--Maar, m'nheer, zouden we nu 't jonge-mensch maar niet aan 't werk
zetten? Misschien komt m'nheer Pompile eerst na de koffi.
--Wel ja. Ga je gang!
Wilkens wenkte Wouter tot zich, en na 'n paar gemaakte kuchjes:
--Ik zou je maar raden hier maar plaats te nemen. Leg je hoed maar
weg ...
Al deze maren hadden 'n beteekenis. De meegedeelde bevelen kregen
daardoor den rang van zware verlossingen na moeielyke dracht. Het
wegleggen van den hoed beviel Wouter uitstekend, want het langdurig
vastklemmen had hem kramp in de vingers bezorgd. Zeker, als 't bekende
spreekwoord waarheid zegt, had hy meer dan iemand kans geloopen 't
heele land doortereizen, daar hy uren lang met z'n hoofddeksel in de
hand had gestaan. Voor 't oogenblik echter bewoog hy zich niet verder
dan tot den lessenaar nummer drie, tusschen Wilkens en 't venster.
--Ga maar zitten. En zeg me nu eens of je rekenen kunt? Wat men noemt:
goed rekenen?
--Ja, m'nheer, riep Wouter met ridderlyken moed, als 'n krygsman die
de trom hoort. O ja, m'nheer!
Wat hy zich schrap zette tegen ... Strabbe!
--Wel, wel! Tel dan al die postjes eens op: guldens, stuivers en
penningen. Zestien penningen maken 'n stuiver, zieje, en twintig
stuivers 'n gulden. Dit weetje zeker wel?
--O ja, m'nheer.
--Zoo? Weetje dàt! Ei!
En Wouter, de rekenheld, spande zich zóó in om z'n naastbyliggenden
plicht te doen, en om de teleurstelling over het derogeerende van
'n: "optellingsom" te overwinnen, dat-i glad verkeerd telde. Geen
enkele kolom sloot met de facitten van m'nheer Wilkens. Hy werd zeer
verdrietig, en betrapte zich op heimwee naar ... de twee gevestigde
zaken op den Zeedyk!
Een heer stapte de binnenplaats over. 't Was m'nheer Pompile, oudste
zoon van den huize, prokuratiehouder en medechef van de firma Ouwetyd
& Kopperlith.
De auteur vermaakt zich met meikevers. Wouters rekenkunstige
bekwaamheid gewogen en te ligt bevonden. Z'n opleiding in
't vak van Merkurius ... den bode der goden. Speldeprikken in
'n windblaas.
Indien de oude heer Kopperlith, die nog altyd op 'n boven-voorkamer
bezig is met z'n ontbyt en de courant van den dag, doch dien we straks
zullen zien verschynen ...
... indien de jongeheer Pompile, die driftig, beredderend, jagend en
als gejaagd, het kantoor binnenstuift, en 'n stuk of drie "dag'"s
uitstoot, alsof 't beschuitkruimels waren die hem in de keel
prikkelden ...
... indien de jongeheer Eugène die daar nog altyd over z'n romannetje
gebukt zit, en in knotwilgstyl z'n: "bsjoer Pompile!" laat glippen ...
... indien àl de Kopperlith's, als daar zyn: de jongeheer Rodomont,
en de jongeheer Flodoard, en de jongeheer Leon ...
... indien al die jongeheeren ... met den ouden heer er by, en vooral
de dikke leelyke mevrouw uit de zykamer, en de majestueuze Hersilia,
en "de" juffrouw ...
... indien ...
Sakkerloot, lezer, m'n galery wordt te vol! Wat 'n arbeid, al die
portretten afteteekenen! Toch zal ik 't beproeven. Maar eerst dit:
indien ze myn Wouter-geschiedenis onder de oogen kregen en lazen ...
Maar ze lazen geen hollandsch. Nu dan, indien men hun een fransche
vertaling van m'n werk voorlegde ... zy allen zouden my om den hals
vliegen uit dankbaarheid. Eigenlyk is 't me dus niet onaangenaam
dat hun litterarische ontwikkeling by 't fransch is blyven staan,
en dat de kans op vertaling van m'n werken in dat onwysgeerig idioom,
allergeringst is. Bovendien, al die jonge en oude jongeheeren zyn dood.
Ja, dankbaar zouden ze wezen, tot krankzinnigheid toe! De lezer is
waarschynlyk begaafd met 'n buitengewone verbeeldingskracht, en ik
wil hem gaarne het dubbele van de gemiddelde burgerlyke intelligentie
toekennen, maar toch betwyfel ik of hy in-staat wezen zou, zich de
aandoening voortestellen van 'n familie die, vele jaren na haar
universeel overlyden, van 'n edelmoedigen schryver drie graden
amsterdamsche hoogheid zoo maar klakkeloos prezent krygt. Want,
al kost het m'n eigenliefde een zwaar offer, al loop ik gevaar den
roem van stiptheid te verkleinen, waarop ik hoogen prys stel ... de
waarheid bovenal: onze Kopperlith's woonden niet op de Keizersgracht,
en patriciërs waren ze niet ... ziedaar!
De oorzaak van m'n dwaling is niet moeielyk optegeven, maar 'n dwaling
is het. Toen ik, 'n hoofdstuk of wat geleden, met juffrouw Laps
langs den Amstel in de buurt van de Jachthaven pantoffelde, daagde
de oudeheer voor m'n schryversoogen op. Nooit zag ik 'n grysaard met
deftiger voorkomen. Op z'n eenigszins te dikken buik na, vertoonde
hy 't model van 'n genueschen Doge ... uit 'n roman, namelyk. Van
'n sterk geïdealizeerden Marino Falliero ... op 'n schildery. En
ieder groette zoo deemoedig, en ieder fluisterde zoo piepend:
"dat is m'nheer Kopperlith!" dat ik--al te oppervlakkige waarnemer
op dat oogenblik--men bedenke dat m'n aandacht werd afgeleid door
't kyken naar prinses Erika, die 'r lief uitzag--in 's hemelsnaam, ik
vergiste my, en dacht: die man woont zeker op de Keizersgracht! Waar
ànders? Voor 'n graaf of baron vertoonde hy een te fatsoenlyk
voorkomen. Een ridder uit de middeleeuwen was-i niet, want met zoo'n
zwaarlyvigheid bewoont men geen burgt op 'n rotspiek. Bovendien, z'n
harnas was van zwart laken, heel fyn en glanzig wel, maar ... laken
toch. Een keizer, koning of prins kon hy ook niet wezen, want in-plaats
van hem iets toeteschreeuwen, ging ieder verlegen voor hem uit den weg,
en maakte plaats voor den buik dien-i als 'n marskraampje voor zich
uitdroeg. Wat ànders toch kon ik uit dit alles opmaken, dan dat-i op
de Keizersgracht woonde? Tot overmaat van verontschuldiging, beroep
ik my op 't publiek in de kroeg van Vrouw Gooremest. De lezer was
er zelf by, en kan dus getuigen hoe al die bevoegde personen in myn
dwaling deelden. Klaas Verlaan en z'n kornuiten waren òf Amsterdammers
van ouder tot ouder, òf althans Noord-hollanders, en wanneer zulke
autoriteiten zich vergissen, mag men het den armen schryver die deze
eer niet heeft, niet zoo heel erg ten-kwade duiden dat hy in z'n
rangbepaling 'n paar straten of grachten uit den koers dwaalt.
