neef

Holsma zei 't ook. Maar nu dat geld, weetje waar 't gewisseld worden

kan? En zal je 't niet verdoen?

--Neen, juffrouw, zeker niet! Maar...

--'t Is waar ook, je durft met die malle plunje de stad niet in. Dat

zal toch moeten! En heel naar Haarlem dan, hoe zou je dàt maken?

--Als ik van dienst wezen kan, zei pater Jansen.

--Wel, pater, als je met den jongen meeging?

--Dat wil ik wel doen, antwoordde de goede man, als we maar weten

waar we wezen moeten.

Wouter voelde zich groots dat-i eens eindelyk in één ding zich diligent

toonen kon, en haalde met zekeren triumf weer 't adreskaartje voor

den dag. Pater Jansen verzekerde dat de zaak nu heel makkelyk kon

geschikt worden, en er werd afgesproken dat Wouter hem naar z'n woning

vergezellen zou om daar te wachten tot het geld gewisseld was. Dan

zouden ze tezamen naar Haarlem gaan.

--Ja, maar dan je moeder nog, en die heeren van de buitenplaats? Ze

heeft gezegd... wacht even, pater. Ik denk dat ze nu wel klaar wezen

zal, want ze wou 'n brief schryven.

Inderdaad, de juffer die van staat veranderen wou, was aan 't

schryven geweest. Althans Vrouw Claus die zich 'n oogenblik naar

't achterkamertje verwyderd had, kwam met 'n briefjen in de hand terug.

--Ze zegt dat je dit bezorgen moet als je van Haarlem terugkomt, maar

eerst moet je by Neef Holsma gaan, en hem alles precies vertellen. En

nu, gaat heen, allebei. Ik heb 'n drukte, je leven zoo niet! En dat

vreemde kind... lief en goed is ze, dat moet ik zeggen Maar, zieje,

ze heeft nooit 'n hand uitgestoken. 't Is onze Fem niet, moet je

denken. Dus, mannetje, je gaat met pater naar Haarlem, en dàn dat

briefje... neen, eerst by Neef Holsma, en daar vertel je alles,

en nu, goeien dag! Pater, pas op 't verdoen, want de jongen steekt

vol rarigheid.

De beide bezoekers verlieten 't huisje. Wouter bezag met

begrypelyke nieuwsgierigheid het adres. Het was de naam van 'n

zeer bekende koopmansfirma, van "'n huis op Archangel" zouden z'n

postkantoorvrindjes gezegd hebben, en de pater scheen dit best te

begrypen: "want, zeid-i, voor ze van staat veranderde, is ze veel in

Rusland geweest." Hy noodigde Wouter vriendelyk uit, aan z'n rechterzy

te gaan, en begon ter opheldering van dit verzoek zeker voorval uit z'n

jeugd meetedeelen, waarmee hy evenwel op verre na niet gereed was toen

ze zyn woning bereikt hadden. Hier nam 't gesprek 'n andere wending,

zoodat ik alweer niet in de gelegenheid ben, den lezer te doen weten

waarom pater Jansen zoo doof was aan z'n linkeroor.

't Ware, echte, oude, onvervalschte katholieke moordhol vol

rammelend gebeente en ander slecht volk. De gegrondheid van een

stuk nederlandschen volksroem uit de 17e eeuw, afhankelyk gemaakt

van de vraag of pater Jansen en Wouter in dit hoofdstuk Haarlem

bereiken? Ik geloof het niet, maar de zaak kan meevallen.

Het spyt me, lezer, dat ik niet weet of ge ooit 'n protestantsch

jongetje geweest zyt, en in die verheven hoedanigheid bezoeken hebt

afgelegd by 'n katholiek priester? Zoo neen, dan zal 't me moeielyk

vallen, u duidelyk te maken wat er in Wouter omging toen hy met den

pater by de kerk was aangekomen, waarnaast of waarachter de goede man

z'n verblyf hield. 't Was in 'n achterbuurt, en wie niet wist dat daar

'n kerk was, zou 't waarlyk niet geraden hebben. [26]

In den kring der Pietersens rilt men by de gedachte aan zoo'n

buitensporigheid, maar er zal 'n tyd komen dat 'n schryver

moeite hebben zal z'n lezers duidelyk te maken waaruit die afkeer

voortvloeit. Ook Wouter begreep niet recht wàt hem beheerschte, maar

zeker is 't dat hy iets als beklemdheid voelde toen pater Jansen voor

't onaanzienlyk huis stilhield "waar z'n kerk was" naar-i zeide.

--En hier is de ingang naar myn woning, vervolgde hy, 'n deur

openende die den toegang afsloot naar 'n lange smalle gang naast het

hoofdgebouw. Ik woon best, jongeheer, dat zal je zien. Maar zou je

nu niet eerst naar de Kolveniersburgwal gaan?

Met 'n blik op z'n kleeding smeekte Wouter om genade.

--Liever als we van Haarlem zyn teruggekomen, m'nheer! Heusch, dan

zal ik terstond gaan, maar nu...

--Zou je denken dat 'n jas van my...

--Neen, neen, o neen, riep Wouter haastig, dat zal niet gaan, m'nheer!

Zeker 't mankeerde nog maar aan de zonderlinge toestanden waarin hy

zich telkens geplaatst zag, dat-i de Holsma's ging bezoeken in de

jurk van 'n pastoor!

--Nu, wacht dan maar by my tot ik geld gewisseld heb, en dan samen

op reis! Ik doe 't met pleizier, want ik ben lang niet te Haarlem

geweest. Houd je van halletjes?

De goede man geleidde Wouter in z'n woning die uit 'n paar kamertjes

bestond, welke door 'n somber binnenplaatsje van den achterkant dier

kerk gescheiden waren.

--Kyk, zeide hy, wat ik hier best woon! Zou je wel gelooven dat ik niet

ruilen wil met 'n bisschop? En gemakkelyk... nergens zoo! Soms ontvang

ik hier aanzienlyke menschen--verleden week nog 'n advokaat--en ze

zyn allemaal jaloersch op m'n woning, en... op 't gemak, zieje. Want

als ik 's morgens opsta voor de vroegdienst--ja, ja, soms is 't nacht

nog!--kyk, zóó ben ik wakker en... wip, in de kerk! Verleden--maar

spreek er niet over--vond onze Styn... daar is ze juist, Wel, Styn,

ik ga naar Haarlem met dezen jongeheer. Wat zeg je daarvan?

Styn zei er niets van dan: "gut, pater!" en 't was genoeg. Althans

hy drong niet op verder antwoord aan, en ging, tot Wouter sprekende,

voort:

--Ze bedient me-n-al over de dertig jaar, my en pastoor Koens die

z'n kamers hiernaast heeft... 'n man van belang! Dien moet je leeren

kennen! Hy verstaat grieksch alsof 't niets was. Jy zeker niet,

hè? Nu, dat doet er niet toe. Maar verleden... wat wou ik je vertellen?

--'t Was iets van Styntje, m'nheer, en dat de kerk zoo naby was.

