--Nou! zei 'n tweede.
--Nou! herhaalde 't koor.
Wouter begreep er niets van. En dit was te dommer van hem, omdat hy de
gelaatstrekken zag, die dezen uitroep vergezelden. Kon hy 't helpen
dat-i nog altyd de hiërogliefen van gemeenheid niet grif lezen kon,
die al dat genou illustreerden? Erg genoeg dat-i weldra die taal zou
leeren verstaan. Vloek over de Kopperlith's!
Waarschynlyk keek hy onnoozel, want een van z'n leermeesters vroeg hem:
--Ben jy op 'n kantoor, jy?
--Ja... in... manufakturen, heusch! antwoordde Wouter.
--Weet je wat ik geloof? Ik geloof dat je nog maar 'n nuchter kalf
bent. Dàt geloof ik er van!
En deze overtuiging werd bezegeld met 'n kernachtige
heerenuitdrukking.
--Hy is zoo onnoozel als...
Als 't een-of-ander maar, dat niet onnoozeler behoeft te zyn dan wat
anders, wanneer 't slechts terdeeg gemeen klinkt. De bedoeling zal
geweest zyn dat-i byzonder onnoozel was.
--Zeg, weet jy nog niet eens waar de kindertjes vandaan
komen? Nou... dàt mankeert er maar aan!
Goddank, dit wist Wouter! En als hy 't niet geweten had, zou hy hier
in de gelegenheid geweest zyn het te vernemen, en wel op 'n manier sui
generis. Ook andere wysheid was hier optedoen, die wel strikt genomen
evenmin nieuw was voor den leerling, maar welke hem dan toch werd
meegedeeld in bewoordingen die hem onbekend waren. Uit verregaande
mannelykheid hield hy zich als sedert lang behoorlyk ingewyd. Hy gaf
zich moeite om zoo wys mogelyk te lachen, wat hem slecht afging en
heel leelyk stond.
't Was 'n liederlyk troepje. Ik heb op dit oogenblik geen lust
uitvoeriger te zyn.
Wat Wouter aangaat, hy werd by dat Postkantoor bedorven voor-zoo-ver
hy te bederven was. Dit blyft, met of zonder uitvoerige beschryving,
treurig genoeg.
Over zekere volksverhuizing die--by groote uitzondering,
voorzeker!--inderdaad heeft plaats gehad. Wouter, al lager en lager
zakkende, komt eindelyk te-land achter de "britschka van Papa."
Op zekeren dag was er 'n groote beweging op de Keizergracht by de
Vellestraat. De vensters der bovenverdiepingen aan den overkant prykten
met dienstmeisjes die dagdievend op den uitkyk stonden. Misschien
ook gluurden enkele stervelingen die zich verbeeldden oneindig
verhevener standpunt intenemen, door 'n kykgaatjen in de gordynen der
beneden-voorkamers. Voorbygangers die meer tyd hadden dan bezigheden
of voortvarendheid, bleven staan by 'n schouwspel...
Hier zou nu romanshalve de beschryving van dat schouwspel moeten
volgen. Helaas, lezer, wat zal 'n arme auteur doen? Er was, om
de waarheid te zeggen, eigenlyk niets byzonders te zien, en de
opmerkzaamheid van die dienstmeisjes, voorbygangers en... anderen,
was maar 'n blyk te meer van de bekende armoed aan indrukken, die
ik reeds in den tweeden bundel behandelde. Wilt ge die bladzyde eens
naslaan lezer? (Verz. Werken, IV:37, I. 451.)
"De Kopperlith's gaan naar buiten" verhaalden elkander de Grietjes
en Mietjes uit de buurt. En wie zich byzonder goed onderricht wilde
toonen, kwam 'n half-uurtje na 't ontvangen van die boodschap terug met
de vraag: "zeg eens, weetje wel dat de Kopperlith's naar-buiten gaan?"
Ik zou 'n onwaardig geschiedschryver wezen, als ik verzweeg dat zich
hier-en-daar 'n variant voordeed. Drie mevrouwen, negen "juffrouwen",
zeven-en-twintig kameniers--tevens linnen- en kindermeiden--verzekerden
niets, maar namen zich voor, by de eerste gelegenheid te onderzoeken of
't wel wezenlyk waar was dat de Kopperlith's naar-buiten zouden gaan?
Ja, zeg ik. Ja! Ja! Ja! De Kopperlith's zouden inderdaad
naar-buiten gaan. Er lag 'n zolderschuit voor de deur. Om nu den
niet-Amsterdamschen lezer, die evenmin weet wat 'n "zolderschuit"
is, als wat "voor de deur liggen" beteekent, te doen verlangen naar
'n herdruk met noten, geef ik hier de onheldere toelichting dat
'n zolderschuit zeker brak-watervaartuig is, zonder zolder, maar
met 'n vloer. "Voor de deur" beduidt hier zooveel als in de gracht
"waarop" het huis staat. Wie hiervan nu niet veel begrypt, geeft blyk
van zekere bekwaamheid, maar 'n Paryzenaar of andere buitenman moet
zich niet verbeelden dat men zoo op-eenmaal 't ware begrip hebben
kan van de eigenaardigheden eener stad als Amsterdam.
Een zolderschuit lag alzoo voor de deur, en de gedienstige geesten
van den huize waren druk in-den-weer met het aansleepen van den
inboedel. Oppervlakkig kan het bourgeois voorkomen, dat de begrooting
van de familie Kopperlith geen dubbel stel meubels dragen kon. Eilieve,
om dat verhuizen was 't juist te doen! De buren en voorbygangers
moesten de zolderschuit en de bereddering zien, die hier op de
Keizersgracht denzelfden ontzag-inboezemenden dienst deden, als de
beeremuts van Holsma's koetsier by de Pietersens. En dit moest nogeens
geschieden in 't laatst van Oktober, by het thuiskomen. Ook dan weer
zou de heele buurt zeggen: "weet je wel dat de Kopperlith's weer in
de stad zyn?" Er is niets wat zoozeer op de eigenaardige zotternyen
in zekeren stand gelykt, als de... zotternyen in 'n anderen stand. Wie
er een kent, kent ze allen.
Alle-man was te-hulp geroepen. Daar waren Flip de kruier met
z'n kameraden. Ook de koetsier met 'n paar geïmprovizeerde
noodhulpen. Gerrit's rhumatieke styvigheid bleek dien dag redelyk
lenig, misschien wel omdat "die Wullekes" niet in de zaak betrokken
was. Zelfs--o hemel!--werd er meegeholpen door de kamenier,
en--o, honderd hemels!--door de "juffrouw." Ieder ligtte, schoof,
reikte aan, zette te-recht, droeg, stutte, duwde, trok en riep:
"voorzichtig!" De intelligente lezer begrypt dat de "juffrouw" die
'n ontzettend quantum fatsoen had optehouden of... te veroveren,
zich slechts waagde tot aan de huisdeur, en... schuchtertjes maar! De
voorbygangers mochten eens ontdekken dat ze handen aan 't lyf had. En
de kamenier-linnenmeid... nu ja, ook deze waardigheidsbekleedster was
niet gehuurd op kruierswerk. Ieder moet z'n stand ontzien, en ze kwam
dus niet verder dan de derde stoeptree, wèl geteld.
Al die meubels moesten naar Groenenhuize. "Mama" zou volgen met
byzondere gelegenheid. Hoe 't gelukt is, haar uittepellen... neen,
deze uitdrukking deugt niet. Ik dacht aan limburger peteunekes, maar
die behoeven niet héélgehouden te worden, en dáárop kwam 't in dit
byzonder geval juist aan. Met 'n speld pluist men zulke alikruikjes
by stukjes en brokjes uit hun huisjes, en de weledelgeboren Vrouwe
Mevrouwe Kopperlith moest uit haar zy- en binnenkamer worden voor
den dag gehaald... integraal! Dit slechts weet ik, dat zy weinige
dagen later den bodem van Groenenhuize bezwaarde, en dat ook de
oudeheer z'n verveling daarheen overplantte met wortel en tak. De
jongeheeren vertrokken vrydags-avends of saterdags-ochtends uit de
stad, en kwamen meestal 's maandags terug. Gerrit en z'n egae Jans
werden, zooals sedert jaren de gewoonte was, tot huisbewaarders
bevorderd. De ware, echte, fatsoenlyke zomer was alzoo aangebroken
en de jongeheer Pompile kon z'n woord lossen aan de Pleiers en de
Hockers en de Kruckers... goddank!
Intusschen was Wouter's verveling op 't kantoor, op de zolders,
en in 't magazyn, niet gemakkelyk naar den eisch te beschryven. Het
pynlykste daarby was dat-i zich altyd moest aanstellen alsof hy wat
uitvoerde. Want m'nheer Wilkens beweerde dat er voor 'n jong-mensch
altyd iets te doen was: "leer dàt van my!"
Dit is waar, o m'nheer Wilkens! En ik zou byna durven verzekeren dat
er ook voor 'n oud mensch gewoonlyk iets te doen valt. Maar dit was
de vraag niet. De vraag was wàt men aan Wouter te doen gaf. Of er
voedsel voor den geest stak in dien arbeid? Heilzame vermoeienis voor
't lichaam? Geveegd hàd-i. Gekopieerd hàd-i. Stalen uitgezocht, geknipt
en opgeplakt, hàd-i. Hy kende de patroontjes van al die gekleurde
sitsen uit het hoofd, met de nummers van het stalen-kontraboek
er by... ja heusch, en zelfs in den droom! Dat slangetje met 'n
gebroken kruisjen en 'n wipjen of 'n brokkelig moesjen op 'n blauwig
marmer grondje, was... zesduizend zooveel, waarlyk! En zeventien
nummers lager stond hetzelfde patroon, maar de moesjes waren rond,
en 't wipje wipte wat minder. En die diemetten, en die fancy-checks
en die fancy-stripes... och, hy wist het aantal draden op elken
inch van schering en inslag! En wat er te rekenen viel, was niet
meer moeielyk: "zooveel pounds, shillings en pence, tegen twaalf en
drie." En al begreep hy dan den allereersten keer niet wat er bedoeld
werd met dit jargon van den koers, hy vatte de zaak toen men ze hem
eenmaal had gelieven uitteleggen. In z'n Strabbe kwamen moeielyker
"sommen" voor. Wezenlyke inspanning kon hy slechts plaatsen in z'n
stryd tegen verveling, zeker een der onwaardigste manieren waarop
'n jongmensch z'n ziel verkwisten kan. En 'n oud mensch ook. Voor
Wouter was hiervan het onmiddellyk gevolg dat de "gezelligheid" by
't postkantoor op al te willigen bodem viel.
Reeds jaren geleden [22] heb ik er op gewezen hoe het horror vacui [23]
der oude natuurkundigen zich ook in het zedelyke alom openbaart. Men
behoorde van deze eigenschap der dingen gebruik te maken in de
opvoeding. De ziel heeft 'n opzuigend vermogen. Men houde haar gezond
voedsel voor en ze zal versmaden wat vuil is omdat ze dan daarvoor
geen ruimte heeft. [24]
Men vulle het kind met kennis, men make hem gewoon aan begrypen
en weldra zal 't hem stuiten iets aantenemen dat, met z'n weten en
begrip in-stryd, zoowel 'n miskenning van z'n oordeel wezen zal, als
'n beleediging van z'n smaak.