Hoe dit zy, 'n vergissing wàs het. En heel bedroefd ben ik er
niet over, omdat ze my zoo-even de gelegenheid verschafte zekeren
oudheidskenner die m'n integriteit kwam aantasten, en meende my
omvèr te gooien met 'n adresboek van 't jaar zooveel, de verheven
uitdrukking naar 't hoofd te werpen:
"Indien de Kopperlith's niet woonden op de Keizersgracht, m'n-heer
... dan, m'nheer, dan ... welnu, m'nheer, dan hadden ze verdiend te
wonen op de Keizersgracht, m'nheer!"
En daarby blyft het ... verhuizen laat ik ze niet! Ik heb alzoo in
't vervolg van m'n verhaal de ongewone verdienste, twee waarheden
tegelyk te verkondigen. Ze woonden er, en ze woonden er niet. Het
kantoor "ging in" in de Vellestraat, of in 'n andere straat, of ... in
't geheel geen straat, en dus "op" 'n gracht. En dat de heele familie
'n pronkstuk was van opgeblazen nietigheid, is ook waar.
"Dat komt er niemendal op aan, hoor ik zingen door 'n peloton
afgestorven zielen, als je maar terdeeg volhoudt dat wy op de
Keizersgracht woonden!"
Het is deze koorzang die my den moed geeft, m'n topografische dwaling
voltehouden tegen den letterlyken tekst van dat adresboek in. Komaan,
jongeheer Pompile, spreek, laat je hooren en bekyken door ieder die 'n
abonnement kan betalen aan Wouter's boekenman in de Hartenstraat! En
jy ook, jongeheer Eugène! En Hersilia! En Leon! En Rodomont! En
Flodoard! En de rest! Veroorloof me--of niet, naar verkiezing!--u
'n draadjen om den poot te strikken, u te laten vliegen, huppelen
en dood-liggen als 'n meikever. Spreek, Pompile! Ratel en snater,
Pompile, als toen je nog leefde, en al of niet woonde op die fameuze
Keizersgracht!
--Dag, Dieper! Dag, Wilkens! Dag Eugène! Papa nog niet beneden? Hier
zyn de brieven ... een voor huishouden--van Leon, Eugène!--waar is
Gerrit? Zoo, is dat de jonge Pieterse? Weet-i den weg in de stad! Ik
heb veel boodschappen, weetje! Krimp te Rotterdam vraagt twee
wittegrondjes-driekleur--je weet wel, Wilkens, die Victoria-fancies
van Crawfurth-Leeds--maar hy wil dat ouwe krieuweltje met 'n oogjen
... is 't er nog? Waar is Gerrit? Ik heb veel boodschappen. Hoe is 't
met mama, Eugène? Zou 't lukken vandaag ... ik meen de verhuizing? 't
Saizoen gaat voorby, en ik wou zoo graag de Hocker's en de Pleier's
en de Krucker'S vragen op Groenehuize. Die briefbesteller is 'n
lap ... de vent wil altyd geld voor 'n borrel als-i de brieven
op-straat afgeeft, want ... hy mag 't niet doen, dat weetje. Als
't gemerkt wordt, krygt-i z'n ontslag. Ik heb 'm dezen keer 'n
stuiver gegeven: denk er om, Wilkens, maar ... zet 'm op huishouden,
want er is 'n brief van Leon ook. Dus ... 't kan wel op huishouden:
wat zeg jy, Eugène? Zoo, ei, is dàt de jonge Pieterse? Heb jy wat
voor Gerrit vandaag, Dieper? Ik heb veel boodschappen. Wilkens,
je moet zoo goed wezen Gerrit hier te roepen, en zeg dat ik veel
boodschappen heb, en ... en ... ziehier den brief van Krimp. Die
menschen vragen altyd wat er niet is, want ... dat krieweltjen
met dat oogjen is er niet meer. Weetje wat we doen zullen. Als 't
krieuweltje 'r niet meer is--met dat oogje, weetje?--dan zenden wy
't moesjen, of 't slangetjen, of dat patroontje met de blokjes ... je
weet wel, 't zyn de witte-grondjes-driekleur, Victoria-fancies van
Crawfurth-Leeds. Maar je zult zien dat Krimp weer chikaneert, want
... dat doet-i altyd. Roep Gerrit ... ik heb zooveel boodschappen,
weetje. Zoo, mannetje ken jy goed den weg in de stad? Nu, dat's goed,
want ... ik heb altyd zooveel boodschappen. Eugène, als papa komt,
zeg dat ik by mama ben, met den brief van Leon, weetje. Want hy is
geadresseerd aan mama. Leon adresseert altyd z'n brieven aan mama ...
Zeker. Altyd aan mama. Ziehier de reden van deze byzonderheid. Op
't adres van een brief aan 'n gehuwde vrouw, is plaats voor twee
weledelgeborenhedens. De briefbesteller kwam nu van-tyd tot-tyd te
weten dat de op zekere wys ter-wereld gekomen echtgenoot van m'nheer
Kopperlith, ook reeds als jonkvrouw zich had weten meester te maken
van 'n geboorte die hemelsbreed afweek van de gewone. Dat het mensch
vóór haar huwelyk Niemendal heette, doet niet ter-zake. De postklerk te
Tjanjor--daar werden die epistels uitgebroed--was niet zeer bedreven in
't hollandsch, en had geen verstand van heraldiek. Hy kreeg te zien
dat de jongeheer Leon zóóveel vierkante duimen noodig had om z'n mama
te kwalificeeren, en slechts dit was de bedoeling van den jongeheer
Leon. Heel Tjanjor zou er verbaasd van staan, want: "postklerken zyn
praterig" hoopte de kwast juffrouw Pieterse na.
Gedurende het rollen van den sneeuwval waarmee Pompile z'n
tegenwoordigheid had aangekondigd, liep hy gedurig heen-en-weer, en
maakte--ook in zeer letterlyken zin--zooveel wind als maar eenigszins
mogelyk was. Een oogenblik nadat-i met Leon's brief in de hand de
kamer verlaten had, keerde hy terug.