--'t Is gek in 'n mensen dat-i soms niet weet wat-i vertellen wou. Ja,

de kerk is vlak by, en als ik 's morgens opsta... kyk, nu weet ik

wat het was. Ik had gedroomd van Vucht en van de kermis, en werd wat

laat wakker, en sprong 't bed uit, en haastte me met kleeden, en wat

doe ik--maar ik wist 't niet, dat begryp je wel--ik vergeet een van

m'n kousen aantetrekken, een van m'n zwarte overkousen. Maar Styn

zag 't, want ze vond hem, en ze liep er me mee achterna, en ze riep:

"pater, pater!" en ik wist niet wat ze wou, maar toen hield ze de kous

omhoog, en toen wist ik het! Maar ik heb niet gelachen--omdat ik al

in de kerk was, en je begrypt... dat is 'n huis Gods--en ik ben hard

teruggeloopen, en toen schater-de-n-ik 't uit, en Styn ook. Maar in

de kerk heeft niemand het gezien, want het was donker, en... er was

nog geen mensch.

Deze onnoozele vertelling stak alweer zeer vreemd af by Wouter's

hoogdravende begrippen over goddelyke zaken, en niet minder by de

indrukken die de klooster- en monniken-romantiek op z'n verbeelding

had nagelaten. Hy vertrouwde z'n ooren niet. Maar de goede pastoor

bemerkte niets van z'n verwondering, en verliet hem nadat-i hem den

raad had gegeven zich den tyd te korten met 'n paar boeken die hy

uit 'n wandkastje nam en op tafel legde. Maar aan tydkorting had

Wouter geen behoefte. Hy zag 't kamertje rond, en verbaasde zich

over de verregaande eenvoudigheid waarmee 't gemeubeld was. Een

metalen Christusbeeldje en 'n paar Heiligen-printjes maakten met

het eerste-kommuniebriefje van Jansen's vader, daarvan de eenige

versiering uit. Dit laatste hing achter glas in 'n lystje boven den

schoorsteenmantel. De tafel was van geverfd hout, en 'n viertal stoelen

met matten zittingen voltooiden de stoffeering, tenzy men de hortensia

en 'n paar maandrozen meerekene, die buiten 't opgeschoven raam in de

vensterbank stonden. Zelfs Wouter, die waarlyk niet aan weelde gewoon

was, stond verbaasd over de spaarzaamheid van zoo'n inrichting. Kort

voor de onverwachte expatriatie van den Weledelen Heer Motto had-i aan

de hand van Anna Radcliffe en konsorten 'n lange galery van roomsche

akeligheid doorloopen, waarin 't wemelde van overdaad op allerlei

gebied. De armste monnik had kasteelen te zyner beschikking--gewoonlyk

waren ze ontoegankelyk, en men moest al zeer goed den weg in

't gebergte weten om ze te zien te krygen--kasteelen waarin

weerspannelingen levenslang begraven werden. Elk roomsch geestelyke

bezat zakken vol goud waarmee hy den geloovigen bandiet betaalde, die

de Kerk behulpzaam was in 't uit den weg ruimen van lastige personen,

van iemand, byv. die bybels en traktaatjes verspreidde, of geweigerd

had z'n bruid aftestaan aan 'n bisschop. Wat ter-wereld kon zoo'n

pater Jansen bewogen hebben zich R. C. priester te laten maken,

nu de emolumenten van 't beroep zoo armoedigjes bleken verschraald

te zyn? Of zou er misschien ergens... Wouter betastte den wand om

'n geheime deur te ontdekken, en verheugde zich over 't aanvankelyk

mislukken van z'n poging, omdat de ware geheimheid van zoo'n deur toch

eigenlyk hierin bestaat dat ze zich niet gemakkelyk vinden laat. Nu,

aan deze voorwaarde van geheimzinnigheid voldeden de toegangen tot

pater Jansen's verborgen schatten en martelkamers opperbest. Wel liep

er hier-en-daar 'n scheur door 't gebloemd papier waarmee de wand

bedekt was, maar de richting daarvan gaf te duidelyk getuigenis van

'n onwillekeurige breuk in 't metselwerk, dan dat daarby zou kunnen

gedacht worden aan de kunst waarmee romanschryvers van de bekende

soort groote lokalen weten te verbergen in 'n kleine ruimte. Bovendien:

--Dáár zyn de kamers van den pastoor die zoo sterk is in 't grieksch,

redeneerde Wouter, en aan die andere zy hoor ik Styntje rammelen met

'r keukengereedschap. Aan den voorkant zyn de vensters, de hortensia,

de binnenplaats en de kerk, en hier... daar zou 't moeten wezen,

àls er iets was. Maar...

Ik kan niet juist zeggen door welken gedachtenloop Wouter tot het

besluit kwam dat die vierde wand van de kamer niets geheimzinnigs

bedekken kon. Misschien bedacht hy dat er zeker aan die zyde wel buren

zouden wonen die niet betrokken konden zyn in romantiek. Maar op-eens

sloeg hy de oogen op den grond. Onder dien vloer was zeker plaats

genoeg voor prikkelende akeligheid. O ja, tot de tegenvoeters toe. God

weet hoeveel rammelend gebeente zich daar in zwygende eenzaamheid lag

aantekyken! Misschien ook dwaalden er nog levende slachtoffers van

inkwizitie en verliefde bisschoppen in die gewelven rond. Wie weet

of niet juist op dit oogenblik de schoone Isabella haren voorlaatsten

adem uitblaast. Daar knerste iets...

Wouter hield den adem in. Ik weet waarachtig niet wat er knerste,

en geef den lezer in overweging te gelooven dat het geluid 'n

alleronschuldigste oorzaak had.

...daar knerste iets. Zou er dan toch inderdaad onder die mat...

In geen van de romans die Wouter gelezen had, waren die valluiken

met matten bedekt geweest. Dit kon de nieuwste manier wezen, en in

romantiek moet men op alles verdacht zyn. Wouter was volstrekt niet

van plan den goeden pater Jansen te verraden, als-i z'n geheimen zou

ontdekt hebben, o neen! Integendeel, hy wou niets liever dan deelnemen

aan al de schatten en kasteelen die er aan 't licht komen zouden,

zoodra hy zou afgedaald zyn in 't hol waar hem de schoone Isabella

zieltogend lag te wachten. Eerst dat arme schepsel bevryd, en dan

met volle zeilen den oceaan der romantiek ingestevend! Isabella-zelf

zou er schik in hebben, als ze maar eerst behoorlyk verlost was uit

dat gewelf. Maar... wàs er 'n gewelf? Wàs er 'n hol? Om zekerheid te

hebben, stampte Wouter met den voet...

--Wou ie wat, jongeheer? vroeg Styntje die juist de kamer binnentrad,

en Wouter's grondig onderzoek niet best begreep.

--Neen, o neen, juffrouw, volstrekt niet! antwoordde hy bedremmeld. 't

Is maar dat... dat ik...

--Als u iets mankeert... we hebben haarlemmer-olie in huis.

--Dank u, dank u. 't Was maar dat ik... dat m'n voet slaapt. Dàt

was het!

--Ja, niet waar, en dat prikkelt zoo. Ik heb 't ook wel eens

gehad. Maar 't gaat altyd weer over. Ik moet hier wezen, ziet u,

om paters Jézekie te schuren.