Dit was by onzen Wouter ten-eenen-male verzuimd. Het weinigje kennis
dat men hem had meegedeeld, was op-verre-na niet voldoende om z'n
aandrift tot kennen, weten en begrypen te bevredigen. Zoolang hy kind
was, had z'n fantazie 't noodige verricht, en meer dan dat. De tyd was
nu gekomen dat-i zich vermoeid voelde van 't vruchteloos grypen naar 't
onmogelyke. Z'n begeerten gingen rond als brieschende leeuwen, zoekende
wat er te verslinden viel... och, alweer 'n beeld dat niet deugt! Er
werd niet gebriescht en niet rondgegaan. Hy knaagde ontevreden op
't weinige dat hem werd toegeworpen, en voelde zich ongelukkig, 't
Ergste was dat-i alleen zichzelf de schuld gaf van z'n toestand. Ieder
ander, meende hy, was beter, wyzer, bekwamer, gelukkiger, dan hy,
en in zekeren zin was dit de waarheid. We mogen vaststellen dat
noch de jongeheer Pompile, noch de kantoor-satraap Wilkens, geleden
hadden onder 'n wanverhouding tusschen hun gaven en de aanwezige
middelen tot uiting, zooals die welke by-voortduring het evenwicht
van Wouter's gemoed verstoorde. Elke afleiding werd hem welkom, en
van keus was geen spraak meer. Hy zoog op wat zich voordeed. Ware
hy in aanraking gekomen met drinkers... hy had gedronken. Met
dieven... hy had gestolen. Met godzalige jongelingen... hy ware aan
't preeken en katechizeeren gegaan. Zelfs zóó ver daalde hy af,
dat-i--opgeblazen nu van z'n recente postkantoorsche wysheid--berouw
voelde over de onnoozelheid waarmed-i juffrouw Laps zoo teleurgesteld
en geërgerd had. Berouw? Neen! Maar... schaamte toch. Hy trachtte
zich optedringen dat-i 'n volgenden keer... hm! Zou die volgende
keer ooit komen! 't Geval was vreemd geweest, zeer vreemd! Zoo-iets
gebeurt maar eens in de eeuw, meende Wouter, die zich al z'n vroeger
onbegrepen romanlektuur voor den geest bracht, en daaruit meende
te moeten opmaken dat nietigheidjes als waarvan hy er een... byna
ondervonden had, de spil zou zyn waarom zich 't leven draait. De lezer
weet misschien dat zulk misgrypen in schatting van belangrykheid nog
steeds by ouderen dan Wouter, zeer ten-nadeele der ware zedelykheid, 'n
zotte rol speelt. Ook hier kan Larochefoucauld's ceux qui s'appliquent
(trop?) aux petites choses, enz. van volle toepassing geacht worden.
Toch was Wouter er niet beter om dat-i berouw voelde over 't gebrek
aan ondeugd, waaraan hy meende zich te hebben schuldig gemaakt. En
dit voelde hy zeer goed. Hy dacht niet gaarne aan wat hem vroeger
liefelyk voorkwam, jazelfs dit durfde hy niet! Z'n herinneringen aan
de indrukken die Femke hem meedeelde, z'n eerzucht, z'n lust om met
'n beetje almacht het goede te bevorderen, z'n onverzadelyke begeerte
om de oorzaken der dingen te kennen... och, dit alles hinderde
hem. Even ontevreden als immer met z'n tegenwoordigen toestand,
had hy zoomin lust zich bezig te houden met het verledene, als met
'n toekomst waarover 't bestuur hem ontglipt was omdat schuldbesef
idealen bederft. Tot krachtig hopen is reinheid noodig, en wèl is 't
grof en dom van godenmakers, dat zy, om afdwaling te bedreigen met
straf, meenden behoefte te hebben aan 'n àndere hel dan 't verlies
van die reinheid meebrengt. Het ambt van paradys-uitjagende Cherub is
'n ware sinekuur.
Eens, op-straat--boodschappen doende voor den jongeheer Pompile,
natuurlyk--bepeinsde Wouter 't nieuwste nieuwtje van ontwikkeling,
dat dien morgen door een van z'n kameraadjes aan 't Postkantoor was
ten-beste gegeven, en zie... daarginds zag hy Femke aankomen. Hy
keerde zich om en sloeg 'n dwarsstraat in. Waarom toch? Tot 'n beetje
vermindering van z'n schande moet ik hierby zeggen dat-i den avend
van dien dag langen tyd wakker lag voor hy den slaap vatten kon,
en dat hy lust in schreien voelde. Maar hy kon evenmin schreien als
slapen. 't Was zeer pynlyk, en hy nam zich voor... ja, wàt?
Met schrik bedacht hy dat het tydstip waarop Holsma hem had
uitgenoodigd verslag te komen brengen van de pogingen om altyd z'n
naastbyliggenden plicht te doen, sedert lang verstreken was. Ook dien
goeden dokter zoud-i gemeden hebben, wanneer hy hem op de straat in
de verte had zien aankomen. En misschien zelfs pater Jansen... 'n
slecht teeken!
--Toch zou ik wel 'ns willen weten, dacht-i, waarom die goeie pastoor
zoo doof is aan z'n linkeroor?
Hierover peinzende viel-i ten-laatste in slaap.
't Was donderdag geweest en vrydag geworden, en Wouter werd, op
't kantoor komende, verrast met de uitnoodiging om den volgenden
dag zich te komen verlustigen op Groenenhuize. De jongeheer Pompile
verwaardigde zich in hoogsteigen persoon hem deelgenoot te maken van
deze genadige beschikking, niet zonder Wilkens 'n wenk te geven dat
de tien stuivers welke den betrokkene voor reiskosten moesten worden
uitbetaald, zeer gevoegelyk konden geboekt worden op: huishouden.
--Niet waar, Eugène? Zeg jyzelf nu eens of zulke uitgaven de zaken
aangaan wat je noemt de zaken?
--Hm!
--Juist! Niet waar? En wat zeg jy, Dieper?
--Wel zeker, jongeheer! Ik vind dat zulke uitgaven... want, weet u,
't zyn kleinigheden, niet waar?
--Precies! En daarom zeg ik altyd... maar, kyk, daar komt my iets nog
beters in den zin. Zeg, Eugène, weet je-n-ook of Calbb en Hersilie van
plan zyn morgen op Groenenhuize te komen? En of ze papa's britschka
gevraagd hebben... met huurpaarden, weetje? Want zieje, dan kon
Pieterse best meeryden. Weetje wat je doet, Pieterse? Je moet de
goedheid hebben even by m'nheer Calbb te gaan, en doe't kompliment van
my--van m'nheer Pompile, moet je zeggen--en vragen of m'nheer Calbb...
--Calbb is niet thuis, bromde Eugène.
--Zoo? Wel, Pieterse, dan moet je-n-eens zoo goed wezen naar m'nheer
Calbb z'n huis te gaan, en... je schelt huis, weetje? En je doet
het kompliment van my, van m'nheer Pompile, en je zegt--aan de meid,
weetje, die je opendoet--dat je morgen buiten mag komen--buiten, op
Groenenhuize, moet je maar zeggen--en dat ik vragen laat of mevrouw
Calbb en m'nheer Calbb en de jongeheer Bonifaz--want Ludwig-Bonifaz
heet het zoontje van m'n zuster, mevrouw Calbb-Kopperlith, weetje?--nu,
dan zeg je dat ik vragen laat of de familie van-plan is morgen met
papa's britschka--met de britschka van m'nheer Kopperlith, moet je
zeggen--met huurpaarden...
--Hm, bromde Eugène.
--Ja, juist... van huurpaarden hoef je niet te spreken. Dat weten ze
zelf wel... wat zeg jy, Eugène? Nu dan vraag je-n-of m'nheer Calbb
en mevrouw Calbb en de jongeheer Bonifaz naar buiten gaan? En hoe
laat? En... of ie mee mag ryden? Maar... asjeblieft, moet je zeggen,
niet waar, Eugène?
--Hm!
--Juist! Asjeblieft, zeg je, en je moet vooral het kompliment van
my doen. Zeg, Eugène, vind jy 't niet wat indiskreet van Calbb,
zoo altyd met de britschka van papa...
Vóór Wouter Eugène's meening over dit diepzinnig vraagstuk te weten
kwam, was-i reeds lang op weg naar den huize Calbb. Hy deed z'n
boodschap met de voorgeschreven asjebliefts en komplimenten, en kreeg
ten-antwoord dat mevrouw en m'nheer Calbb en de jongeheer Bonifaz
Calbb zoo tusschen negenen en twaalven de Haarlemmer Poort passeeren
zouden. "Als dus Pieterse mee wou, liet de edele Hersilia door de
meid aan Wouter op de vloermat boodschappen, had-i te zorgen op z'n
tyd dáár te zyn, en men zou hem 'n plaatsjen inruimen. Maar... lastig
was 't wel, want de jongeheer Bonifaz was er op gesteld zich te laten
vergezellen van z'n hobbelpaard, en dat nam veel plaats in."
Wouter had den moed niet, m'nheer Pompile voortestellen den weg naar
Haarlem te voet te maken, al zy 't dan dat de onsmakelyke wys waarop
hem passage zou verleend worden, hem zéér deed. En toen hy, te-huis
gekomen, bemerkte dat z'n moeder opgetogen was van de eer die in hem
de heele familie werd aangedaan, meende hy alweer dat-i zich vergist
had in 't beoordeelen van den indruk die mevrouw Calbb's plompheid
by hem te-weeg bracht.
--Gut, in 'n britschka! Dat 's zeker 'n koets, Trui, 'n
staatsiekoets, denk ik! En daarin zal Wouter ryden als 'n banjerheer,
den heelen weg over van hier af tot Haarlem toe, en dat zal de heele
wereld te zien krygen...
--Met 'n hobbelpaard, moeder!
--Nu ja, met 'n hobbelpaard, maar... wat zou dat? Denk je dat iemand
daarvan iets te weten komt? Wat zeg jy, Stoffel? En bovendien, wie
loopt er op den Haarlemmerweg? Geen mensch! Geen levende ziel! Geen
sterveling! Niemand zal 't merken dat je met 'n hobbelpaard in
die... koets zit. Weetje wat ik zou doen in jou plaats? Ik nam 't
tusschen m'n knieën...
--Gut, moeder!
--Wel zeker! En je legt 'n zakdoek op je schoot, dan kraait er
geen haan na. Je bent 'n ontevreden jongen. Kyk eens naar al de
arme kinderen die God danken zouden op hun bloote voeten... ja,
dat zouden ze, als ze ook zoo 'reis naar-buiten mochten gaan, naar
'n wezenlyk Buiten.
--Drie uur wachten aan de Haarlemmer-Poort!
--Wel, wat zou dat? Wou je dan dat zoo'n heer als m'nheer Calbb
zich haasten zou voor jou? En de mevrouw van die m'nheer? En de
jongeheer... hoe heet-i?
--Zoo'n jongeheer kan toch niet, om jou pleizier te doen... weet
je wat je bent, Wouter? Je bent 'n rechte izegrim. Als je vader
't beleefd had, die zoo zuur voor z'n brood...
Den volgenden morgen stond Wouter op z'n post. 't Was nog niet volkomen
middag, toen de familie Calbb zich vertoonde in de britschka van
papa. Er was in dat tentwagentje inderdaad geen plaats over, en Wouter
werd uitgenoodigd zich te behelpen met de ruimte die door 'n menigte
pakken en pakjes was opengelaten in 'n achterbakje. Heel grootsch
was-i niet toen hy bemerkte dat z'n inscheping de aandacht trok van
den accynsman aan de poort, en van 't half dozyn straatjongetjes dat
uit armoed aan pleizier gewoon was geraakt 'n heele gebeurtenis te
zien in 't stilhouden van 'n rytuig. Helaas, hy had graag zichzelf
tusschen de knieën genomen, en... 'n zakdoek er over! Hy haalde
adem toen de Haarlemmerweg bereikt was. Zoo volstrekt verlaten van
menschen, levende zielen en stervelingen, als juffrouw Pieterse
beweerd had, was deze weg nu wel niet, maar toch niet zéér veel
personen kregen gelegenheid optemerken hoe benepen onze Wouter daar
zat tusschen al die bagage. Dat was'n àndere tocht voorwaar, dan
de rit te-paard waarvan Vrouw Claus... gedroomd had! Hy sloot z'n
oogen, en trachtte in 't sukkelig schokken van den wagen, de kadans te
vinden van z'n eigen galoppeerend rooverslied: met m'n zwaard... hop,
hop, hop... enz. Mevrouw Hersilia Calbb-Kopperlith spaarde hem 't
voortzetten van z'n vruchtelooze pogingen, door 'n vermaning:
--Zeg, Pieterse... of hoe je heet, je zit toch niet op den zak met
soezen? En... hou toch die mand wat tegen! 't Ding schommelt zoo
tegen m'n hoededoos.
Wouter deed alweer wat hem gelast was. Mand, hoededoos en soezen
kwamen onbeschadigd op Groenenhuize aan. [25]
Wouter wordt begunstigd met het verlof om diepzinnige gesprekken
aantehooren, en voor pedant meespreken bewaard door 'n vereerende
zending naar de mangelkamer.