--A-propos, Eugène, ik hoop toch dat mama zal kunnen vertrekken
vandaag? Ik zit anders en peine, zeer, zéér en peine, weetje
... erg en peine, met de Hocker's en de Pleier's en de Krucker's,
die ik allemaal geinviteerd heb op Groenehuize. En ... ik heb de
kruiers gesproken. Weetje wat die Flip zei? Hy vroeg--grof volk,
zulke kruiers!--of we mama niet het venster konden uithyschen? Dat
vroeg-i! Lomp, hè? Maar ... zie je, hy meende-n-in 'n leuningstoel,
en ... nu, ik hoop maar dat het lukt, want ik kompromitteer me
zoo allerverschrikkelykst voor de Hocker's en de Pleier's en de
Krucker's. Dat is het maar, weetje!
En hierop verliet hy weder 't kantoor.
't Spreekt alweer vanzelf, dat onze Wouter allerfatsoenlykst had
staan toeluisteren. Na 't vertrek van m'nheer Pompile verdiepte hy
zich op-nieuw in z'n optellingen. Och, hy wou zoo heel graag z'n
naast-byliggend plicht je doen. Was 't zyn schuld dat-i zich zeer
onbekwaam voelde, en telkens rekende: drie en acht is vier-en-twintig,
of wat anders?
Wilkens ging naar 't magazyn, om de slangetjes uittezoeken, of de
moesjes of de blokjes die 't huis Kopperlith den winkelier Krimp zou
trachten in de maag te stoppen, in plaats van 't verlangde krieuweltje
met 'n oogje.
"Twee en zes is twaalf, en tien is twintig ...
't Begon weer te waaien. Pompile stormde het kantoor in:
--Hè! Beroerd! Akelig! Heel beroerd! Verbeeldje, Dieper ... zeg,
Eugène, hoor eens, 't wordt àl te erg! Weet jelui 't al, van
Gerrit? Hy is weer styf van de rhumatiek ... hoe vind je dàt? Hy kan
geen boodschappen doen! En ik ... ik had juist zooveel boodschappen. Op
m'n woord van eer, ik heb wel tien boodschappen ... ja, wel twaalf! Heb
jy ook boodschappen, Dieper? Wisseltjes? Accepten? Hè?
--Vandaag niet, jongeheer. Maar morgen ...
De boekhouder sloeg 'n kleine agenda op.
... morgen heb ik 'n wisseltjen in den jodenhoek, 'n smerig dingetje.
--Zoo? Morgen? Nu dat's goed. Weet je wat je doet, Dieper? Zeg 't
aan papa, dat je telkens wisseltjes hebt, en dat Gerrit altyd styf
van rhumatiek is, en dat het zoo niet langer kàn, weetje? Zeg jy dat
aan papa, Dieper, want ... ik heb zooveel boodschappen, ik heb erg
veel boodschappen.
--Ja, jongeheer Pompile, ik zal 't zeker aan m'nheer zeggen. En ...
hoe vaart de jongeheer Leon?
Ei, ei, de slimme Dieper! Hy durfde den ouden rhumatieken Gerrit niet
aan. En ook de jongeheer Pompile, inweerwil van z'n vele boodschappen,
zou liefst dat meubel uit den weg zien zetten door 'n andere hand
dan de zyne. Gerrit namelyk had met den ouden heer relatien uit den
vóórtyd, 'n coprolithische verwantschap die ontzien moest worden. En
daarom sprong de omzichtige Dieper zoo handig en belangstellend over op
't welvaren van den jongeheer Leon.
--Heel wel, dankje, antwoordde Pompile. Den heelen brief heb ik nog
niet gelezen. Hy vertelt van tygers, en van slangen en van optochten
met zonneschermen en gouden wapens ... o, allerlei! Mama is er dol
bly mee, dat begryp je. Maar ... hy is nog altyd surnumerair. Hy
klaagt dat allerlei gemeen volk hem over 't hoofd springt ...
--Dat is zeer hard voor iemand van ... stand, zei Dieper, met 'n
treurigheid in z'n stem, die wel eenige verhooging van traktement
waard was.
--Niet waar? Die vervloekte Gerrit met z'n rhumathiek! En ik heb juist
zoo erg veel boodschappen! Zeg-eens, jy, Pieterse--je heet immers
Pieterse?--je moet eens zoo goed wezen 'n paar boodschappen voor
me te doen.
Wouter stond marschvaardig, met z'n hoed in de hand, en 'n verheugd:
"asjeblieft, m'nheer!" op de lippen. Verheugd? Ja, waarlyk! Want de
opdracht die hy te-gemoet zag, was hem 'n verademing. De jongeheer
Pompile nam plaats tegenover Dieper--daar namelyk was de lessenaar
van den "patroon"--en hy wenkte Wouter tot zich.
--Je weet dus den weg in de stad? Heel goed! Dan moet je-n-eens
zoo goed wezen ... maar zeg, heb je-n- 'n zakboekje? Een
portefeuille-n-of zoo-iets?
--N... e... e... n, m'nheer.
--Zoo? Heb je dàt niet? 'n Kantoorbediende moet 'n portefeuille
hebben, om ... iets in opteschryven, weetje? Anders vergeet je 't. Nu,
voor vandaag moet je dan maar de boodschappen ... onthouden, die ik
je-n-opgeef. Je moet zoo goed wezen te gaan by m'nheer Hocker, en daar
doe je-n-'t kompliment van my--van den jongen m'nheer Kopperlith,
moet je zeggen, van m'nheer Pompile, weetje?--en je vraagt, of de
juffrouwen Pleier uit Frankfort--want die logeeren by m'nheer Hocker,
weetje?--of de juffrouwen plezier hebben, vanmiddag met my en m'n
vrouw--zeg jy maar: met de jonge mevrouw Kopperlith-Huddewitz, dan
weten ze-n 't wel--ja, vraag of de juffrouwen Pleier plezier hebben,
met ons en de familie Krucker ...
--Ben je mal, Pompile? bromde Eugène. De jongen weet immers niet waar
Hocker woont.
--Ah...ja! Dat's waar! M'nheer Hocker woont ...
En Wouter's handelswetenschap werd verrykt met de zeer nauwkeurige
kennis van de plek waar m'nheer Hocker woonde. Ook vernam hy wat voor
dien middag de plannen waren met de familie van dien heer, en met de
juffrouwen Pleier uit Frankfort, en hoe ze zich des-verkiezende zouden
kunnen verheugen in 't gezelschap van mevrouw Kopperlith-Huddewitz,
ook wel genaamd: de jonge mevrouw.
--En dan moet je zoo goed wezen in de Kerkstraat by de
Korte-krulledwarsstraat te gaan naar den stal van papa. Je vraagt maar
naar den stal van m'nheer Kopperlith op de Keizersgracht, weetje, want
... papa houdt rytuig, eigen rytuig. En daar zeg je-n-aan Jakob--dat
is de koetsier--daar zeg je ...
Volgt: 'n boodschap aan Jakob, die me glad ontschoten is.