En de goeie Styn nam 't Christusbeeldje van den wand, en poetste het en

wreef het dat het glom. De krucifix had waarlyk geen reden tot klagen

over verwaarloozing, al zou dan de oppervlakkige beoordeelaar meenen

dat Styntje wel wat ruw omging met het symbool van haar geloof. De

oorzaak van deze schynbare onverschilligheid lag in gewoonte, en in

afwezigheid van tegenstand. Wie kwaad van 't afgodsbeeldje gesproken

had, zou 't zeker by Styntje moeielyk te verantwoorden gekregen hebben,

maar nu hieraan niet gedacht werd, behandelde ze haar Jézekie met

niet meer omslag dan elk ander voorwerp van metaal dat ze reinigde,

schuurde, wreef en oppoetste.

--Kyk, wat-i glimt! zei ze. Net 'n kaarsenmakers kat in den maneschyn,

vindje niet?

Wouter had nooit 'n kat van de omschreven soort en in dat byzonder

licht gezien, maar toch erkende hy onvoorwaardelyk dat het beeldjen

er goed uitzag.

--Ja, 'n mensch moet zindelyk op z'n goedje wezen! Ik heb wat te

stellen met pater... daar heb je geen begrip van! Want hy... denkje

dat-i om iets denkt? Neen, dat doet-i niet. En weetje waarom? Wel,

omdat-i altyd denkt aan wat anders. De man is 'n engel van God, en

zou vergeten z'n neus te snuiten, als ik 'm niet zei: pater, je bent

yerkouwen. En je gaat zoo naar Haarlem? En pater ook? Wat ga jelui

daar doen? 't Is 'n heele reis.

Wouter verhaalde een-en-ander van 't voorgevallene, maar slaagde

er niet in, Styntje begrypelyk te maken wat er eigenlyk geschied

was. Hoofdzaak voor haar was en bleef paters reis naar Haarlem.

--Als-i maar geen kou vat, mymerde zy halfluid, of...

--'t Is mooi weer, juffrouw, zei Wouter.

--O ja, dàt is 't! Maar... och, kou vatten is ook 't ergste niet. Ik

voel me-n-altyd als 'n mal mensch als-i uitgaat, en dan zoo ver! Kan

je me zeggen waar-i nu heen is?

--Geld wisselen, zei Wouter.

--Geld? Daar heb je-n-'t al! Nu zit ik in doodelyken angst. Ik wou

dat-i al goed en wel weerom was.

Ze pakte het gereedschap waarmee ze 't Christusbeeldje zoo verkwikt

had, by elkander, en verliet morrend het vertrek. Wouter wist alweer

niet wat-i van Styntje te denken had. Haar kleeding en voorkomen

was als van 'n zeer bejaarde dienstmaagd, maar de gemeenzaamheid

waarmee ze sprak over haar meester--de man bleek tot het "goedje" te

behooren dat ze zindelyk te houden had--bracht hem in de war. Styntje

maakte met pater niet meer omslag dan met haar krucifix, al kan ik

verzekeren dat ze voor beiden met vreugd den dood getrotseerd had. Er

zou in dit byzonder geval weldra blyken wat de oorzaken waren van

haar bekommering over paters reis en 't geldwisselen. Er vertoonde

zich 'n bedelaar voor 't raam waar de hortensia prykte. De man keek

even naar-binnen, niet zoozeer als iemand die vraagt, maar als 'n

verwachte persoon die te kennen geeft dat-i er is. Weldra werd hy door

'n tweeden en derden gevolgd, die almede blyk gaven zich volkomen

thuis te voelen op 't binnenplaatsje dat den pater voor antichambre

scheen te dienen. Velen maakten 't zich gemakkelyk, en gingen op

't een of ander uitstek zitten dat aan huis of kerk te vinden was,

als wilden zy door 'n charade en action de waarheid uitdrukken:

het pauperismus is 'n pestbuil van 't geloof.

Ja, ja, ze waren geestig, die agenten in hemelassurantie!

Wouter hoorde dat men zich onder dat zoodjen onderhield over

de afwezigheid van den huisheer, en wel op 'n toon die zekere

ontevredenheid liet doorschemeren. Wel zeker, de man had op z'n post

moeten zyn!

--Maar de meid is er toch, riep 'n jongen die den kost won met lam-zyn,

maar nu toch 't kozyn van een der lagere kerkvensters had weten te

bereiken, waar-i gargouille speelde.

--Ik wacht liever op den ouwe, zei 'n blinde.

--Houd jy je mond, je mag er niet eens wezen, je bent 'n dinsdagger.

--Wat gaat dat jou aan? Jyzelf mag je mond wel houden, je hebt verleden

by 't uitgaan van de Jakobskerk drie gestaan, en je bent maar zeven.

--Né, zes nou, want de ouwe Jonas is dood. Maar jy bent 'n

dinsdagger. Ga heen, zeg ik je!

--Je hebt op drie gestaan.

--Jy bent 'n dinsdagger, ga heen! Toe, allo, jongens, dringt 'm de

gang uit. Hy steelt ons 't brood uit den mond.

--Wàt? 'n Dinsdagger? riep nu 't uitwas van de kerk. Dat mag niet. Er

uit met hem!

En de lamme wist vry vlug op den grond te komen om 't geschonden

bedelaarsrecht te handhaven. De man namelyk die tot de bedeelden van

dinsdag behoorde, mocht zich niet vertoonen onder 't gezelschap dat

zich 's maandags om ondersteuning by pater Jansen aanmeldde. En wat die

andere beschuldiging aangaat--"drie staan als zeven je plaats is"--ze

doelde op 't overweldigen van 'n rangnummer. Te na by 't uitgaan van

de kerk wordt voor onvoordeelig gehouden, daar de drukte het uithalen

van beurs of porte-monnaie belet. Ook schynt ieder haast te hebben in

de eerste oogenblikken na 'n kerkdienst. Maar 'n standplaats te ver van

de deur is ook niet goed, want de meeste loopen, na twee of drie keeren

iets aan 'n bedelaar gegeven te hebben, onverschillig door. Zonder 't

minste besef dat ze te veel deden--namelyk iets verkeerds--meenen ze

toch genoeg verricht te hebben. Hoe dit zy, volgens alle oordeelkundige

schryvers die kanker en koudvuur tot 'n byzonder onderwerp van studie

maakten, is er geen voordeeliger standplaats dan nummer drie. Indien

dus de man die den ander zoo liefdeloos beschuldigde van inbreuk op

pater Jansen's dagorde, zich inderdaad schuldig maakte aan diefstal

van dat nummer, was de ander volkomen in z'n recht hem 't zwygen

opteleggen. Maar ook de dinsdagger zelf had zich te verantwoorden,

en wel by Styntje die op 't rumoer naar buiten kwam. De man die zich

'n dag te vroeg aanmeldde, verontschuldigde zich door de opmerking

dat-i op dinsdag "zoovéél huizen had" en dat-i "z'n beenen uit het

lyf moest loopen" om al z'n klanten behoorlyk te bedienen, denk ik.

