--Zieje! Ik zeg dat 'n mensch sterfelyk is. En daarom ... niet dat

ik naar iemands dood verlang, gut né, maar ... als iemand zóó oud is

... wat zeg jy Stoffel?

--Zeker, moeder.

--Als zoo'n boekhouder nu eens ... sterft--want alle menschen zyn

sterfelyk, niet waar?--dan zou Wouter best ... denk eens, Trui?

--Ja, moeder, waarom niet?

--En die m'nheer Willekes ook. Waarom zou Wouter geen boekhouder

kunnen worden, of ... m'nheer Willekes?

--Né, moeder. Uwe meent ...

--Nu ja, wie kan altyd zoo op z'n woorden letten! Ik meen maar

dat z'n kost gekocht is. Wat kan 'n mensch meer verlangen? En dat

zakboekje ... gut, ik heb er graag alles voor over. Kyk jy maar eens

onder je bedstee, Stoffel, daar staat 'n mand met ouwe prullen, en

je zult er zeker nog wel de brieventasch vinden van je vader. 't

Wurm kan er alles in opschryven wat-i onthouden moet, en ... z'n

kost is gekocht ... dàt wil ik maar zeggen! Je mag nu wel 'ns gauw

naar m'nheer Calb gaan om hem te bedanken, Wouter! Want hy is de man

die je gerekommandeerd heeft. Hoe zou je 't vinden, als je-n-eens

'n vers maakte op z'n verjaardag?

Dit voorstel werd door Stoffel afgekeurd. Hy bracht z'n moeder onder

't oog dat m'nheer Calb waarschynlyk, als "man van zaken" 'n hekel

aan verzen hebben zou, en dat 'n stoffelyk bewys van erkentelykheid

... 'n anker wyn, of 'n vaatje boter ...

--Wel zeker, juist wat ik altyd zeg. Denk er aan, Wouter, dat je

m'nheer Calb 'n vaatje boter zendt, of 'n anker wyn ...

--Gut, moeder!

--Nu ja, als je ... boekhouder bent, meen ik. Want ... alle menschen

zyn sterfelyk, en als die m'nheer Dieper zoo klaagt over zinkings

... jongen, je kost is gekocht!

Door deze en dergelyke zottepraat liet zich alweer Wouter's week gemoed

biologeeren tot ingenomenheid met z'n nieuwen werkkring. De niet zeer

aangename indrukken die hyzelf had opgevangen--zonder ze evenwel te

durven verheffen tot meening--werden uitgewischt of overpleisterd door

't waarnemen van de belangstelling zyner verwanten. Hy voelde dat

er iets van den eerbied dien men z'n "patronen" toedroeg afstraalde

op hemzelf, en dit liet-i zich zonder protest aanleunen. Z'n moeder

vroeg hem uitdrukkelyk of-i de saus naast of over z'n aardappelen

hebben wou, want:

--Denk eens, Trui, ze hebben 'n zaal in-huis! En jy, Wouter, eet nu

wat dóór, en ga 'r gauw weer heen. Je moet nu ook van jouw kant toonen

dat wy óók by-de-handte menschen zyn, wat zeg jy, Stoffel? Gut ... 'n

eigen Buiten!

Wouter deed wat-i kon om zich aan doorschynende aardappels en yver

te verslikken. 't Sloeg ter-nauwer-nood halfvier, toen-i zich alweer

'n weg baande door de stokvischbeukery en langs de olievaten, en 'n

oogenblik daarna stond-i hygend en dienstbereid op 't kantoor. Buiten

den ons reeds bekenden stank en de naakte Merkuriussen, vond hy

daar niemand ... ja toch, daar hingen de zoldersleutels! Eén

keep: éérste zolder, twee keepen: twééde zolder! Hy schreef deze

kenmerkende byzonderheden op in de vaderlyke portefeuille die inderdaad

onder Stoffel's bed opgedolven, en meegegeven was met de dringende

aanbeveling tot vlytig gebruik. Ook maakte hy dat eerwaardig zakboek

tot vertrouwde van de andere studiën waaraan hy dien dag een zoo groot

gedeelte van z'n onsterfelyke ziel besteed had. Mochten misschien

eenmaal de lagen stof en asch waaronder de Pietersburg begraven

ligt, worden weggeruimd, dan zal de onderzoekende nazaat nog altyd

kunnen te weten komen hoe lang in Wouter's eeuw 'n stuk engelsch

katoen van acht-en-twintig yards was. En waar de Pleiers woonden,

en de Kruckers en de Hockers, en de juffrouw die borduurpatroontjes

verkocht. En hoe 't Buiten heette van m'nheer Kopperlith. En aan

welk soort van vensterglas men de woning van den jongeheer Pompile

herkennen kon. Waarlyk, men zou lust krygen z'n eigen achterkleinzoon

te wezen, om tegenwoordig te zyn by 't opgraven van al die historische

byzonderheden. Moet de lezer niet erkennen dat reeds hierom alleen de

annalen van Wouter's ontwikkelingsgeschiedenis alle andere jaarboeken

in belangrykheid te-boven gaan? Wortelen ze niet--als de magazyn-kelder

en 't karakter van de firma Ouwetyd & Kopperlith--tot ver beneden de

riolen? Zullen ze niet eenmaal met hun gebladert van zóóveel vellen

druks den schedel belommeren van den laatsten sterveling die over

'n eeuw of wat onfatsoenlyk genoeg wezen zal om nog hollandsch te

verstaan? O, zeker, ik hoor in m'n verbeelding reeds 't verdrietig

geroep van Pompeji en Herculanum: berg, val weer op ons, herbesluier

onze aangezichten met schaamtedekkende lava ... we bezitten niets

... niets ... niets dat waard is het daglicht te aanschouwen na de

heuchelyke verryzenis van Wouter's agenda!

Zóó zal 't wezen! Maar even als de romeinsche bakker wiens achtvakkige

broodjes thans zoo'n eervolle plaats innemen in 't muzeum te Napels,

niet weten kon dat z'n bollen een zoo schitterende karrière maken

zouden, was ook Wouter onbewust van 't belang der byzonderheden die hy

in z'n zakboek noteerde. Hy volbracht de hem opgedragen plicht met z'n

gewone konscientie, maar hoe onmeetbaar groot ook het aantal was van de

wetenswaardigheden waarmee men zoo edelmoedig z'n geest verrykt had,

er kwam toch 'n eind aan z'n opschryven. Hy begon zich te vervelen,

en leed onder zekere verdrietige verwondering over de leegte van z'n

gemoed. De romantiek was--niet voor altoos, waarschynlyk--uitgeput,

geknot, bedorven. Z'n worsteling tegen afdwalen begon vrucht te dragen,

en de inspanning om zich met niets te bemoeien dan wat allernaast

voor-de-hand lag, werd te pynlyker omdat hy met de hem ingegeven

nietigheden z'n ziel niet voeden kon. Hy was als iemand dien men

't ongezond gebruik van snoepery verbiedt, en in-plaats daarvan op

zaagsel en zand onthaalt, of ... op niets. Tien, twaalfmaal las-i

de opgeschreven zaken over, en vond zich in-staat 'n prachtig examen

afteleggen in alles wat hem dien dag geleerd was. Maar juist hierom

vreesde hy dat hem iets mocht ontgaan zyn, want ... want ... hy voelde

zich door den last zyner nieuwe wetenschap niet bezwaard genoeg naar

z'n zin. Ze moest zwaarder drukken, meende hy, en daar dit toch maar

niet het geval worden wilde, lag de schuld zeker weer aan hem! Ook z'n

moeder zei altyd dat er nooit iets van hem komen zou ... óók! Want

hyzelf begon weer--en voor 't eerst niet!--'n dergelyke meening te

koesteren, als 't koesteren heeten mag, dat smartelyk wroeten in eigen

borst! Die m'nheer Wilkens was 'n dóórkundig man met grys haar en

'n bril en over de veertig jaren kantoordienst. Wat die man hem zoo

majestueus verkondigde, moest wel belangryk wezen, en de moeite van

zware inspanning waard. Maar hy, botterik, bleef maar altyd niet

begrypen waarop-i z'n inspanning moest toepassen? De pogingen om

de moeilykheden van z'n nieuwe pozitie te overwinnen, ketsten af

op de onwetendheid waarin toch die moeieiykheden bestonden? Had-i

misschien, om niet al te ver beneden z'n plicht te staan, terstond

moeten weten hoeveel fabrieken en inwoners er waren in Manchester? Och,

als m'nheer Wilkens hem dit maar had gelieven te vragen! Dan zoud-i

z'n onwetendheid ... niet geloochend hebben, o neen ... maar tevens

beloofd morgen bekwamer te zullen zyn. Dan had-i geweten wat er

vandaag aan hem gehaperd had, en hy kon zich beteren!

Men ziet dat de oorzaken van Wouter's verdriet van ongewonen aard

waren. Misschien ook ligt de ongewoonheid slechts in myn poging

om ze te verklaren, want omstandigheden als waarin hy verkeerde,

moeten wel eens meer voorkomen. By elke gelegenheid namelyk, waar

naïve hoogmoed samenvalt met even naïve nederigheid. En dit was hier

't geval. Wouter voelde aandrang tot het allerhoogste, en zou weldra

geklaagd hebben dat er niet iets moeielykers te bereiken was dan

dat. Maar tevens meende hy dat ieder boven hem stond, en dat hy 't

nooit zoo ver zou brengen als de laagste. Op buitengewone inspanning

was-i dus voorbereid. Al de moeite die hy zich ooit had getroost

om meester Pennewip--en z'n dame!--te voldoen, zou kinderspel wezen

by de taak om 'n bruikbaar jongste-bediende by de heeren Ouwetyd &

Kopperlith te worden. Hiertoe dus had-i zich--vooral na de vermaningen

van dien goeden dokter Holsma--met byzonderen yver aangegord. Geen

"som" uit z'n Strabbe, meende hy, vereischte zóóveel scherpte van

oordeel, zóóveel nauwgezetheid, zóóveel geheugen, als er zou te-pas

komen in dien nieuwen werkkring. En zie, den eersten dag den besten

reeds, vatte hy alles wat men hem zei met 'n gemakkelykheid die

hem angstig maakte. Daar moest méér achter zitten! Men wordt geen

Ouwetyd & Kopperlith of jongeheer Pompile--noch zelfs 'n behoorlyke

m'nheer Wilkens!--zonder àndere draken verslagen te hebben dan

men onzen kleinen St. Joris te bestryden gaf! Eén keep ... twéé

keepen ... zeker, begrypen is genot--en dit was vooral in Wouter het

geval--maar juist hierom wantrouwde hy 't genot dat hem ditmaal wat al

te gemakkelyk gemaakt was. De gedachte dat z'n leermeesters met hun

gryze haren, brillen, Buiten's en eigen rytuig, beneden hem stonden,

kwam niet in hem op. Het was hem als iemand wien men te raden geeft:

"wat 'n stokjen is, aan de uiteinden bestreken met zwavel" en die

vreest 'n domheid te zeggen door zoo'n ding te verklaren voor 'n

zwavelstokje. De hem aanbevolen plicht om zich steeds te bemoeien

met het naastbyliggende, was hem op 't hart gedrukt met ernst, en als

iets belangryks ... waarin--dit zeg ik er by--Holsma volkomen gelyk

had! Deze plicht moest dus moeilyk te vervullen zyn, meende Wouter,

doch slechts ten-deele was dit juist gezien. Moeielyk zou ze hèm

vallen, omdat-i de neiging had wat vèr en wat hoog te staren, maar

op-zichzelf beschouwd zou ze byna doorgaans uit 'n aaneenschakeling

van nietigheden bestaan. En juist dit bracht hem in de war. Zonder

de nederigheid die hem eigen was, zoud-i--na 'n oefening van zeer

weinig weken alles geleerd hebben wat er op dat kantoor te leeren

viel--zeer spoedig z'n hoogwyze patroon met hun lappenkraam hebben

geminacht. En zonder z'n hoogmoed ware hy volkomen tevreden geweest

met hun goedkeuring zyner vorderingen in 't vlytig bestudeeren van

niemendal. Wat Oxenstiern aan z'n zoon schreef over de onbeduidendheid

der hefboompjes waarmee de wereld geregeerd wordt, is van volle

toepassing op 'n tal van andere zaken, en niet het minst op kringen

als waarin thans onze Wouter was aangeland. Toch zou men verkeerd

doen 't wanstaltig huwelyk zyner ziel met 'n omgeving van zóó laag

standpunt, in alle opzichten te betreuren. Juist zùlke aanrakingen,

en niet boekerige heldenfeiten, leveren de ware vuurproef. De tyd

moest komen dat Wouter zeggen kon ... niet: "ik ben niets, want ik werd

gesmoord in den lappenwinkel van de heeren Ouwetyd & Kopperlith!" maar:

"zie, hoe ook bedolven onder de modder van misdadige gewoonheid ... ik

bleef myzelf, en heb me tot iets weten te maken." Ik behoef hier

immers niet bytevoegen dat dit de ellendelingen niet verschoont, die

't kind aan deze vuurproef onderwierpen? 't Was hùn doel waarachtig

niet, onzen Wouter tot mensch te maken!

Hy verveelde zich, en voelde verdrietige verwondering over de leegte

van z'n gemoed. Naastbyliggende plicht doen? Als-i eens naar den

zolder ging--twee keepen: den twééden!--om te vegen, en op z'n gemak

dat belangwekkende windas te bekyken?

Zóó gedacht, zoo gedaan! Hy was recht grootsch dat-i den weg

naar-boven wist, en toen hy op de trap de meid ontmoette, die hem

zoo onheusch-officieel had afgewezen aan de boven-voordeur, gunde

hy zich de weelde van eenig gerammel met de sleutels, niet zonder

'n zegevierend blikje dat zeker zeggen wilde: je ziet, ik bèn er,

en wel in dienst!

Zoo'n windas is 'n aardig ding. Er zitten gedachten in, en Wouter

wist ze 'r uittehalen.

--Die dikke mevrouw is zeker tweehonderd pond zwaar ... de fauteuil,

twintig ... de kussens ... hm ... stellen wy voor alles en alles

... tweehonderd-vyftig pond. Ik weeg maar tachtig, denk ik. Als dus

die dikke mevrouw en ik tegenover elkaar hingen aan 'n gewonen takel,

zou ze my 't zoldervenster uithyschen, in-plaats van ik háár uit die

zykamer. Maar als ik háár gewicht oprol om die dunne spil, en ikzelf

wentel dat groote rad ...

Hy hoorde sloffen op de trap. 't Was Gerrit, die eens kyken kwam wie

er naar den zolder gegaan was.

--Ah zoo! Ben jy 't Pieterse. En wat doe je daar?

--Ik ... veeg, zei Wouter.

--Zoo? Nou, als je zóó yverig blyft, zal je gauw slyten, jongen!

--Maar m'nheer Wilkens heeft gezegd ...

--Wullekes is 'n gek. Maar ... wil je vegen, goed! Veeg maar! En wat

veeg je-n-al zoo?

--De stof van de stapeltjes ...

--Daar ligt geen stof op! En al lag er stof op, wat doet dat er toe? En

al deed het er wat toe, wat helpt het of je die van den eenen stapel

op den anderen veegt, hè? Je doet monnikenwerk, wat ik je zeg!

--Gut!

--Ja, monnikenwerk! Je moet niet alles zoo letterlyk opnemen wat

die Wullekes je zegt. Hy schiet met ... varkensvleesch, weetje?

--Hè!

--Dàt doet-i! Ik dacht het wel dat je zou luisteren naar dien

windmaker, en toen ik iemand naar-boven hoorde gaan met de

sleutels--want ik zat in de keuken, omdat ik styf van rimmetiek

ben--toen begreep ik dat jy 't was. Want er kon niemand anders op 't

kantoor wezen. Die Wullekes heeft je zeker niet gezegd dat we-n-in

den komkommertyd zyn, en dat je zoo'n haast niet hoefde te maken

met terugkomen? Hyzelf komt eerst zoo tegen zessen even kyken, en

nu hy weet dat er iemand is om de boodschappen aantenemen, zal-i nog

later komen, of misschien in 't geheel niet. En de jongeheeren zyn uit

... om 't mooie weer, weetje? Je moet de zaak niet zoo zwaar opnemen,

jongetje! Dan ga je-n-er onder door! Je neemt me-n-ommers niet kwalyk?

--Gut neen! Maar ik wou zoo gaarne ... m'n plicht doen, m'n

naastbyliggende plicht, weetje?

--Dáár heb ik nu zoo, wil ik maar 'ns zeggen, geen verstand van. Ik

zeg maar dat het schande-n-is dat ze-n-'n jong borssie als jy zoo'n

heelen dag op dat muffe kantoor laten zitten. Ik zeg ... 't is wind en

'n engelsche notting!

--Hè, Gerrit, ik ben den halven ochtend op-straat geweest!