--En dan moet je zoo goed wezen even naar juffrouw Lins te gaan,
in de Katoenstraat, en je doet het kompliment van de jonge mevrouw
Kopperlith--je moet zeggen: van mevrouw Kopperlith-Huddewitz--en je
zegt dat de juffrouw zoo goed moet wezen om je-n-'t tapisseriepatroon
te geven ... 't is 'n liggende jachthond, kan je dit onthouden?
--J...a, m'nheer!
--Goed! 'n Liggende jachthond, weetje? Nu, dat patroon moet ze je geven
voor de jonge mevrouw Kopperlith, voor mevrouw Kopperlith-Huddewitz,
begrypje? En je vraagt den prys ... den allernaasten prys, moet
je zeggen. En dan ga je naar myn huis, en je schelt aan, en je zegt
aan de meid dat je van my komt--van "m'nheer" weetje--en je doet
het kompliment, en je zegt ...
--Maar, Pompile, hoe kan hy weten waar je huis is?
--Ah, ja! Ik woon op de Leliegracht ... stille zy, weetje, waar
de deftige huizen staan. 't Is 'n huis met opgaande stoep, en
ruiten van spiegelglas. Dáár moet je maar altyd na kyken, want ...
m'n ruiten zyn van spiegelglas. En je zegt aan de meid, dat je by
juffrouw Lins geweest bent, en dat je van my komt, en dat je de
nieuwe kantoorbediende bent, en hoeveel dat patroon kost. En ... als
dan de jonge mevrouw den prys te hoog vindt--'t is 'n jachthond op
'n kussen, weetje?--dan breng je-n-'t weerom aan juffrouw Lins,
en je zegt dat het te duur is. En dan moet je zoo goed wezen eens
te gaan by m'n schoenmaker. Hy woont in de Hallestraat, en daar doe
je-n-'t kompliment van my--van m'nheer Kopperlith van de Leliegracht,
moet je maar zeggen--en zeggen dat-i zoo goed wezen moet, morgen
ochtend negen uur, de maat te komen nemen van 'n paar pantoffels. En
dan ga je by m'nheer Krucker, en je doet het kompliment van my, en
je vraagt hoe de oude mevrouw vaart--want ze-n-is ziek, weetje, ze
heeft het pootje ... maar dat hoef jy niet te zeggen: je vraagt maar
hoe ze vaart?--en dan breng je daar 't antwoord van de juffrouwen
Pleier uit Frankfort, die by de Hocker's logeeren. Maar als nu de
juffrouwen Pleier de invitatie hebben aangenomen, dan moet je zoo
goed wezen even aanteloopen by m'nheer Kruis op de Engelsche-kaai,
en zeggen daar--maar je moet eerst het kompliment van my doen--dat
ik van-middag door zware hoofdpyn verhinderd ben gebruik te maken van
de uitnoodiging om met de familie te gaan room-eten op Lokhorst. Maar
als nu de juffrouwen Pleier laten bedanken voor de invitatie ...
--God-zegen-me, Pompile, dat alles kan de jongen nooit onthouden!
--Niet waar? Juist wat ik zeg. Waarom heeft zoo'n jongmensch geen
zakboekje? Net wat ik zeg! Je moet maken dat je-'n zakboekje krygt,
om ... alles opteschryven, weetje? Want ... 'n kantoorbediende moet
altyd 'n zakboekje hebben: wat zeg jy, Dieper? Maar ... zoo lang je
nu nog geen zakboekje hebt, moet je maar ... alles onthouden wat ik
je gezegd heb. Ga nu maar eerst die boodschappen doen. Dan kan ik je
de anderen later zeggen. Want ... als ik je te veel tegelyk opgeef,
zou je ze maar vergeten--wat zeg jy, Eugène?--omdat je geen zakboekje
hebt, weetje?
Oef!
Wouter deed z'n boodschappen zoo goed mogelyk, en zeker
allerbeleefdst. Al de meiden die hem de deur openden, vonden hem 'n
fatsoenlyk jongetje. Dit was al iets. Tot m'n innigsten spyt mag ik
niet zeggen dat-i zich zeer gedrukt voelde door de zonderlinge manier
waarop men over z'n gaven beschikte. Hyzelf kende die gaven niet,
en voelde zich in 't minst niet vernederd. Bovendien, hy was verheugd
de buitenlucht inteademen, en z'n leedjes eens te kunnen uitstrekken,
't Kwam hem voor, dat z'n ruggegraat in slaap gevallen was, en dat
'n beetje beweging hem goed zou doen. Nog iets: hy voelde zich in
funktie, en zou er niet afkeerig van geweest zyn, 'n bordjen om z'n
hals te hangen, met het opschrift: "deze jongeling wandelt langs
's heeren straten, in dienst van de firma Ouwetyd & Kopperlith" en
niet zonder eenige minachting zag-i neer op de velen die geen recht
hadden op zoo'n bordje.
Toen-i, na allerlei andere bedryven, was aangeland op de
Leliegracht--de hééle deftige zy!--en aangescheld had aan 't
fameuze huis met spiegelglas, van veertien voet breed--het huis, meen
ik--bespeurde hy terstond dat er door die ruiten heen gerekognosceerd
werd, evenals 'n uur of zooveel geleden op die andere stoep. Maar
de dame die hem begluurde, had 'n veel aangenamer uiterlyk dan de
"oude mevrouw" van de Keizersgracht. Julie Huddewitz, slechts sedert
eenige maanden de echtgenoot van Pompile, was 'n jong ding dat nog
altyd niet diep genoeg was doorgedrongen in amsterdamsch fatsoen en
in de hooge waardigheid van haar gemaal, om precies te weten wat 'n
jongsten kantoorbediende niet toekomt. Ze liet Wouter binnenkomen,
en vergat zich zoover in haar ongemanierdheid, dat ze niet alleen
geheel eigenhandig den liggenden jachthond aannam, maar zelfs aan
Wouter de vraag richtte, hoe hy 't patroon vond? Een der oorzaken van
haar wangedrag lag hierin, dat haar vader--'n Duitscher die "mooie
slagen in koffi" gedaan had--zelf kantoorbediende geweest, en nog
niet lang genoeg in Holland gevestigd was, om te weten dat men zich
met zoo'n wezen nergens anders inlaat dan op 't kantoor. In vreemde
landen namelyk, beschouwt de "patroon" zich eerst dan van andere klei
gekneed, wanneer de "bediende" door 'n huwelyk zich voorgoed laat
inlyven in den niet-vleeschetenden stand. Van dat oogenblik af, heeft
hyzelf zich z'n ontcasting te wyten. In Nederland echter neemt die
uitsluiting lang voor 't huwelyk 'n aanvang, en eigenlyk reeds voor
de geboorte. Voor 'n jongeling die daar de eerste levensduisterheid
aanschouwen mocht--verzenmakers, die 't zoo nauw niet nemen met de
waarheid, noemen 't licht!--bestaat kans om generaal te worden,
zeeheld, planeet-ontdekker, wereldberoemd kunstenaar, vaandrager
van den vaderlandschen roem ... byna al wat men maar wil, maar
deelgenoot in de firma Ouwetyd & Kopperlith wordt-i niet! Men zou,
om dat te beleven, z'n eigen kleinzoon moeten worden, want--dit
erken ik--in 't derde geslacht gelukt het soms 'n handig aventurier,
zich te doen vergeven dat z'n overgrootvader de vreeselyke misdaad
begaan had, iets anders te wezen dan "patroon." Dit alles nu wist
Julie Huddewitz wel, maar ze was er nog niet genoeg van doordrongen,
en daarom boog zy zich op den gewichtigen maandag dien ik beschryf,
zoo onvoorzichtig neder tot belangstelling in Wouter's opinie over
dien jachthond. Ik weet niet of zy ooit dochters ter-wereld bracht,
maar zoo ja ... deze zouden zich niet zoo ver vergeten hebben! Het
verheven geslacht maakt plaats voor verhevener geslachten.