De uitspanning der bewoners van die landelyke optrekken was... zoo
onlandelyk mogelyk. Men ontving bezoek van ebenbürtige optrekmenschen,
maar liever van hooger geplaatsten. Men maakte rytoeren in den
omtrek, waarby de tentoonstelling van "eigen equipage" hoofddoel was,
en... verveelde zich. Een der minst betwistbare genoegens die men van
't Buiten-zyn trok, was de voldoening der ydelheid z'n "Buiten" door
vrienden en kennissen te laten bewonderen. Ieder hield er z'n Pleiers
en z'n Hockers en z'n Kruckers op na, jazelfs z'n "jongste-bedienden"
wier plicht voorschreef met open mond de heerlykheid van den gastheer
aantestaren, en zoo mogelyk te bersten van afgunst. In dit bejag
kwamen de optrekmenschen vry-wel met hun meerderen, de bezitters
van eigenlyke Buitenplaatsen overeen. En hierin hadden zy inderdaad
iets bovenmenschelyks, daar wy in de meeste katechismen--heidensche,
grieksche en christelyke--als 'n eigenaardigheid der goden vinden
aangeteekend dat ze zich zoo byzonder verheugen als 'n menschenkind
zich op hun grootheid stom, blind en gek staart.
Vandaag was de beurt aan onzen Wouter om op Groenenhuize de rol van
lamgeschitterd Serafyntje te spelen.
De oudeheer Kopperlith had de waarheid gezegd: z'n buiten lag vlak
by "de Logementen." Dit was gezellig, zeide hy, want men vond er
couranten, en menschen uit de stad. Eigenaardig is het, dat de meeste
ontvluchters van 't stadsgewoel hun landelyke eenzaamheid slechts
dan behoorlyk kunnen genieten, wanneer ze nogal heel erg vermengd is
met steedsche drukte. Wouter bemerkte dan ook zeer spoedig dat het
"buiten-zyn" geheel iets anders was dan-i zich had voorgesteld. Hoe
krom en verdraaid ook de idylliteit zich in verzen aan hem had
voorgedaan, hy vond geen spoor van de beelden die zy in z'n fantazie
hadden opgewekt. By 't rondzien uit z'n achterbakjen op 't rytuig,
bespeurde hy geen enkel plekje waar 'n verloren zoon 't kleinste
biggetje had kunnen deelgenoot maken van z'n berouw. Herderinnen
met bebloemde hoeden, korte rokjes en roodkleurige schoenen zag hy
nergens. Geen Damon bespeelde de dwarsfluit. Geen jeugdige landbewoners
dansten op den fluweeligen grasgrond. En ook die grasgrond-zelf, met of
zonder fluweel dan, ontbrak. Overstappende op andere hoofdstukken uit
de geschiedenis zyner verbeelding, wou ook de romantische wildernis,
zoo aantrekkelyk door 't verondersteld gemis aan conventie, zich maar
niet aan hem vertoonen. By 't omslaan van 'n hoek, had de fameuze
"britschka van papa" byna 'n half-blinden vioolspeler overreden... was
dàt de Damon dezer streken? De ryweg was van klinkers, voethoog met
aard en stof overdekt... was dàt de fluweelen dansvloer van de
landjeugd? Aan de boomen ontwaarde hy geen appel, geen peer, geen
noot, ja-zelfs geen kokos of broodvrucht... was dàt de mildheid der
gulle buitennatuur? En... en--komaan, hy moest zichzelf bekennen
dat-i teleurgesteld was--gedurende de reis had geen enkel aventuur
de eentonigheid van dien Haarlemmerweg opgevroolykt. Geen rad van
den wagen had willen breken, geen roover had zich vertoond... ja
toch, even, iets er van. Een bedelaar scheen aanslagen in den zin te
hebben, of althans men had zich 'n oogenblik kunnen opdringen dat-i
wat anders was dan 'n vreedzame landlooper, maar 'n nietig tikje
met de zweep was voldoende om ook deze illuzie den bodem inteslaan,
en Wouter zat weer alleen met z'n soezen en z'n hoededoos. Juist was
hy aan 't bepeinzen van de vraag waarom toch iemand die 'n "Buiten"
bezitten kon, dat niet liever in Afrika zocht, toen 't rytuig
het hek van Groenenhuize binnenreed, en voor de open voorgalery
stilstond. Pompile kwam met z'n gewone schichtigheid te voorschyn:
--Dag, Calbb! Dag, Hersilie! Heb je soezen meegebracht? Je weet
dat mama er niet buiten kan. Hoe laat ben je-n-afgereden? Stof op
den weg, hè? Ja, veel stof. Die weg is heel stoffig, weetje! Dat
komt van de droogte. Als 't regenen gaat, zal je zien dat 't minder
stoffig wordt. Zoo, Pieterse, ben je daar? Kom er maar uit... je mag
er uit komen... stap maar op 't wiel. Zyn dàt de soezen? Nu, houd
ze maar vast tot de meid komt, want... straks komt de meid, niet
waar, Hersilie? En heeft Bonifaz z'n hobbelpaard meegebracht? Zeg:
dag, oom! 't Kan in de mangelkamer staan, of in 't tuinhuis... want
mama heeft hoofdpyn, weetje, Hersilie, nogal-fameus-erge vreeselyke
hoofdpyn... en zenuwen, weetje? We hebben de Kruckers hier, en
van-middag komen de Hockers, en de juffrouwen Pleier komen morgen
op 'n maderaatje. "Met veel pleizier!" hebben ze laten zeggen,
want... papa heeft ze geinviteerd. En straks gaan we toeren,
weetje, met de Kruckers, maar mama blyft thuis--vreeselyke hoofdpyn,
weetje?--ze zal bataille spelen met de juffrouw. Ze is er mooi kwaad
om, de juffrouw meen ik. Dàt kan my niet schelen, en Eugène zegt...
Gedurende dit geratel was de wagen ontpakt, en Wouter werd van
z'n soezen ontlast door een van de meiden die hiertoe door den
beredderenden Pompile scheen gekommitteerd te zyn. Hy mocht nu de
familie volgen, die 't huis was ingetreden, en weldra aanlandde in
de achtergalery waar 't hoofdkwartier opgeslagen was. Daar vond men
de steeds nogal fameus-erg zieke oude mevrouw met haar schoondochter
Julie en de gezelschapsjuffrouw. Daar zaten de oudeheer Kopperlith en
z'n spruit Eugène. Daar zat de Krucker-familie. En daar ook namen de
nieuw-aangekomenen onder geleide van Pompile hun plaatsen in. Wouter,
die iets later dan de anderen, en vry verlegen, binnentrad, werd aan
de vrouw des huizes voorgesteld met 'n onachtzaamheid waarin niets
laakbaars zou gelegen hebben, indien ze gegrond ware geweest op z'n
onbeduidend standpunt als mensch. Doch hierin lag de verontschuldiging
voor Pompile's lompheid niet. Hy maakte zoo byzonder weinig omslag
omdat-i te doen had met 'n kantoorbediende, met 'n wezen van
lagere orde. Misschien zelfs bezondigde ik my aan hoogdravendheid
door van "voorstellen" te spreken. De waarheid is dat Wouter met
'n vingerbeweging werd aangewezen als "de jonge Pieterse" en toen
'n paar leden van de familie Krucker zich schenen gereed te maken tot
iets als 'n groet, werden ze voor deze gevaarlyke misvatting bewaard
door 'n snelle vermelding van Wouter's maatschappelyk standpuntje:
--Onze jongste-bediende, zei Pompile allervoornaamst, en op 'n toon
die zooveel zeggen wilde als: je hoeft je niet op kosten te laten
jagen van beleefdheid.
Terstond daarop mocht Wouter zitten gaan, en zelfs luisteren naar de
verheven gesprekken die de achtergalery van Groenenhuize zoo byzonder
weinig deden gelyken op 'n bureau d'esprit.
De réunions die eenmaal in Frankryk dezen naam droegen, lieten zeker
aan goeden smaak veel te wenschen over, en de hemel beware my dat ik de
mode zou wenschen ingevoerd te zien elkaar te bezoeken met 'n beraamd
plan om geestigheden uittekramen, of al ware 't zelfs geest. Misselyker
nog komt my 't uitstallen van--nagemaakte!--geleerdheid voor, zooals
die welke door Molière wordt gehekeld in z'n Femmes savantes en
Précieuses ridicules. Wy weten nu eenmaal dat al dergelyke afdwalingen
van smaak neerkomen op natuurverkrachting, en dus alleen als zoodanig
reeds te veroordeelen zyn. Toch vonden sommigen--en de overgroote
meerderheid!--middel om nòg lager aftedalen, en zich bezigtehouden met
gesprekken, welker gehalte wel evenzeer doorslaand blyk gaf van gemis
aan verstandelyken zin, doch bovendien bewees dat men zelfs den schyn
daarvan niet op prys stelde. Voor onzen Wouter sproot hieruit alweer
'n misrekening voort, zoo als die welke hem de ontheologische tint van
pater Jansen's gesprekken berokkend had. Hy had zich voorgesteld nu
eindelyk iets te vernemen uit de werkelyke wereld, en hy beloofde zich
goed toeteluisteren om den waren toon te vatten die de aanzienlyken
van de burgerlui onderscheidt. Helaas!
Nadat de zeer byzondere beminnelykheid van Bonifaz naar behooren door
de familie Krucker geprezen was, kwam het gesprek op 't meegebrachte
hobbelpaard, en de moeielykheid om dat dier te stallen.
--Hy wou 't absoluut mee hebben, mama, verzekerde Hersilie. En als
't kind z'n zin niet krygt...
--Ja, dan iest-i vol oenwillen, voegde de elsasser konsul er by. 't
Kind heeft kolossaal viel karakter.
--Maar... mama heeft zoo'n fameus-erge hoofdpyn. Je kunt het vragen
aan de juffrouw. Niet waar, juffrouw?
De juffrouw getuigde naar Pompile's zin, en de nogal fameus-erg
zieke mevrouw knikte met het hoofd. De kleine jongen werd
weggezonden, met verzoek z'n beestje niet anders te behobbelen dan
in de mangelkamer. Nu, dit deed hy, en 't huis dreunde er van. Het
gezelschap stelde zich schadeloos door 'n gesprek over weer en wind,
waaraan ook de dames konden deelnemen. Na weinig overgangen kwamen de
"zaken" op 't tapyt, en 't vrouwelyk deel der vergadering kon zich
als uitgesloten beschouwen. De oude, nogal heel fameus-erg zieke
mevrouw stelde zich schadeloos door 't onophoudelyk mummelen van
soezen... zoo byzonder dienstig tot het opwekken van eetlust, had de
dokter gezegd. Julie "werkte" aan haar hooggekleurden jachthond, dien
Wouter by deze gelegenheid met genoegen weerzag. De juffrouw knutselde
aan 'n festonwerkje, en bespiedde de luimpjes van mevrouw, niet
zonder nu-en-dan sentimenteele blikken te werpen op Eugène die de
ongevoeligheid-zelf bleef. De heer van den huize hield zich bezig met
voortdurende handhaving van 't glimlachje waarmede hy gewoon was z'n
existentie toe te juichen. Pompile draaide heen-en-weer op z'n stoel
en verkneuterde zich in de verrukking van z'n Kruckers. Elk zyner
blikken scheen te vragen: "welnu, is 't waar of niet, dat papa 'n
eigen Buiten heeft?" Om hem te bedanken, maakte een hunner de
opmerking "dat lynwaden zoo'n belangryk vak was."
--Een heel belangryk vak, m'nheer Kopperlith!
--Zeker, zeker! Maar "kurken" zyn ook niet te versmaden, kaatste de
oudeheer terug.
De scherpzinnige lezer begrypt dat de Krucker-familie "in" kurk en
kurken "was."
--Als ik het voor 't kiezen had, was ik liever "in" lynwaden, zei
een hunner zediglyk.
--Hm, ja, zoo. In lynwaden, ziet u...
--Daarin is altyd iets te doen.
--Zeker, zeker, altyd iets!
--En in kurken heeft men soms...
--Ja, dit is waar.
--Maar men kan niet zoo op-eens veranderen van vak.