--Ja, ik hoor dat je veel boodschappen hebt gedaan voor den jongeheer

Pompile. Nou, dat pleizier kan je dikwyls hebben! Hebben ze je-n-al

gezegd dat je naar de post moet, alle morgens, om den briefbesteller

optewachten? Dat 's 'n baantje voor jou, je zult het zien! 't

Zal je stuivers kosten voor 'n borrel! Want als je dàt niet doet,

kryg je de brieven niet. Ze zyn te gierig om droddebot te betalen

... vyf-en-twintig gulden in 'n heel jaar. Daarvoor kan jy dan staan

blauwbekken in de kou ... als 't winter is, meen ik. Zeg eens, heeft

Dieper je-n-al gesproken over inkasseeren? Want ... als ik styf van

rimmetiek ben, komt dat voor je rekening. En ... als je niet handig

bent met geld, kan dat baantje je veel kosten. Je begrypt wel ... wat

er te-kort komt, leg je-n-er by. Ja, ja, je moet niet denken dat je

hier voor je pleizier bent! Ik heb hier al prinsjesdagen beleefd in

alle saizoenen van 't heele goddelyke jaar, en daarom ... nu ben ik

styf van 't rimmetiek. 't Kan je-n ook gebeuren. Zoodat ik maar zeggen

wil dat je-n-in de komkommerdagen niet zoo yverig hoeft te wezen. Je

bent immers ook maar 'n loontrekkend dienaar, net als ik, niet waar,

en zult dus ook niet graag meer doen dan noodig is? Geen mensen die

er je voor dankt, jongen, en wie z'n eigen doodwerkt, wordt onder

de galg begraven. Komaan, laat dat vegen nu maar blyven. O, als je

alles doen zou wat die Wullekes je zegt ... nou!

Als ys viel deze zonderlinge Gerritsche filosofie onzen Wouter op

't gemoed. Beschaamd sloot-i den zolder, en begaf zich naar beneden

met Gerrit, die hem verzocht niet te verklappen dat-i op den bovensten

zolder geweest was. Want, zeid-i:

--Dan sturen ze m'n op boodschappen uit. En daar ik styf van rimmetiek

ben ... kyk, m'n duim is er krom van, en dus ... loopen kan ik niet,

dat zieje wel!

Op 't kantoor gekomen, sloeg de knecht 'n klein register op, waarin

de vervaldagen van wissels en acceptatien genoteerd stonden.

--Zieje, juist wat ik dacht! Morgen is er 'n smerig papiertjen in

den Jodenhoek. Nu, dáár zal je pleizier van hebben! Die smous zal

wel gauw merken dat je-n-'n onnoozel bloedje bent, want ... je

ziet er naar uit. Als je-n-er beneden den daalder afkomt, mag je

van geluk spreken. Daar komt waarachtig Wullekes al ... zeker heeft

z'n vrouw hem de deur uitgejaagd, maar zy is even mal als hy, met 'r

prinsessen. Ze heeft 'reis in den Haag 'n prinses gezien, en daarvan

praat ze-n-altyd. Allemaal wind en 'n engelsche notting. Die Wullekes

... hoor eens, als-i naar me vraagt ... zeg maar dat je niks van me

weet, en dat ik styf ben van rimmetiek, weetje, want ... ik ga na de

keuken om m'n kommetje thee te drinken, 't Zal wel koud wezen, maar

... ik moest toch 'reis even zien wie daar na 't zolder liep. Jawel,

hy is het ... dat kan ik altyd precies hooren aan 't openhalen van

de achterdeur. Hy heeft ruimte noodig voor 'n heel peloton ... ik

ben serjant geweest, weetje, by de Burgerwacht in anno zooveel!

En Gerrit vertrok. Z'n zonderlinge toespraken hadden dit goede,

dat Wouter--zooals de lezer misschien--er niet veel van begreep,

en dus iets te denken kreeg. De vreemde opvatting van plicht, die

den ouden knecht ... iets minder van andere knechts onderscheidde dan

wenschelyk was, verraste hem. Droddebot? Wat's dàt voor 'n ding? En:

'n "smerig papiertje" dat hem 'n daalder zou kunnen kosten ... wat kon

dit zyn? Vanwaar zou die daalder komen? Waren dàt de emolumenten van

z'n nieuwe betrekking? Heel gaarne had-i m'nheer Wilkens om inlichting

gevraagd, doch sedert z'n struikelen over Mozes by 't Doornbosch durfde

Wouter dat grimmig orakel niet naderen. Bovendien, hy werd weer aan

't plakken van gekleurde lappen op karton gezet, en dezen arbeid

legde hem Wilkens met zooveel vertoon van stichtelyken ernst op,

dat hy 't niet waagde iets anders aanteroeren. Hy plakte z'n lappen,

en zweeg en mymerde, en betreurde z'n boeken op den Zeedyk. Nog 'n

beetje maar, en Motto zou hem de gedaante vertoonen van 'n beminnelyken

beschermengel die wegzinkt in de nevelen van 't verleden, en waarnaar

de verlatenen reikhalzend maar vruchteloos de armen uitstrekt.

Armoediger kon 't met z'n zieltje niet geschapen staan, meent men?

Wie weet! Lieve-god, het wordt nog erger.

Kwajongens. Vloermat-meditatien. Een onhebbelyke

barbier en 'n benyd vogeltje. Treffende opmerkingen over

vergankelykheid. Champollion. Handel! Onverwachte verandering van

'n geminacht briefje in wichtige dukatons.

Of 't veroorzaakt werd door de byzondere styfte van z'n rhumatiek, zou

ik niet durven zeggen, maar zeker is het dat Gerrit 'n eigenaardige

manier had om uitheemsche woorden onkenbaar te maken. Droddebot,

byv. beteekende: droit de boîte, hetgeen zooveel zeggen wilde als

het recht om de brieven te doen afhalen van 't postkantoor. De

briefbestellery liet in Wouter's tyd veel te wenschen over, en veel

kooplieden kozen dit middel om zich onafhankelyk te maken van den duur

en 't gewicht der konfidentien die de zeer ongevleugelde boden des

handels gewoonlyk met hun straatvrinden hadden te wisselen. In dit

alles zal nu wel verandering hebben plaats gevonden, vooral omdat de

post meermalen daags aankomt. In Wouter's tyd, en lang daarna nog,

werd de zoogenaamde "fransche, duitsche en engelsche post" slechts

twee keeren 's weeks uitgereikt. Binnenlandsche brieven niet meer

dan eenmaal daags, en wel des-morgens. Het afhalen der brieven voor

de kantoren die droit de boîte hadden, behoorde natuurlyk tot de

funktien van de "jongste-bedienden" 'n soort van loopjongetjes die in

twee opzichten zeer typelyk verschilden van leerlingen op 'n ambacht:

ze leerden niets, en waren onbezoldigd. Sommige handelshuizen wisten

't misbruiken van zulke knapen te verheffen tot systeem, door zóóveel

allerjongste bedienden te houden dat ze daarmee het bezoldigen van

'n volwassen persoon konden uitwinnen. Zoodra zulke jongeluî begonnen

aanspraken te gronden op 't verouderen van hun doopceel, gaf men hun

den raad die ontkiemende eerzucht te doen wortelen in anderen bodem.

Wat nu overigens dat fameuze droit de boîte aangaat, er waren ook

handelshuizen die wel gaarne hun korrespondentie iets vroeger ontvingen

dan de slakkengang der bestellers toeliet, maar toch niet genegen waren

de daarvoor vastgestelde belasting te betalen. Ze vonden een probaten

maatregel uit, hoofdzakelyk gegrond op de overweging dat de tyd van

'n onbezoldigden jongste-bediende geen geld reprezenteert. Zoo'n

kereltje moest in de nabyheid van 't postkantoor den besteller

afwachten, en hem overhalen om de voor "m'nheer" of "de heeren"

aangekomen brieven op-straat aan hem aftegeven. Dewyl nu noch het uur

van aankomst der post, noch de tot het sorteeren noodige tyd stipt

kon bepaald worden, moest hy om zeker te zyn dat de besteller hem

niet ontsnapte, altyd véél te vroeg daar wezen. Het natuurlyk gevolg

hiervan was dat zich elken ochtend 'n klubjen onrype jongeheertjes naby

't postkantoor samenkluwde. By slecht weer was 't vereenigingspunt in

de cour der inrichting. En hier werd veel kwaads uitgebroed, want in

geen stadium, klasse of ontwikkelingsperiode vertoont zich de Mensch

leelyker dan in die van halfwassen jongeling, 'n leeftyd die door de

eene helft van ons geslacht moest kunnen overgewipt worden. Al wat

de Maatschappy oplevert, staat in rang boven hen: kinderen, meisjes,

vrouwen, mannen, grysaards, jonkers, prinsen, soldaten, sjouwerluî,

ambachtslieden ... alles, tot publieke vrouwspersonen toe. Zyzelf

zyn de eenigen die dit niet weten, en staan verbaasd als 'n wezenlyk

mensch blyk geeft van den misselyken indruk dien ze op hem maken.

Maar wèl had het moeten bekend zyn aan de heeren Kopperlith, vader en

zoons. En misschien wisten zy 't. Maar dit belette niet dat Wouter,

toen-i den eersten avend van den belangryken handelsdag dien ik

trachtte te beschryven, verlof ontving om naar-huis te gaan, van

m'nheer Wilkens het bevel meekreeg, den volgenden morgen voor-i op

't kantoor kwam, zich aantemelden by m'nheer Pompile "die hem zou

onderrichten in z'n verplichtingen omtrent de post."

--Zieje wel, Stoffel, riep z'n moeder, ze hebben allerlei voor

hem te doen! Net zooals de dokter zei: 'n jong-mensch moet veel

werken. Precies wat ik altyd zeg. Veel werken is de boodschap. Zorg

nu vooral, Wouter, dat je-n-op je tyd daar bent, en laat vooral die

m'nheer ... hoe heet-i ook?

--M'nheer Pompile, moeder.

--Nu ja, de naam doet er niet toe. Ik meen maar dat je zorgt op je

tyd te wezen. Wat zou je-n-er van zeggen als je dat nu eens opschreef?

--Ik zal 't wel onthouden, moeder.

--Schryf 't liever op. Waartoe dient anders je boek? Ik heb 't je

dáárvoor gegeven, jongen!

Met of zonder opschryven dan, reeds om zeven uur schelde Wouter aan

't huis met spiegelglas. De meid zei dat m'nheer nog niet op was,

en vergunde hem plaats te nemen op de vloermat ... daar stond-i! Wie

myner lezers weet hoe lang 'n minuut is? Nu, dàt wist de friesche

klok die daar in de gang Wouter stond gezelschap te houden met z'n

tik ... tik, en om de zooveel tikjes 'n zwaarder tik! Dan versprong de

groote wyzer als met 'n zenuwachtig schrikje, en met saaie volharding

zette de sekondeslinger z'n eentonige reis voort: aktie, reaktie,

tik, tik ... die klok verveelde zich niet! En 't ding stond op vier

zwarthouten ballen, en hoefde niet te verwisselen van zwaartepunt of

heup. Wouter wel. Dan rustte hy links, en dan weer rechts, dat is:

hy rustte niet. Men begrypt dat z'n naast-byliggende plicht niet

toeliet tegen den wand te leunen in 't huis van z'n patroon. Z'n

enkels, knieën, heupen en ruggegraat ...

Tik, tik, zei de klok. Ja juist, zoo-iets voelde hy in al z'n

leden. Geen Demosthenes kon 't juister uitdrukken.

Er werd gescheld. Met z'n gewone zucht om te helpen opende Wouter de

deur. De meid die niet zeer spoedig en zonder haast kwam aansloffen,

bedankte hem in 't minst niet. Wouter mocht getuige zyn van haar

verzekering dat ze geen schuurzand noodig had--want het was 'n

trafikant in dit handelsartikel, die zich aanmeldde--en dit verschafte

hem wat afleiding. Hy hoopte dat men nògeens schellen zou.

Waarlyk, dit geschiedde, en zelfs nog geen vol kwartier daarna. Een

melkboer! Deze verhaalde iets aan de meid over 't weer, en Sientje was

van zyn gevoelen, maar zei er by dat mevrouw niet tevreden was over

z'n melk, waarop de man iets antwoordde. 't Onderhoud was ... zeer

onderhoudend, maar voor Wouter wat kort. Tik, tik, zei de klok weer.

Nog andere menschenvrienden kwamen by lange tusschenpoozen de

welsprekendheid van die klok afbreken, en Wouter had ze wel willen

kussen. Heel eindelyk schelde de barbier. Ook deze werd uitgenoodigd

te wachten tot "m'nheer òp zou zyn."

--Dat doe-n-ik niet, zei de man. Ik kan al m'n andere klanten niet

laten wachten op één van 'n stooter in de week!

En hy ging. Wat 'n brutale barbier! Zeker, 't was afkeurenswaardig,

't Was ruw, ongemanierd ... o ja! Maar toch betrapte zich Wouter op

de verzuchting:

--Och, misschien zou 't beter voor me zyn, barbier te worden dan in

den handel te blyven.

De ondankbare! Juist immers toen hy zich aan dezen wreveligen indruk

overgaf, vernam-i schreden van iemand die in 't achtereind van de gang

de trap scheen aftekomen. De Heer was naby, of ... de jongeheer Pompile

toch. Hy vertoonde zich in z'n kamerjapon, en werd Wouter gewaar.

--Ah ... zoo? Ja, juist! Je bent daar? Heel goed! Wilkens heeft je

zeker gezegd ... heel goed, heel goed! Weet je wat je doet? Je moet

zoo goed wezen ... even te wachten.

M'nheer Pompile verdween in de suite, en de klok was weer aan 't woord.

Had Wouter maar niet zoo'n pyn in z'n lenden gehad, hy zou wel

in-staat geweest zyn, gedachten te borduren op 't kanevas van dat

eentonig geluid. Maar stoffelyke aandoening belemmerde hem in 't

aan-eenknoopen van z'n indrukken. Hy voelde zich suf en machteloos,

't Was om neertevallen.

Na slechts drie-kwartier kwam m'nheer Pompile weer tevoorschyn uit

de suite, waar-i ontbeten had. In 't voorbygaan droeg hy Wouter op,

de goedheid te hebben even te wachten omdat-i zich nu ging kleeden

... tik, tik!

Alweer 'n afleiding. De meid scheen in de suite geroepen, want ze kwam

haastig aanloopen, en opende de deur van dat vertrek. Wouter mocht

vernemen hoe mevrouw haar meedeelde dat er vandaag 'n kanarievogeltje

zou gebracht worden, en:

--Als 't komt, Sientje, breng 't vooral terstond binnen!

Dit beloofde de meid. Wat moest nu Wouter bepeinzen? De

onafhankelijkheid van dien barbier had hem verlokt tot 'n rudiment van

weerspannigheid. Vorderde nu de konsekwentie dat-i verviel in dolle

yverzucht op dat bevoorrecht vogeltje? Misschien wel. Zuinigheid

op z'n aandoeningen zou misplaatst geweest zyn, al ware het hierom

alleen wyl ze van alles wat-i hier te zien en te aanschouwen kreeg,

het duurzaamst blyken zouden. M'nheer Pompile is ter-zyner-tyd zoo

goed moeten wezen te sterven. Ook zoo'n kanarievogel leeft maar kort,

en laat geen andere leegte na dan twee duim kubiek in z'n kooitje. Het

beestje had lang uitgetjilpt voor Wouter de lessen van onafhankelykheid

leerde ontberen, die hy nu nog--ter-loops, maar gretig toch--opving van

'n barbier. En ook deze chirurg is ter-ziele. Hopen wy dat de Hemel

hem niet gesloten bleef, omdat hy oorzaak was dat m'nheer Pompile's

baard gevaar liep 'n dag langer te zyn dan anders te verwachten is

van zestien welgetelde duiten scheerloon in de week. Zooveel namelyk

bedroeg de "stooter" waarvan we zoo-even iets vernamen als bydrage

tot de Lukullische weelderigheid van den jongeheer Pompile.

Al die dingen zyn dus weggewischt, uitgewreven, vergaan. En nog steeds

leven er gedachten van Wouter ... aere perenniores! 't is mogelyk

dat die klok nog altyd hier-of-daar z'n tikkende loopbaan voortzet,

en dat er nog altyd 'n huis staat met vensters van spiegelglas,

op de Leliegracht--deftige zy, héél deftige zy--maar wat beteekent

dit in vergelyking met 'n hoofdstuk uit de zielegeschiedenis van 'n

mensch? Huizen en klokken zullen voorbygaan, maar niet voorbygaan

zullen de uitvloeisels der gemoedsbitterheid van iemand die daar

de gelukzaligheid staat te benyden van 'n opgesloten vogeltje dat

terstond mocht binnenkomen als 't zich aanmeldde. Toch gis ik dat

Wouter niets of niemand benydde. Hy was er te moê toe, en werd te

zeer bezig-gehouden door 't spit in den rug.

Daar werd zoowaar de jongeheer Pompile weer zichtbaar, nog altyd

ongekleed.

--Zoo, sta je daar nog? Ja ... zoo ... hoor eens! Weet je wat je

doet? Je moet eens zoo goed wezen, gauw 'n barbier voor me te halen.

Die lieve goeie Pompile! Hy vergunde Wouter zich eens te bewegen. Deze

vervulde z'n naastbyliggend plichtje met yver en dankbaarheid. Toen-i

het verlangde gevonden en binnengeleid had, nam-i z'n vorig domicilie

op de vloermat weer in, en verstond heel duidelyk wat de klok zei:

--Zoo, ben je daar wéér? Ik ben er nòg ... tik ... tik!