Wanneer Wouter behoefte gevoeld had aan bemoediging by 't intreden van
z'n nieuwe loopbaan, dan ware zy hem waarschynlyk geleverd door die
verregaande neerbuigendheid van mevrouw Kopperlith-Huddewitz. Een dame
in 'n huis met spiegelglas, op de Leliegracht--heele deftige zy--had
hèm z'n opinie gevraagd! Dit maakte hem dan ook zoo opgetogen, dat-i
op 't punt stond een der zotste antwoorden te geven, die er konden
bedacht worden. Maar ze kwam hem voor:
--Drie gulden, zestien? Vindje 't niet wat duur?
--O, mevrouw ...
En hy hakkelde. Ik geloof dat-i zeggen wou: "mag ik 'n paar dubbeltjes
van dien vreeselyken prys voor myn rekening nemen?" Maar hy bedacht
nog by-tyds dat-i van die paar dubbeltjes juist het allereerste
niet bezat, en vergenoegde zich dus met de betuiging dat-i nog geen
verstand had van borduurpatroontjes. 't Spreekt vanzelf dat-i zich
ernstig voornam dien tak van wetenschap tot 'n onderwerp van byzondere
studie te maken. Voorloopig bepaalde hy zich tot de vraag:
--Verkiest mevrouw dat ik nog eens ga beproeven by juffrouw Lins ...
--Wel zeker, ga jy nog eens vragen by juffrouw Lins of 't niet wat
minder kan, by-voorbeeld voor ... drie gulden, twaalf? Of ... als
't mogelyk is, voor drie gulden, tien?
En met deze zielverheffende opdracht sukkelde Wouter door den
modder. Want het had zwaar geregend na al die hitte, en de straten
zagen er amsterdamsch uit. Een regenscherm had-i niet, en hy versleet
driemaal meer aan schoeisel en kleeren, dan door de vier-stuivers
die hy inderdaad in den tapisseriewinkel wist aftedingen, kon worden
gedekt. Zóó religieus vervulde hy dien dag z'n naast-byliggenden
plicht, of wat de arme jongen daarvoor hield.
Juffrouw Lins vroeg, na z'n vertrek, aan haar adjudantjes:
--Wat scheelde dat jongetje toch? 't Leek wel of-i me kussen of
... vermoorden wou om die paar stuivers?
Toen hy, na bericht te hebben gedaan van z'n zegevierend wedervaren,
voor den tweeden keer de stoep van 't huis met spiegelglas afstapte,
stond er 'n rytuig voor de deur. Dit won hem den tocht naar de
Korte-krulledwarsstraat uit, want op last van de "jonge mevrouw"
kwam de meid hem achterna roepen dat dit de britschka van m'nheer
Kopperlith was, en die koetsier de Jakob aan wien hy 'n boodschap
had. Hy stelde zich met aandoenlyke bescheidenheid voor, als de
"nieuwe jongste-bediende" van 't kantoor, en zei wat-i te zeggen
had. Uit de britschka golfde een vleeschklomp, 'n reuzin, Hersilia
Kopperlith, de zwaarlyvige huwelyksvreugd van den Elsasser Heinrich
Kalbb, die te Amsterdam konsul van z'n land was, en tevens chef van
'n handelshuis. Met andere woorden: de man "deed" in katoentjes. Maar
heel in 't deftige, namelyk in katoentjes van Mühlhausen. Engelsche
lappen van Manchester zyn minder aanzienlyk. En daarin toch slechts
handelde met groote inspanning van ziel en geestkracht, de zeer
verheven firma Ouwetyd & Kopperlith. Het is den begaafden lezer
misschien bekend dat de grootste mannen hun zwakke zyde hebben, en
dat niemand zoo totaal wordt ondergedompeld in den Styx van kreupele
voornaamheid, of er blyft 'n kwetsbare hiel waarop laaghartige vyanden
hun pylen schieten. Die vervloekte manchestersche katoentjes! Ze
maakten vlek op 't Kopperlithsche fatsoensschild, en eigenlyk op de
heele Keizersgracht.
Het is niet volkomen zeker, of de Ouwetyd's uit de wereldgeschiedenis
verdwynen tegelyk met een der menigvuldige vallen van Babyion, die
telkens zoo aandoenlyk worden geprofeteerd in de Schrift, en wel met
'n leedvermaak alsof de "Heer" 'n byzonderen hekel aan die stad had,
en of 't koelen van z'n wrevel hem buitengewone moeite kostte. Ook
de oorsprong van de Kopperlith's is moeielyk nategaan, en ik wraak
elke inlichting die te dezer zake zou kunnen worden gegeven door 'n
grieksch lexikon. Van versteende vuiligheid is hier geen spraak, want
de overgrootvader van den ouden heer was loopjongen by 'n bloemist,
en oefende dus een te welriekend ambacht uit, om aan etymologische
pedanterie vat te geven tot het al te beteekenisvol vertalen van
z'n naam. In de dagen van den tulpenhandel, was de zoon van den
aspirant-tuinier 'n paar graden gestegen, zooal niet in geestelyk
opzicht, dan toch in maatschappelyken rang. Eén geslacht daarna,
wist de vertegenwoordiger van de familie zich te nestelen op de
Keizersgracht, en wel in 'tzelfde huis waar we vandaag Wouter
hebben ingeleid. De tegenwoordige "oude-heer" erfde van z'n vader
'n handel in Oostindische lynwaden, en trok zich uit de "zaken"
terug toen de amerikaansche katoen zich meester maakte van de markt,
en engelsche wevers en drukkers van 't fabrikaat. Het naderschuiven
van de bron bedierf 't monopolie waarvan onze groot-ouweluî byzondere
liefhebbers waren, omdat het openstellen van konkurrentie zekere
inspanning noodzakelyk maakt, die niet kan gevorderd worden van 'n
"man met fortuin, zooals m'nheer Kopperlith". Zoo luidde Dieper's
plechtig advies. Het geschiedde in die dagen, dat de jongeheer Pompile
werd aangesteld tot procuratiehouder en chef, doch altyd slechts
voorzoover dien lappenhandel aanging, want het eigenlyk vermogen van
den "ouden-heer" met het daaraan verknocht diepzinnig geknutsel "in"
effekten, bleef onder diens byzondere hoede en behandeling, waarin-i
met verbazende zaakkennis door den ouden Dieper werd bygestaan. Deze
had hieraan op 't kantoor zekere wichtigheid te danken, die hy
geenszins versmaadde, en z'n aanzien stond tot dat van Wilkens
nagenoeg in rede, als 'n vod van papier tot 'n vod van katoen. Men
weet nu eenmaal dat in onze eeuw, papier vóórgaat.