Styntje gaf ieder wat, maar niemand scheen tevreden. Er bleek dat

de heeren aan drie duiten de persoon gewoon waren, en nu met twee

werden afgescheept. Maar de oude meid hield zich flink. "Wie nog

'n woord spreekt, wordt van de lyst gestreken, zei ze. Ik heb nog

zes heele dagen van Gods lieve week voor me, en 'n mensch moet toch

zorgen dat-i toekomt, niet waar? Voort, allemaal, de plaats af en de

gang uit, voort! 't Is, dunkt me, wèl zoo!

Het gemeene troepje liet zich niet zonder moeite bewegen heentegaan,

en Wouter hoorde met verontwaardiging hoe er door sommigen gemord en

gescholden werd. Als 't weer gebeurde dat de-n-ouwe niet thuis was,

heette het, zouden ze liever wachten tot-i weerkwam, want zoo'n

meid was toch ook maar 'n "loontrekkende dienaar, die niet weet wat

'n mensch toekomt." 't Schynt vreemd, maar waar is het, dat in den

mond van den arme, gebrek aan rykdom of laagte van stand 'n misdaad

is. Volgens heeren bedelaars had Styntje ryk moeten zyn, of hertogin,

of burgermeestersnicht, voor ze zich 't recht mocht aanmatigen

'n woordje meetespreken en 'n hand uittesteken--want dit dééd ze,

en Wouter had dapper geholpen--ter verdediging van paters erf: niets

is aristokratischer dan 't gemeen.

Nadat ze met hun beidjes het terrein hadden schoongeveegd,

volgde Wouter de amazone weder in de kamer. Ze jammerde over haar

voedsterkind.

--Och, jongeheer, ik wou dat pater kwam! Ik heb rust noch duur als

de man de stad in is. En dan met geld, zeg je? Is 't veel?

Wouter kon de som niet bepalen, maar sprak van kostbare muntstukken

die gewisseld moesten worden.

--Goud? Och, lieve Jeessis, dat's voor hem krek 't zelfde. Och, waarom

den man de stad intesturen met geld? Heb jy dat baantje voor hem

uitgedacht, jongeheer? Slim is 't niet van je! Waarom deed je 't niet

liever zelf? Met geld kan men niet te voorzichtig wezen... ieder kan

't gebruiken, zieje? Als-i nu in Jeessis naam maar niemand tegenkomt

die wat noodig heeft! Goud? 't Kan hèm wat schelen! De gespen van

z'n vaders broek waren van zilver, en toch zyn ze weg! En om koper

geeft-i ook niet. Raad eens hoeveel bedeelden we hebben? Wel tachtig

alle weken! Ik heb er 'n heele lyst van. En ze zouden ieder hun eigen

dag houden, maar denkje dat ze 't doen? Neen! Want er zyn rakkers

onder--dat ik zoo'n zondig woord zeg--ja, rakkers, die tweemaal

komen, maar pater wil 't niet gelooven. En of ik al zeg: "pater,

't is slecht volk!" hy wil er niet van weten.

--M'nheer Jansen is te goedig, zei Wouter.

--Een zoete-n-engel van God is-i! Maar ik moet op 'm passen. Drie

duiten de man, gaat niet, zesmaal in de week... reken maar na! Daar

waren er vyftien vandaag, en de man heeft zelf geen boter op z'n

brood. Nou, ik ook niet, maar dat's tot dááraan toe. Maar dan

alles wegtegeven aan slecht volk! Ik heb ze nu maar twee duiten

gegeven, en daarom bromden ze zoo. Ze willen klagen by pater. 't Is

'n zoodje! Hoe meer je geeft, hoe luier ze worden. En hoe brutaler

ook. Dat heb ik altyd opgemerkt. Maar pater begrypt het niet, of hy wil

't niet weten. En als ik zeg: "'t Zyn rakkers, pater!" dan zegt-i dat

we-n-allemaal zondaren voor God zyn, en dat hy ook z'n fouten heeft,

en bly toe wezen mag dat God hem kleeren en eten geeft, en 'n mooie

woning. Zondaars voor God? Nou ja, 't heele menschdom, maar hy? Ik

weet sekuur dat God niks van den man te goed heeft, niet zie zóóveel!

Styntje streek met 'n bevalligen zwaai over de hand. Mocht God 'n

oogenblik te-voren nog in den waan verkeerd hebben dat pater Jansen by

hem in 't kryt stond voor erfzonden en eigen fouten, dan waren Styntjes

gelaatstrekken en haar barbiersgebaar wel geschikt hem den moed te

benemen om op de likwidatie van die onbillyke vordering aantedringen.

--Niks, niemendal, ging ze voort. Hy is proper en schoon als 'n

brand. Maar dat bedelvolk, kyk! En "al die armen zyn z'n broeders"

zegt-i.

--Dat heeft Jezus gezegd, kathechizeerde Wouter.

--Jezus? Zoo! Heeft de Heere Jezus dat gezegd? Nou, dan heb ik er

vrede mee dat-i 't ook zegt. Maar toch... wàt broêr? Ik vind dat 'n

mensch z'n eigen broêr moet wezen ook. En hy? Hy is, om zoo te zeggen

z'n eigen neef niet, z'n zwager niet, z'n eigen stiefkind niet, neen,

dat is-i niet! Hy loopt weer op z'n tandvleesch. Heb je 't niet gezien?

't Scheen wel dat Wouter blyk gaf deze schilderachtige uitdrukking

niet te verstaan. Althans de oude Styntje kommenteerde:

--Nou ja, op 't overleer, z'n schoenen zyn doorgesleten. 't Is m-e-'n

kruis! En z'n jas is ook niet van de nieuwsten.

Wouter voelde schaamte over 't gewicht dat-i aan zyn kleeding hechtte.

--Al vier jaar lang spaar ik voor 'n nieuwen, of... ik wou sparen,

maar 't gaat niet! Die bedelaars kosten ons zeker twee gulden in de

week... spaar dan eens voor nieuwe jassen! Zeg, jongeheer, kan je

niet eens aan pater zeggen dat-i wat zuiniger wezen moet, en niet

zoo altyd alles weggeven?

Wouter groeide. Hy werd aangesteld tot Mentor over 'n bejaard

man, en wel door 'n vrouwspersoon die nog volwassener was dan z'n

pupil. Met veel genoegen had-i Styntjen omarmd, maar hy speende zich

van deze uitspanning, en stelde zich schadeloos door de zelf-genoegzame

pedanterie van z'n antwoord. Styntje's verzoek werd genadig opgenomen

en geflatteerd:

--Hoor eens, juffrouw, u kan verzekerd wezen dat ik van myn kant al

't mogelyke zal aanwenden om...

--Wel zeker! Want my gelooft-i niet, omdat ik niet geleerd ben. Je

moet hem zeggen dat de jongen die daar zooeven met z'n derriére...

Zoo vertel ik, maar Styntje sprak hollandscher, bondiger, korter

en beter.

...de jongen die zoo-even met z'n... zitwerktuigen dan, in 't venster

van de kerk zat... 'n luiwammes is-i, 'n doeniet, 'n rekel! Zeg

dat aan pater. Eerst was-i 'n blinde... jawel, zoolang-i 'n zusje

had, dat hem leien kon. Maar nou ze van 'm weggeloopen is--god weet

waarom? Misschien bedelt ze liever op 'r eigen houtje--nou is-i op-eens

'n lamme geworden. Hoe vindje dat? Zeg 't aan pater.