De installatie by 't postkantoor geschiedde wel niet met plechtigheid,

maar toch met al de bereddering die de jongeheer Pompile gewoon was

toetepassen op de nietigheden waarmed-i zich gewoonlyk bezighield.

--Kyk, je moet nu eens zoo goed wezen hier te komen staan,

alle morgens! En dan houd je 't postkantoor in 't oog. En als

ze dan uitkomen--de bestellers, weetje?--dan let je goed op. En

je loopt ze na. En je vraagt de brieven voor de heeren Ouwetyd &

Kopperlith. Maar je moet dat niet vragen hier vlak voor 't kantoor,

want als de direkteur het ziet, dan worden ze gestraft ... omdat

het verboden is, weetje? Je loopt ze na, daar in die steeg, en

als ze je-n-'n fooi vragen, of 'n borrel--want dit doen ze ...

gemeen volk!--dan zeg je maar dat je ... neen, dan zeg je niets. Of

je zegt maar ... dat je de brieven vraagt voor de heeren Ouwetyd &

Kopperlith. Zóó moet je zeggen! En 'n fooi? "Met nieuwejaar" kan je

wel zeggen, maar zeg niet dat ik 't gezegd heb, want dan verwachten

ze te veel. Onbescheiden volk, weetje? Kyk, daar komen ze! Nu zal

ik je wyzen wie onze buurt heeft. Daar, dáár, die magere met z'n

dikken neus en slobkousen ... dàt is-i! Zeg hem dat-i nog pas gister

'n stuiver van me gehad heeft, en dat-i je de brieven geeft voor de

heeren Ouwetyd & Kopperlith, zóó moet je zeggen!

Wouter liep den aangewezene na, en haalde hem weldra in. De man,

die hem niet kende, wees hem stug af. Maar de deftige m'nheer Pompile

stond op 'n afstand te wenken en te telegrafeeren, met dit gevolg dat

Wouter zich kon beschouwen als formeel voorgesteld aan den mageren

besteller met den dikken neus en de slobkousen. Er was inderdaad iets

aangekomen voor 't huis Kopperlith. Deze of gene winkelier in een der

provincien scheen behoefte te hebben aan 'n krieuweltje. Wouter kwam

zegevierend met den brief aanloopen op 't kantoor waar-i 't eerwaardig

sanhedrin van z'n patroons reeds vergaderd vond, Pompile meegerekend

die, na 't overseinen van Wouter's geloofsbrieven, zich gehaast had

de gemeene steeg te verlaten, welker duisterheid gewoonlyk het geknoei

met die brieven medeplichtig beschaduwde.

Onze jongste-bediende werd nu met de noodige aanbevelingen tot "net

werken" aan 't kopieeren gezet van 'n paar brieven. De jongeheer

Pompile Kopperlith maakte gebruik van den komkommertyd, om eenige

debiteuren die wat achterlyk waren, aan betaling te herinneren. 't

Een-of-ander genie uit den voortyd had deze bezigheid vereenvoudigd

door 't vaststellen van drie formulieren die elkander opvolgden in

graden van nadrukkelykheid. Formulier één: beleefd. De aanzuivering was

waarschynlyk den zeer geachten handelsvriend door 't hoofd gegaan, en

de heeren O. & K. konden niet nalaten deze gelegenheid aantegrypen om

"uwe zoo byzonder vereerde firma" hiernevens 'n paar stalen aantebieden

van onbegrypelyk-pryswaardige diemet. Formulier twéé: de--nog altyd

eenigszins geachte--vriend verloor uit het oog dat de pryzen à comptant

waren berekend, en ofschoon men zoo byzonder gaarne zaken met hem deed,

was men wel genoodzaakt ditmaal ... enz. Géén stalen. Derde formulier:

binnen acht dagen solide remise, of anders ... enz.

Wouter bewonderde de bekwaamheid van z'n chef, die zoo precies wist

hoe men al die menschen moest toespreken. Toch was 't kopieeren van

die korte briefjes weldra afgeloopen, en hy werd weer aan 't plakken

van z'n stalen gezet.

--En ... zouden wy hem nu maar niet met-een de letters van 't woord

laten leeren? vroeg Pompile aan Wilkens.

Er scheen iets vreeselyks in dit voorstel te liggen, want Wilkens

keek ontsteld op.

--M'nheer!

--Ja, denk je niet? Me dunkt dat ...

--Maar ... m'nheer!

Al had Pompile voorgesteld het jonge-mensch te villen of te skalpeeren,

de schrik van Wilkens kon niet grooter geweest zyn.

--Maar, m'nheer! Dit zou, onder uw welnemen, verbazend onvoorzichtig

zyn!

--Hé, dacht je dàt?

--M'nheer, ik kan u plechtig verzekeren dat ik reeds drie jaar by

de zaken was, voor men my de letters van 't woord wees! Men moet

jonge-menschen niet over 't paard ligten, m'nheer! De verwaandheid

komt er gauw genoeg in, m'nheer!

--Nu, zooals je wilt, Wilkens. Ik had er zoo diep niet over nagedacht,

weetje?

Dit was de zuivere waarheid, en wel de waarheid eens-voor-al, want de

jongeheer Pompile dacht nooit diep na. Maar in het tegenwoordig geval

zou z'n ligtzinnigheid--als-i niet bekleed ware geweest met den rang

van patroon--onvergeeflyk zyn voorgekomen aan m'nheer Wilkens. De lezer

zal dit beseffen zoodra hy weet dat de zeer belangryke zaak neerkwam

op de vraag of men Wouter reeds nu zou inwyden in de geheimzinnige

teekens waarmee de heeren Ouwetyd & Kopperlith de inkoopspryzen hunner

goederen op de etiketten wisten uittedrukken. Er behoorde veel toe

om deze teekens grif te verstaan. Meer nog om 't vertrouwen waard te

zyn, dat men dit geheim ongeschonden bewaren zou, en volgens m'nheer

Wilkens was Wouter nog lang zoo ver niet. Glansryk was de triumf van

den oud-gediende tegen den onvoorzichtigen jongeheer Pompile die,

zonder zyn raad, dat jonge-mensch zoo maar op-eens 't licht zou

vertoond hebben dat den tabernakel van 't kantoor omluisterde. Maar

de zegepraal van den kleingeestigen grysaard was niet volkomen, voor

Wouter-zelf 't bewustzyn van z'n voorloopige uitsluiting terdeeg

geslikt had. Want deze begreep niet wèlk woord en wèlke letters

te heilig werden beschouwd voor z'n nuchter verstand, onbeproefde

eer en geringe verdienste. Wilkens merkte de door hem opgeplakte

stalen met nummers, en zette daaronder de diepzinnige hierogliefen,

waarover hy 'n vraag wist uittelokken om aanleiding te hebben tot

het verpletterend antwoord:

--Dàt past je nog niet! Dat past je volstrekt niet! Vraag dáár eens

na, als je-n-'n half-dozyn jaren behoorlyk gewerkt hebt, of ... langer!

Het vooruitzicht was prachtig. Het spreekt vanzelf dat Wouter

hevige begeerte voelde naar de vrucht van een zoo aptytelyk verboden

boom. Reeds den volgenden dag ontcyferde hy met geringe inspanning,

door 'n beetje vergelyking, de beteekenis van die geheimzinnige

letters. Daar hy--uit voorzichtigheid of konscientie--'t aldus weldra

gevonden heiligwoord niet in z'n zakboek heeft opgeschreven, kan ik

het den lezer niet meedeelen. Met Pompile's baard en vensterglas,

met de krieuweltjes en de wittegrondjes-driekleur, is deze mysterie

onopstandelyk ten-grave gedaald, 'n gaping in myn verhaal waarvoor

ik verschooning vraag.

By 't schetsen van al deze nietigheden, waarby ik de waarheid zoo

trouw mogelyk tracht naby te blyven, kan ik my niet onthouden van de

vrees dat sommigen my verdenken van overdryving. Deze beschuldiging

tegen 'n schryver is gewoonlyk een kenmerk van oppervlakkigheid,

en byna altyd ongegrond. Hoogstens zou men recht hebben de wyze van

behandeling aftekeuren, de manier van voorstellen, en de door hem

uit de feiten afgeleide gevolgtrekkingen. Overdryving in 't schetsen

van die feiten-zelf is nagenoeg onmogelyk, want de graad waartoe

menschelyke dwaasheid kan afdalen, is voor den boosaardigsten artist

onbereikbaar. Waar deze dwaalt, ligt de fout aan z'n onbekwaamheid

in 't nateekenen, in 't verkeerde van de voorstelling, niet in

overdryving. Dat er onder 't half-dozyn personen waarmee Wouter hier

in aanraking kwam, geen enkele was die zich verheffen kon boven 't

àllerlaagste peil van verstand en hart, mag slechts vreemd voorkomen

aan wie de Maatschappy niet tot 'n onderwerp van studie gemaakt

heeft. Myn schets is wáár. En zelfs behoef ik me niet te beroepen op de

bekende spreuk: que le vrai peut quelquefois n'être pas vraisemblable,

om te betoogen dat deze waarheid ditmaal geenszins in-stryd is met

waarschynlykheid. Wie dit begrypen wil, hebbe slechts nategaan wat er

door wezens als de hier bedoelde, levenslang is uitgericht? Wat hun

wenschen waren, hun neigingen, bezigheden, geestelyke behoeften? Hoe

hun opleiding geweest was ... dit doet er minder toe, maar: met welke

opleiding zy volkomen tevreden waren? Nooit kwam het in hen op dat ze,

wèl beschouwd, behoorden tot de laagste soort van schepsels die met

zoölogische welwillendheid gerekend worden boven de dieren des velds

te staan. En ... by dit alles, die koddige trots!

Ik weet zeer goed dat geestelyke en zedelyke waarde niet volstrekt

samengaat met de meer of mindere belangrykheid van het beroep,

noch daarvan afhangt. Het is begrypelyk dat menigeen om-den-wille

van z'n onderhoud zich moet tevreden stellen met 'n kostwinning,

die òf geen punten van aanraking oplevert met z'n gemoed, of zelfs

lynrecht tegen de opwellingen zyner ziel indruist. Ik laat nu daar,

in-hoe-verre deze disparatie mogelyk en te verontschuldigen is,

en stel dus niet de vraag of, byv. 'n gevoelig mensch 'n degelyk

vleeschhouwer of scherprechter wezen kan--misschien wel!--doch wáár

blyft het dat iemand die ongenoodzaakt z'n levensonderhoud zoekt in

grove of nietige bedryven, blyk geeft van 'n laag standpunt.

Wat dan te zeggen van 't ras der koprolithen, dat geheel vrywillig

verstand, hart en karakter laat braak-liggen? Al zy het nu dat de

jongeheer Pompile niet zeer zuiver de waarheid sprak, wanneer-i 'n

onnoozelen "buitenman" die 'n krieuweltje kwam koopen, verzekerde:

"dat papa zoo byzonder ryk was, en dat ze 't om den broode niet hoefden

te doen" toch hadden de jonge-lieden 'n anderen werkkring kunnen

kiezen. Maar ... dan hadden zy iets moeten leeren, zich inspannen,

en dit gedoogde noch hun fatsoen, noch hun traagheid. Arbeid en

kennis was goed voor anderen wier papa niet "zoo byzonder ryk"

was. Die heele rykdom van den oudeheer kwam neer op eenige tonnen,

'n som die bestemd was in zessen te worden verdeeld. Ze hadden dus

wel degelyk behoefte aan 'n werkkring, en twee van de zoons kozen, wat

als voorvaderlyk erfdeel voor-de-hand lag: de lappennegotie. Hiertoe

was slechts 'n klein gedeelte noodig van 't beschikbaar kapitaal dat

hoofdzakelyk in effekten belegd bleef. Hadden zy kunnen besluiten den

inventaris te ontlasten van de goederen die jaar-in jaar-uit op die

zolders lagen, dan zouden ze met nog geringer kapitaal de zaak hebben

kunnen dryven. Tot dit "opruimen" echter--waarop Dieper soms bescheiden

en rente-berekenend aandrong--waren ze niet te bewegen. Meenden zy

misschien dat die oude verkleurde lappen ooit weder den prys zouden

waard zyn, die daarvoor betaald werd vóór den bloei der Amerikaansche

katoenmarkt en der Engelsche weveryen? Ze meenden noch dit, noch iets

anders. Ze meenden niets.

De dagelyksche handel was allereenvoudigst tot het idiote

toe. Tweemalen 's jaars bestelde men "op staal" eenige duizende

stukken gedrukte katoenen. De by 't kiezen te-pas gebrachte wysheid

overstelpte onzen Wouter, die alweer angstig werd dat hy nooit, nooit,

nooit zoo ver komen zou om te weten of de burgervrouwen die zich

kleedden in gedrukt katoen, dit jaar de voorkeur geven zouden aan 'n

slangetjen of aan moesjes? Wilkens zat by zulke gelegenheden als op 'n

troon. De verhandelingen die hy hield over 't gewicht en de strekking

van 'n klein verschil in kleur of figuur, waren verpletterend. Ik

heb reeds gewezen op de rechters die in 't laatste ressort over de

vonnissen van onzen lappen-wysgeer te beslissen hadden. Toch zou hy

't zeer vreemd hebben gevonden indien men boerinnen of dienstmeiden

zitting en stem had verleend in 't koncilie dat hy prezideerde. En

... de hoogheid tegen zoo'n handelsreiziger! Het is opmerkelyk dat

de engelsche fabrikanten voor deze betrekking gewoonlyk Duitschers in

dienst nemen. Christelyker werkkring bestaat er niet. Voor dezulken is

't Evangelie van den linkerwang geschreven! Zoo'n ongelukkig wezen werd

drie, vier keeren weggezonden, voor 't m'nheer Wilkens en den jongeheer

Pompile gelegen kwam te zien welke nieuwe figuurtjes de teekenaars der

fabrieken hadden uitgedacht. Heel eindelyk begunstigde men hem met de

mededeeling dat er waarschynlyk niets zou noodig zyn. Dat men reeds

groote bestellingen gedaan had aan andere "huizen." Dat de markt

slap was, buitengewoon slap. Enz. Ten-laatste werd hy genadiglyk

toegelaten, en de zitting nam 'n aanvang. Eugène, wiens woorden

duur waren, stelde zich 't minst bespottelyk aan. De beide anderen

wedyverden in zotteklap, en de commis-voyageur beantwoordde elke op-

of aanmerking met 'n aller-beleefdsten glimlach. Hy haalde op zyn

beurt z'n schade aan verongelukte menschenwaarde, in diligences en

trekschuiten of aan de table-d'hôte met woeker in. Daar publiceerde

hy de twee dozyn anekdoten die elk handelsreiziger behoort in voorraad

te hebben, en ging by z'n kameraden onder verband van wederkeerigheid,

voor 'n wezenlyken heer door.

By ontvangst van de bestelde goederen steeg de belangrykheid der

werkzaamheden op 't kantoor en in het magazyn tot het verhevene. De

bedongen prys werd verhoogd met de onkosten van pakking, transport

en assurantie, en daarna volgens de koers van den dag herleid in

hollandsch geld. Deze berekening was zeer in 't byzonder de taak

van Pompile, die er zeer handig in was ... geworden, na veel jaren

sukkelens, zei de oudheidkundige Gerrit. Goed, nu toch verstond

Pompile die kunst! By verkoop legde men 'n procent of vyftien op den

inkoopprys, en de cyclus van beroepswysheid was afgeloopen ... op

't overbluffen, liefkozen, streelen en bedriegen van de koopende

winkeliers na. Ook in dit gedeelte van 't "vak" was Pompile een eerste

meester. Zelfs Wilkens moest erkennen, dat ... enz.

Geen van die heeren had ooit iets anders gedaan, geen hunner

had gehaakt naar andere inspanning. Ze voelden zich volkomen

verzadigd. Zelfs 't boekhouden van den ouden Dieper ging hun sfeer

te-boven. Z'n memoriaal en journaal en grootboek waren gewyde arken

waaraan nooit iemand de hand durfde slaan. Wel beschouwd overtrof

zelfs de oude Gerrit de heeren patroons in menschenwaarde: hy kòn

iets! Een van z'n hoofdbekwaamheden bestond in 'n byna onbedriegbare

kennis der geldsoorten, en z'n "worpen" by het tellen waren monumenten

van regelmatigheid. Het was jammer de zest'halven by-een te stryken,

die door hem waren tentoongespreid in symmetrische regels ... zilveren

verzen, waarlyk! En dan 't nog altyd respectabel overschot van z'n

handigheid in 't pakken ... wel te verstaan, als 't hem gelegen kwam

niet styf van rhumatiek te wezen. Toch moest ieder onbevooroordeelde

erkennen--en er bestond reden tot vooroordeel--dat Wouter hem hierin

met reuzenschreden voorbystapte, gelyk we ter-zyner-tyd zullen te

zien krygen.