De "handel" in katoentjes--waarachtig, ze deden in diemet, shirting
en sheeting ook!--heette te strekken tot 'n bezigheid voor de
jongeluî, want: "om-den-broode hoefden zy 't niet te doen! Waarlyk
niet! Volstrekt niet! Papa was zeer ryk, o zoo ryk!"
Aannemende dat het gesjacher met gedrukte katoentjes--en met de
zoo diep-wetenschappelyke diemetten, waarin Wilkens 'n specialiteit
was--moest strekken tot voedsel voor de ziel der jongeheeren Pompile en
Eugène, en vertrouwende dat deze beide zielen geen geeuwhonger leden,
kan men konkludeeren dat de twee onsterfelyke deelen der ikheid van
die jongeheeren zeer goedkoop in 't leven waren te houden. De ziel van
'n muis zou by zoo'n dieet bezweken zyn. Er is handel en ... handel,
dit wil ik wel gelooven. Maar de "mannen van zaken" worden beleefd
verzocht, niet zeer boos te worden, als ik hier coram populo verklaar,
dat hun "zaken" gewoonlyk niet boven de bevatting gaan van 'n heel
klein jongetje. Godbewaarme dat ik Wouter's bekwaamheden overdryven
zou, maar ik kan den lezer verzekeren dat er op 't kantoor van de
heeren Ouwetyd & Kopperlith niets voorviel, dat niet allergevoegelykst
had kunnen worden toevertrouwd aan zyn ontwikkeling en kennis,
het schryven van 'n kort briefjen in gebroken engelsch, misschien
uitgezonderd. Ook eenige routine in de boekhouding zou hem ontbroken
hebben, maar overigens? Och, zoo'n "handel" is zoo eenvoudig. Men
koopt iets voor ... zooveel, en verkoopt het voor 'n beetje meer,
liefst voor den hoogsten prys die er te bedingen is, getemperd
door de zorg om vandaag niemand afteschrikken door 'n inhaligheid,
die hem al te duidelyk zou waarschuwen tegen 't vilproces waaraan
men hoopt hem morgen te onderwerpen. En zoo van den eenen dag op den
ander. Diepzinniger is de zaak niet. Maar wàt moet men inslaan? Hiertoe
wordt kennis vereischt, zal menigeen denken, en wie luisteren zou
naar Wilkens, kon allicht op 't idee komen dat er eens 'n huis
te-gronde was gegaan door 't bestellen van 'n "haarstreep-diemet"
te veel, en 'n stuk of wat "dubbel-gebroken-streep" te weinig. Ook
Pompile wist lange verhandelingen te houden over kennis van "zaken"
naar aanleiding van 'n witte-gronds-driekleur-krieuweltje. Die
heeren zouden ons wel willen wysmaken dat hun "vak" bovenmenschelyke
inspanning en studie vordert, en dat de arme wiens ziel haar bezigheid
zocht buiten hun magazyn en kantoor, 'n zeer slecht figuur maken zou
in de "zaken." Zoodanige overschatting ontmoet men overal. Welnu,
lezer, 't is kwakzalvery! Verstand van koffie, verstand van kurken,
verstand van lappen en vodden ... eilieve, ga eens na, wie in 't
laatste ressort al die verbazende verstanden keuren en vonnissen
moet. De verbruiker immers? Al de vakwysheid van den jongeheer
Pompile en van m'nheer Wilkens, moest tenlaatste, om beslissend te
worden goed- of afgekeurd, te-berde komen by 'n dienstmaagd die
'n bont jak kocht, by 'n boeremeid die haar vryer 'n gekleurden
halsdoek wou ten-geschenke geven. Zeker soort van opgeblazenheid
zal wèl doen, 'n beetje te slinken na deze opmerking. Nogeens:
er is handel en handel, maar de meeste beoefenaars van dergelyke
speciaal-vakken staan waarschynlyk byzonder laag in ontwikkeling,
en zéker is 't dat zy tot de uitoefening van hun "vak" aan die
ontwikkeling geen behoefte hebben. Wat is dat voor 'n levensdoel,
zich te bekwamen in de behandeling van de vraag: of dienstmeiden
zich dit jaar zullen opmooien met 'n ruitjen of met 'n streepje? Met
'n witte-grond-driekleur of 'n bruin palmpje? Of men de "dames" zal
kunnen wys-maken dat de ... echte ware onvervalschte zuivere parysche
distinktie van 't saizoen--haute nouveauté, heusch!--zich openbaren zal
in spinazie-groen, in rooie-koolpaars, in kaas-schimmelzilver, of in
'n ander wankleurtje, liefst zoo onnoemelyk mogelyk? Ik blyf vragen,
by welke wysgeerige school de studenten in zulke wetenschappen zich
moeten aanmelden tot het erlangen van den meestergraad?
Toch neem ik 't niemand kwalyk dat-i 'n onbeduidend wezen is. Ook
dezulken moeten er zyn, om de gaping te vullen die 'r anders bestaan
zou tusschen den Mensch en z'n pantoffel. Maar ... die pantoffel
mag zich niet uitgeven voor 'n rylaars. Ik ken iemand die--hoed en
hooge hakken meegerekend--maar zestig pond weegt. Ben ik daar boos
om? Volstrekt niet. Maar zeker zou ik wrevelig z'n pretentie afwyzen,
wanneer-i zich aan my wou opdringen als 'n reus. En wèl word ik boos by
't ontwaren van lieden die, niets zynde, niets kunnende, en nooit iets
degelyks hebbende uitgericht, 'n plaats in de Maatschappy innemen,
welke hun meerderen toekomt. Ze zyn dieven. Afkeer van zùlk geboefte,
gaf my aanleiding, in dit en 'n paar der volgende hoofdstukken
het bekende draadjen om den poot der Kopperlith's te slaan. Wie nu
niet in gedrukte katoentjes "doet" maar "in tabak is" of "in" gort,
krenten, mixed pickle of schoensmeer--wie schoensmeer maakt staat
hooger!--wie niet precies "in" die katoentjes rondkruipt, behoeft
nu niet te denken dat het verboden is m'n opmerkingen toetepassen op
zichzelf. Lieve hemel, wat zou m'n uitgever verdrietig zyn, wanneer
m'n Wouter-epos alleen waarde had voor handelaars in manchestersche
lynwaden: wittegrond-driekleur-victoria-fancies van Crawfurth-Leeds,
met 'n krabbeltjen of 'n loovertjen of 'n moesjen, of met blokjes of
'n slangetjen of 'n krieuweltje met 'n oogjen ... altyd 'n volslagen
niemendalletje!