--Ja, ja, juffrouw, ik zal 't hem zeker zeggen!

--En dan van dat vuile schepsel ook, dat daar in den hoek zat. Heb

je 'r gezien? Eens toen er sneeuw lag, zei ik: "veeg de sneeuw van

de plaats, dan kryg je zes duiten." Was 't goed geprezenteerd, of

niet? Maar ze deed het niet, en zei dat ze te veel huizen verzuimde.

--Huizen, juffrouw?

--Ja, bedelhuizen. Ze had er zeventien alle-dag, zei ze, en toen

schold ze me-n-uit over m'n zes duiten. Dat zei ik aan pater. En wat

zeid-i? "Och, zeid-i, ze is te oud, 't mensch kan niet vegen." Heb

je van z'n leven! Ik zei: "pater ze is jonger dan ik!" Nou, 't is de

waarheid, want ik ben acht-en-zestig, Da's oud, hè?

Gewis vond Wouter dit oud! Hy begon de vrouw belangwekkend te vinden,

die zooveel moest beleefd hebben naar-i meende. Dat de kring waarin

ze zich bewogen had, wat klein was, kwam niet in hem op. Hy voelde

verlegenheid over z'n jeugd, en om haar te doen voelen dat-i door

studie had aangevuld wat hem aan jaren ontbrak, zocht-i in z'n

herinnering iets op, dat getuigenis geven mocht van voorhistorische

kennis. Styntje moest toch weten dat-i de funktie van zieleherder die

ze hem zoo gul opdroeg, niet geheel onwaard was, en ook dat-i meer

wist dan hy in z'n kort leventje met eigen oogen kon gezien hebben.

--Zéér oud, betuigde hy. Dan heeft u zeker de uitlegging van de

stad bygewoond?

--Dáár weet ik niet van, jongeheer. Maar... die oude nukkige Griet! Wat

denk je dat pater deed! Hy zei: "och, Styn, je moet denken ze-n-is

'n arm mensch!" "Dat 's waar, zei ik, en dat denk ik. Maar jy bent ook

arm, pater, en ik ook." Nou, dàt zei ik er maar zoo by, want ik heb 't

wèl, en klaag niet, godbewaarme! Maar dat pater soms droog brood eet,

is 'n ware zonde voor god en menschen. Soms is er geen duit in huis,

en dan moeten we leenen van pastoor hiernaast, die ook niet te veel

heeft. Ook 'n goed mensch anders, dat moet ik zeggen, maar hy spreekt

niet veel. Pater zegt dat-i de geleerdste man van de wereld is, en lang

professer of bisschop had moeten wezen, als-i maar niet zoo... nou,

dat gaat my niet aan, en jou ook niet. Maar die luie Griet! Ze dééj

't niet, en ze deej 't niet, en de sneeuw bleef liggen dien dag, en

ik zei: "goed, pater, dan zal ik 't doen." En den volgenden morgen

zou ik vroeg opstaan, en dat deed ik ook, want de sneeuw loopt zoo in,

weetje, en dan heeft de man natte voeten, en dat kan ik voor God niet

verantwoorden. En toen ik op de plaats kwam... weg was de sneeuw! Wat

denk je dat er gebeurd was?

--Dooi? vroeg Wouter.

--Gut né, 't vroor twee zeeuwen dik. Ik keek beduust op de blanke

steenen, en zocht de sneeuw... geen krummel te zien, hoor! Toen

hoorde ik pater lachen in z'n kamer, want hy zag me daar staan als

'n gek mensch naar de sneeuw te zoeken, die weg was. Hy was vroeger

opgestaan dan ik, en had alles weggeruimd. Hoe vind je dat, jongeheer?

--Hoor eens, juffrouw, als 't weer gebeurt... roep my, dan zal ik

't doen.

--Was 't geen schande? En dat voor zoo'n lui dier als die Griet! Nou,

ik was kwaad als 'n spin, want ik heb den man zielslief, dat begryp

je wel, maar hy lachte me-n-uit. En ik blééf kwaad, en toen sprak hy

weer van arme broeders, maar ik zei dat die luie Griet m'n broêr niet

was, en zyn broer ook niet! Wel neen, wat zeg jy? Zoo'n lui beest!

Wouter zei ditmaal eens niets, maar aan indrukken ontbrak 't hem

niet. Hy voelde wel dat er iets liefelyks te lezen stond op de bladzy

van 't groote levensboek, dat hier voor hem werd opgeslagen, maar kon

z'n ingenomenheid niet rymen met den weinig romantischen vorm waarin

hem 't schoone werd voorgesteld. Zeker, er moest nogal veel aan Styntje

veranderd worden voor ze, al was 't dan maar heel uit de verte, gelyken

kon op de schoone Isabella die hier in 'n diep gewelf op verlossing

had behooren te liggen wachten. De goede oude vrouw zelf scheen

geen verlossing noodig te hebben, en in-plaats van slachtofferige

dames te bevryden van yzeren ketens, schraal dieet en priesterdwang,

kreeg Wouter zoo'n priester-zelf te redden uit de klauwen van z'n

eigen goedigheid. De ruil kon wreed genoemd worden door ieder die

niet inzag hoe onaangenaam Styntje's vertrouwelykheid prikkelde, en

vooral haar vertrouwen. Bovendien, dat uitdryven van den bedeltroep

had iets van 'n gevecht gehad, en by-gebrek aan beter moet men zich

met het mindere tevreden stellen. De romantiek is veerkrachtig,

en wat er in afmeting en gehalte aan de omstandigheden ontbreekt,

wordt aangevuld en opgesierd door den onbewusten goeden wil van de

Don Quichotten. Wouter was zoo tevreden dat-i z'n eigen jas niet meer

zag. Grootmoedig vergaf-i den pater dat er geen enkele gekluisterde

jonkvrouw in z'n woning was, en ook daaronder niet. Maar toch:

--Wel, juffrouw, de woning is eigenlyk niet heel groot, vind ik. Heeft

u hier ruimte genoeg?

--Wel wis en zeker! Als-i grooter was, kon ik den boel niet knap houden

in m'n eentje. Je moet denken dat ik de kamers van pastoor hiernaast

ook voor m'n rekening heb. 't Is 'n heel gedoe voor 'n mensen alleen.

--En... kelders?

--Ja, 'n beetje nat, maar anders best. We hebben er 's winters

aardappelen in, en turf ook. Die nattigheid is goed voor de turf... 't

stookt zuinig. Droge turf is geen aanhalen. Dan zou de man nog kou

lyden ook!

De poging om zich te vermeien in krypt-romantiek brak alzoo weer

als glas af. Ketens en knokenpyramiden pasten niet by die huiselyke

nattigheid. Een "hol" mag vochtig wezen, o ja, en zelfs is dit een der

vereischten van de zaak, maar... aardappelen en turven? O, Lafontaine!

O, Radcliffe!

--En... zyn er gewelven onder de kerk, juffrouw?

--Dat weet ik niet. Maar ik verpraat m'n tyd. Beloof je me vast en

zeker dat je 'n oogje houden zult op pater met al dat geld?