Tweemalen 's jaars ging Wilkens op-reis, en speelde dan by winkeliers

de rol waartoe hyzelf gewoon was buitenlandsche reizigers te

veroordeelen, die 't ongeluk hadden van zyn welwillendheid en

zaakkennis aftehangen. De goden zyn rechtvaardig! Dan werd-i terdege

bestraft in z'n zondige plek, en moest soms twaalf keeren tevergeefs

toegang vragen--de door Moore bezongen paradys-peri!--om doortedringen

tot het achterkamertjen in 'n lappenwinkel. Een andermaal liet men

hem schildwacht houden voor de toonbank, en afwachten wat 'n snibbig

winkelmeisje--de "m'nheer Wilkens" loci--over hem zou gelieven

te besluiten. Zekere overleveringen luiden dat-i zich by zulke

gelegenheden meermalen moest laten welgevallen, met z'n wasdoeken

staalpak onder den arm--en den voorgeschreven welwillendheids-glimlach

op 't gelaat--uren lang op de stoep in den regen te wachten: "omdat-i

in den winkel de klanten in den weg stond." Het spreekt vanzelf dat

deze handels-liefkozing beantwoord werd met 'n allerbeleefdst:

--Met pleizier, juffrouw!

Van één hoedanigheid die den commis-voyageur kenmerkt, moet ik Wilkens

finaal vryspreken. Nooit vertelde hy anekdoten uit 'n almanak. Het

schynt dat z'n deftigheid zich hiertegen verzette. Waar hy meende z'n

officieel handelsgewaad een oogenblik te mogen afleggen, bepaalde hy

zich tot het uitpluizen van 'n zeer interessant bankroet, waaruit

hy door een byzondere hem alleen eigene gauwigheid, z'n patroon 'n

heel procent meer had weten te bezorgen dan de overige krediteuren

ontvingen. Over 't verguld-koper snuifdoosje dat hem deze heldendaad

had opgebracht, stapte hy losweg heen ... uit bescheidenheid, zeid-i,

maar als 't noodig was zou hy 't nog altyd kunnen laten zien. En wie

dan niet uitdrukkelyk naar deze ridderorde vroeg, vond-i onbeleefd. Z'n

tweede strydpaard aan 't dessert, was de roerende levensgeschiedenis

van drie stukken-bielefeldsch linnen die door 'n onkundige waren

aangezien voor iersch fabrikaat, een vergryp waaruit ongetwyfeld 'n

proces zou voortgesproten zyn, indien niet hy, Wilkens--"want, heeren,

dàt is nu eigenlyk m'n vak!"--als expert of arbiter de zaak tot 'n

vroolyk einde had weten te brengen, door de opmerking ... enz. Dat

deze beide geschiedenissen een byzonderen geur van gezelligheid

meedeelden aan z'n onderhoud, is niet te ontkennen. Maar hy was er

zeer spaarzaam mede, want: "er zyn reizigers en ... reizigers, zeide

hy, en heden-ten-dage is niet ieder op de hoogte om 'n goed diskoers

te waardeeren."

--En, jongeheer, zei Dieper, hoe moet ik nu doen met dat briefjen in

den Jodenhoek? 't Is 'n smeerig papiertje, jongeheer!

--Ja, Dieper, dàt is het! Waarom zeg je 't niet aan papa? Die

Gerrit ...

--Zeker, jongeheer! Ik heb den oudeheer reeds dikwyls daarover

gesproken. Maar u weet dat-i niet gaarne ...

--Weet je wat je doet, Dieper? Zend hèm!

En met z'n duim over schouder, wees hy onzen Wouter aan.

--Niet waar, jy kunt immers wel geld ontvangen?

Wouter's gelaat helderde op by de gedachte dat hy iets kunnen zou.

--'t Is zeer gevaarlyk, m'nheer, zei Wilkens.

--Aan den kassier durf ik 't briefje niet geven, klaagde Dieper. 't

Is te smeerig! M'nheer heeft het me verboden, omdat-i wel-eens een der

direkteuren van de Kas ontmoet in Doctrina. En, zegt m'nheer, het stáát

niet ... zulke smeerige briefjes. En dit is wel de waarheid, jongeheer!

Nog altyd zullen sommige lezers de ware beteekenis van deze elegante

uitdrukking niet begrypen. Een "smeerig papiertjen" is 'n accept van

iemand die geen naam op de beurs heeft. Zoo'n man moge solide zyn,

eerlyk, trouw aan z'n woord, het helpt niet. De door hem geteekende

stukken zyn "smeerige papiertjes" en dezulken waren er dikwyls onder de

remises van kleine winkeliers in de provincien. In dit byzonder geval

echter scheen meer dan gewone reden tot afkeer te bestaan. De man van

wien hier sprake was, woonde in 'n dwarsstraat van 'n dwarsgracht in

den Jodenhoek, en Gerrit die meermalen geld by hem had ontvangen,

klaagde dat-i "by dien kerel" al z'n muntkennis noodig had om

niet te-kort te komen. De acceptant lokte hem steeds in 'n donkere

achterkamer waar 'n zeer groote familie huisde, en die slecht verlicht

was: 'n hol, zei Gerrit. En 'n behoorlyke tafel om geld te tellen,

was er ook niet. Zelfs de vloer kon daartoe niet dienen, want hy was

vol reten en gaten, en wanneer men 't in-weerwil hiervan beproefde,

liepen of rolden de talryke kinderen heel onprozodisch door de worpen

heen. Kortom, de woning van dien jood was 'n tuin der Hesperiden waar

weinig anders te plukken viel dan wat kans om geplukt te worden. En:

"hierop legt de kerel het toe!" zei Gerrit.

Dit alles was den jongeheer Pompile bekend, en toch drong hy er

op aan dat Wouter belast worden zou met de inkasseering van dat

"smeerige" briefje.

--Zie je, Dieper, 't is nuttig voor hem dat-i alles leert.

--Zeker, jongeheer, maar ...

--En hoe ànders? Gerrit is styf van rhumatiek ... zeg dàt aan papa. En

als nu Pieterse dat geld ontvangt ... hm, ik wil maar zeggen dat-i

alles leeren moet.

De ware reden die Pompile zoo hardnekkig op z'n voorstel deed

aandringen, was eenigszins anders. Hy hoopte dat die jood onzen

Wouter 'n paar valsche stukken zou in de hand stoppen, of dat er

'n andere tekortkomst blyken zou. Hieruit wilde hy munt-slaan in z'n

eeuwigen stryd met de styve rhumatiek van Gerrit. In de nadeelen die

Wouter's onbedrevenheid konden na zich slepen--en die met wat overleg

wel op "huishouden" konden gewenteld worden--zou hy slechts deelen

voor 'n half kindsgedeelte. Zóóveel wilde hy nu wel eens ten-offer

brengen om verlost te raken van 'n knecht die hem als kleinen jongen

gekend had, en ... meer dan aangenaam, ingewyd was in de chronique

scandaleuse van z'n jeugd. Héél skandaleus noem ik die kroniek alweer

niet. Maar Pompile beeldde zich dit groothartiglyk in, al waren dan

z'n afwykingen van 't pad der deugd gewoonlyk te dekken geweest met

'n paar zest'halven. Alle waar is naar z'n geld, tot de uitspattinkjes

van zekere lieden toe.

Hy dreef dus de zaak door. Wouter ontving 't smeerige papiertje

dat er niet onzindelyker uitzag dan andere wissels, en borg het met

ingespannen zorg in z'n patriarchaal zakboek. De te ontvangen som

bedroeg eenige honderde guldens. Wilkens gaf hem 'n geldzak mee,

en veel vermaningen om--in zeer letterlyken zin--goed op z'n tellen

te passen.

Binnen 't uur was Wouter met het vereischt bedrag terug. Op 'n weinig

buitengewoon kantige pasmunt na, bestond het in glinsterende dukatons

met ongeschonden rand. Gerrit-zelf, dien ze later als 'n byzonderheid

door Dieper getoond werden, moest erkennen dat men ze zelden zoo

te zien kreeg en dan ... "van zoo'n smeerigen jood!" Het ging z'n

begrip te-boven, en daar ik ditzelfde in den lezer veronderstel,

wil ik de oorzaken van dezen goeden afloop in 'n volgend hoofdstuk

meedeelen. Ik moet erkennen dat ik met genoegen het kantoor van de

heeren Ouwetyd & Kopperlith 'n oogenblikje verlaat. Zoodra mogelyk

keeren wy 't met welgemeenden afkeer den rug toe. Maar men bedenke dat

schryvers en leerjongetjes hun arbeid en verblyf niet voor 't kiezen

hebben. Myn naastbyliggende plicht was nu eenmaal het beschryven van

zeker menschenras waaraan Vuurlanders, Huronen en Irokeezen te danken

hebben dat ze niet de àllerlaatste schakel zyn die den Mensch aan de

Dieren verbindt.

Onmogelykheid een der verhevenste kenmerken van het ware. Handel,

Staathuishoudkunde en Petite Voirie uit den voortyd. Nieuw blyk

der verregaande insoliditeit van den auteur die, in-plaats van

de beloofde dukatons, den lezer afscheept met 'n bespiegeling

over gebrek aan Israëlitische kontroverse.

De lezer wordt dus uitgenoodigd eenige stappen met den auteur

terug te gaan, om daarna gezamenlyk Wouter te vergezellen

naar den Jodenhoek. Men moet al zeer schraal bedeeld zyn met de

specifiek-dichterlyke gaaf van assimilatie, om den familietrek voorby

te zien, die dezen tocht doet zweemen naar de uitspatting waaraan

zich eenmaal prinses Erika schuldig maakte. Wy weten dat zy daarheen

ging om zich te verfrisschen door 'n bad in 't gemeene ... of wat

voor gemeen doorgaat. Ze wilde de walging afspoelen die haar de

hoftoon veroorzaakte. Wy immers ook zyn misselyk van de heeren

Ouwetyd & Kopperlith, al zy 't dan dat we ons te reinigen hebben

van heel iets ànders dan nasmaak van overdreven hoofsheid. Veel

verder alzoo dan zekere gelyksoortigheid van indruk, gaat deze

overeenstemming met prinses Erika niet. Wy behoeven waarlyk geen

zyden kousen aantetrekken om Wouter te begeleiden, en ook belooft de

auteur op eerewoord, dat-i de maagdeperen met rust laten zal. Deze

onthouding van prinselyke excentriciteit is te meer gepast, omdat

het perensaisoen nog niet was aangebroken. Het briefje dat Wouter

te inkasseeren kreeg, verviel op den zooveelsten van Zomermaand,

of misschien in Juli, maar zeker lang voor 't najaar. Het is den

lezer bekend dat er nog altyd één fatsoenlyke familie in de stad

was, en dat alzoo het ooft van den herfst nog aan de boomen hing,

ver buiten de stad. In zekere toekomstige kritiek op m'n werk meen ik

te lezen dat dus ook de eskapade van prinses Erika hoogst-apokrief

is, een opmerking die my de welkome gelegenheid aanbiedt, nog-eens

te wyzen op m'n verregaande waarheidsliefde. Waar geen peren zyn,

kan niet met peren geworpen worden. Wie dus, in-weerwil van deze

algemeen bekende waarheid, dit werpen met onmogelyk ooft als geschied

voorstelt, heeft 'n leugen gezegd. Wie leugens durft opdisschen aan

een ontwikkeld publiek, moet wel zeker van z'n zaak zyn, en zóó vast

staan in den kothurn zyner overtuiging, dat-i het steunen op kleine

waarschynlykheidjes missen kan. Alleen vervalschers zyn nauwkeurig

in byzaken, en wie zulke byzaken durft verwaarloozen met eene aan

't onbeschaamde grenzende slordigheid, is ... 'n evangelist. Ziedaar

de gronden waarop de minste twyfel aan de geloofwaardigheid van myn

boodschappen--bly zyn ze niet altyd ... nu ja, maar boodschappen zyn

het toch!--behoort te worden verklaard voor godslastering. Waartoe

zou het Geloof dienen, als 'n profeet, by al z'n andere plichten, zich

nog zou moeten onthouden van de ongerymdheid ook? Om 's hemels-wil,

lezer, ik vraag u, hoe konden er maagdeperen in Amsterdam zyn? Met

de bekende fynheid van Schriftverklaring die geenszins in-stryd

is met het geloovig aannemen der grofste ongerymdheid--wat ik in

't voorbygaan bewyzen wilde--heeft de schrandere lezer reeds lang

kunnen berekenen dat het smeerige briefje, met welks inkasseering

Wouter in den komkommertyd belast werd, geen saizoengenoot wezen

kon van zulke projektielen. Dit is ieder bekend die verstand van

ooft en komkommers heeft, handelaars in witte-grondjes-driekleur,

wysgeeren, tuinluî, e. d. De ondeugende prinses Erika had dus heel

iets anders nog begaan dan guitenstukjes of 'n buitensporigheid,

ze had iets onmogelyks verricht: 'n wonder! En zóóver had Wouter

't nog altyd niet gebracht. Hy ging integendeel zeer gebukt onder

't gewone, en had al z'n geestkracht noodig om niet te bezwyken onder

z'n overspannen plichtsbesef.

Met 'n gewicht alsof 't heele bedrag van 't geaccepteerd wisseltjen

in kopergeld aan z'n hakken gehecht was, stapte hy over den weg. Hy

drukte de linkerhand styf tegen de borst waarop het aan z'n eer

toevertrouwd pand rustte, en hield z'n rechtervuistje gebald om den

eersten den besten nedertevellen, die blyk geven zou van het opzet

hem te berooven, d. i. de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Zeker, 't had

'n zeer sterke bende moeten wezen die hierin geslaagd was! Glorioso,

met al z'n makkers en in z'n besten tyd--vóór die verlammende liefde

namelyk voor twee prinsessen, een markgravin en drie hoogst-onschuldige

landmeisjes--Glorioso zelf zou zich misrekend hebben wanneer-i,

staatmakende op de hartelykheid van de oude relatie in de Hartenstraat

... nu, Glorioso was er niet, en de marteling van 't konflikt tusschen

zieleverwantschap en plicht bleef Wouter ditmaal gespaard. Het

eenig gevaar dat hem bejegende, vertoonde zich in de gedaante van

'n kindermeisje dat naar den weg vroeg. Wouter stapte dit vermoedelyk

begin van verlokking tot plichtverzuim, met saamgeknepen lippen voorby,

en ... met 'n bloedend hart. Want het kostte hem veel, stuursch

te zyn jegens iemand die zyn hulp inriep. Mocht dat kindermeisjen

'n bende verkleede roovers geweest zyn, dan zyn die industrieelen

finaal ongedekt gebleven voor de onkosten van hun vermomming. Niet

zóó gemakkelyk ontfutselde men onzen held 'n papiertje dat hem door

z'n lastgevers was toevertrouwd!

Hy mompelde zich al de voorzichtighedens voor, die hy zou hebben

in-acht te nemen. Dieper had hem aanbevolen het kostbaar stuk dat

door den jongeheer Pompile voor voldaan geteekend was, niet uit

z'n handen te geven: "voor-i geld zag." En ... niet te kwiteeren:

"voor-i dat geld hàd!" Want ook hyzelf moest teekenen ... ik weet

niet waarom. Het was de gewoonte, en 'n gewoonte die hem verrukkelyk

voorkwam: "ont...van...gen ... Wou...ter ... Pie...ter...se." Zóó zou

er staan in z'n allermooiste schrift. En dat zou bewaard blyven. En

eenmaal zou de nazaat staren en turen op die letters, en eerbiedig

fluisteren: zie, op dit papiertje heeft zyn pols gerust! Dit heeft hy

geschreven, hy die ... ja, wàt? Hier struikelde Wouter's verbeelding,

gelyk telkens geschiedde wanneer-i voorschot nam op 'n toekomst die

zoo byzonder weinig op het tegenwoordige zou gelyken. En dan trok hy

z'n verschrikte voelhorens in, en dwong zich terugtekeeren tot z'n

punt van uitgang in de werkelykheid. Hy schoof den nazaat--tot nader

order!--op-zy, en beloofde zich niet te teekenen voor-i geld zag en

hàd. Zóó had Dieper gezegd! En in z'n gedachten maakte hy kant en

klaar de krul gereed, waar-mede-i z'n handteekening bekrachtigen en

sieren wilde, 't Zou 'n slang wezen, zich slingerend om en door de

spylen van 'n rooster. De staart moest zoo nydig mogelyk byten in

drie stippen, netjes in gelid tusschen 'n paar evenwydige lyntjes,

en de kop werd belast met het als by-toeval kronen van de P. In deze

wending zou de fynheid liggen, en Wouter maakte zich gereed tot het

uitvaardigen van 'n manifest, waarby al de ongekroonde autografen

die ooit van hem mochten worden in omloop gebracht, werden verklaard

te zyn: bedriegelyk, valsch, en van niet de minste waarde noch in

rechten noch in posthume heldenvereering.

Dit alles was alzoo behoorlyk vastgesteld. Maar ... het tellen! Eén,

twee, drie, vier ... dit zou wel gaan. 't Bleef echter de vraag

wàt men hem zou te tellen geven? Dubbeltjes? Stuivers? Duiten,

misschien? Ook dit schrikte hem niet af. Maar ... de pietjes? De

dertiend'halven? De schellingen? De zest'halven? Of--erger nog!--al die

muntsoorten door-elkaar? Hm ... moeielyke zaken! Zoodra hy koning werd,

zoud-i ... och, dit was alweer de vraag niet. Hy wàs geen koning. Hy

was jongste-bediende by de heeren Ouwetyd & Kopperlith, en op dit

oogenblik belast met het ontvangen en behoorlyk uitleveren van 'n

groote som gelds. Dit was z'n naastbyliggende plicht, en hieraan

slechts had hy dus te denken.