--Neen, dit gaat niet. Men moet verstand van 'n vak hebben...
--Juist! En er by opgebracht zyn.
't Heele gezelschap zag met betamelyken eerbied al de Kruckers aan,
die verstand van kurken hadden, en er by waren opgebracht.
--Papa, vroeg op-eens de terrible Julie, is er véél verstand noodig
voor kurken?
--Julie! riep de oude mevrouw verwytend.
--Zeker, zeker, kind! Voor den handel is verstand noodig, véél
verstand!
--We doen op Spanje, ziet u, riep de familie Krucker.
Ah! zei Julie, alsof deze mededeeling de zaak ophelderde.
--Ja, op Spanje!
--U spreekt dan zeker spaansch?
Deze vraag gold voor 'n beminnelyke ondeugendheid. Allen begonnen zoo
hartelyk mogelyk te lachen, en de geëxamineerden 't minst luid niet,
misschien wel om 't antwoorden onnoodig te maken. Pompile was grootsch
op de verrukkelyke geestigheid van z'n vrouwtje.
--Ja, ja, de kurken komen uit Spanje, verzekerde de oudeheer. Wie in
kurk doet, heeft 'n kantoor op Spanje.
--De reizigers uit Barcelona loopen 't land af, zei de familie Krucker.
--Ja, papa, 't is 'n fameus vak, verzekerde Pompile, die de door hem
aangebrachte gasten wat wilde ophemelen.
--Och, er wordt zoo in geklad, jammerde een der Kruckers, vreeselyk,
m'nheer!
--De menschen kunnen 't kladden niet laten.
--Ze gaan in de kleinste dorpen, en bezoeken den geringsten winkelier,
m'nheer Kopperlith!
--Een nekslag voor den handel!
--Dat moesten ze niet doen. Wat zeg jy, Eugène?
--Hm, zei Eugène.
--Voor den groothandel blyft niets te verdienen, niets, volstrekt
niets! Wy, grossiers, visschen achter 't net.
--En hoe staat de wissel op Spanje?
--Och, we remitteeren gewoonlyk op Parys. Dat's makkelyker.
--Parys staat hoog, zei gister m'n boekhouder, niet waar Pompile?
--Ja, papa. Dieper zei dat Parys heel hoog staat.
--Papa, riep Julie, wat wil dat toch zeggen: Parys staat hoog?
Algemeen gelach om Julie's geestigheid. Pompile wreef zich de handen
van plezier.
--Wel, dit beduidt ...
--Wel zeker, 't beduidt dat ...
--Men bedoelt daarmee dat de wissel hoog staat.
--De fransche wissel, weetje?
--Ah! zei Julie, als voldaan.
--Daar heb je nu, byv. Engeland, lichtte Pompile toe, Engeland staat
twaalf en drie.
--Ah, zoo!
--Juist, zoo is het! Engeland staat twaalf en drie. En Frankryk ...
--Frankryk staat zeker wel ...
--Ja, ja, Frankryk staat heel hoog.
--Papa, waarom staat Frankryk zoo hoog?
Deze vraag van Julie bracht het gezelschap minder in verlegenheid,
dan welbeschouwd passend zou geweest zyn. Niemand wist 'n behoorlyk
antwoord te geven, en toch schaamde zich geen der aanwezigen over
z'n onkunde. Pompile die zeker niet vernuftiger was dan de rest,
stootte een der Kruckers tegen de knie, alsof hy zeggen wilde: "wel,
wat zeg je van m'n vrouwtje?" Julie meende uit het algemeen gegiechel
te mogen opmaken dat ze 'n vraag had gedaan, die de moeite van 't
herhalen waard was. Nogeens alzoo:
--Ja, heusch, papa, waarom staat Frankryk zoo hoog?
Wouter luisterde aandachtig. Ook hy had zich meermalen by het doen van
uitrekeningen voor 't faktuurboek, de vraag voorgelegd waaraan 't ryzen
en dalen van den wisselkoers was toeteschryven? Op 't kantoor durfde
hy geen inlichting vragen. Zeker zou men hem daar hebben afgewezen
met 'n bar: "dat zyn nu eigenlyk je zaken niet!" Zeer diep had hy
dan ook nog niet over 't vraagstuk nagedacht, maar z'n belangstelling
werd nu opgewekt door de onverwachte manier waarop 't hier ter-tafel
gebracht werd. Julie drong hoofdig op antwoord aan, geenszins omdat
ze drang voelde tot weten en begrypen, maar om zoo lang mogelyk te
genieten van het triumfje dat haar naïveteit bleek behaald te hebben.
--Die Julie! had de oude mevrouw geroepen.
--Ja, ja, mama, ik vraag waarom nu eigenlyk Frankryk zoo hoog staat?
--Wel, kind, zei de oudeheer, begryp je dàt niet? Dat is de wissel. De
wissel, weetje?
--Juist, riepen de Kruckers, 't is de wissel!
--Zieje, Julie, 't is de wissel, bevestigde Pompile. En zich tot z'n
gasten keerende: àlles, àlles wil ze weten! Zóó is ze! Ze is niet
tevreden voor ze alles weet!
--Maar, papa, wat wil dat dan zeggen: de wissel staat hoog?
--Wel, heel eenvoudig, de wissel op Frankryk.
--Juist, Julie! Zieje, 't is de wissel op Frankryk.
--Maar ... wat bedoelt men dan daarmee?
--Wel, dat de wissel duur is.
--Maar ... waarom is-i duur?
--Ja, dàt zyn nu zoo van die vragen, kind, die ...
--Ja, Julie, dat zyn vragen ...
En ook de familie Krucker betuigde eenstemmiglyk dat dit van die
vragen zyn ...
Er spookte een duiveltjen in Wouter's gemoed. Het niet-weten der
anderen prikkelde hem tot wat inspanning. Hy begon te meenen dat hy
misschien 't vraagstuk zou kunnen oplossen. Hy dacht na, en peinsde,
en wou iets zeggen, maar durfde niet. Zeker zoud-i geschrokken zyn
van z'n eigen stem in dit voornaam gezelschap. Bovendien, de oudeheer
nam de taak van uitlegger op zich.
--De wissel is duur, Julie, als-i in de prys-courant hoog genoteerd
staat.
--Juist, zei Pompile. Dat is de ... beursnoteering, zieje! Dieper
neemt ook altyd onze wissels op Engeland volgens de beursnoteering
van den dag. Niet waar, papa? Niet waar, Eugène?
Noch papa, noch Eugène spraken dit tegen. En al de Kruckers knikten
toestemmend.
--Ah, zoo, ja, jawel ... beursnoteering, antwoordde Julie die volkomen
bevredigd was.
--Het zyn ... zaken, moet je begrypen, gaf Pompile nog ten-beste tot
overmaat van helderheid.
--Daar heb je 't juist, riepen de Kruckers, 't ligt 'm in de zaken,
lieve mevrouwtje!
En tot verdere toelichting kwam het niet. Wouter, die al meer en meer
begon te gelooven dat-i wat degelykers over 't onderwerp zou kunnen
meedeelen, bleef zwygen. Behalve den schroom voor z'n eigen stem,
begon hy te vreezen dat er iets gevaarlyks lag in 't aanroeren van
Julie's prysvraag, iets indecents misschien als de geboorte van 'n
kind. Onwillekeurig dacht hy aan z'n kornuiten by 't postkantoor,
z'n vraagbaken sedert 'n maand of wat. Zy zouden 't weten, meende hy,
waarom de wetten die den wisselkoers beheerschen, niet mogen worden
aangeroerd in deftig gezelschap. O, prikkelend mysterie! Maar die
wetten zelf kwamen hem zóó eenvoudig voor dat-i moeite had z'n mond
te houden. Hy werd uit z'n spanning verlost door Pompile:
--Zeg, jy, Pieterse, weet je wat je doet? Je moet eens zoo goed wezen
naar de mangelkamer te gaan--niet waar, mama? Niet waar, Hersilie?--en
speel wat met den jongeheer Bonifaz, want hy hobbelt zoo fameus. 't
Is waar, zieje, Hersilie, omdat mama zoo'n fameus erge hoofdpyn heeft,
dát is het maar!
Het echtpaar Calbb keek onvergenoegd, en scheen 't beneden de
waardigheid van hun spruit te vinden zich ergens anders te vermaken
dan in den salon. Wouter verslikte z'n wysheid over de oorzaken van
den wisselkoers. Hy verliet het gezelschap, en vond de mangelkamer op
't geluid af. Hier vervulde hy z'n naastbyliggend plichtje, door den
jongeheer Bonifaz aftelokken van z'n hobbelpaard.
Merkwaardige genoegens van het Buitenleven. Treurig uiteinde van
'n romantischen droom over wisselkoers, en van 'n parasol. Wouter
gaat de wereld in om zeven gulden dertien te zoeken.
Ik moet erkennen dat onze Wouter niet zeer ingenomen was met den hem
in die mangelkamer aangewezen werkkring. Hy voelde zich verdrietig,
ja byna wrevelig. Hoewel dit niemand zal verwonderen, geloof ik
toch niet dat de ware oorzaak van deze in hem ongewone stemming den
oppervlakkigen beschouwer helder voor oogen ligt. In-verband met
sommige opmerkingen in het vorig hoofdstuk, zou men allicht geneigd
wezen z'n verdriet uitsluitend toeteschryven aan de teleurstelling
die 't "Buiten-zyn" hem berokkende. Zeker, de roeping om by 'n
ondeugend knaapje de rol van hobbelsurrogaat te vervullen, was
noch landelyk, noch idyllisch, noch romantisch, noch ridderlyk,
noch zielverheffend, en Wouter nam zich dan ook ernstig voor, andere
soorten van vermaak uittedenken zoodra hyzelf eenmaal in 't bezit wezen
zou van 'n Buitenplaats, of al was 't dan maar van 'n Optrek. Maar
teleurstellingen van dezen aard had hy sedert eenigen tyd zoo véél
ondervonden, dat hy daaraan reeds eenigszins was gewoon geraakt. De
bloemen zyner fantazie waren verlept en geurloos geworden. Tot-nog-toe
leverde hem elke aanraking waarin hy gekomen was met wat hy voor "de
wereld" houden moest, zoo geheel iets anders dan hy zich daarvan had
voorgesteld, dat-i moedeloos de oogen afwendde van de droombeelden
die vroeger z'n inwendig leven schoon, en daardoor 't andere dragelyk
maakten. De oorzaak dezer ontrouw aan zichzelf, lag evenwel minder aan
't verschil tusschen werkelykheid en illuzie, dan aan z'n geknakte
vatbaarheid om dat werkelyke te kleuren en optesieren, of des-noods
te vervormen.
Wist hy, eenige jaren geleden nog, niet kleur en leven meetedeelen
aan 't geringste dat z'n dor leventje hem aanbood? Had hy niet op
'n benauwd achterkamertje de kracht gehad, zich 'n ganschse wereld
vol heerlykheid in 't aanzyn te tooveren tot eigen gebruik? Waarom
kon hy dit nu niet meer?
Z'n onzalige kennismaking met 'n dozyn kwajongens was hiervan
de oorzaak. De reinheid zyner ziel was besmet geworden, en dit,
benevelde z'n dichterblik. De voelhorens van z'n zedelykheid verloren
't vermogen om hem te waarschuwen tegen vuil, om hem den weg te wyzen
naar 't verhevene. Z'n vleugelslag was verlamd, en zelfs meende hy van
't zweven àlles--tot zelfs den lust daartoe--verloren te hebben. Maar
al had-i zich by nauwkeuriger zelfonderzoek kunnen opdringen--wat hy
zeker beproeven zou--dat slechts aanhoudende teleurstelling de oorzaak
was van z'n moedeloosheid, ik beweer dat hy den moed zou bewaard hebben
indien hy zich z'n reinheid niet had laten ontrooven. Geen voorwerp
kan helder terugkaatsen uit 'n verweerden spiegel, en 'n bedorven
menschenziel is tot dichterlyke levensopvatting niet in-staat. Het is
me zeer wel bekend--en dit moet wel, want dagelyks zie ik daarvan de
bewyzen--dat deze waarheid door velen wordt geloochend, of althans
voorbygezien. Zy is te eenvoudig, denk ik. De zoodanigen behooren,
op-straffe van inkonsekwentie, de juistheid in twyfel te trekken van de
zoo-even gebruikte vergelyking met 'n spiegel, en tevens de stelling
aantekleven dat er zuiver water kan worden geschept uit bevuilde
bron. My komen de bronnen-zelf waaruit zulke stellingen vloeien,
niet zeer zuiver voor.