En in die niemendalletjes zou Wouter studeeren, al den tyd dien-i
overhield van de boodschappen voor den jongeheer Pompile. Daaraan
zou z'n ziel worden besteed.
Is 't niet, om de dagen te betreuren van Pennewip's afsnydende
teekens in de lucht? De dagen van den Weledelen heer Motto, met z'n
gehuurden snuifpot, en wat er verder op dien Zeedyk 't "voornaamste"
mag geweest zyn? Ja, ja, en zelfs--ik word daar byna onzedelyk--byna
zou ik me vergrypen aan de verzuchting, m'n heldje terug te wenschen
op de boven-voor-achter-beneden-insteekkamer van juffrouw Laps! De
verontreiniging die hem dáár dreigde, zou ter-nauwernood weerstand
hebben geboden aan de pomp van Vrouw Claus, terwyl hier ...
M'n bedoeling is nagenoeg, dat 'n gezonde beenbreuk my minder gevaarlyk
voorkomt dan 't stikken in vermuffing. Gelooft ge niet met my lezer,
dat er veel menschenzielen te-gronde gaan in 'n atmosfeer als die der
Kopperlith's? Maak liever 'n ambachtsman van uw jongen, of 'n matroos!
Over al de rytuigen van "papa" en de hoogheid van 'n elsasser
konsul "die m'n zwager is." Engelsche nottings en onderscheiden
windsoorten, uitloopende in 'n lange verhandeling over 't
parelduiken.
Toen Wouter, na 'n paar uur dravens, het kantoor weder
betrad--Vellestaat, stokvischbeukery, olievaten, gang naast het
achterhuis, binnenplaats en gangdeur ... hy vond in behoorlyke
volgorde al de stadien der via dolorosa terug, die Gerrit hem dien
ochtend gewezen had, en was er zeer grootsch op!--toen hy bezweet
terugkwam, vond-i alleen Dieper en Wilkens op 't kantoor. De laatste
was half weggedoken in 'n kast, die naast den ingang tot de alkoof in
'n donkeren hoek stond en met lappen gevuld was. Waarschynlyk zocht-i
daar naar 't staal van zeker krieuweltje. Hy had Wouter niet hooren
binnentreden, zoodat deze vergast werd op 't onsmakelyk staartje van
'n diskoers, of wellicht van des heeren Wilkens alleenspraak:
--Je zult zien: ik zal den schoolmeester moeten spelen! Op my zal
alles neerkomen! Ze zullen my tot plakmonarch willen maken, my! Dat's
m'n vak niet ... dat's m'n karakter niet! In 't geheel niet!
Toen de man die zoo bang was dat men 'n schoolmeester van hem maken
wilde, Wouter ontwaarde, brak hy op-eens de roerende complainte over
't gevreesd verkrachten van z'n roeping af.
--Daar staat 'n tas koffie voor je, zeide hy met 'n majesteit in toon
en vingerwyzing, alsof de oude lappen waarmede hy zich bezighield,
'n kollektie kronen en scepters geweest was. Maar hy had de zuivere
waarheid gesproken. Inderdaad, daar ergens op 'n tafeltje was
koffi. En de heer Wilkens had wel mogen zeggen: 'n bak. Maar "tas"
kwam hem indrukwekkender of aanzienlyker voor, en Wouter, die weinig
grondstof noodig had om zich te verheugen, was zeer in z'n schik met
het nieuwe woord dat-i daar zoo onverwacht en gratis mocht leeren
kennen. By hèm aan-huis namelyk, noemde men zoo'n ding 'n spoelkom.
--E...è...è...n, ik zou je raden dat je-n-in 't vervolg 'n kadetje
meebracht, of zoo-iets.
Alweer wat nieuws voor 't jong Amsterdammertje! Hy begreep niet recht
wat Wilkens bedoelde, en vreezend, dat men z'n onkunde zou aanzien voor
'n begin van dienstweigering, antwoordde hy met zekere fermeteit:
--O zeker, m'nheer! Dat zal ik zeker doen!
Och, hy was zoo gewillig! Als-i maar geweten had, wàt er dan eigenlyk
moest worden meegebracht in 't vervolg? Gelukkig dat-i uit het
vreemde woord niet opmaakte dat de heer Wilkens de poorten van Gaza
op 't kantoor wenschte te zien, of den merinossen rok van juffrouw
Pieterse! Ja, al ware die juffrouw Pieterse-zelf 't verlangd voorwerp
geweest ... de kleine Simson zou't geleverd hebben, waarachtig! Want
... men moet altyd z'n naastbyliggend plichtje vervullen, en Wouter's
plicht was nu, te doen wat 'm geboden werd door ... iedereen. Er bleek
evenwel dat Wilkens niet aan z'n moeder gedacht had, want--wetende
dat Wouter gespeend was--liet hy op z'n onbegrepen vermaning de
sententieuze kommentaar volgen: dat 'n jongmensch niet zeer lang
zonder voedsel blyven kon. Dit gaf licht. En Wouter's vermoeden
werd tot zekerheid toen-i naast twee geledigde spoelkommen van 'n
zeer aquatintig-bedropen voorkomen, eenige broodkruimels ontwaarde,
in gezelschap van 'n verlept stuk krant met botervlekken. Ook Dieper
en Wilkens alzoo, schenen zich 'n oogenblik geleden gedragen te
hebben als jongeluî die niet lang zonder eten kunnen, en ze hadden de
welwillende voorzorg gebruikt hun kiökkenmödding achtertelaten, om
'n jonger kantoorgeslacht te dienen tot baak. Dat vette stuk krant,
welsprekender dan vóór de botering, fluisterde Wouter de gissing in dat
de benaming van 't voorwerp dat hy in 't vervolg moest meebrengen--hoe
drommel heette het ook?--weleens de zeer aristokratische ambtstitel
wezen kon, waarmee men "in de zaken" 'n boteram aanspreekt. In
'n gelyksoortig vermoeden werd hy versterkt door z'n maag en door
den geest van Strabbe. Hy begon namelyk honger te krygen, en voelde
zich voorbeschikt om eetwaren te verstaan uit èlken klank die z'n oor
bereikte, al ware het 'n engelenzang geweest, of 'n preek. Wat Strabbe
aangaat ... onze handelsstudent wist nu eenmaal dat 'n spoelkom, in
kantoorstyl "tas" heet ... het onbekende ding zal dus wel 'n boteram
zyn! Men ziet, het was een soort van regula de tri, en juist daarin
was-i zoo byzonder sterk geweest op de school van meester Pennewip.