--Wees gerust, juffrouw! Ik zal...

--En dat je hem eens terdeeg vermaant om wat meer voor zichzelf

te zorgen...

--Zeker, juffrouw.

... want, zieje, de man is zoo arm als Job, en dat gáát zoo niet! Ik

hoor nu dat er 'n dame in de stad gekomen is, heel uit Denemarken of

Hamburg of zoo wat, en die zou hem bystaan...

--Ah!

... zoo, weet je 'r van? Nou, des-te-beter! Ik hoorde 't van Femke

Claus...

--Ah!

... ken je die ook al? Nou, die biecht by pater, vroeger by pastoor

hiernaast, nu altyd by pater. En meestal gaat ze hier over de plaats

de kerk in, want ze brengt paters waschgoed, en zy heeft het me

verteld... van die dame-n-uit Hamburg, meen ik.

--Ah!

--Wat mankeert je toch, jongeheer? En ik... als ik die ryke dame

kan te spreken krygen, zal ik haar zeggen dat ze heel voorzichtig

wezen moet, en pater niet te veel geven. Want al had het mensch

'n inkomen van honderden in de week, 't zou niet genoeg wezen voor

al die bedelaars. Hoe meer je geeft, hoe meer er komen. 't Is maar

begieten van onkruid, zeg ik! Wel ja, moet 'n mensch niet werken voor

de kost? Dat heb ik ook gedaan, van zóó klein af. Ik ben 'n vondeling,

weetje, en heb mezelf door de wereld moeten slaan. Kan die luie Griet

dat ook niet doen?

't Vondelingschap beviel Wouter byzonder. De lust om daarvan iets

meer te vernemen, verdreef zelfs den indruk dien 't noemen van

Femke's naam--in-verband nogal met prinses Erika--op hem maken

moest. Zou Styntje's vader 'n ryke baron wezen? En teruggekeerd op

't pad der deugd? Hy wilde meer van de zaak weten, en Styntje zei er

dan ook nog wel iets van, maar alweer 't rechte niet, naar Wouter's

meening. Ook hier wou 't alweer met de romantiek niet best vlotten. Wat

die Leentje toch gelukkig geweest was, zy die by haar eersten en

misschien eenigen uitgang zoo terstond op de smakelyke kern van de

vrucht onthaald werd! Wouter kreeg alweer niets dan leege doppen en

schillen, of althans dit verbeeldde hy zich omdat-i nog niet geleerd

had--er zyn er meer zoo!--z'n ontmoetingen op 'n afstand te zien. Wat

ons in oudheid belangryk, of in middeleeuwen romantisch voorkomt,

is eenmaal gewoon geweest.

--Ja, jongeheer, 'n vondeling, ging Styntje voort, en ieder mag 't

weten. Wel ja, ik heb immers mezelf niet op de hei gelegd, heb ik

wel? Nou voor m'n moeder is ook gezorgd, en best, hoor! Want... op de

hei ben ik gevonden, piernaakt, om zoo te zeggen, ik had maar 'n oud

stuk mat om 't lyfje. Maar je begrypt dat ik 't maar van hooren-zeggen

heb. Ja, ik was in 'n lap mat gerold, anders niet! En nu? God heeft

me gezegend, dat zieje. Ik ben groot en sterk geworden... neen, sterk

ben ik geweest. Dat's tot daaraan toe. Maar ik heb wel elf hemden...

--Hè, zei Wouter.

--Ja, elf. Maar ze zyn wat oud. En telkens als ik er 'n twaalfde

by doe, moet ik een van de anderen weggooien. Daarom heb ik er maar

elf. Maar je moet denken, ik ben begonnen in 'n mat, en op de hei. En

nu woon ik by pater, al vyf-en-dertig jaar... 't is waarachtig geen

kleinigheid! Maar ik heb er voor moeten werken, dat spreekt. Zoolang

ik hier woon, houd ik twee heeren heel, en soms wel drie, want als de

dienst wat druk is, hebben we hier 'n kapelaan ook. Ja, ja, er moet

gewerkt worden in de wereld! Maar als je dàt doet, ben je klaar. Ik

ken menigeen die in 'n huis geboren is, en God op z'n bloote knieën

danken zou als-i by pater mocht wonen.

--En... u ziet soms Femke hier? vroeg Wouter, niet zonder de strekking

dat deze byzonderheid Styntje's genot nog aanmerkelyk verhoogen moest.

--Wel zeker! En ik moet zeggen dat ze my trouw helpt aan paters

goed... nu, anders kwam ik er niet. Want 'n mensch alleen... dat begryp

jezelf wel. Ook worden m'n oogen slecht. Maar van pastoor hiernaast

wil ze geen stuk meenemen. Ik geloof dat ze niet van hem houdt.

--Zou hy haar iets misdaan hebben? vroeg 't riddertje.

--Wel neen! Waarom? 'n Mensch houdt van den een, en niet van den

ander. Van pater houdt ze, dat weet ik. En hy van haar. Vroeger

biechtte ze by pastoor hiernaast, maar nu al sedert 'n jaar of wat niet

meer. Altyd by pater! Zoo zyn er veel, en de man kan 't niet af. Ik

heb al aan de menschen gezegd "ga toch liever by pastoor hiernaast,

die man is ook goed" zei ik, maar 't helpt niet, alleman wil altyd

by pater wezen. Nou, ikzelf ook, en ik bevind er me goed by, dat

moet ik zeggen. Hy is 'n beste! En zoo zal dat meisjen er ook over

denken. Maar jou heb ik nog nooit in de kerk gezien. Zeker woon je

ver. Waar is je parochie? By wien biecht je? Is je pastoor lastig?

--Neen, o neen, stamelde Wouter die den moed niet had op dit oogenblik

te openbaren dat-i niet "van 't geloof" was.

--Anders, ik kan je pater gerust rekommandeeren... hy is erg

gemakkelyk. Wat die man al zielen tot Onslieveheer geholpen

heeft... kyk! Als ik niet by hèm geweest was, zou 't er met m'n

moeder nog slecht uitzien, maar nu is ze wèl. Ga by pater, wat ik je

zeg! Of... neen, toch niet, de man heeft het te druk. Veel drukker dan

pastoor hiernaast. Die is 'n beetje... hoe zal ik zeggen? Isegrimmig,

ziedaar! Hy ziet niks door de vingers niks, niemendal! Nou,

alle menschen zyn niet eender, en sommigen moeten hard aangepakt

worden. Verleden heb ik gehoord dat er eens 'n man geweest is, die

niet bang was voor de hel. Hoe vindje dat?

--Heel erg, juffrouw.

--Zoo, vind je dat erg? Ja, 't is erg! Maar ik ben er ook niet

bang voor, want ik doe m'n werk, en ik zorg voor pater. Och, och,

waar blyft-i?

--Is u niet bang voor de hel, juffrouw?