Wouter dan had sedert eenigen tyd het poëtizeeren verleerd. Hy durfde
't niet, omdat hy reden had zich te schamen voor 't liefelyke. Wel
hygde hy soms naar 't verlorene terug, wel betrapte hy zich telkens op
bittere droefgeestigheid, maar er scheen 'n stoot van-buiten-af noodig
te zyn om met de vereischte kracht z'n gewaarwordingen terugteleiden
in 't oude spoor. Deze stoot zou dan ook gegeven worden--wie anders
dan Femke kon het doen, of iemand die zeer op haar geleek?--maar zoo
ver zyn we nog niet.
Men zou zich vergissen indien men den nadeeligen invloed dien 't
gezelschap van onrype deugnietjes op Wouter uitoefende, vereenzelvigde
met het zoogenaamd wys-maken. Dit op-zichzelf houd ik niet alleen
voor onschadelyk, maar zelfs voor gewenscht. Juist in Wouter's
bespottelyke ònwysheid had de grond gelegen zyner voorbeschiktheid
tot prettig-vinden van liederlyke handlichting. Ware hy opgevoed
geweest door ontwikkelde ouders, die hem met wetenschappelyken
ernst hadden meegedeeld wat er ten-dezen-opzichte meetedeelen valt,
waarlyk hy zou geen smaak hebben gevonden in de geestigheden van
àllerlaagste orde, waarmee men nu z'n zucht tot weten had geprikkeld en
bedrogen. Niet kennis maakt onrein, maar 't aanhooren van vuile praat
over kennis... Schande over ouders en opvoeders die hun jongeren
overlaten aan 't gevaar de liefelykste geschenken der Natuur te
ontvangen op 'n wys die ze tot 'n pest maakt!
Doch ik zeide reeds dat Wouter's verdriet over de zonderlinge wyze
waarop men hem liet deelnemen aan de genoegens van 't Buitenleven,
ditmaal 'n andere oorzaak had--of 'n andere onmiddellyke aanleiding
ten-minste--dan de reeds eenigszins versleten ergernis over z'n gewone
teleurstellingen. Gedurende de gesprekken die hy zoo-even bywoonde,
was voor 't eerst de gedachte in hem opgekomen dat-i was aangeland in
'n kring van zeer onontwikkelde menschen. Nog kort geleden zoud-i by
de lage vlucht der gewisselde denkbeelden, zichzelf de schuld gegeven
en gemeend hebben dat-i niet op de hoogte stond om het gewicht der
behandelde zaken te vatten. Maar dat gesprek over den wisselkoers had
hem wakker gemaakt. Ook hy had zich tot-nog-toe geen reden gegeven
van dien eb en vloed in den prys der remises naar 't Buitenland,
en eerst door Julie's klakkeloos vragen werd hy zich z'n onkunde
bewust. Onwillekeurig verweet hy zichzelf dat-i deze vraag niet
reeds sedert lang gedaan had, en nu ze eindelyk werd geopperd door 'n
ander, was-i nieuwsgierig naar 't antwoord. Het hakkelen en stamelen
der voorlichters bevreemdde hem. Op-eens bracht hy hun blykbare
onwetendheid in verband met de meer dan onachtzame wyze waarop hy in
dien kring ontvangen was, en tevens met z'n laag standpuntjen over
't geheel. "Hoe, dacht hy, die volwassen menschen, die aanzienlyke
menschen weten geen reden te geven van 'n verschynsel dat zich dagelyks
aan hun waarneming opdringt? En juist die menschen zyn het, aan wie
ik 'n voorbeeld nemen moet om iets te worden in de wereld? En het is
door hèn dat ik behandeld wordt met 'n minachting die ... die ...
Kortom, hy was wrevelig, en voelde aandrang tot ... wraak wel niet,
maar tot iets toch als genoegdoening. Hy peinsde op middelen om aan
den oudeheer, en aan m'nheer Pompile en aan al die Kruckers 'n bewys
te leveren dat men verkeerd had gedaan hem naar de mangelkamer te
verwyzen. Het spreekt vanzelf dat Julie's vraag reeds lang vergeten
was in de achtergalery, waar 't onderhoud nog altyd op de bekende
belangwekkende manier z'n gang ging, maar onze Wouter verdiepte zich,
al spelend met den kleinen Bonifaz, in 't opgegeven raadsel. De zaak
begon hem voortekomen als 'n uitdaging. waarop hy ridderlyk verplicht
was in 't kryt te verschynen, teneinde aan de verheven dame die het
tournooi had uitgeschreven ...
Wel zeker, er was 'n hooggeboren dame in 't spel, en 'n tournooi
ook! Ik deed verkeerd zoo lang te wachten met het wyzen op deze
byzonderheid, de geringste niet onder de oorzaken die Wouter
noopten tot opscherping van z'n denkvermogen. Ach, hy had z'n roman
gereed voor ze nog terdeeg was opgezet! Die Julie ... o goden,
was zy 't niet die zich eenmaal verwaardigde hem te behandelen als
'n persoon, door hem z'n gevoelen te vragen over haar liggenden
jachthond? Een jong ridder die zùlke onderscheiding vergeten zou
... neen, ondankbaar was Wouter niet! Nu zoud-i haar toonen dat z'n
gemoed in-staat was weerklank te geven op zoo'n verheven blyk van
vertrouwen, en dat ze niet te-vergeefs haar sluier had neergeworpen
in 't strydperk. Want ... aldus begon zich de zaak te kleuren. Met
lans en zwaard strydt men niet meer--helaas!--maar de Dame die
in onze dagen riddereer op de proef stellen wil, doet 'n beroep
op de kracht van den geest. Met gemaakte achteloosheid laat zy 'n
onopgelost vraagstuk heenglyden over den rand der tribune, en daar
beneden wachten leeuwen en tygers... neen, deze soort van kampioenen
behooren tot 'n vroeger tydperk, óók niet onbehagelyk voorzeker,
maar we hebben nu zeer uitdrukkelyk met ridders te doen. Verbaasd,
verschrikt, ontzet, verlamd, staren zy 't waagstuk aan, dat er van
hen gevorderd wordt. "Aanstaren" is 't juiste woord niet, want ze
wenden de oogen af, en wiegelen, en trekken zich terug, en beroepen
zich op de onmogelykheid om 't pand ongeschonden terugtebrengen, en
als huldeblyk neerteleggen aan de voeten der uitdaagster. Alles heeft
z'n grenzen, wreede Dame, tot riddermoed toe! Keizers, Koningen en
Prinsen, zoo-even nog vast in 't zaal, en tegen elkander zoo dapper
de lans vellende... uitwegen zoeken ze nu om zich te onttrekken aan
't schrikbarend wapenfeit dat zoo roekeloos werd gevorderd van hun
geest. Sire Kopperlith-zelf had er z'n glimlach by ingeschoten, en
ridder Pompile z'n zelfgenoegzaamheid. De schrik was Don Eugène om
't hart geslagen, en hy stond op 't punt--akelig!--méér te zeggen
dan z'n enkele sylbe! Was niet zelfs de krygshaftige clan der
Kruckers--van-ouds toch zoo vermaard om z'n onvergelykelyke prouessen
in kurk!--genoodzaakt geworden z'n veldgeschrei 'n oktaaf lager te
stemmen, en zich te bepalen tot 'n deemoedig: "ja, ziet u, dat zyn
zoo van die zaken... m'n lieve mevrouwtje?" En heette dit niet in
Wouter's overzetting allerduidelykst: "Schoone dame, als je op òns
rekent tot het terugerlangen van je pand, kan je er staat op maken
ongesluierd naar huis te gaan!"
"Dat nooit!" riep ridder Wouter. En hy gordde zich aan tot begrypen.
Het vraagstuk waarmee ons heldje zich bezighield, hoe eenvoudig ook
inderdaad--zooals de meeste vraagstukken--is werkelyk 'n struikelblok
voor veel geldmannen en zoogenaamde ekonomisten. Wie meenen mocht
dat ik de geestelyke gelaatstrekken der Kopperliths en Kruckers te
afzichtelyk schilder, neme eens de proef by "mannen van 't vak." En
men behoeft zich niet te bepalen by de vraag die de onnoozele Julie
ter-tafel had gebracht in die achtergalery, noch ook by 't "vak"
waartoe kwestien van dezen aard schynen te behooren. Overal zal den
oplettenden waarnemer blyken dat het begrypen van eenvoudige waarheden
tot de zeldzaamheden behoort, en zelfs dat het niet-berusten van
sommigen, hun door vakmenschen wordt aangerekend als onpraktische
buitensporigheid.
Nu, Wouter wàs buitensporig. De hemzelf onbewuste vertaling van 't
nogal triviale gegeven in 'n heldenfeit, wond hem op. Werktuigelyk
spelend met den kleinen Bonifaz, trachtte hy in de kern van
't vraagstuk doortedringen, en de eigenaardige richting van z'n
geest--geheel-en-al uitvloeisel van 'n karakter dat slechts vrede had
met eenvoudige waarheid--leidde hem aldra tot de primitiviteit van
opvatting, waaraan alle vraagstukken--ook de moralistische--behooren
getoetst te worden. De steentjes die hy den kleinen jongen toewierp,
en door dezen naar hem werden teruggerold, stelden in z'n verbeelding
al zeer spoedig de koopmanschappen voor, die uit onderscheiden landen
in de naburige streken worden ingevoerd. Behoefte aan betalingsmiddelen
groeide aan naarmate men meer goederen ontving. Zoolang men nu hierin
kon voorzien door het terugzenden van andere waren... zeker, zoo is
het, meende hy. En hy redeneerde: "we zenden... kaas en boter naar
Engeland. Dit moet betaald worden. Zoo 'n koopman ginds, moet iemand
zoeken die van òns geld te-goed heeft voor... wittegrondjes-driekleur
of diemet--'n moeielyk vak, zegt m'nheer Wilkens!--en dan betalen
wy eigenlyk die diemetten met kaas. Maar als we nu te weinig kaas
hebben gezonden om al de lynwaden die wy ontvingen, te betalen, dan
valt het moeielyk in Holland iemand te vinden die geld te goed heeft
van 'n Engelschman. En deze moeielykheid moet overwonnen worden door
hooger bod op den wissel, want het spreekt vanzelf dat het recht om
te trekken in waarde ryst, naarmate het minder voorhanden en meer
noodig is. Wie dus 'n wissel afgeven kan, vraag er méér voor dan...