Nu, dit deed hy! Vermoeid van dienstyver, stapte hy tusschen de

kraampjes en uitstallingen door, die de Sint-Anthonies-breestraat zoo

byzonder sterk doen gelyken op 'n verstoord mierennest. 't Verschil

ligt grootendeels slechts hierin, dat men er zeer lang naar kyken

moet om wys te worden. Wouter had moeite z'n weg te vinden. Van

bespiegelingen over 't zonderling huishouden in de open lucht, dat

daar voor den opmerker te aanschouwen was, kon by hem geen spraak

zyn. In z'n hoedanigheid van aankomend Amsterdammertje was hy evenmin

ontwikkeld genoeg om zich te ergeren aan al 't onschoone dat hy te

zien kreeg, als om belang te stellen in 't karakteristieke van die

leelykheid. Z'n standpunt omtrent dit laatste vooral wees hem 'n plaats

aan ver beneden prinses Erika, die naar getuigenis van geloofwaardige

tydgenooten, het uur dat ze in den amsterdamschen Jodenhoek doorbracht,

voor een der belangwekkendsten van haar leven verklaarde. Een revue

van dertigduizend man linie--zou ze in vertrouwen gezegd hebben--met

vierd'halve battery artillerie en geestdrift, was er niets by. Ook de

opera niet. En vooral geen hofbal. En geen muzeum van middeleeuwsche

oudheden. [16]

Hoe de dwarsstraat te beschryven, waar Wouter ten-laatste aanlandde? Te

oordeelen naar de dichtheid van de krioelende menigte, die--altyd toch

met het eigenaardig voorkomen van lieden die en voisin uit zyn--zich

verdrong op de straat, moesten al die woonhuizen leeg staan, van

de kelders af tot de hoogste verdieping toe. Nog altyd heerschte in

die buurt--interessant wàs het, hierin had het prinsesje gelyk!--nog

altyd zag men daar de orde of wanorde van 'n volksstam, zwervend in de

woestyn. Het lynwaad der tenten was hout en steen geworden, en voor 't

zand der heide--want als hei vertoonen zich die zandzeeën--vergenoegden

zich de tot staan gebrachte nomaden met modder of stof op straatkeien

en klinkers. Wat ze voor de weelderige grassoorten der bewaterde

plekken in de plaats kregen, weet ik niet. Doch, ook zonder de

minste vergoeding voor de hier-en-daar verspreide schoonheden in

hun vroeger verblyf, nog altyd was die straat-zelf, en niet de tent

van kalk en steen hun geliefd domicilie. De krotten die ze heetten

te bewonen--vuistslagen in 't gezicht der beschaving... in Wouter's

tyd!--waren hoogstens goed genoeg om er in te slapen, en niet eens

onvoorwaardelyk. Zoodra 't zomerweer de begoocheling toeliet of

aanmoedigde dat men zich op-nieuw in de voorvaderlyke erfstreken

bevond, nam het zonderling volkje dit op als 'n sein dat de tyd weer

was aangebroken van het leven in de openlucht, en van terugkeer tot

vóórkanaänsche zeden ... met uitsluiting evenwel van de sedert lang

verjaarde strydhaftigheid. Ze brachten het grootst gedeelte van 't

etmaal tusschen de reien der tenten door. Daar zaten ze, daar lagen

ze, daar sliepen ze. Daar werd gegeten, gedronken, en gearbeid,

d.i. handel gedreven. Daar leefden zy.

Maar dat leven was zonderling, en ontsnapte in z'n hoofdmomenten aan

de waarneming hunner medeburgers van anderen oorsprong en behoorlyker

geloof. Wie deze buurt betrad, en met voornaam-domme achteloosheid z'n

oog liet heenglyden over die vreemde gestalten, zag slechts de zeer

bekende buitenzyde. Alles was daar om handel te dryven, of liever om

zoo mogelyk iets te verkoopen, want wie eigenlyk op die zonderlinge

markt de koopers waren bleef 'n mysterie. Kochten die straatkramers

van elkander? Dreven ze ruilhandel in prullen, lompen en verroeste

spykers? Zoo ja, wat aten ze? Of liever, welke produktie leverde het

excedent van kapitaal, waaruit de levensmiddelen werden bekostigd? En

de huishuur? En de kleederen, volstrekt niet schamel toch op feest-

en vierdag?

Heel in den aanvang dezer geschiedenis heb ik verklaard dat ze

dagteekent van vóór de ontdekking der Staathuishoudkunde. Hieraan

zeker is het toeteschryven dat in Wouter's tyd niemand zich de vraag

voorlegde, wie toch de waren konsumeerde die hier in onafzienbare

reien van kraampjes werden ten-toongesteld? De woorden "rei" en

"kraam" zyn wel wat weidsch. Orde en regel was er niet: alles stond

en lag vol. En wat de kraampjes aangaat, de meeste kooplieden hadden

deze weelde gesupprimeerd, en spreidden hun goederen op 'n oud stuk

zeildoek uit. Anderen versmaadden ook dezen omslag, en gebruikten de

bemodderde straatkeien tot toonbank en uitstalkast. En wat men daar al

vond! Daar lag yzerwerk... neen, zóó hoog betitelde de oprechte koopman

z'n goederen niet--neem er 'n voorbeeld aan, opgeblazen kropolithen

van de Keizersgracht!--hy noemde zich: handelaar in oud roest. De

man beweerde niet, yzer te verkoopen, hy verkocht roest van yzer. En

zelfs geen versche roest. Hy verkocht oud-roest, of oud geroest,

of dingen die oud en verroest waren, gewezen voorwerpen vervreten

door roest van ouden datum. En op nòg lager sport plaatste zich onze

koopman. Hy nam den naam aan van de waren "waarin-i deed" en vond er

niets vreemds in, wanneer men hemzelf aansprak als de hoogbejaarde

oxyde van 'n voormaligen spyker: hy heette Oud-roest. Kan 't nederiger?

Daar lagen alzoo doorluchtige kachels, halve kachels, fragmenten

van kachels. Daar lagen tweebeenige treeften, tegen hun amputatie

protesteerend door 'n beroep op de klassieke beteekenis van hun

naam... en ook wel 'n beetje tegen de aanspraken op taalkennis van

de heeren D. V. & T. W. die ze vrouwelyk maken zouden, 'n jaar of

zooveel daarna. Daar lagen roosters zonder spylen, moeren zonder

kroost, schroeven zonder moer... Niobees en weezen. Daar lagen eenzame

pooten van tangen, en lemmetten van scharen, wreed gescheiden van hun

tweelingen. Daar lagen onthoofde spykers, tandelooze zagen, beitels

zonder snee, sloten zonder veer, sleutels zonder slot, haken zonder

oog, oogen zonder haak, gespen zonder tong. Daar lagen scharnieren,

hoepels, stiften, krammen, ringen, deurkrukken, spanjoletten,

grendels, sabels, bajonetten, bylen, hamers, vuurpoken, kolenscheppers,

potten, pannen, ketels, deksels. Daar lag alles wat ooit van yzer had

kunnen vervaardigd zyn, maar onbruikbaar nu, verdraaid, gebersten,

gespleten, verwrongen, inkompleet, en vooral: verroest! Dit scheen

de eisch te wezen van dien handel. Misschien was de koopman aan deze

eigenaardigheid gebonden door 'n artikel in de patentwet, volgens

'twelk hy wel voor roest maar niet voor yzer was aangeslagen. En

nu sprak ik nog slechts van de dingen die 'n naam gehad hebben, of

misschien eenmaal 'n naam konden gehad hebben. En we stonden nog maar

'n oogenblik stil voor de uitstalling van den Oud-roest alleen. Het

beschryven van 't overig deel der "markt" gaat m'n talent nog verder

te-boven, aan de inventaris van die gewezen yzerwaren. Men kon daar

koopen--maar wie toch kocht er iets?--daar waren te bekomen: zure

augurken, runderlappen, nieren en long, nuchter-kalfsvleesch en andere

spyzen, gekookt en ongekookt, met of zonder de saus. Daar werden oude

lappen en vodden gevent, en stukjes leder, en knoken, en gepensioneerde

hoeden, en strooken vilt, en schilderyen zonder lyst, en lysten zonder

schildery. En prenten, en boeken. En rugtitels zonder bladen, bladen

zonder titel. En landkaarten, niet zonder jacht op symmetrie netjes

in vieren of zessen geknipt, om en détail te worden aan-den-man

gebracht voor 't mogelyk geval dat 'n heel land of werelddeel

de begrooting van den kooper mocht te-boven gaan. En versleten

kleedingstukken. En gelapte schoenen, om nu niet te spreken van de

ongelapte. Daar lag kinderspeelgoed dat veel beleefd had, tusschen

'n tumulus van zuurkool en 'n tropee van hoeven en horens. Ginds stond

'n kruiwagen volgeladen met potjes pomade en latynsche dissertatien,

met almanakken en silhouetten van verloopen jaren en dominees. Ook

meubels waren daar. En er was porcelein, en glaswerk, en aardewerk,

en keukengereedschap... ja, wat was er niet! En dat alles was kreupel,

gelymd, gekramd, onsmakelyk, onvolledig, schynbaar tot niets dienstig

en voor niemand te gebruiken, wat toch 't geval niet kan zyn, want

dat volkje leefde van den handel in die prullen, en: ab esse ad posse

valet illatio. [17]

Doch, ik zeide het reeds, dat leven was zonderling. Ook sprak ik

van de domme voornaamheid die in dit alles geen aanleiding vindt tot

nadenken. Reeds wat men ziet, zou hiertoe kunnen opwekken, en om dit

te betoogen is het weinige dat ik daarvan noemde, voldoende. Maar

hoe zou 't wezen, wanneer we met het oog van den geest iets dieper

doordrongen? De bewoners van dat mierennest zyn... menschen. Het "nil

humani alienum" moge dan al niet juist in wysgeerigen zin 'n artikel

in hun dagelykschen kathechismus wezen, toch is dat woord op hen van

volle toepassing in stoffelyke en maatschappelyke beteekenis. En,

ook zielkundig gesproken, het zou 'n ongerymd waagstuk zyn, hun de

aandoeningen te ontzeggen, die, de... half- en verkeerd-beschaafde

zoo gaarne wil doen voorkomen als het uitsluitend eigendom van de

"deftige klasse." Die straathandelaars hebben wenschen en verdriet. Ze

kennen vreugde, hoop, teleurstelling... eerzucht misschien. Ze

weten--zoo goed als anderen toch, en waarom niet?--wat liefde

is. Waarlyk, er is iets menschelyks in zoo'n Oud-roest en in het

oude grootmoedertje daarginds aan dien kruiwagen met "zuur." Vygen

verkoopt zy ook. Zie hoe netjes half-decimaal zy ze vyf-aan-vyf heeft

gespietst op stokjes. Zoo'n stokje koopt de jeugd voor 'n duit. De

winst is groot, want de heele ceroen is 'n onvrywillig geschenk van

den kruidenier die 't ding z'n winkel uitwierp, omdat de suiker na

twintigjarigen bewaardienst zich begon omtezetten in iets als

alcohol en sterkriekende gist. Ja, de winst is enorm:... àls de

jeugd die speetjes koopt. Als! want--en ziehier de oorzaak van m'n

staathuishoudkundige bekommering--vanwaar komt die duit? De vaders

en moeders die hem verstrekken moeten, handelen vlak naast de vygen-

en zuurvrouw in ransige kokosnoot en curaçaosche pienders. [18] Moet

het geld dat hun kind aan die vygen besteedt, niet eerst--en wel boven

't strikt-noodige voor levensonderhoud--òververdiend zyn op hun eigen

waar? En wie koopt die waar? Hoeveel brokken klapper, hoeveel van

die westindische boontjes, moeten de kleinkinderen van de zuurvrouw

by buurman besteed hebben, om hem in-staat te stellen zyn kroost op

háár vygen te onthalen? Hoeveel vygen moet zy hebben gesleten aan

zyn kinderen voor ze de duit óverheeft, waarmee háár snoepertjes den

koopprys van zyn pienders voldoen? O diepte der verborgenheid, beide

der kennisse en des begrips van den amsterdamschen Jodenhoek! [19]

Een allernietigst geschiedenisje. Na 't bywonen van 'n middagmaal

in de open lucht, wordt de lezer onthaald op 'n moeielyken tocht

naar de derde verdieping, waar Wouter nog altyd niet vermoord

wordt. Over de teleurstelling van den op romantiek verzotten

lezer zal de auteur zich weten te troosten. Quo non ascendam?

Het wordt tyd terug te keeren naar de zeer byzondere klasse van Joden

die men te Amsterdam vergund heeft een stad te stichten in 'n stad,

en wel bepaaldelyk naar 't oude vrouwtje met die vygen. Zeker neem

ik 't háár niet kwalyk dat zy zich onthoudt van twistgeschryf tegen

professer Oosterzee en andere steunpilaren van 't ware Geloof. Inplaats

daarvan levert zy ons aanleiding tot opmerkingen van geheel anderen

aard, wel beneden de aandacht van sommige lezers misschien, doch de

myne niet onwaard. Al zy 't dan dat m'n intelligentie niet ontwikkeld

genoeg is om doortedringen tot de achterste schuilhoeken van zekere

mysterien--getuige die duit van zoo-even--toch overvalt me soms

'n aanval van fierheid op m'n onwetendheid, tegenover de velen

die zich hunner onwetendheid, niet bewust zyn. Op dit oogenblik,

byv. zoek ik naar de zielegeschiedenis van die vrouw. Want... 'n

ziel heeft ze. En 'n geschiedenis ook. Zy is zuigeling geweest. Zy

is kind, jonkvrouw, bruid, echtgenoot, moeder geworden. En nu is ze

grootmoeder. Misschien wel meer dan dat. Niemand doorloopt een zoo

lange baan zonder ten-minste iets optevangen van de indrukken die hy

ondergaat. Zy heeft velen gekend, sommigen gehaat, eenigen liefgehad,

meer misschien dan eenigen of velen: één! En er waren er, die háár

beminden. Wie, hoe, waarom? Wat gaat ons dit aan? 't Moet zoo geweest

zyn. Zy is moeder geworden, en werd dus eenmaal uitverkoren, al was

't dan ook maar met de uitverkorenheid van 'n enkel oogenblik. Velen

van hare betrekkingen heeft zy overleefd, en dus by 't doodbed gestaan

van bekenden, vrienden, verwanten, lievelingen. Ook met Staatkunde is

zy in aanraking gekomen voor-zoo-ver niemand geheel-en-al den invloed

kan ontgaan, dien deze uitoefent op iedereen. Toen, toen, en toen,

heeft ze haar kraampje moeten ter-zy halen, of wel geheel sluiten en

wegsleepen misschien, omdat er 'n Prins zou voorbykomen, omdat er

'n Keizer jarig was, omdat de christenen 'n Bededag wilden houden of

'n Dankstond. Misschien ook wel eens omdat de Burgemeester uit z'n

humeur was, want in byzonder vrye landen is niets vryer dan de luimen

der kleine heeren. Hing niet ook zeer dikwyls haar handel af van

't straatrumoer der revolutien? Wy weten immers hoe de steenen die

door de groote-mannetjes du jour worden geworpen in den oceaan der

Wereldgeschiedenis, kringen vormen, rondom voortkabbelend tot den

uitersten rand der Maatschappy, ook in de diepte zich uitbreidend

tot de onderste laag, waar ze ten-laatste vygen- en zuurvrouwtjes

bereiken? Veel is haar over 't hoofd gegaan, veel heeft haar geraakt,

aangedaan, gewreven, geschokt. En die vrouw zou geen geschiedenis

hebben? Gy die dit meent, erkent liever dat ge verleerd hebt zulke

geschiedenissen te lezen, en tracht dit te herstellen, en wordt niet al

dommer en dommer door u verheven te wanen boven 't allerkleinste. En

vooral... zit niet zoo uilig te wachten op 't lichtstraaltjen uit de

lantaarns van de Prescotten, en de Mac-Auleys en de Mills. De ware

studie van den mensch is: de Mensch. Dit blyft eeuwig waar, al verkoopt

zoo'n studie-exemplaar zure augurken en bedorven vygen aan 'n speetje.

Ze had traan-oogen, dit is waar, en zag er juist even onaptytelyk uit

als haar vygen. Rimpels had haar gelaat niet--wàs 't 'n gelaat?--het

waren voren en groeven. Als vochtige zeemen lappen hingen de plooien

over elkander heen, en de toeschouwer had moeite zich voortestellen

hoe al die vouwen van de overvloedige huid haren weg vonden, en

telkens weer haar eigen plaats wisten intenemen, na zoo zonderling

te zyn heen-en-weer geworpen door de mummelende beweging van haar

mond. Hierin zal dan ook wel eens verwarring ontstaan zyn, maar wat

was er aan te doen? Niemand hield er boek van, en elke plooi hing

waar ze verkoos. Is 't wonder dat die overkompleete lappen wel eens

misbruik maakten van 't volslagen gemis aan tucht en kontrole?

