[1] = het kennen van de oorzaken der dingen.
[2] = mengsel.
[3] Idee 1149 besluit M. met de overweging, dat de massa noch goed
noch slecht is.
[4] = schennis van de menschelyke waardigheid.
[5] I. 1156 behelst een archaeologische beschouwing over het hossen.
[6] In I. 1163 weidt M. uit over de bron van smart en geluk.
[7] = zoo voor haar, niet voor my.
[8] In een noot by Idee 140 stelt M. het realisme, dat op
middeleeuwsche schilderyen een der omstanders afbeeldt met afgewend
gelaat, de neus tusschen duim en wysvinger, hooger, dan de verklaring
van den modernen schipperenden Renan, die Lazarus schyndood verklaart!
[9] = O, Meliboeus, een god heeft deze... idylle voor ons gemaakt.
[10] In I. 1180 weidt M. uit over Hollandsche tooneelkunstenaars en
Napoleon's tooneelbegaafdheid.
[11] In I. 1181 geeft M. een beschouwing over Rotgans' stuk als
navolging van navolging.
[12] Naar aanleiding eener uitweiding over de z.gen. onschuld der
meisjes Pieterse betoogt M. aan 't slot van I. 1184, dat alle studie
ascetisme vordert: een oratio pro domo!
[13] In 1191a betoogt M. dat orde en arbeid geneesmiddelen zyn voor
krankzinnigheid.
[14] Dit hoofdstuk wordt onderbroken door een beschouwing over de
"diepzinnige kwestie, of 'n auteur uitspraak en dialekt" zyner personen
moet weergeven, naar aanleiding van 't op een congres te Antwerpen
verhandelde, eindigend in een lofrede op Busken Huet. (I. 1194-1199.)
[15] In I. 1213 volgt hier een komische uitweiding over de
aristocratische voornamen der jonge Kopperliths.
[16] De verrukking van Prinses Erika ontlokt aan M. een uitweiding over
"echt-vaderlandsche" krantenschryvers en de burgervadery in Wouter's
tyd. (In I. 1223.)
[17] = de gevolgtrekking geldt: van zyn tot kunnen, d. w. z. omdat
het zoo is, moet het ook kunnen.
[18] Pienders = pinda's of apenootjes.
[19] M. besluit 't hoofdstuk met "'n bespiegeling over gebrek aan
israëlitische kontroverse"; hy constateert, dat de Joden niet meer
van Jehovah afvallen tot vreemde eerediensten, maar hy verwondert
er zich over, dat hun rabbi's en geleerden evenmin het Christendom
bestryden. Hy wyst op allerlei wetsovertredingen die de Joden geregeld
begaan, door 't erkennen van niet-Joodsche vorsten, 't omgaan met
onbesnedenen, het niet kwytschelden van alle schuld om de zeven jaar
enz. M. komt tot de conclusie, dat de Joden "even uitmuntend als de
Christenen 't kunstje van akkommodeeren verstaan." (I. 1224.)
[20] = kwade samensprekingen.
[21] I. 183.
[22] In I. 144 en 464.
[23] = afkeer van leegte.
[24] Nader licht M. dit toe met een beschouwing over de bestryding
van het geloof aan spoken en wonderen: "daar het kind geen stap in
de maatschappy doet zonder iets van dien god te vernemen," is het
"ouders en opvoeders onmogelyk deze spokery uit te roeien door
onthouding." (I. 1233.)
[25] Wouters tocht naar het "buiten" der Kopperliths leidt M. in met
een schoone verhandeling over buitenplaatsen; opmerkingen over hun
ontstaan, de geestelyke ontwikkeling hunner bewoners in de 17de en
18de eeuw, het verschil tusschen een werkelyke buitenplaats en een
optrek worden afgewisseld met de geestige anecdote van pastoor Alonzo
Ramirez. (I. 1236-1242.)
[26] De onaanzienlykheid van de Roomsche kerk in die achterbuurt
ontlokt M. een lange uitweiding over den toestand der katholieken
in ons land, over de halfheid van Thorbecke en de liberalen, die het
beginsel, dat godsdienst geen voorwerp van staatszorg mag zyn, niet
doorvoeren; over zedelyken schoonheidszin, verderfelyke goddienery
en natuurstudie met eenige Engelsche en Duitsche voorbeelden van
minderwaardig zielevoedsel voor kinderen. (I. 1254-1259.)
[27] Zie noot blz. 305.
[28] Dat wil zeggen: in het tuchthuis waar de veroordeelden Campêche-
of Fernambakhout raspten. (M.)
[29] In I. 1272 geeft M. een verhandeling over de machteloosheid van
wet, regeering en philantropie in den stryd tegen de onzedelykheid:
de theorie vermag hier niets tegen de praktyk. Het eenige middel
om den handel in ontucht te gronde te richten is ware beschaving,
d. i. "zy, die den lust inboezemt, en de bekwaamheid meedeelt, om
genot te vinden in arbeid."
[30] In het troubadourslied wordt verhaald van de edele Genoveva, die
door den verrader Golo van overspel beschuldigd, aan den dood ontkomt,
doordat twee dienaars haar met haar kind laten ontkomen. In het woud
leeft ze van wortels, haar kind wordt door een hinde gezoogd. Op de
iacht vindt haar gemaal haar: Golo's verraad komt uit en Genoveva
wordt in eere hersteld: maar ze blyft een ascetisch, vroom leven
leiden, ze voedt zich enkel met boomwortels, en denkt slechts aan
Jezus Christus. Als ze sterft treuren allen,--de hinde weigert op
haar graf alle voedsel en sterft er.
[31] = Jezus Christus.
[32] Om zyn naam als letterkundige eer aan te doen verklaart M. dit
te weten, niet door het meten van het touw, maar door het raadplegen
van andere bronnen: als Plinius en Plutarchus! Vervolgens geeft hy in
I. 1278 het in de opschriften van vorige hoofdstukken (zie blz. 265
en 288)aangekondigde "stuk 17de eeuwsche volksroem," voorafgegaan
door een afbrekende kritiek van Engelsche letterkundigen op Vondel
en Cats, n.l. een citaat vol buitenlandsche lof over de geregeld
varende Treck-schuyten, "dat bestemd was 'n helder licht te werpen
op den vermoedelyken afloop van Wouter's reis naar Haarlem."
[33] Dit laatste zinnetje voegde Mevr. de Wede. Hamminck-Schepel
aan dit opschrift toe naar aanleiding van uitlatingen van M. over
Wouters reis.
[34] Hier volgt een opmerking over de oud-testamentische dwaling,
die de goddelyke zegen afmeet naar 't kindertal.