Aldus peinzend had-i allengs de steentjes die dienen moesten
tot vermaak van den kleinen jongen, verdeeld in soorten die
allerlei koopwaar voorstelden. De vloer van de mangelkamer werd
in landen en provincien afgedeeld. Dáár lag Engeland met z'n
wittegrondjes-driekleur, dáár Frankryk dat wyn leverde, dáár Nederland
met z'n stereotiepe kaas en boter... jazelfs Spanje kreeg 'n plaatsje
met z'n kurk. En hy schoof de produkten heen-en-weer, en schiep
'n handelsbeweging, en vergat daarby zelfs de crisis niet. Bonifaz
had er 't recht begrip niet van, en schopte wel-eens 'n stock of
entrepôt uit elkaar op 'n manier die gevoegelyk kon doorgaan voor 'n
revolutie, die dan door Wouter zoo goed mogelyk by z'n overleggingen
werd in rekening gebracht. Weldra was-i dan ook met de oplossing van 't
fameuze probleem gereed, en hy verlangde naar 't oogenblik dat-i onder
de oogen zyner dame... du jour, z'n tegenstanders uit het zadel ligten
zou. Laat zien wat er verder gebeuren moest. Keizer Kopperlith stond
hem de helft van z'n ryk af, met de hand zyner schoondochter Julie,
die den hemel danken zou dat ze verlost was uit de onwaardige ketenen
van den pseudo-ridder Pompile. Zeer wel, maar hoe triumfeerend ook,
Wouter schonk hem 't leven. Ook Eugène mocht blyven bestaan, en al de
Kruckers, mits ze driemaal 't schoeisel kusten van Wouter's dame. Eén
onzekerheid nog slechts hield den ridder die straks al z'n vyanden
uit het veld zou slaan, in eenige spanning. Zoud-i z'n wapenfeit
uitvoeren in eenvoudig proza of... nu ja, in verzen kwam hem de
nederlaag des vyands verpletterender voor. En verplettering hadden
ze verdiend! Was 't onheusch of niet van al die verwaten ridders,
zoo prat op hun lynwaden en kurken, de romantische mogelykheid
voorby te zien dat de jonge schildknaap zonder geslachtswapen of
uithangbord, misschien de inkognite spruit wezen kon van edelen
stam? Had men niet wat eerbied moeten voelen voor z'n prikkelende
onbekendheid? "Onze jongste bediende, onze jongste bediende!" had
wapenkoning Pompile geroepen... welnu, waarom bezat alleen de edele
Julia--god zegene haar!--roman-takt genoeg, en lektuur-bedrevenheid
en tournooi-instinkt, om onder 't palletootje van den kantoorklerk
'n kampvechter te vermoeden van den eersten rang? Waren ze dan doof
en blind en idioot, al die anderen? Te-wapen, te-wapen! riep alles
Wouter toe. "Jongste-bediende... hm! Ik zàl ze bedienen, jong of oud
dan, maar bedienen zàl ik ze! En aan de wereld en m'n Dame wil ik
toonen... sakkerloot!"
Hier kwam een der meiden berichten dat de jongeheer Bonifaz aan-tafel
werd geroepen, en "Pieterse mocht zoo goed zyn, meetekomen." Wouter
stapte met opgeheven hoofd en saamgeknepen vuisten de kamer in,
waar 't gezelschap dineeren zou. By 't binnentreden kon-i zich niet
weerhouden, Julie een blik toetewerpen die zooveel zeggen wilde als:
"wees gerust, dame van m'n hart, ik heb uw noodkreet verstaan en zal
den goeden stryd stryden. De hoofdzaak ligt in de verhouding tusschen
wittegrondjes-driekleur en hollandsche kaas... wees gerust: uw ridder
is hier!"
Dat Julie hiervan niets begreep, zou te veel beweerd zyn. Ze zag
den heelen Wouter niet, en kon zich dus onmogelyk schuldig maken
aan wanbegrip omtrent z'n bedoelingen. Hy gloeide als 'n kool
en brandde van strydlust, maar... hoe z'n wysheid aan-den-man te
brengen? Eigenlyk was 't Julie's plicht geweest hem op den weg te
helpen. Maar ze hield zich of de heele zaak haar glad ontgaan was! Zoo
zyn die edelvrouwen! Eerst lokken zy 'n ridder op allergevaarlykst
terrein... ze winden hem op tot ylhoofdigen lust om tegronde te gaan
in haar dienst, en dan... wel, ze laten hem over aan zichzelf! Lieve
hemel, domme Julie, begryp je dan niet dat Wouter daar zit te wachten
op 'n blik? Och, och, och... als-i maar door 't eerste woord heen was!
Dat eerste woord liet zich niet gemakkelyk aanhechten. Wouter bespiedde
elke uiting, elken klank, maar... helaas! Wel begon-i 'n paar keer:
"de wisselkoers, m'nheer... maar de woorden stikten hem in de
keel. Het spreekt vanzelf dat de spyzen uitstekend waren, maar wat
baatte dit hèm? De ligtzinnige Julie stelde zich aan alsof ze nooit
'n ridder op post had gezet. Ze lachte, ze keuvelde, ze ginnegapte, ze
vermaakte het gezelschap met haar naïveteit--of met de onnoozelheid die
daarvoor doorging--en sloeg geen acht op haar aanstaanden bevryder uit
de klauwen van 'n al te laag geboren echtgenoot. Wouter preekte zich
voor, dat ze zyn standvastigheid op de proef wilde stellen. Zoo-iets
was meer geschied, meende hy.
De tafelgesprekken waren van de bekende gewichtige soort. De oudeheer
begon weldra luidruchtig te worden en den toon aanteslaan, dien Wouter
had leeren kennen by z'n namiddagbezoeken op 't kantoor. Zelfs tot
hèm richtte de oude babbelaar 't woord, natuurlyk tot groote ergernis
van Pompile, die telkens beproefde den vloed van papa's spraakzaamheid
te doen afloopen in voornamer bedding.
--En jy, mannetje, zeg jy nu eens hoe 't je buiten bevalt? Want,
jongen, je bent nu... buiten! Verbeeld je, mynheer Krucker, hy
meende dat-i buiten was op den singel by de Aschpoort! Hi, hi, hi,
dàt meende-n-i!
De Kruckers vonden dit byzonder dwaas.
--En zeg nu nogeens hoeveel je wel dacht dat de jongeheer Flodoard
te Rome verteerde in 'n heel jaar! Neen, stil, Pompile, laat 'm
begaan! Luister, m'nheer Krucker! In 'n heel jaar, weetje! M'n zoon
Flodoard te Rome!
--Maar, papa...
--Stil, Pompile! Wel, mannetje, spreek op! Laat m'nheer Krucker dàt
eens hooren.
Wouter zweette. Hy zocht Julie's oogen te ontmoeten, maar 't lukte
niet. In-godsnaam! Mèt of zonder aanmoediging zyner dame dan, vóór
z'n dame:
--De wisselkoers, m'nheer...
--Néééééén, dàt is nu de vraag niet! M'nheer Krucker wou zoo graag
weten hoeveel je dacht dat m'n zoon Flodoard... te Rome...
Pompile viel z'n vader in de rede, en had het geluk hem ditmaal van z'n
belangryken topic aftebrengen. Ook een der Kruckers hielp 'n handje,
door met roerende belangstelling naar tyding van Leon te vragen.
--Hy maakt het uitstekend, zei de oudeheer, uitstekend! Zou je
wel gelooven, m'nheer Krucker, dat-i al 'n titel heeft van... o,
zoo'n langen titel! En... hy is weledelgestreng, wat zeg je
daarvan? Wel...e...del...ge...streng, m'nheer Krucker! Is 't niet
waar, Pompile?
--O ja, papa!
--En hy schryft fameus-mooie brieven! Pompile, je moet m'nheer Krucker
eens zoo'n brief van Leon laten zien.
--Zeker, papa!
--En, uw zoon de zeeofficier, m'nheer Kopperlith?
--Die was volgens de laatste berichten te... te... hoe heet het ook
weer, Pompile?
--Te Amboina, papa.
--Juist! En, m'nheer Krucker, weetje wat-i daar gedaan heeft? Hy heeft
er gedanst met de dochter van den Gouverneur. Van... den... gouverneur!
De arme Kruckers kwamen verbazing te-kort. Wouter voelde dat ze hier
'n bewerking ondergingen, van de soort die men op hèm had toegepast,
toen-i flauw moest vallen van bewondering over de vorstelyke uitgaven
van Signore Flodoardo. En deze opmerking bracht hem 'n stapje verder
in menschkunde, of liever ze deelde hem den moed mee om te erkennen
wat-i begreep. Zoolang hyzelf maar patient was, belette hem z'n
verlegenheid om 't kinderachtige van die hoogheidsjacht behoorlyk te
vatten. Maar nu hy op 't gelaat der gasten iets meende te ontdekken
dat naar spot geleek, viel hem 't doordenken iets gemakkelyker. Ook
zonder terugzicht op de schipbreuk die 't geheele gezelschap geleden
had in de opheldering van de koerskwestie, begon hy de mogelykheid
intezien, dat die heele familie Kopperlith met haar buiten en eigen
rytuig en verdere voornaamhedens, wel eens veel lager konden staan
dan ze voorgaven en dan door anderen scheen geloofd te worden. Hy
kon de vergelyking met den onderhoudenden, gezonden toon die er by de
Holsma's heerschte, niet terugdringen, en ze viel zeer tennadeele van
z'n "heeren patroons" uit. Ook maatschappelyk bleken zy eigenlyk geen
recht te hebben op de vergoding die hun door nòg lager geplaatsten
werd toegebracht, want al ware het dat rykdom grond gaf tot zoo groote
vereering, eilieve hoe plat burgerlyk was de inrichting van het huis,
hoe prozaïsch die mangelkamer, hoe bekrompen dat achterbakje van de
britschka, hoe kleingeestig die bekommering over 'n hoedendoos en
'n mand met soezen, hoe kinderachtig dat onophoudelyk streven naar
verheffing op... niemendal! De jongeheer Rodomont had gedanst met
de dochter van 'n gouverneur... gouverneur van wàt, eigenlyk? Lieve
hemel, de Holsma's hadden prinsessen in hun familie, en waren er niet
grootsch op. Hengelden zy naar bewondering van hun hoogheid? Erkenden
ze niet zelfs, zonder noodzaak en zonder schaamte, dat de eenvoudige
Femke na aan hen verwant was... zy, 'n waschmeisje!
Maar hier brak Wouter z'n gedachtenloop af. Dit geschiedde telkens
zoodra haar beeld zich aan hem vertoonde. Elke herinnering uit den
heldentyd van z'n ziel maakte hem den indruk van snerpend verwyt. Het
liefelyke deed hem zéér, en hy voelde slechts kracht tot eigenaardige
zwakheid die den naam draagt van wrevel: die Kopperlith's! Het duurde
dan ook niet lang voor zich deze stemming duidelyker op z'n gelaat
vertoonde dan in deftig gezelschap geoorloofd is. Hy kneep de lippen op
elkander, en zag een der Kruckers--die 't niet helpen kon!--uitdagend
aan. Maar men gunde hem de eer niet, naar de reden van z'n zuurkyken
te vragen. Waarschynlyk zelfs had niemand daarop acht geslagen,
en juist deze verwaarloozing stemde hem bitterder dan ooit. Hy was
woedend en had lust in... vechten. Met wien? Met allen tegelyk, als
't wezen kon. Met Bonifaz en den oudeheer, met Pompile, de Kruckers,
Eugène, de "juffrouw" en Hersilie. Met al wat 'n eigen Buiten had,
en wat er geen had. Met de heele wereld, ziedaar!
Hoe onrechtvaardig ook deze stemming was, het zal den weldenkenden
beschouwer van z'n zielegeschiedenis aangenaam wezen te ontwaren
dat-i nog iets anders was dan kinderlyk en goedig alleen. Het werd
waarlyk tyd.
Na 't eten werden de Kruckers onthaald op den traditioneelen toer. En
ook Wouter mocht meeryden... in 't achterbakjen alweer, waar men hem
't aanminnig Bonifaasje te bewaren gaf. 't Kind mocht er durchaus niet
uitvallen, zei de elsasser konsul. Julie snapte in één adem door,
en Wouter begon te vinden dat ze de proef wat ver dreef. Wel bleef
het 'n zekerheid dat zy de eenige van 't gezelschap was, die blyk
had gegeven van den lust iets te willen doorgronden, maar toch... 'n
beetje droefenis voor den misselyken toestand waarin ze haar ridder
gebracht had, zou niet kwaad hebben gestaan by haar verheven zucht
tot ontwikkeling. Ze babbelde zoo ongedwongen met al die Kruckers,
ze toonde zich zoo geheel-en-al op de laagte van de rest, ze scheen
zoo volkomen tevreden met de toejuiching waarmee de plompe Pompile
haar domste uitvallen vereerde... kortom, Wouter wist niet hoe hy
't had met z'n Dame. Hy zou er veel voor gegeven hebben, haar 'n
oogenblik alleen te spreken... hm, 'n voetval zou er niet kwaad by
staan! Maar... hoe daartoe de gelegenheid te vinden? Als-i 't huis in
brand stak? Dit plan was zoo heel verwerpelyk niet. Al de Kopperliths
en Kruckers geschroeid, verbrand, verkoold, verteerd, vernietigd,
en hy de redder van de weetgierige Julie! Hy zag zich in gedachte,
háár door rook en vlam de trap afdragend! Haar hield hy in de armen,
háár fluisterde hy toe: "wees gerust, edele dame van m'n hart, al die
stommelingen zyn dood en byna begraven! Ik ben hier, ik, Wouter, die
uw dorst naar kennis lesschen wil met m'n laatsten druppel bloed en
'n verhandeling over den wisselkoers...