Het vrouwtje was bezig met haar middagmaal. Een kleine jongen van

'n jaar of vier, had haar in een met stopverf geheelde vuurtest,

'n papje van aardappels en uien gebracht, dat ze niet zonder moeite

en verlies naar den mond geleidde met 'n yzer drietandje, geleend

misschien uit het magazyn van haar buurman. Onder het eten verloor ze

geen oogenbiik haar zaak uit het oog, en monsterde met kinderkundigen

blik 't onmondig deel van Publiek, dat haar etablissement naderde

of... voorbyging. Want zeer veel kinderen gaven blyk van de wysbegeerte

die ons leert dat aardsche goederen, met vygen en al, niet volstrekt

onmisbaar zyn voor ons geluk, en dikwyls zelfs schadelyk. Misschien ook

was de slapte van de markt het gevolg eener finantieele krisis, gelyk

in den handel soms voorkomt. Om zich edel te wreken, misschien ook

om den snoeplust van andere kinderen optewekken--wie toch doorgrondt

de finesses van den handel?--neen... uit hartelyke genegenheid voor

't jongetje welks overgrootmoeder ze was, gaf zy 't kind 'n ristje

van haar vygen. Ik moet er by zeggen dat ze aan haar geschenk de

onereuze voorwaarde verbond, dat de bevoorrechte de helft daarvan

moest uitkeeren aan z'n zusje.

--En mag ik dan 't stokje houden, vroeg de knaap. Heelemaal? 't

Heele stokje?

--Ja, liewes, jy mag 't stokje houden, heelemaal!

De oogen van 't kind glinsterden van geluk. Daar ging één vyg

naar-binnen. De tweede volgde. Daarna... zuiver de helft van de

derde. Na de amputatie werd de overschietende helft weer netjes

aangeregen, en: "ik mag 't stokje houden!" juichte de kleine. Toen

't oudje haar test had leeggegeten, gaf ze die aan 't kind terug, met

liefkozingen en 'n kus. De knaap sprong heen, jubelend het geschenk

voor kleine Rachel omhoog houdend. Deze stond op eenigen afstand by

'n groepjen andere kinderen te spelen, en liep op de blyde mare haar

broertje te-gemoet. Ze struikelde en viel, en bezeerde zich... al of

niet, maar schreide zooals vallende kinderen gewoon zyn.

Wouter had dit alles aangezien. Reeds eenige oogenblikken geleden

namelyk, was-i in de nabyheid van de oude vrouw blyven staan met

het voornemen háár te vragen naar de woning van den man die 't

smeerige briefje geaccepteerd had. Zy geleek zoo byzonder weinig op

'n struikroover, vond-i, en de konfidentie dat hy belast was met 'n

gewichtige finantieele operatie zou veilig kunnen worden neergelegd

in haar schoot. Toch weifelde hy. Ook in Glorioso kwamen zeer oude

vrouwtjes voor, die op 't beslissend oogenblik in welgewapende mannen

veranderden! Terechtwyzing kon hy evenwel niet ontberen. Wel wist hy

nu met zekerheid dat-i zich in de straat bevond waar-i "zaken" had,

maar... in welk huis? Van de nummers was niets te zien, of slechts

nu-en-dan 'n enkel, want van gevel tot kelder hingen de puien vol

lappen en lompen. Dáár in die ruïne, juist achter de zitplaats van

de vygen- en zuurvrouw, moest naar z'n berekening de gezochte persoon

wonen, doch hy vertrouwde die berekening niet. In dat bouwvallig huis

kon geen zak guldens aanwezig zyn, meende hy, en zelfs zooveel duiten

niet. Hy begon nu iets beter dan vroeger 't onsmakelyk praedikaat

van z'n briefje te begrypen. Want in de gansche straat ontwaarde hy

geen verblyf dat er uitzag alsof daarin ooit 'n wissel kon betaald

worden. Peinzend bleef hy staan, en liet zich 'n oogenblik afleiden

van z'n gedachten door het kleine tooneeltje met dat kind. Bybelvast

als-i was, haalde het juichen van den knaap hem Numeri XIII voor den

geest, waar de verspieders komen aanloopen met druiven en granaatappels

en... vygen. "Ook dáár wordt gesproken van 'n stok, van 'n draagstok,"

dacht Wouter, en juist liep hy gevaar zich te verdiepen in... heel iets

anders dan z'n naastbyliggenden plicht alweer, toen hy het tweejarig

Racheltje struikelen en vallen zag. Fluks by-de-hand, richtte hy

't kind op, en wischte haar traantjes af, en droeg het naar de oude

vrouw, die hem zeer vriendelyk bedankte.

--Chot sel je hondertmaal sechene, jongeheer! zei ze.

Nu weet ik wel dat weinig zaken goedkooper zyn dan de toewensching

van Gods zegen. En ook dat die oude vrouw geen reden had, byzonder

gewicht te hechten aan Wouter's nietig dienstbetoon. Dat kind zou wel

vanzelf weer opgestaan en tot de overgrootmoeder gekomen zyn. Maar

toch deed haar vriendelyke dankzegging hem goed. Noch Motto noch

m'nheer Wilkens, de praktische heeren die zoo grondbeginselig alle

bemoeienis met de zaken van 'n ander verafschuwden, hadden besef van

't genot der aandoening die de Duitschers Menschenfreundlichkeit

noemen, en waarvoor wy, meen ik, geen woord hebben. 't Is iets als

de vertaling in het dagelyksche, van de hoogdravende Menschenliefde

die maar 'n deugd is voor zeldzame feestdagen, tooneelstukken,

levensbeschryvingen en grafschriften. Wouter was gaarne vriendelyk,

en nooit voelde hy zich zoo ontlast van de pynlyke beschroomdheid die

hem gewoonlyk drukte, dan wanneer zich 'n gelegenheid aanbood zich

eens recht welwillend te toonen. Ook thans schepte hy uit dit kleine

voorval den moed het oude vrouwtje naar de woonplaats te vragen van

Roebens, den man dien-i zocht.

--M'n êêche kleinsoon, jongelief! Heb je sake met 'm? Chots seeche d'r

op! Hier woont-i, vlak achter me... kyk, dáár de trap op. Cha jy gerust

na-bove, en loop m'r deur tot 't derde pertaal, waar je die dékes ziet

hangen, en al dat beddechoed, en z'n sjabasj engels-hemt. En je klopt

an de deur naast de cheutsteen, en je roept: Roebe, Roebe! Want Roebe

Roebes hiet-i. En-i is kemissjenèèr in lompe, en m'n êêche kleinsoon,

en Racheltje's fader, werachtich as Chot!

Deze plechtige bevestiging van hare berichten omtrent Roeben's

maatschappelyk standpunt en familiebetrekkingen, was minder

overbodig dan ze schynt. Wouter had reeds moeite te begrypen hoe

iemand die dáár woonde, honderde guldens zou kunnen betalen. Maar

dit laatste nu eenmaal aannemend als mogelyk, kwam het hem vreemd

voor dat de beschikker over 'n som die hem zoo aanzienlyk toescheen,

de kleinzoon wezen zou van 'n arme zuurvrouw, en Racheltje's vader. Hy

kende de eigenaardigheid niet die de Joden--zooals veel Aziaten--nog

altyd van Westersche volken onderscheidt, dat ze zeer dikwyls 'n

redelyke welvarendheid achter schynbare armoed verbergen. Niet zonder

uitzondering, maar--vooral in de lagere standen--heerscht by sommigen

iets dat men het omgekeerde van bluf of reklame zou kunnen noemen,

en als tegenstelling met de Kopperliths komt ons deze opmerking goed

te-pas. Dat de kommissionair in lompen--een der schakels tusschen

papierfabrikanten en voddenrapers--z'n grootmoeder daar op de straat

liet zitten... lieve God, ze verkoos niet anders! Ze was opgebracht

by den handel, by dien handel, en daarby wou ze sterven. Ook was

"zuur" en bedorven kruienierswaar haar specialiteit. In elk ander

"vak" zou ze met handen en hersens verkeerd hebben gestaan, en

zelfs met haar neus. Want ze rook den graad van ontbinding waarin

haar goederen behoorden te verkeeren om te passen in 't kader

van haar ondernemingen. De tachtigjarige oorlog dien ze gevoerd

had tegen flauwen kooplust, slecht weer, lastige policie--eens

namelyk had 'n onwaardige magistraat het veilen van bedorven goedje

verboden... 't is lang geleden!--de leerschool die ze had doorloopen

met taai geduld... zie, dat alles kon ze niet van de meet af opnieuw

beginnen. Haar kunst was zoo lang geweest als haar leven, en wat

er van dat leven nog kon overschieten, zou gewis te kort zyn voor

't aanleeren van nieuwe kunst. Ik beweer hiermee geenszins dat

de door haar gekozen specialiteit in-allen-deele aan de illuziën

van hare jeugd had beantwoord. Éénmaal zou haar de verzuchting

ontsnapt zyn--'t wordt door wel-onderrichte maar onbescheiden

getuigen verzekerd--"als ik nògeens in de wereld kwam, ging ik in 't

knokenvak!" Maar ze troostte zich by 't bedenken dat ook deze loopbaan

wel haar onaangename zy hebben zou, al scheen dat anders aan wie er

buiten stond. En in-allen-geval, er was geen spraak van dat ze haar

leven zou òverdoen. Ééns gekozen, blyft gekozen. De zaak lag er toe,

en Jehovah-zelf kon 't niet ongedaan maken dat Vrouw Roebens haar

gansche ziel aan zure augurken en verrotte vygen besteed had. Wat

er in den hemel moet worden aangevangen met zulke zielen... ei,

en de jongeheer Pompile dan, met z'n witte-gronden-driekleur,

en z'n krieuweltjes? En m'nheer Wilkens met z'n diemetten? Welke

ontwikeling brengen dezulken mee in den hemel? En dat zy eenmaal daar

aanlanden, is toch zeker. Want Pompile was van de Walekerk, en Wilkens

hollandsch-griffermeerd. Twee zeer goede gelooven, gelyk ieder weet.

Wouter bedankte heel beleefd voor de gegeven inlichting, en klauterde

naar-boven. Jammer dat er geen roovers waren op die uitgesleten

trappen, want het was er zoo donker dat men lust krygen zou zichzelf

te bestelen. Het klimmen van onzen jongste-bediende vereischte een

zeer eigenaardige gymnastiek. Heel beneden had z'n rechterhand zich

weten meester te maken van 'n touw. Na 't stygen van 'n paar treden,

was-i wel genoodzaakt z'n oogen te ontslaan van alle dienst, maar

't gewicht der expeditie kwam des te zwaarder op z'n handen neer,

die slechts van-tyd tot-tyd 'n oogenblik rust kregen als-i wat

vasten grond onder de voeten meende te hebben. De tyd tusschen deze

tempoos in, werd aangevuld door zekere slingering, 'n exercitie

waarvan historie en industrie ons drie toelichtende voorbeelden

aanbieden. Wouter hing daar--maar in 't donker--als de "plukkers"

van vogelnestjes op de Javasche Zuidkust, of: als de verzamelaars van

eiderdons in 't hooge Noorden, of: als de krygslieden van Herodes,

die in hangende bakken de roovers in de rotsen bevechten, gelyk in

't XIVe boek van Josephus te lezen staat. Wouter kende de plaat die

in de frans-hollandsche vertaling van dat werk ter opheldering daarby

gegeven is, en niet zonder angst berekende hy wat z'n lot wezen zou als

het touw brak. Daar-i volstrekt niet zien kon, zag hy allerduidelykst

de rotspunten en kloven waarop en waarin hy zou neerkomen. Goddank,

de eerste verdieping was eindelyk bereikt, en hy kon wat uitrusten. De

toegang tot de tweede was nauwer, en het touw waaraan hy zich moest

ophyschen, iets gladder en dunner. Met moed ving hy ook dezen tocht

aan, en werkte zich dapper tot 'n portaal hooger op. Hier hoopte

hy dat-i zich 'n verdieping mocht verteld hebben, maar helaas, de

werkelykheid geeft niets toe. Wie slechts twee verdiepingen klimt,

staat niet hooger dan twee verdiepingen. Dit is nu eenmaal zoo:

nil sine labore!

Wouter tastte rond naar den deurflankeerenden gootsteen, maar

helaas! Hy zag in, dat nog altyd z'n naastbyliggende plicht in stygen

bestond, en dit bleek hem te meer toen hy na eenig zoeken in 't bochtig

portaal, 'n spleet in de voorpui bemerkte, die hem toeliet 'n oog te

slaan op 't buitenhangend garneersel van de vensters. Daar was niets,

niets, niets te zien van 'n "sjabbasj engels-hemt." Er hingen kousen

en mutsen en allerlei lappen te drogen, maar nog altyd woei daar

de vlag niet waarop hy koers zette. Hooger dus, hooger! Wat zoo'n

jongste-bediende op 'n koopmanskantoor zonderlinge naastbyliggende

plichten te vervullen heeft! Die soldaten van Herodes... dit is de

vraag niet. Den derden trap op! Zeker was hy op den goeden weg, want

de uienlucht werd sterker en sterker. Nog 'n beetje volharding, en hy

zou te-land komen in de buurt waar de spys bereid was, die hy beneden

in de bekende vuurterrine had te zien gekregen. Waarlyk, het touw

was ten-eind! Voorzichtig schoof hy den voet vooruit, en bleef grond

voelen, wel 'n halven palm in omtrek. En nòg 'n proef die goed afliep,

en nòg een... hy had iets onder zich, dat vergelykender-wys naar vasten

bodem geleek. Om zich heen tastend ontdekte hy den gootsteen, en al

was er niets te zien van 't feesthemd, hier zou 't wezen! Hy klopte

op den gis tegen den wand, en riep: m'nheer Roebens, m'nheer Roebens!

--Nou, k'm m'r binne, antwoordde een vrouwestem, wat e skendaal in

't pertaal! Wâ mot je? Wissels? K'm in, en maak so'n lewaai niet. Me

man is siek.

Daar er 'n deur geopend werd, kon Wouter nu eindelyk zien. De vrouw

die zich vertoonde, beantwoordde z'n vraag of daar m'nheer Roebens

woonde, bevestigend. En hy trad binnen.

--Van de heeren Ouwetyd en Kopperlith, stamelde Wouter met 'n mislukte

poging om iets officieels te brengen in stem en houding.

En hy haalde het smeerige briefje voor den dag.

--Fader, zei de nog jonge vrouw, d'r binne ze-n-al met een f'n de

wisseltjes... och Chot, de stumpert het 'r f'n nacht fan legge yle!

Wouter vond het vreemd dat zy iemand scheen toetespreken, want

buiten haar zag hy niemand in de kamer. Dit werd evenwel terstond

opgehelderd. Er klonk antwoord achter de gordynen van 'n bedstee.

--Je heb 'm wakker gemaakt! zei de vrouw op verwytenden toon.

--Och, wat spyt me dat, antwoordde Wouter met meer vriendelyke

belangstelling dan z'n funktie meebracht of toeliet.

Zeker, als 't wisseltje hèm behoord had, zoud-i hebben voorgesteld

'n andermaal eens terug te komen.

--Wâ sel ik je segge, riep de zieke, ik hep de koors. En f'n wie

komt het?

--Van de heeren Ouwetyd & Kopperlith...

--Dâ ken me nie skele. As ik je seg, dâ me dat nix skele ken! Ik

fraag je wie de trekker is. Kyk jy 'ns Ribbetje, of 't briefie

is f'n Sjomele, of 't briefie f'n Bussemakers, of 't briefie f'n

Bebbel Roels in Keule? Want er ferfalle drie f'ndaag... een f'n

sefen-en-dertig, sestien, acht, en een f'n driehondert-drie en een

f'n sevehondert-dertien, ses, twaalf. En geef me nog wat asynwater,

Ribbetje, want ik heb so'n dorst f'n de koors. Sefehondert dertien,

ses, twaalf is f'n Sjomele, en hier is 't gelt.

Rebekka gaf haren echtvriend iets te drinken. Toen ze daarop Wouter

verzocht haar 't briefje te toonen, hield deze het haar voor, zonder 't

lostelaten. De vrouw toonde zich door dit komiek wantrouwen volstrekt

niet beleedigd. Ze scheen 't niet vreemd te vinden, zoo weinig zelfs

dat ze 'r geen acht op sloeg.

--'t Is f'n Sjomele, fader.

--Sefehondert dertien, ses, twaalf, goet! En hier is 't gelt.

De zieke scheen bezig iets optedelven onder z'n matras. Men hoorde

hem woelen en hygen, en weldra 't geluid van gevulde geldzakken die

tegen elkaar stootten. Rebekka wees Wouter 'n latafel aan, waarop

ter-nauwernood 'n plekje leeg was. Daar zou wel 'n pen liggen, zei

ze. En ook bracht ze hem na eenig zoeken 'n aptekersfleschje met

wat inkt.

--Ja ... maar ... juffrouw ...

--Ribbetje, ik hep weer so'n dorst, klaagde de zieke.

Dit doet me genoegen voor Wouter. Die dorst bewaarde hem voor al

te ruwe uiting van beleedigende voorzichtigheid. Met Rebekka, die

op-nieuw haren man te drinken reikte, trad hy op 't bed van den zieke

toe. Ze scheen bevreesd dat kou of tocht by 't openen der gordynen ...