--Gut né, volstrekt niet, want ik doe m'n werk. Maar die man deed z'n

werk niet. Hy vloekte en dronk, en ging om met slechte vrouwluî, en

toch was-i niet bang voor de hel. Zie je, hy had er bang voor moeten

wezen. Dat zei pater ook, maar toch zou God 't hem wel vergeven,

zeid-i, omdat de man niet beter wist, want... hy geloofde niet aan de

hel, en dat kan 'n mensch niet helpen, zei pater. Nou, ik had zoo'n

man wel eens op z'n sterfbed willen zien! Maar hy zal wel dood wezen,

want het is zeker lang geleden. Als ik sterf, zal ik heel tevreden

zyn, want pater zal voor m'n bed zitten, en my de hand drukken. Dat

heeft hy me vast beloofd. Dan zal ik God danken voor 't leven dat-i

my geschonken heeft, en omdat ik by pater gewoond heb.

De goede vrouw bekruiste zich, en Wouter had het hart niet, te veel

hart liever, om hierin ditmaal iets bespottelyks te vinden.

--Je weet niet hoeveel goeds ik genoten heb, jongeheer. Je moet altyd

denken, ik ben begonnen van niets, van niemendal, denk eens! Ik was

al tien jaar oud toen ik nog achter de koeien in 't veld liep, en als

ik in 't dorp kwam--want ik ben maar van 't boerenland--dan riepen de

jongens: "vondeling, vondeling!" En nu, kyk, al vyf-en-dertig jaar

by pater! Wat wil 'n mensch meer? En ik heb òververdiend voor m'n

moeder ook, dat begryp je.

Wouter zette een vragend gezicht.

--Ja, 't moest wel. Want zeker had ze niet goed met me gehandeld, maar

pater zei: "denk je dat 'n mensch voor z'n plezier z'n kind op de hei

legt? Dat zyn treurige zaken, men moet er meely mee hebben!" En ik

heb kousen voor hem gebreid, en voor elke kous gaf-i 'n mis aan m'n

moeder. Dat was heel in den beginne, toen ik pas by hem kwam. En toen

werd het koud, en ik had winterhanden en kon niet breien. En dat speet

me erg voor m'n moeder, en ook voor pater, want de man had z'n kousen

broodnoodig. Maar de ziel van m'n moeder was 't ergste, dat begryp

je. Denk je nu dat pater er na keek of ik breien kon of niet? Gut

né, hy gaf de mis, alle dagen krek! Dat doet-i nu al vyf-en-dertig

jaar... reken dàt eens uit, jongeheer! De man zegt zelf dat er 'n

heele boel òver is.

--En... de ziel van... uw vader? vroeg Wouter die naar bericht

hunkerde omtrent zekeren schatryken baron, na--of liever nog: 'n beetje

vóór--z'n terugkeer op 't pad der deugd. Gaarne had-i z'n vraag wat

deftiger ingekleed, en zich geïnformeerd naar 't welvaren van wylen

Styntje's "papa" maar deze malle uitheemsheid die in Wouter's tyd

nog voor iets voornaams doorging, wou er niet uit. 't Bleef dus by:

"de ziel van uw vader, juffrouw?" schoon dit woord inderdaad wel wat àl

te burgerlyk klonk voor iemand die de aanzienlyke romanbetrekking van

meisjesverleider bekleed had, 'n funktie waartegen onrype jongetjes,

eunuken en zeker soort van beunhazen in moralistery, ten-allen-tyde zoo

byster hoog--maar vooral begeerig, en met afgunst!--hebben opgezien.

--Dáár weet ik niet van, antwoordde Styntjen, en 't scheen wel dat

zy over Wouter's vraag 'n beetje verstoord was. Een mensch kan niet

alles tegelyk doen! Wou je dat ik pater nu nog dáármee lastig was

gevallen ook? De man heeft 't werachtig druk genoeg. Voor m'n moeder

is er òver, en daarmee kan God doen wat-i wil. Maar voor m'n vader

sprak ik geen stom woord. God zou wel eens kunnen zeggen: "als je

zoo begeerig bent, kryg je niemendal!" Nou, dit is maar by manier van

spreken, want wat ik verdiend heb, moet ik hebben: eens gezegd blyft

gezegd! Daar is de heilige Jozef voor, die is er werachtig de man

niet na om z'n zoons woord te-schande te laten maken. Heere Jeessis,

waar blyft pater met al dat geld?

--Daar is-i, riep Wouter die Jansen's vriendelyk gezicht langs de

hortensia zag voorbygaan.

Als om de gegrondheid van Styntje's angst ditmaal eens te

logenstraffen, telde de goede man 'n twintigtal ryksdaalders op de

tafel. Ter verontschuldiging over z'n uitblyven, deelde hy mee dat

men hem onder-weg by 'n zieke had geroepen, die volstrekt iets naders

van den hemel wilde weten voor-i er heen ging.

--Ik heb hem alles duidelyk uitgelegd, verzekerde Jansen. Die

geldwisselaar zei dat de koers laag was, jongeheer, maar ik heb

'n briefje gevraagd, waar 't op staat. Nu kan jyzelf alles precies

uitrekenen, want men kan nooit te voorzichtig wezen in de wereld,

en geld is... geld, wat zeg jy, Styn?

Styn zei ja, en 'n kwartier daarna was Wouter met pater Jansen op-weg

naar de haarlemmer-schuit. De oude vrouw had haar afgod terdeeg

afgestoft en geschuierd, en ook Wouter kreeg 'n streek of wat met den

borstel, doch 't was blykbaar slechts 'n voorwendsel om hem nogeens

nadrukkelyk in 't oor te fluisteren:

--Zal je toch goed zorgdragen dat pater al dat geld niet verdoet,

jongeheer?

--Juffrouw, ik belóóf het u! had Wouter geantwoord, en aan den stap

waarmee hy de wandeling aanving, was te bemerken dat-i 't meende.

Helaas!

De weg naar... 't verkeerde is geplaveid met goede voornemens en

welgemeende beloften.

Preekjen over preeken, en hoe Wouter niet aan 't preeken raken

kon. Preek van pater Jansen over 'n preek van pastoor Koens,

opgeluisterd door 'n preek van hemzelf. Hoe de auteur woord houdt.

Zeker kanselredenaar moet eens gezegd hebben dat niets gemakkelyker is

dan preeken, doch niets moeielyker dan goed preeken. Ik heb er geen

verstand van, maar als men op den bewusten dag aan Wouter gevraagd

had of niet ook 'n middelmatige preek iemand terdeeg bezwaren kan,

zoud-i 't zeker volmondig hebben toegestemd. Den vorigen dag was-i

redelyk tevreden geweest met het halfgeboren koncept van den brief

aan de opgeblazen Hersilia--jammer dat het niet gediend had--maar 'n

preek... dat was wat anders! Hy wilde 'n paar keer beginnen, maar 't

vlotte niet. Telkens als-i op z'n: "m'nheer, hoor eens!" zoo goedmoedig

ten antwoord kreeg: "wat blief je, jongeheer?" zonk hem 't hart in

de schoenen, en hy maakte de een of andere onnoozele opmerking over

iets dat op hun weg te zien was. Pater mocht alzoo van hem vernemen

dat de haarlemmerdyk 'n lange straat was, en dat ieder die 's avends

laat buiten de stad bleef, 'n stuiver moest betalen, jazelfs als

't héél laat was, 'n dubbeltje. Jansen stemde dit alles volmondig toe.