--Zeg, Pieterse, of hoe heet je, houd m'n parasol wat over 't kind. De
zon steekt zoo!
Deze ontboezeming vloeide over de lippen der schoone Hersilia, die met
haar zonnescherm onzen ridder aantikte, en hem vry gevoelig terugriep
in de werkelykheid. Hy schrikte, en nam 't ding werktuigelyk aan...
--Schuif 't op, jongen! Druk op de veer... daar, daar, de veer in
't stokje! Versta je me niet? Wat 'n onhandig jongetje, Pompile!
Wouter kneep het ding, en voelde neiging de schoone Hersilia daarmee
den kop te kloven. Hy staarde haar zonderling aan.
--Op de veer drukken, weetje? Druk op dat veertjen in 't stokje,
schreeuwde Pompile, die evenmin als de anderen aan iets anders dacht
dan aan onhandigheid, of hoogstens meende dat "de jonge Pieterse"
z'n zuster niet verstaan had.
--Doe 't 'm eens voor, Pompile, zei de oudeheer.
Pompile die op de voorbank gezeten was, stond op en boog zich over 't
gezelschap heen, om den "jongen Pieterse" les te geven in 't openen
van 'n parasol. Maar hy kwam te laat. Wouter kneep, trok, drukte,
schoof, en schoof wat krachtig...
--Ik kàn wel, m'nheer, zeid-i.
... en 't ding was aan flarden! Hy hield den stok in de eene
hand, en de fladderende zy met de andere omhoog als 'n vlag! Het
heele gezelschap was "ontdaan." Men keek elkander verbaasd aan,
als om te vragen wat dit beteekenen moest? Welnu, niemand begreep
het. Niemand kwam op de gedachte dat men hier te-doen had met 'n
gewond menschenzieltje dat iets verscheuren moest om uiting te geven
aan onlydelyke pyn.
--'t Heeft zeven gulden dertien gekost, jammerde Hersilia. Niet
waar, Calbb?
--Je moet altyd begrypen Hersilie, 't is 'n burgerjongetje, riep
Pompile. Hy wist niet wat je bedoelde, zie je? Je moet altyd denken,
't is 'n burgerjongetje, en... nooit in gezelschap geweest. Dáár komt
het van!
--Zeven gulden, dertien!
Het stokjen en de lappen werden, zoo goed het hossen van 't rytuig
toeliet, aan elkaar gepast om nogeens voor 't laatst te bewonderen hoe
het ding er had uitgezien voor de vreeselyke katastroof, Nog 'n paar
maal mompelde de majestueuze Hersilia haar tragisch: "zeven gulden,
dertien" en vry ontstemd liet het gezelschap zich voortkruien door den
zandweg. Toen men thuis kwam, nam Pompile de rol van verslaggever aan
mama op zich. Niemand was meer verontwaardigd dan "de juffrouw." Ze
had wel drie fransche woorden om te betuigen dat de zaak...
--Ja, ja, zeker! zei Pompile. Maar u moet begrypen, mama...
--Hy stond mevrouw zoo délicieus by die gele bergère, maseurde de
juffrouw.
--Goed, juffrouw. Maar ziet u, mama...
--'t Is 'n ware balourdise. m'nheer!
--Zeker, juffrouw! Maar, mama, Hersilie had het niet moeten,
doen, mama. Want zoo'n jongen...
--Fi donc, zoo lomp te zyn!
--Volkomen juist, juffrouw! Maar ik wou aan mama zeggen dat mevrouw
Calbb had moeten begrypen dat zoo'n jongetje...
--'t Is infaam!
...dat zoo'n jongetje maar... 'n burgerjongetjen is! Dàt wou ik maar
zeggen aan mama.
En dit alles moest Wouter aanhooren! Z'n woede was gebroken. Hy voelde
zich verlamd, onmachtig, wezenloos, en alweer overmeesterde hem zeker
heimwee naar de vroeger zoo geminachte levensopvatting ten-zynent.
Was dàt nu de wereld die hy zou leeren kennen als-i "groot"
was? Wanneer hy op dit oogenblik z'n ouden vyand Slachterskeesjen
ontmoet had, hy zou hem aan 't hart hebben gesloten als 'n bode uit
hooger sfeer. Men ziet het, te laag gezonken om behagen te scheppen
in de voorstellingen uit den mythentyd zyner jeugd, begon hy reeds
te verlangen naar 't weerzien van de grove gestalten die hem in die
dagen omgaven. Zoo ook verwarren onnadenkende geschiedschryvers den
onbehagelyken toestand van den wilde met de gouden eeuw van Saturnus.
Wouter was wanhopig. En z'n stemming werd er niet beter op, toen-i
bemerkte dat ook Julie tot z'n vyanden behoorde, want "vyandschap"
meende hy te moeten veronderstellen in al de menschen die, na hem zóó
te hebben gegriefd en vernederd, niet eens schenen te begrypen dat-i
voor grief en vernedering vatbaar was. Pompile gaf zich de moeite
hem op 'n parapluie te wyzen hoe men 'n parasol opent, en ten-laatste
was Wouter na veel vruchtelooze pogingen om de ware oorzaak van z'n
zonderlingen handgreep onder woorden te brengen, wel genoodzaakt
zich aantestellen alsof hy werkelyk voor 't eerst te weten kwam dat
men by zoo'n gelegenheid op 'n veertje moet drukken. Pompile scheen
zeer voldaan over de les die hy gegeven had, en roemde er op dat
"de jonge Pieterse" de zaak nu volkomen verstond, en zeker by 'n
volgende gelegenheid...
--Zeven gulden, dertien, jammerde Hersilia.
De maat liep over. Wouter stond haastig op, vloog de deur uit,
het erf af en den weg op, om zich te verdrinken of... zeven gulden
dertien te zoeken.
A la bonne heure!
Wouter spekuleert allervoordeeligst in ouwe-kleeren. Snelle
wisseling in amerikaansche handelsbeweging, waarschynlyk niet
zonder invloed op wisselkoers. Nachtgedachten. De terugkomst van
den verloren broeder.
Weldra had hy na eenig dwalen en vragen een der poorten van
Haarlem bereikt. Wat hy daar eigenlyk doen wilde, was hemzelf niet
duidelyk. By 't verlaten van Groenenhuize blies de wanhoop hem in,
met den meesten spoed 'n eind aan z'n leven te maken, en nog altyd kwam
hem dit voornemen als 'n wenschelyke uitweg voor. Doch eerst wilde hy
beproeven zich op andere wys te ontdoen van den ondragelyken last die
hem drukte. 't Was zondag-avend, en er vertoonden zich weinig menschen
op de straten. Ook waren de meeste winkels gesloten. Hier-en-daar
slechts durfde men den dag des Heeren ontheiligen door 't uitstallen
van halletjes en rooletters, of tabak en snuif. De verkoopers van deze
artikelen verheugen zich voornamelyk in zondags-debiet, en de Heer moet
zich hierin schikken. Wouter vermande zich, liep 'n koekbakkerswinkel
in, en vroeg of men hem den weg naar den Jodenhoek wilde wyzen.
--Jodenhoek, jongeheer? Dat hebben we hier, om zoo te zeggen
niet. Uwe-n-is zeker van Amsterdam?
--Geen Jodenhoek? Maar... by wien verkoopt men dan hier z'n ouwe
kleeren? Dàt wil ik weten!
De vrouw uit den winkel keek hem vreemd aan. Eenmaal z'n aangeboren
beschroomdheid overwonnen hebbende, was Wouter's toon zoo kortaf en
gebiedend dat het mensch er van ontstelde. Angstig riep zy als 't
ware om hulp, en er verscheen dan ook 'n manspersoon, die haar vroeg
wat er gaande was, en vry onvriendelyk aan Wouter wat-i "hebbe" wou?
--Hebben? Niets m'nheer! Ik wou maar weten waar men hier ouwe kleeren
koopt?
De koekbakkers-familie joeg hem den winkel uit. Tandenknersend stond
hy weer op de straat, en wist niet wat hy doen zou. Na lang zoeken
en veel mislukte pogingen trof hy eindelyk 'n klein meisje dat hem
bracht waar-i wezen wilde. Een oude jood antwoorde toestemmend op
de vraag of hy koopman in kleeren was? Wouter trok z'n jasjen uit,
wierp het op de tafel, en vroeg wat de man daarvoor geven wilde. Het
kleedingstuk werd bevoeld, gewreven, gerekt, tegen 't licht gehouden,
en 't eerste bod luidde: vier gulden!
--Zeven gulden, dertien! riep Wouter.
--Nah, w'rom nie liefer dertien gilde sefe, as je 't m'r foor 't
seche heb? Fyf gilde, en cheen dyt meer! Ghedrache kleeren binne
niks waart, want se worre teugeswoordig techeef inchefoert fan
Emerika... te-cheef! Dat sel je-n-ook wel wete. Fyf gilde tien, dan!
--Ik moet zeven gulden dertien hebben!
--Wat je hebbe mot, sel je wel 'reis kryche, as je m'r iemant fint die
't je chefe mot. M'r ik mot je niks chefe, en ik cheef je niks. Nou,
ses gilde! Trek jespille m'r weer an, anders, en cha mê chot!
Toen Wouter hierop inderdaad vertrekken wilde, steeg het bod tot
zeven gulden. Helaas, die vreeselyke dertien stuivers! Er was niet
aan te doen: de koopman bleef onverbiddelyk. Mocht men 't hem kwalyk
nemen, by zoo'n overvoer van ouwe-kleeren uit Amerika? 't Was al zeer
edelmoedig dat-i by zoo'n stand van zaken zeven gulden geven wilde voor
Wouter's jasje dat--dit is waar!--zonder die ongelukkige mededinging
der Vereenigde Staten, zeker wel twintig gulden zou waard geweest
zyn. Het was 't eerste kleedingstuk dat voor hem gemaakt was, en dat
tot hem kwam zonder eerst, als ter oefening, 'n glansryke loopbaan
om de lenden van broêr Stoffel te hebben afgelegd. Het was de toga
virilis die--en wel zondags alleen--hem plechtig om de schouders
werd geworpen ter viering van z'n promotie tot jongste-bediende by
de heeren Ouwetyd & Kopperlith.
Maar aan dit alles dacht hy niet. De verfoeielyke Hersilia, en die
sarrende Pompile, en ook Julie, de ontrouwe Dame... hy zou hun toonen
dat-i... dat-i...
Hy smeet nu ook z'n hoed op de tafel, en bood die te-koop aan. Na
eenig dingen en bieden was 't kapitaal kompleet, waarmee hy de edele
vrouwe mevrouwe Calbb-Kopperlith en haar aanhangers 'n kool vuurs
wilde te slikken geven. Ja-zelfs, er was geld over, want voor den hoed
had-i drie schellingen bedongen. De jood vroeg hem of-i ook van z'n
schoenen wou ontlast worden, maar Wouter liep zonder te antwoorden,
in hemdsmouwen en blootshoofds de straat op.
Hoe nu? Zèlf naar Groenenhuize terugkeeren? Dat nooit! Het
schoonste blad van den lauwerkrans dien hy door z'n kordaatheid
meende verdiend te hebben, zou verdorren wanneer men daar te weten
kwam door welke middelen hy geslaagd was in 't afbetalen van z'n
drukkende schuld. Langen tyd liep hy peinzend op-en-neder, de minst
bezochte straten kiezend omdat hy zich begon te schamen over z'n
ongekleedheid. Hy wilde de schadeloosstelling waarmee z'n vyandin
moest verpletterd worden, doen vergezeld gaan van 'n brief die op
pooten staan zou! Niets beter dan dit, maar... waar dat stuk te
schryven? Als-i eens in zoo'n halletjeswinkel naar pen, papier en
inkt vroeg? Hm, gemakkelyk ging dit niet. Hoe zou men hem te-woord
staan, hem die zich nu zoo afgetakeld voordeed? Van de humaniteit der
haarlemmer burgerlui had-i reeds proef gehad, toen hy er nog uitzag
als 'n ander. Zoud-i op vriendelyker bejegening kunnen rekenen, nu
hy zich vertoonde in 'n kostuum, dat... sakkerloot, de zaak begon
hem moeielyk voortekomen.