--Ik zal je helpen, juffrouw, riep Wouter, meezorgend dat de

opening niet grooter werd dan juist noodig was om 't verlangde

doortelaten. Nadat Roebens gedronken had, reikte hy twee zakken

geld aan.

--Maar, zei Wouter weifelend, ze hadden me gezegd dat het geld me

zou worden voorgeteld?

--As ik je seg dâ 'k de koors hep, en siek ben as e geslage man, wâ wil

je? As ik heb geteekent m'n hant f'r betale, na, wâ sel ik doen? Ik

betaal. En as ik teeken m'n hant f'r telle, sel 'k telle. Help 'm,

Ribbetje, en geef me wat drinke, ik heb so'n dorst f'n de koors. En

tel 'm 't gelt foor ... sefehondert dertien, ses, twaalf.

Het jonge vrouwtje, na haar man gelaafd te hebben, hurkte op den vloer

neer, en Wouter knielde er by. Ze stortte het geld in haar schoot uit,

en wilde beginnen te tellen. Maar 't ging niet. Zyzelf kon niet wys

worden uit de tallooze geldsoorten die haar man had weten by-een te

brengen. Men zou er 'n muzeum mee opgezet hebben. Ook was er geen

plaats, want de vloer lag vol prullen. Ach, de oude Gerrit wist het

wel, en als 'n donderslag klonk Wouter de vreeselyke profetie in de

ooren, "als je 'r afkomt met 'n daalder, mag je van geluk spreken!" Hy

werd zeer angstig.

Daar stommelde iets op de trap, en 't oude vygenvrouwtje vertoonde

zich in de geopende deur. Ze sprak bargoens, en scheen Ribbetjen iets

te zeggen over dat geld. Het jonge vrouwtje hield op met uitzoeken

en tellen.

--Fader, d'r is grootemoe, en se seit ...

Hier volgde een-en-ander dat Wouter weer niet verstond, maar wel

onderscheidde hy eenige keeren den naam van Racheltje. Nogeens begon

de oude vrouw haar verhaal, en ze wees op hem, en scheen zich driftig

te maken tegen al die afgeknabbelde dertiend'halven en schellingen

en byna onherkenbare muntstukken.

--Na, zei de zieke, 'k heb wel goet gelt ook as 't weze mot. Hier,

Ribbetje, neem an ...

Hy reikte z'n vrouw 'n grooten zak over, die hy met blykbare moeite

had opgegraven uit z'n beddegoed.

--Neem an, Ribbetje, en tel er uit ... twee hondert stuks, en dan nog

... twintich stuks, en ... ses. En ... doe 'r 'n achtetwintich by,

die goet is, en ... ses Uiterse duiten, en laat 'm gaan met Chot! En

geef me te drinken, Ribbetje, w'nt ik hep so'n dorst.

Wouter ontving z'n geld in gerande dukatons, en bedankte zeer

vriendelyk. De welwillendheid van die oude vrouw had hem goed gedaan,

tot roerens toe. Wanneer-i op dat oogenblik in het toekennen van

vereering had moeten kiezen tusschen haar en de zooveel beter geboren

mevrouw Kopperlith ...

Zonder 't minste opzet om 't rimpelig moedertje natepraten, wenschte

hy haar by 't weggaan duizend goddelyke zegens toe. Haar, en m'nheer

Roebens die zoo ziek was. En de jonge vrouw die zoo liefderyk haar

man verzorgde. En kleine Racheltjen ... o, allemaal!

Eerst toen hy de straat bereikte, schoot hem in den zin

dat-i--sakkerloot, hoe jammer!--by het teekenen ... z'n krul vergeten

had. Nu, dàt 'n andermaal! Hy was verheugd dat-i menschen ontmoet

had die hem zoo beminnelyk voorkwamen, en dit was meer waard dan de

mooiste krul.

Alweer over 't kleine. Wouter wordt op post gezet voor de zenuwen

van "mevrouw." Kent de lezer Gus Halleman nog? Verhandeling

over het denken. De auteur maakt tenslotte fiasco in colloquia

prava. [20]

Mochten sommige lezers klagen dat ik hen gedurende vele hoofdstukken

reeds, byna zonder afwisseling rondleid op 'n tentoonstelling van

nietigheden, dan neem ik deze klacht aan als betrekkelyke lofspraak

... op die nietigheden zeker niet, maar op m'n arbeid. Een zeer

groot gedeelte des levens bestaat nu eenmaal uit 'n aaneenschakeling

van 't geringe. Ik zou aan de waarheid te-kort doen indien ik

deze eigenaardigheid over 't hoofd zag. En aan de goede trouw,

als ik 't deed om hof te maken aan iets wat met betwyfelbare

juistheid "aristokratie van den smaak" wordt genoemd. Ook 't woord:

tentoonstellen, is my een niet ongewenschte kwalificatie van m'n

arbeid. Zeker, de artist stelt de indrukken tentoon, die hy van

de wereld opving, en weergeeft in zekeren vorm ... den zynen! Om

evenwel ook de vele graven en markiezen onder m'n lezers tot moedhouden

optewekken--onder ons gezegd, de onverzadelykste liefhebbers van zekere

voornamigheid logeeren in stal of keuken--verbind ik my Wouter niet

te laten sterven voor-i statiglyk zal geprezenteerd zyn aan 't een of

ander hof. Misschien zelfs ga ik verder, en huur 'n huis voor hem op

de Keizersgracht. Om de vermetelheid optedoen die voor zoo'n sprong

noodig is, wacht ik 'n oogenblik van byna krankzinnige tuchteloosheid

af. In kalme stemming zou 't niet lukken. Het is echter de vraag of

hy--aangeland in zóó verheven sfeer--fyner dingen zal te zien krygen

dan de aandoening die 't oude vygenvrouwtje bewoog ook op haar beurt 'n

herodiaansche expeditie naar de derde verdieping te ondernemen en dus

haar "handel" over te laten aan de bescheidenheid der voorbygangers,

alleen om Wouter te beschermen tegen al te uitgebreide muntkennis

van haar kleinzoon.

Wat overigens het aristocratische van den smaak aangaat, de myne is

van edel bloed. Te edel, b.v. om zich aftegeven met de zeer burgerlyke

voorkeur van mevrouw Kopperlith, die geen schoonheid vatte zonder goud,

fluweel en aanzienlykhedens, en die dus hierin--op de naïveteit na--nog

altyd op de laagte stond van 't kind Wouter. Wat my betreft, ik blyf

aan redelyk goed brood de voorkeur geven boven zieke truffels. Doch,

voor den honderdsten maal, niet hierin ligt het kriterium van den

smaak. De eenige eisch is: waarheid. Den kunstenaar die hiernaar

streeft, zal al 't andere toegeworpen worden ... natuurlyk op de

toejuiching der koprolithen na, die hy missen kan.

Wouter oogstte by m'nheer Dieper eenigen lof in over den uitslag van

z'n tocht, en vernam tot hartsterking: "dat-i 't by-gelegenheid eens

weer mocht doen." Maar Gerrit verzekerde dat het niet altyd zóó zou

afloopen, wat ieder weldenkende volmaakt met Gerrit eens wezen zal.

De bezigheden die men onzen jongsten-bediende opdroeg, kwamen vrywel

overeen met den voorsmaak dien hy daarvan had gekregen op den eersten

dag. Kopieeren, boodschappen doen voor m'nheer Pompile, het knippen en

opplakken van staallapjes, ziedaar hoofdzakelyk z'n werk, om nu niet

te spreken van 't vegen op de zolders en in 't magazyn, lokalen waar,

volgens m'nheer Wilkens, voor 'n jong-mensch altyd iets te leeren viel.

Het is my een gewetensplicht hier alle aanleiding tot zeker misverstand

uit den weg te ruimen, dat zeer veel jongelieden welkomer wezen

zou dan behoorlyk is. Ik verklaar uitdrukkelyk, geen aanmerking te

maken op de soort van bezigheden die men Wouter opdroeg. Niet hierin

waarlyk ligt het zwaartepunt myner aanklacht tegen zekere klasse van

menschbedervers. De stalen moesten nu eenmaal uitgezocht, geknipt en

opgeplakt worden, en die brieven gekopieerd ... wie anders dan hy kon

daarmee belast worden? En zelfs die boodschappen! Geestverheffend

waren al deze werkzaamheden voorzeker niet, doch men neemt geen

jongste-bediende in 'n lappenhandel, met het doel om meetewerken aan

't verheffen van z'n geest. Dit is evenmin de eisch zyner vorming,

als 't in billykheid verwacht kan worden van de personen die over hem

te beschikken hebben. De bekende spreuk: il n'y a pas de sot métier,

il n'y a que de sottes gens acht ik hier van volkomen toepassing. Een

geest die zich niet weet te ontwikkelen in-weerwil van 't handwerk,

is de moeite der ontwikkeling niet waard. In-weerwil? Dit is de

vraag. Juist zulke nietige bezigheden laten het denkvermogen vry. Ik

meen reeds ergens gezegd te hebben dat ik jaloers was op Spinoza den

brilleslyper ... den geluksvogel! Ook roerde ik in myn Mattheus XIX

de hier behandelde stelling aan. "Uit de Schrift leert men strikvragen

stellen, maar er is veel antwoords in 't denken by 't spinnewiel." [21]

Niemand staat voor 't geringe te hoog, en zeker was dit dan ook 't

geval niet met onzen Wouter, die aan 't breidelen van z'n begeerten zoo

byzondere behoefte had. De kwestie was of-i netjes knipte en plakte,

of z'n kopie korrekt was? Hierin alleen lag z'n naastbyliggende plicht,

en niet in 't onbesuisd haken naar voornamer werkkring. Schreef niet

ook Jezus voor, getrouw te zyn in 't kleine?

Nog 'n andere bezigheid kwam--aanvankelyk nu-en-dan, later

byna geregeld--voor Wouter's rekening. Hoe weinig er ook in de

zomermaanden "gehandeld" werd, toch kwam het by-uitzondering voor,

dat er verzendingen moesten geschieden "naar buiten." Het "pakken"

van zulke goederen in grof lynwaad behoorde natuurlyk tot de funktien

van Gerrit. Sedert vele jaren evenwel, had deze zich zoo geoefend in

't voorwenden van allerlei oorzaken tot onthouding van arbeid, dat men

zich telkens genoodzaakt zag de hulp van Flip den kruier interoepen,

en de posten die deze interventie op 't "weekbriefje" te-voorschyn

bracht, bezwaarden het handelsgeweten van den jongeheer Pompile. Uit

eigen beweging nam Wouter, by-gelegenheid eener byzondere styfte van

Gerrit's rhumatiek, de paknaald ter-hand, en werd zoo geprezen over

den uitslag van z'n eerste poging om dat werk te verrichten--men had

het tot-nog-toe voor 'n vak gehouden dat zonder speciale opleiding

ontoegankelyk was--dat de jongeheer Pompile al zeer spoedig hem

gelastte de goedheid te hebben by èlke voorkomende gelegenheid als

pakhuis-knecht optetreden. En inderdaad, de pakken die hy vervaardigde,

waren onberispelyk! Kantig van rand, plat aan de zyden, symmetrisch

gebouwd--gemetseld, had ik byna gezegd--netjes genaaid, wèl bestand

tegen stuwing, wentelen en nattigheid, keurig gemerkt... waarlyk, er

was elegantie in de balen die Wouter pakte. En... de stevigheid! Men

kon ze "over 'n huis gooien" als 'n wel-ingepènd kraamkind uit de oude

bakerschool. "Het is of-i 't al z'n leven gedaan heeft!" betuigde zelfs

m'nheer Wilkens in 'n eenzaam oogenblik van openhartigheid. En ik moet

erkennen dat ook Wouter schik had in 'n bekwaamheid die hem verraste,

't Was hem 'n eerezaak dat er nooit klachten werden ingebracht over

avary, noch zelfs over kreukeling, van goederen die hy had toegerust

om de wereld integaan. Deze eerzucht stond hem schooner dan wrevel,

en het ware te wenschen geweest dat men niet op misdadiger wys z'n

overmaat van goeden wil misbruikt had. Er werd 'n bezigheid voor

hem uitgedacht... neen, 'n bezigheid was 't eigenlyk niet. Het was

'n oefening in geduld, en zelfs dit niet... een kursus in versuffing

dan. Om ieder te geven wat hem toekomt zullen we maar terstond zeggen

dat het vindingryk vernuft van den jongeheer Pompile zich alweer in de

hier bedoelde zaak van 'n zeer gunstige zyde deed kennen. Op zekeren

morgen kwam de oudeheer het kantoor binnensloffen, en onthaalde het

personeel op de gewone inleiding tot z'n belangryke gesprekken:

--Zeg, Pompile, ik hoor van Gerrit dat mama weer heel erg is.

--Zoo, papa?

--Ja, Pompile. De juffrouw heeft hem gezegd dat mama den heelen nacht

gedroomd heeft!

--Dat is zeker nogal heel akelig, papa!

--Ze heeft gistr'avend kreeftensla gegeten, weetje?

--Zoo, papa?

--En daar droomt ze zoo van. De juffrouw heeft aan Gerrit gezegd dat

ze heel zenuwachtig is, byzonder erg zenuwachtig.

--Dat is wel verdrietig, papa!

--Niet waar?

--Héél verdrietig! Want, papa, om u de waarheid te zeggen, de familie

Krucker...

--Ze kan niets verdragen. De juffrouw mag niet borduren...

--Hè, papa?

--Ja, zóó erg is 't! Want... het ophalen van de draad maakt zoo'n

vreeselyk leven, zegt mama.

--Dat is heel fameus erg, papa! Weet u wat de Pleiers zeggen,

papa? Ze zeggen...

--Maar, Pompile, wat zullen wy 'r aan doen? Mama lust haar portwyn

ook niet meer...

--Dat is wel heel ontzaggelyk treurig, papa!

--En ze vraagt nu telkens madera. Ze zegt dat ze zoo zenuwachtig wordt

van chocola, als ze niet terstond daarop twee glazen madera drinkt.

--Zoo, papa? En vroeger, papa, werd mama zoo byzonder zenuwachtig

van madera?

--Zonder chocola, Pompile! De dokter zegt ook dat madera heel gezond

is, maar... met chocola, altyd met chocola! En ook de chocola is niet

goed voor mama... zonder madera, weetje. Maar 't helpt allemaal niet,

als er zoo'n vreeselyk leven in huis is. Dat eeuwige schellen, Pompile!

--Ja, papa!

--De bel staat niet stil, Pompile, en mama schrikt er zoo van.

--Hé, papa, daar is wel raad voor, papa! Zeg, Pieterse, jy moet eens

zoo goed wezen in den kelder te gaan staan, weetje? En als er dan

iemand de stoep opgaat, dan tik je-n-aan 't venster, zieje? En je

ziet... wie 't is? En je vraagt wat ze willen, zieje? En als 't dan

iemand voor de keuken is, dan sluit je de deur, en je gaat zeggen in

de keuken, dat er... iemand voor de keuken is, weetje? En als 't voor

"huis" is, dan sluit je de deur, en je komt hier zeggen aan m'nheer

Eugène... niet waar, Eugène?

--Hm!

...dat er iemand voor "huis" is, zieje? En dan zeg je-n-aan m'nheer

Eugène wie er is. En tegen de menschen zeg je dat mevrouw zoo ziek

is, zoo byzonder erg zenuwachtig, moet je zeggen. Maar denk er aan,

dat je-n-altyd de deur van den kelder sluit. Ziet u, papa, dan wordt

er niet gebeld, en... als dan mama weer beter is, kan ze naar-buiten,

papa. Want ik heb gister de Hockers gesproken, papa, en hun gezegd...

Lieve hemel, hoe kan ik nu weten wat de jongeheer Pompile gister aan

de Hockers gezegd had? Vorder 't onmogelyke niet, lezer! Zonder nu

juist te beweren dat ik geen andere bronnen raadpleeg dan Wouter's

eigen gedenkschriften, spelen toch die dokumenten 'n groote rol in m'n

geschiedkundige navorschingen. Geen lid van de beroemde familie Hocker

heeft zich verwaardigd my iets meetedeelen van 't gesprek waarop hier

de jongeheer Pompile blykt te doelen. En wat Wouter-zelf aangaat, hy

stond reeds lang op-post achter de glasdeur van 't magazyn, voor die

teedere zoon z'n papa deelgenoot maakte van de Hockersche konfidentie.