Hoe te beginnen? Wel beschouwd, hebben dominees 't makkelyk. Ze nemen

'n tekst uit de Schrift, en verdeelen hem in drieën, dan volgt de rest

vanzelf. Ook worden zy op den weg geholpen door 't voorgebed. Wel

zeker: "steun, o Heer, den spreker die in ons midden is opgetreden

om uw woord te verkondigen!" Zoo komt 'n mensch op z'n dreef. En 'n

dominee is anders gekleed dan andere menschen. Dat alles geeft zekeren

toon aan, en brengt 'n stemming te-weeg die stamelaars en stommen aan

't preeken helpen zou. Wouter voelde wel dat het niet te-pas kwam 'n

gebed te doen: "steun, o Heer, den voorganger die naast pater Jansen

is opgetreden om 't woord van Styntje te spreken!" maar hy wou doen

wat-i beloofd had. Dat hy maar 'n domme jongen was, en die m'n-heer

Jansen 'n eerwaardig man, kwam--juist omdat-i 'n domme jongen was--niet

in hem op. En al ware dit anders geweest, het zou hem niet zoo heel

erg gehinderd hebben, want Stoffel had eens verzekerd dat jongelui,

zoo van de schoolbank, volkomen 't recht hadden oude menschen te

kapittelen, als ze maar--door Styntje?--"bevestigd" waren, en de

voorzorg gebruikten hun vermaningen heel theologisch intedeelen in

drieën. Nu, dàt wilde Wouter doen. Ten-eerste: de spaarzaamheid is

Gods wil. Dit zou hy o.a. bewyzen uit eierschalen, appelschillen en

notendoppen die nooit grooter zyn dan precies noodig is om te bedekken

wat er in zit. Ten-tweede: de spaarzaamheid is de wil van God... och,

't lukte niet! Na veel vergeefsche pogingen om op-streek te raken,

leidde z'n gedachtengang hem eindelyk op de vreemdklinkende vraag:

--Kan u zingen, m'nheer?

Voor zoover 't me vergund is, borg te staan voor Wouter's bedoelingen,

kan ik verzekeren dat-i niet juist van plan was den goeden oudeheer

daar op de publieke straat 'n psalm of gezang optegeven, met het

verraderlyk oogmerk zich daardoor te doen stemmen op preekhoogte. Neen,

maar hy had weer: "m'nheer, hoor eens!" geroepen, en moest toch iets

antwoorden, toen Jansen hem vroeg wat-i te zeggen had?

--Zingen, jongeheer? Jawel. Het hoort om zoo te zeggen by m'n vak. Maar

heel mooi zing ik niet. Je moet pastoor Koens eens hooren, vooral

in den Kerstnacht... prachtig! Verleden was er 'n heer uit Parys

in de kerk, die bood hem... ik weet niet hoeveel geld, als-i zich

wou laten aannemen by 'n zingkomedie die ze daar hebben. Maar hy wou

niet, want hy wil by de kerk blyven, dat begryp ie. Maar anders... hy

zingt iemand het hart uit 't lyf. En preeken! Dat heb je nooit zoo

gehoord! Ik weet niet wat mooier is, z'n zingen of z'n preeken. Hy is

'n heilig man, dat kan ik je verzekeren, maar... meisjes zyn zwakke

vaten, en daarom zyn er vaders die liever hebben dat hun dochters by

my gaan. Kan pastoor Koens dat helpen? In 't geheel niet!

Als 'n bliksem vloog hier Styntjes mededeeling dat Femke niet van

"pastoor hiernaast" hield, door Wouter's gemoed. Lieve, beste, brave

Femke! Of prinses Erika van pastoor Koens houden zou, als ze hem kende!

--Hy zingt 'n kyrie... weet je wat 'n kyrie is? Want je bent niet van

de Kerk, niet waar? Gut, ik ben er niet boos om, want de een is zóó,

en de ander is zóó. Er zyn Turken ook. Maar weet je wat 'n kyrie is?

--Neen, m'nheer!

--Kyrie beteekent: "Heer" en eleison is zooveel als: "verlos ons!" Nu,

dat zingen wy in onze kerk, en Koens heeft 'n kyrie die expres voor

hem gemaakt is door 'n Duitscher, 'n eerste man in z'n vak. Hy is

orgelist te Weenen, geloof ik. En ze zeggen--nu, dàt zal je vreemd

vinden!--ze zeggen dat-i eens voor 't heele hof...

Jansen hield even op om Wouter's aandacht te spannen. Maar hiertoe

was meer noodig, want de gedachten van den jongen waren by de preek

over spaarzaamheid.

...voor 't heele hof, denk eens!

--Ja, m'nheer, zei Wouter, zonder nog te weten wat er te denken viel..

--Hy heeft voor 't heele hof gezeten op... wel, waarop denk je dat-i

gezeten heeft? Dàt moet je nu eens raden, jongeheer.

--Op 'n stoel, m'nheer.

--Ook, ook! En op 'n draaikruk ook... want hy had klavecimbel

gespeeld. Maar dat wou ik je nu eigenlyk niet zeggen, want het

gebeurt meer, niet waar? Neen, hy is zoo ver in de muziek, dat 'n

aartshertogin hem op haar schoot heeft genomen, en dáárop heeft-i

gezeten. Hoe vindje dàt?

Wouter vond het heerlyk, en nam zich voor, de eerste de beste

gelegenheid aantegrypen om zich te oefenen in muziek. De fondsen van

z'n belofte aan Styntje daalden vreeselyk. Wie toch kan aan preeken en

spaarzaamheid denken, als er zóóveel te verdienen valt met ut, re, mi,

fa, sol? Toch vond-i de zaak niet heel helder, en gaf te kennen dat

'n beetje nadere toelichting niet overbodig wezen zou.

--Op haar schoot, m'nheer?

--Ja.

--'n Aartshertogin?

--Ja, van Oostenryk.

--Maar, m'nheer, hoe is dat mogelyk?

--Kyk, ik dacht wel dat je 't vreemd vinden zou, want zoo'n

aartshertogin is 'n heele dame, en daarom vertel ik 't je. Ik heb er

wel al honderd menschen mee vermaakt, en niemand kon 't raden voor

ik 't zei. Maar gebeurd is het, vraag 't maar aan pastoor Koens,

en Styn weet het ook, want ze was er by...

--Aan 't hof, m'nheer?

--Neen, toen pastoor Koens 't vertelde.

De goede Jansen genoot naar hartelust van Wouter's verbazing, die

dan ook inderdaad groot was. Hy hield zich innig overtuigd dat noch

z'n moeder noch een van z'n zusters, noch zelfs Leentje, die toch

anders volstrekt niet hoovaardig was, zich zóó ver vergeten zou met

'n klavierspeler. Neen, nooit, nooit... al was er geen hof by dat er

kwaad van denken kon. In 'n achterkamer niet!

--Op haar schoot, vervolgde Jansen. En ik zal je nog meer zeggen...

Nòg meer, o hemel?

... hy heeft ook op den schoot van de Keizerin gezeten! Zou je dàt

geraden hebben?

--Neen, m'nheer!

De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 2 Uit de 'ideen' verzameld · 第 17 / 19 题