Z'n opwinding was afgeloopen, en indrukken van meer gewonen aard namen
daarvan allengs de plaats in. Z'n wrok over de ondergane miskenning,
jazelfs het verdriet over Julie's trouweloosheid, moest telkens wyken
voor de ergernis dat-i geen jas aan had. Waar-i by 't schemerlicht
van den zomeravend 'n voorbyganger zag naderen dien hy niet ontwyken
kon, trachtte hy den eigenaardigen tred aantenemen van iemand die
even overwipt om 'n buurman goeden-avend te zeggen. Maar 't baatte
niet. Daar kwamen 'n paar straatjongens hem sarren met den roep:
"heb je 't zoo warm, jongeheer?" 't Was om razend te worden!
Toch drong hy zich op dat-i nog altyd naar 'n gelegenheid zocht om
't staatsstuk te schryven dat het geld vergezellen zou, maar 't was
uit geestelyke traagheid alleen, en uit onwil om te erkennen dat
z'n verdriet veranderd was van richting. Ieder manspersoon dien hy
ontmoette en die gewoon gekleed was, vervulde hem met afgunst.
Ziehier hoe hy schryven wilde... àls hy tot schryven kwam:
Weledelgeboren Mevrouw ...
Zeker! Zoo adresseerde de jongeheer Leon de brieven aan z'n mama. Dit
zou dus ook wel zoo ongeveer de rechte betiteling wezen voor
mevrouw Calbb-Kopperlith. Hy wilde haar en de heele familie toonen
dat-i wist hoe 't behoort, en dat de manieren der "groote wereld"
niet onbereikbaar waren voor 'n burgerjongetje. "Weledelgeboren
Mevrouw!" alzoo, en verder:
"Ik heb de eer Uweledelgeboren hiernevens aantebieden de som van
zeven guldens en achttien stuivers voor 'n nieuwen parasol. Myn eer,
Weledelgeboren Mevrouw, gedoogt niet Uweledelgeboren ongelukkig te
maken, en daarom...
"Heb jy je jas in den lommert gebracht?" vroegen hier op de welbekende
zangwys van 't vroolyke patertje 'n paar belangstellende dienstmeiden,
die van haar zondagmiddags-uitgang zooveel pleizier wilden trekken
als er maar eenigszins van te trekken was.
Wouter week schichtig uit, en vermeed zooveel mogelyk de minst donkere
plekken. Z'n gedachten keerden terug naar 't punt van uitgang: dien
fameuzen brief!
"Uweledelgeboren zal ontwaren dat er vyf stuivers over zyn. Die schenk
ik Uweledelgeboren als 'n blyk van... van...
Hy weifelde tusschen "goedertierenheid" en "genade." Een troepje
Amsterdammers die Kraantje-Lek bezocht hadden, en in de stemming
verkeerden welke van-oudsher by dezen uitgang past, kreeg onzen tobber
in 't oog en nam hem in 't ootje. Wouter sloeg zich dapper genoeg
door den kring heen, maar hy voelde zich zeer verdrietig. Men zal
erkennen dat de voorgenomen heldendaad met die zeven gulden zóóveel,
hem byzonder moeielyk werd gemaakt. Gedurig mompelde hy zich voor:
ik wil 'n brief schryven, ik wil! Als ik maar wist, wáár? En hy
monsterde huis voor huis, of daaronder misschien een mocht zyn dat
hem genoegelyk zou kunnen dienen tot kantoor? Zelfs liep hy nu-en-dan
'n winkel in, maar hy bereikte z'n doel niet. Z'n vreemd voorkomen
en de schichtigheid waarmed-i z'n ongewoon verzoek uitte, schrikten
de menschen af. "Als ik in-godsnaam maar 'n jas aan had!" zuchtte hy.
Eindelyk--welke booze geest speelde hem dezen trek?--eindelyk stond hy
op-eenmaal weer voor 't huis waar de jood woonde, die zoo goedig hem
van jas en hoed verlost had. Wouter trad instinctmatig binnen. "In 's
hemelsnaam, dacht hy, als ik maar eerst weer behoorlyk gekleed ben, dat
ik me vertoonen kan! O God, wat is 'n mensch die geen jas aan heeft!"
De jood zag vreemd op toen z'n klantje van zoo-even hem de verkwanselde
kleedingstukken kwam terugvragen. Hy had ze juist naar New-York
verzonden, zeid-i, waar ouwe-kleeren tegen goud werden opgewogen.
--Maar zoo-even zei je...
--So-efe-n-is f'rby, en wat cheweest is, is niet. Ik sech je
dat ouwe-kleeren d'r gelt waart binne! Feel uitfoer na Emerika
teugeswoordig! Daar sit 't 'm! Maar ik wil je wel 'n jas ferkoope-n-en
'n hoet ook. Mooie waar, kyk hier!
Na eenig verdrietig gesukkel verliet Wouter den winkel van
den schacheraar, met 'n jas aan, en 'n hoed op... modellen! De
kleedingstukken die hy 'n uur te-voren in z'n opgewondenheid had
afgestaan waren er vorstelyk by. Toch moest hy voor de nieuwe plunjen
al 't geld neerleggen dat-i bezat, de vier stuivers inkluis die
m'nheer Wilkens hem den vorigen dag op last van den grootmoedigen
Pompile had uitbetaald voor z'n terugreis naar Amsterdam, en die
geaffekteerd zouden worden op "huishouding." De huishoudelykheid nu
van Wouter's transaktie...
--As je wéér wat te handele heb, zei de edelmoedige jood, kom cherust
by me.
En hy gaf Wouter 'n adreskaartje dat deze werktuigelyk
in den zak stak. Op-straat gekomen--nu was-i gekleed, o
goden!--betrapte hy zich op 'n volkomen overbodige repetitie van z'n
redaktie-plannen. "Weledelgeboren Mevrouw! Hiernevens heb ik de eer
Uweledelgeboren aantebieden...
Aantebieden! Wàt?
Hy sloeg zich voor 't hoofd, en erkende voor de honderdste maal... hoe
zei ook altyd z'n moeder? "Heere jesis-kristis, die jongen! Van hèm
komt nooit wat te-recht?"
Waar zou-i heen! Al peinzend over den zonderlingen toestand waarin hy
gebracht was door... eilieve, lezer, door wàt eigenlyk? Hyzelf kon er
zich geen reden van geven, maar aan U vraag ik, wat toch de oorzaak
was van de onaangename verwikkelingen waarin hy telkens verstrikt
raakte? En ditmaal nogal erg. De geringschatting van de menschen aan
wie hy verantwoording schuldig was, had reden van bestaan in ieder
ander, maar niet in hèm. Z'n moeder was z'n moeder, de heeren Ouwetyd &
Kopperlith waren zyn patroons. Hy was niet grof genoeg van inborst om
de draden waarmed-i zich aan de maatschappy verbonden voelde, eenvoudig
te verbreken en zich vry te maken: om "de wereld integaan" zooals dit
heet. Hieraan dacht hy wel, doch maar 'n oogenblik want hy was te week
om het besef te verdragen van de smart zyner betrekkingen... die wel
luidruchtig, maar niet zoo byzonder diep zou geweest zyn. Doch dit wist
hy niet. Op-eenmaal kwam hem nu in den zin dat-i in z'n lessenaar op
't kantoor allerlei rympjes had verborgen, waarin veel schoons werd
gezegd... van háár. Wie deze "haar" was, doet er niet toe. Het is te
betwyfelen, of hyzelf hiervan een heldere voorstelling had. Want al
droegen z'n ontboezemingen gewoonlyk de kleur der indrukken die Femke
hem had meegedeeld, toch dwaalde hy telkens te veel af van dat ééne
model, om te kunnen beweren dat hy in die rympjes z'n liefde voor
háár schetste. Niemand zou 'n waschmeisje zoeken in 't origineel van
de wolkerige portretten die hy leverde. 't Wemelde in z'n poëzie van
prinselyke diademen, van goddelyke straalkransen, van wereld-overzien,
en van de bekende algemeene gelukkigmakery. Ook God was niet vergeten,
dit spreekt vanzelf. Het is ieder verzenmaker bekend, hoe makkelyk dit
eensylbig woordje zich schikt in elke maat. Kompromitteerend in gewonen
zin waren alzoo Wouter's dichtproeven niet. Noch Pompile, noch Wilkens
zouden by 't vinden der achtergelaten rymelary, op 't denkbeeld gekomen
zyn dat hun weggeloopen jongste bediende in betrekking stond tot
'n dame die men noemen kon. Hoogstens zou 'n beetje scherpzinnigheid
hun de middelen aan-de-hand doen om van Wouter's ongedisciplineerde
hartstochtelykheid geen jota te begrypen. Hyzelf echter meende dat-i
maar al te duidelyk had lucht gegeven aan z'n gevoel, en in verbeelding
zag hy reeds z'n onbescheiden talent misbruikt om al de jonkvrouwen
van zyn hart tentoontestellen in de courant. Prinsessen zouden er 't
meest onder lyden, want aan hoven is de eer 'n teedere zaak. En ook
Julie liep gevaar. In dat ééne gedicht namelyk--koupletten van acht
regels met slechts twee rymklanken, denk eens!--had-i zich niet kunnen
onthouden, 'n zwevenden engel uittedosschen in 'n zwierig rykleed van
bruine taf, en van zoo'n stof was juist het japonnetje dat zy aanhad
op den dag toen hy zoo ridderlyk vier stuivers had afgedongen op haar
liggenden jachthond! Duidelyker zinspeling op z'n verrukking over haar
neerbuigen tot hem, kon wel niet gevat worden in koupletten van acht
regels met slechts twee rymen! Ja toch, hy had melding kunnen maken van
't wollen fichuutje dat ze by die gelegenheid om den hals droeg--want
ze was op dien merkwaardigen stond 'n beetje verkouden--maar de eischen
van rym en maat bewaarden hem genadiglyk voor indiskrete vereeuwiging
van deze byzonderheid. Die zwabberende bruin-zyden amazone was
waarlyk al verraderlyk genoeg! Zou de oude Dieper by 't ontdekken en
beoordeelen zyner rymschatten, de goedheid hebben Pompile aftebrengen
van de gevaarlyke gissing dat er verwantschap bestond tusschen die
zwevende engel en z'n wederhelft? Och, op zoo'n boekhouder valt niet
te rekenen. Gaf-i niet altyd iedereen gelyk? Wouter zag hem z'n pen
neerleggen, z'n snuifdoos opnemen, den bekenden stap achterwaarts doen,
en dit alles om met vereischten nadruk te verzekeren:
--Juist, jongeheer! Ik heb de intieme fictie dat de jongen met dat
schimpdicht bedoeld heeft...
--Schimpdicht, Dieper? 't Is geen schimpdicht? Wàs 't dat maar! De
kwajongen is verliefd, en wel op...
--Precies, jongeheer! Ik wil maar zeggen, net als u, dat-i zeker
met dien golvenden luchtgeest mevrouw Kopperlith-Huddewitz bedoeld
heeft. 'n Mensch moet toch iets bedoelen, niet waar? Zeker, zeker, die
engel in 't bruin is de jonge mevrouw! Vindt u 't niet erg... brutaal,
jongeheer?
Wouter's verbeelding tooverde hem 't kantoor voor, en dwalend
door den Hout was-i getuige van de woede, van de minachting, van de
vernederingen die 't burgerzielig konklave over hem uitstortte. Wilkens
blaette afkeuring, Eugène bromde z'n: hm! Daar kwam ook de oudeheer
aansloffen:
--Zieje, Pompile, 't is de schuld van Dieper. Waarom zoo'n deugniet
te rekommandeeren?
En Dieper beloofde deemoedig dat-i 't nooit weer zou doen.
De oude Gerrit? Nu, zyn tusschenspraak schikte nogal. Gelukkig voor
Wouter, dat-i eindelyk 'n figuur ontdekte van iets minder afschuwelyken
aard, iemand waarmed-i het tooneel dat z'n angst hem voormaalde,
wat minder krimineel stoffeeren kon. Gerrit mompelde: "wat 'n geseur
over die liedjes! Allemaal wind en 'n engelsche notting!" Lieve Gerrit!