Ja, daar stond-i! Met z'n gewonen dienstyver hield hy de linkerhand

aan de kruk van de deur, en de andere tot tikken gereed, voor 't geval

dat iemand zich verstouten mocht mevrouw Kopperlith's zenuwachtigheid

te prikkelen door onbescheiden bellen aan de bovendeur. Zóó stond-i

daar dan uren achtereen in die kelder-atmosfeer op-schildwacht

voor mevrouw Kopperlith's rust! Geen vlieg zou kunnen naderen

zonder aangeroepen te worden. Nooit bracht 'n schildknaap die zich

voorbereidt tot het ontvangen van den ridderslag, meer konscientie

mee in z'n wapen-vigilie dan Wouter aan z'n afmattende taak ten-koste

lei. Waarlyk, de verdienste zyner inspanning was niet gering! Dat

z'n naastbyliggende plicht alweer met z'n wenschen noch met z'n

gaven overeenkwam, doet minder ter-zake. Die gaven kende hy niet,

en z'n wenschen telden niet mee. Het sprak vanzelf, begreep hy,

dat men zich moeite en onaangenaamheden getroosten moet om "iets te

worden in de wereld" en 't kwam niet in hem op dat er misbruik werd

gemaakt van z'n goeden wil. Hy beschouwde de vreeselyke verveling

die hy te bestryden had--en den stank!--als zoovele vyanden die

op-straffe van lafhartigheid moesten verslagen worden, en hy week

dus niet! In gewone gevallen zou het niets-doen-op-zichzelf hem

geen plaag geweest zyn, omdat hy al zeer spoedig in de vryheid zyner

gedachten 'n middel zou gevonden hebben tot bezigheid niet alleen,

maar zelfs tot uitspanning. Geen gegeven was hem onbruikbaar tot

punt van uitgang. Een luchtbelletjen in de vensterruit, de richting

van de reien der straatsteenen, 'n voorbydryvend wolkjen... alles

en 't minste was voldoende om hem aan 't denken te brengen en te

houden. Maar juist dit was hem ontzegd, want hy vreesde aftedwalen van

't besef zyner naastbyliggende verplichting. Was-i niet zoo-even reeds

byna gereed met z'n berekening hoevelen der voorbygangers wel in-staat

wezen zouden 'n examen afteleggen als hulp-onderwyzer, toen de jongen

van den pasteibakker reeds drie treden van de stoep had bestegen, om

de taartjes te komen brengen die mevrouw Kopperlith moesten troosten

in haar vreeselyke ziekte? Wouter schrok van z'n nalatigheid, en

beloofde zich plechtig z'n neiging tot denken, vorschen, uitpluizen,

redeneeren, te offeren op 't altaar van z'n onverheven plicht. Zoo

ver mogelyk liet hy z'n blikken rechts en links de straat beheerschen,

om by-tyds--en liefst te vroeg--te kunnen beoordeelen welke onverlaat

'n storing der rust van mevrouw Kopperlith in 't schild voerde. Maar

zéér ver reikten z'n bespiedende oogen niet. Aan-weerszy werden de

beenen van den hoek dien hy overzag, door de uitbouwsels der stoepen

saamgedrongen tot 'n engte die voortdurende oplettendheid vorderde,

en hem telkens plaagde met den angst dat z'n waarschuwing te laat

komen zou. De gedachte rees in hem op: als ik maar voortdurend tikte,

en iedereen van 't beklimmen der stoep terughield? Hm... dat zou

gek staan! Wat zou ik zeggen? "M'nheer, ben je-n-ook misschien van

plan hier aanteschellen aan de bovendeur?" Hy zag in, dat dit niet

kon. En ook, dat er in den handel 'n groote mate van geduld noodig

is. En dan... dat pynlyk slapen van z'n linkerbeen!

Volgens geloofwaardige annalen beging hy in dit gedeelte van z'n

loopbaan slechts twee keer 'n fout. Eens had 'n bedelbrief-industrieel

z'n waakzaamheid verschalkt, door by arglistige overklimming van de

achterleuning der stoep, de bovenbel te bereiken. De jongeheer Pompile

was er zeer verstoord over, en ook Wouter-zelf voelde verdriet. Wat

zou er van hem worden by zoo'n slordige plichts-vervulling?

Een andermaal had hy aan de majestueuze Hersilia den toegang door den

kelder geweigerd. In-plaats daarvan sloot hy haar de glasdeur voor

den neus dicht, en ging op 't kantoor aan m'nheer Eugène zeggen: dat

mevrouw Kalbb daar was: "voor huis" naar-i giste. Zeker, ze kwam voor

"huis" en was zeer boos "dat die jongen 't in z'n hersens had genomen,

háár niet doortelaten." Wouter ontving by deze gelegenheid onderricht

in 't groote verschil tusschen: "papa's eigen dochter, mevrouw Kalbb,

weetje, de eigen vrouw van den konsul van 't heele land Elsas, weetje,

en... allerlei gemeen volk dat misschien wat stelen zou in 't magazyn!"

Hy beloofde beterschap, en hield woord. Het tooveren moet wel

inderdaad 'n onmogelyke zaak zyn, want Wouter leerde het niet

achter die glasdeur. Wat de verantwoordelykheid der Kopperlith's

aangaat... wat wisten zy daarvan? Het verslonsen eener ziel is geen

handelszaak waaraan men aandacht hoeft te wyden. In-plaats daarvan

hielden ze treffende verhandelingen over 't bederf der kleuren

van de stapeltjes die vooraan in 't magazyn beschenen werden door

'n straaltje zon. Wouter moest zorgen dat ze altyd gedekt waren met

'n stuk zaklinnen of papier, want:

--Kleuren kunnen de zon niet verdragen, zei Wilkens, leer dàt van my!

Wouter leerde het, en verzorgde die voorste stapeltjes als z'n

oogappels. Geen zon zag kans ze te bereiken zoolang hy was aangesteld

als beschutter. Wat echter het beschutten der kleuren van z'n gemoed

aangaat... komaan, waren die heeren huns broeders hoeder? En Wouter

wàs niet eens 'n broeder. Geen neef zelfs. Hy was 'n burgerjongetje,

en de heeren Kopperlith woonden op de Keizersgracht. Ze behoefden

't zich niet aantetrekken dat hy zich daar stond te vervelen en

te versuffen tot krankzinnig-wordens toe! Misschien zelfs wisten

zy niet eens dat er kwaad in stak. Maar welke professor had dan

overredingskracht genoeg bezeten om hen te doordringen van 't besef

dat gekleurde lappen 't licht niet verdragen kunnen? Wie toch had déze

wysheid weten intepompen aan zulke indociele gemoederen? Magnus Apollo!

Doch zie, dat geestverdoovend schildwacht-staan was 't ergste niet! Aan

veel gevaarlyker proef werd Wouter gewetenloos blootgesteld door de

hem opgedragen taak om elken ochtend de brieven van de post te halen,

of liever: om te vragen of er brieven waren? Want drie, vier malen

's weeks kwam hy met ledige handen op 't kantoor. De toon waarop

hem dan de jongeheer vroeg: "of er alweer niets was?" maakte den

indruk alsof hy 't helpen kon dat niemand 'n wittegrondje-driekleur

bestelde. Toch was hem die gang naar 't postkantoor en 't wachten

daar, een der minst onaangename plichtjes van z'n betrekking, en

hierin lag juist het gevaarlyke.

De soort van 't gezelschap waarmee hy daar kennis maakte, heb ik

reeds met 'n enkel woord omschreven. Indien niet Wouter door byzondere

omstandigheden in deze levensperiode was voorbeschikt tot afdwaling,

zou hy voorzeker in dien omgang geen smaak hebben gevonden. Maar er

bestond by hem wel degelyk aanleiding tot misgrypen, en zelfs byna

noodzakelykheid. Sedert eenigen tyd voelde hy zich ontwassen aan

al het kinderlyke zyner eerste ideaaltjes, en al zocht hy nu niet

uitdrukkelyk naar aanvulling van de hierdoor teweeggebrachte leegte,

toch onderging hy onbewust de gevolgen van die ylheid. Ware dat eerste

hoofdstuk van z'n zieleleven opgevolgd door ingespannen arbeid--ook

zelfs door schynbaar vernederenden arbeid, mits: vermoeiend!--dan

had de overgang van kind tot mensch geleidelyk plaats gevonden,

en er zou weinig of geen kracht zyn verloren gegaan, iets wat in

psychologie, als in werktuigkunde, de eisch is. Hierop waren dan

ook de vermaningen van Holsma voornamelyk gegrond. Wouter moest

genezen worden van z'n voorliefde voor 't kontemplatieve, de klip

waarop zoovelen--en de slechtsten niet!--te-gronde gaan, en die

hen doet aanlanden in de buurt waar ze 't minst te-huis behooren:

by de luiaards. De hier bedoelde methode laat zich, zonder de minste

aanspraak op wetenschappelyken klank--maar de uitdrukking is er niet

minder schilderachtig om--samenvatten in 't huisbakken voorschrift:

"zit niet te droomen, steek je handen uit!" Denken is voorwaar

des menschen edelste bezigheid, maar juist het wèl denken schryft

handeling voor. De maat der splitsing tusschen 'n geoorloofd toegeven

in bespiegeling, en dat: "handen-uitsteken" is evenwel geenszins voor

allen gelyk. Dit laatste is niet by-uitsluiting laag by den grond. Het

eerste niet, op en door zichzelf, verheven. De verhevenheid ligt in de

korrekte toepassing van beiden. Een onpraktische droomer staat waarlyk

niet hooger dan de domste "man van zaken." We kunnen evenmin in de

wolken wonen als in den modder, en er bestaat geen enkele reden om

aan 't vervliegen van geest de voorkeur te geven boven 't smoren van

geest. Het maat-houden tusschen deze beide uitersten is onze taak,

en niet alleen ontwaren wy telkens groot verschil in neiging tot

overslaan, wanneer we onderscheiden individuen met elkander vergelyken,

maar zelfs in den enkelen mensch bestaat groote onregelmatigheid. In

sommige perioden van het leven hebben wy ons in acht te nemen tegen de

gevaren van onberaden vlucht. 'n Andermaal moeten wy onszelf opwekken

en inspannen om de mollegangen te verlaten waarin we bezig-waren ons

te versteken. Uit de wet der traagheid alweder is het te verklaren

dat wy, na terugkeer van den verkeerden weg, ons vergissen in de

maat van afwyking aan de andere zyde. Dit oscilleeren is geestelyk en

zedelyk leven. Hoe kleiner de boog, die de tong der balans beschryft,

hoe beter, maar volslagen stilstand zou de dood zyn.

Wat Wouter aangaat, hy streed nog niet. Het kleine voorpostengevecht

met die vreeselyke "naastbyliggende plichtjes" vorderde wel zware

inspanning, doch wortelde niet in 'n beginsel. Hy deed dit omdat-i

by-uitstek dociel was, en 't werd hem voorgeschreven door iemand dien

hy achting toedroeg. Er scheelde weinig aan, of hy zou 't zichzelf

hebben toegerekend als 'n goedige poging om dokter Holsma pleizier

te doen. En deze beschouwde z'n voorschrift eenvoudig als 'n tydelyk

middel om hem zonder struikelen heen te helpen over de hinderpalen

van z'n leeftyd. Het was nu eenmaal de waarheid dat hy aan dat:

"handen-uitsteken" behoefte had, een ziekteverschynsel waaruit zich

myn ingenomenheid met het pak-naaien laat verklaren. Indien ik over

hem te beschikken had gehad, hy zou eenige jaren leerjongen by

'n smid geworden zyn. Geenszins om hem binnen de grenzen van dit

ambacht te bepalen--'n smid met Wouter's gaven zou zich onmisbaar

ontwikkelen tot 'n Krupp!--maar om z'n al te eenzydige neiging

tot het kontemplatieve te-keer te-gaan, en die te-gelyker-tyd voor

zooveel noodig, te steunen. Met vermoeide leden zou hy dan 's avonds

neervallen op z'n stroozak, en den volgenden morgen geen herinnering

hebben van de gedachten die hem hadden bezig-gehouden na 't uittrekken

van z'n tweede kous, ja van z'n eerste misschien. En wat het opwekken,

aanwakkeren en voeden van z'n zucht tot bespiegeling aangaat, juist

dáártoe is niets geschikter dan een handenarbeid die genoeg inspanning

van spieren vereischt om op zeker oogenblik van lichamelyke afmatting

"halt!" toeteroepen aan de fantazie. Vóór dat oogenblik werken de

geestvermogens regelmatiger en met beter uitslag, dan wanneer men

zich meent bezig te houden: alleen met denken.

Dit eenmaal aangenomen, zie ik niet in dat het trekken aan den

blaasbalg eener smidse onzen Wouter zou geschaad hebben. Dàt, of

zoo-iets, ware hem weldra de basparty geworden, waarop hy de melodien

had kunnen zetten waarvan z'n ziel vervuld was, doch die hy nu niet

verstaanbaar wist te maken, noch aan anderen, noch aan zichzelf. En,

by-gebreke van zoo'n handleiding liep hy gevaar...

Wel zeker, hy maakte kennis met die jongelui by 't postkantoor! Zy

zouden 't hongerig zieltje vullen met hun voosrype wysheid. En Wouter's

eetlust was groot! Niet alleen psychologisch leed hy honger. Ook

in maatschappelyken en huiselyken zin was dit het geval. Hy voelde

behoefte aan gezelligheid. We weten reeds dat hieraan ten-zynent niet

voldaan werd. En wat de "heeren op 't kantoor" aangaat... ze deden

er niet in.

Doch in gezelligheid werd wèl "gedaan" door die jongeluî aan

't postkantoor. Nu ik eenmaal--met stoute miskenning der waarheid

zoowel, als van de lokaal-kleur--de heeren Ouwetyd & Kopperlith tot

'n "handelshuis" heb verheven, durf ik even ongepast die loopjongens

bevorderen tot kantoorbedienden. Zoo namelyk betitelden zy zichzelf. De

eerste aanleiding tot kennismaking werd geleverd door de ontmoeting

met een der Hallemannen. Ook hy was: "jongste-bediende." Wouter sprak

hem aan, en zei: "Gus!"

--Ah zoo... je bent Pieterse, geloof ik.

Wouter keek vreemd op by dit "geloof". Maar Pieterse wàs-i.

--Ja zeker, Gus. Wèl, ken je me niet meer?

--Ik ken je wel, maar ik moet je ronduit zeggen dat ik geen

kinderachtigheid verdragen kan. 't Lykt wel of we schooljongens zyn,

zoo praat je!

Wouter begreep er niets van. De zaak was, dat-i: Halleman had moeten

zeggen. Hy leerde dit, en weldra begon-i ook z'n eigen familienaam

mannelyker en aanzienlyker te vinden dan: Wouter. Hy zag al zeer

spoedig dien Gus voor 'n groot man aan, die 'n breede opvatting van

't leven had. De kwajongen was dan ook inderdaad 'n tweetal jaren ouder

dan hy, en wel twintig in kennis, gelyk we zien zullen, of nagenoeg.

Ach, lezer, ik heb 'n verdrietig werk te doen. Vloek over de

ellendelingen die m'n Woutertje blootstellen aan zùlke kennismaking!

--En by wie ben jy op 't kantoor?

--By de heeren Ouwetyd & Kopperlith... Keizersgracht, weetje?

--Hm! Dat's nu juist zoo'n heel groot huis niet! In 't geheel niet. Wy

doen in koffi. Jelui doet, geloof ik, op Smirna, hè?

--Dat weet ik nog niet, zei Wouter, ik ben er pas.

--Zóó? Weet je dat niet. Nou, dat's 'n rare!

Nieuw aangekomen "jongeluî" sloten zich aan, en hadden heusch als

wezenlyke menschen gegroet met: "morge, heeren!" Misselyk en komiek,

maar 't was zoo. En Wouter vond dien toon uitstekend. Hy had zich

zoo'n verheffing zelfs in 'n droom niet durven voorstellen. Helaas,

hy die zoo kort geleden nog in den omgang met zichzelf zich wys-maakte

dat-i god wàs, en koning... worden zou, hy voelde zich gestreeld

'n stuk heer te zyn in de oogen van kwajongens die almede voor iets

als heeren wilden doorgaan!

--Zeg, dàt's 'n rare! Hy weet niet eens waarin ze doen. Hoe vind

jelui die?

De "heeren" vonden 't byzonder gek. En Wouter, die zeer gevoelig was

voor spot, werd verlegen.

--Maar, zeid-i stamelend, je vroeg iets van Smirna, en dàt begreep

ik zoo gauw niet. Een van onze jongeheeren is te Rome. Meen je dàt

misschien?

--Wy zyn op Portugal, zei 'n derde.

--En wy op de Oostzee. Granen, weetje?

--Hoe héét dan je huis? vroeg 'n vyfde.

Wouter noemde de firma.

--Wel, wat bliksem...

't Sprekertje vloekte alleraardigst. En dit deed het heele

troepje. Toch ging 't de mannetjes niet glad af. Men kon duidelyk

bespeuren dat ze nog niet recht thuis waren in de handige toepassing

van al hun mannelykheid. Dit was er 't grappige van.

--Wat bliksem, dat is in manufakturen! Weet je dàt niet? In

manufakturen, zeg ik je.

En de spreker-zelf betuigde dat-i "in" assurantie was.

--Kyk maar, daar heb je polissen. Dat zyn allemaal polissen, weetje?

En allen beschouwden met eerbied 'n pakje blanko-dokumenten, dat de

loopjongen zoo-even uit den kantoorboekwinkel gehaald had.

--Ja, ja, polissen! zei Gus, met 'n nadruk die zooveel beduidde als:

"ik weet precies wat dat voor dingen zyn. Ik heb er ook in gedaan."

--Kyk, wat 'n mooie meid!

--Pst, pst! Hei! Kom 'reis hier!

Het dienstmeisje dat zoo hoffelyk werd aangeroepen, spuwde op den

grond, en liep door. Het beste wat ze doen kon! Ze hoefde niet de

minste kuisheid te-hulp te roepen om zich zedig te betoonen.

--'t Is Mie uit de bakkery, zei 't huis op Portugal. Nou!

De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 2 Uit de 'ideen' verzameld · 第 15 / 19 题