De jongeheeren Pompile en Eugène waren gewoon zoo tegen twaalven het
kantoor 'n uurtje te verlaten, om te gaan "koffiedrinken en 'n broodjen
eten by mama." Aldus luidde onveranderlyk de aankondiging van Pompile,
waarmede hy aan de "heeren van 't kantoor" verlof scheen te geven ook
iets te gebruiken ... als ze wat hadden. Want "kadetjes" of boterammen
werden niet verstrekt door het huis Ouwetyd & Kopperlith, waarvan de
"papa" zoo byzonder ryk was. De "heeren van 't kantoor" mochten,
indien ze niet wilden flauwvallen, zulke zaken meebrengen in hun
rokzak, en de fyngevoelige Eugène maakte altyd dat-i de kamer uit was,
voor die in papier gekonserveerde levensmiddelen genaderd waren aan
't oogenblik hunner ontwikkeling. Hy vond dat ze 'r zoo heel onoogelyk
uitzagen, en vooral 't rantsoen van Wilkens die, wys geworden door
treurige ervaring, gewoon was z'n "kadetjes" warm te houden tusschen
den linker voorpand van z'n vest, en z'n edel hart. Eens namelyk
hadden 'n paar neefjes van den huize--ze wisten niet, de onzaligen,
dat welgeboren jongelui geen gekheid maken met 'n kantoorbediende!--ze
hadden den weg gevonden naar de donkere alkoof waar de ongelukkige z'n
met viktualie bezwangerde straatjas bewaarde, en de kadetjes verrykt
met 'n laag fyngeknipte witte-grondjes-driekleur. De martelaar van z'n
"vak" verslikte zoo goed mogelyk de taaie geestigheid der "neefjes
van m'nheer"--z'n naastbyliggend plichtje, naar-i meende--maar droeg
voortaan de mishandelde toeverlaatjes van z'n maag by zich, tot de
finale exekutie toe. En eenmaal is 't gebeurd dat hy ze ongegeten
weer thuis bracht by de trouwe echtgenoot die ze met zooveel liefde
geboterd had, en nu niet zonder moeite haar eigen werk herkende. De
jongeheer Pompile lag dien dag overhoop met "mama" en was op 't
kantoor gebleven. De "heeren" hadden den moed niet hun spaarkruimels
voor den dag te halen. En ook de kommen met geile koffi bleven dien
nefasten dag onaangeroerd staan. Met is hier de plaats, een valsheid
van Klaas Kolyn aan 't licht te brengen, die als eerroovend voor
'n deftig handelshuis, aan de nog levende nazaten der Kopperlith's
menigen traan gekost heeft. Die knoeier beweert dat "de heeren van
't kantoor" ook hun koffie van-huis meebrachten: dwaling, valsheid,
bedrog, laster! De koffi werd uit de keuken geleverd, en de "booien"
zelf dronken ze niet beter. Dit is voor notaris en getuigen bevestigd
door dezelfde autoriteit die dezen ochtend zoo kordaat geweigerd had,
Wouter wederrechtelyk te-woord te staan by de boven-voordeur. Balthasar
Huydecoper heeft dus volkomen gelyk, zich over dien kakolyn telkens
zoo driftig te maken. Valsche gedenkschriften zyn zaad van den Duivel.
Juist was Wouter van meening 'n aanval te wagen op den hem aangewezen
spoelkom, toen de jongeheer Pompile met z'n gewone schichtige haast
het kantoor binnenstoof. Vol schrik zette de jeugdige handelsman z'n
vermeten opzet uit den zin, en den kom neer. Was 't niet opmerkelyk
dat-i tegenwoordigheid van geest genoeg had om 't ding niet te
laten vallen?
--Ei zoo? Terug? Wèl? Hoe is 't? Wat zei de schoenmaker? En de
juffrouwen Pleier? En heb je m'n huis gevonden? Je moet maar altyd
kyken naar spiegelglas, want ... die glazen in m'n zykamer zyn
van spiegelglas, weetje? En wat heeft de jonge mevrouw je laten
zeggen? Heeft ze ie geen boodschap aan my meegegeven? En ... ben
je-n-in den stal geweest? Heb je Jakob gezien? En wat deed-i? Aan
't poetsen, zeker? Zeker aan 't poetsen, hè? Want ... papa heeft
'n britschka, en 'n landauwer, en 'n tentwagen, en 'n koets, en dat
alles moet gepoetst worden. En zeg me nu maar eerst, wat de juffrouwen
Pleier geantwoord hebben?
De kleine Merkuur bracht relaas van wedervaren uit, zoo goed-i kon. Het
scheen dat z'n eerste proefstuk niet slecht was uitgevallen, want
de jongeheer Pompile knikte tevreden, en beloofde hem te zullen
begunstigen met meer boodschappen. By 'n aanleg als die welke
Wouter ten-toon spreidde, opgekweekt in den groeizamen zonneschyn
van Pompile's tevredenheid, was het te voorzien dat deze jongste
kantoorbediende--mits in leven blyvende--eenmaal den rang van
alleroudsten kantoorbediende bereiken zou. Hiertoe was slechts wat
tyd noodig.
--Ei zoo? Heb je mevrouw Kalbb ook al gezien? Wèl, dat is goed! Zoo
leer je de menschen kennen. Mevrouw Kalbb-Kopperlith, weetje? Ei zoo,
heb je die gezien? Juist, precies, dat was de britschka van papa,
want ... papa houdt rytuig. Had ze d'r huurpaarden voor ... och,
dat weet je nog niet. Maar anders ... 't is maar, weetje, dat papa
niet graag ziet dat de paarden ... nu, dit gaat jou niet aan. Je moet
alles goed onthouden ... en 'n zakboekje koopen, 'n klein zakboekjen,
en daarin alles opschryven wat ik je zeg, en wat m'nheer Wilkens je
zegt, niet waar, Wilkens?
--Ja, m'nheer!
--Juist. Mevrouw Kalbb is m'n zuster, mevrouw Kalbb-Kopperlith--zóó
moet je zeggen!--en denk er aan dat m'nheer Kalbb z'n naam met twee
b's spelt. Onthoud dat, en schryf 't op als je-n-'n zakboekje hebt
... met twee b's weetje? Want er zyn ook menschen die Kalb heeten
met één b, geringe menschen, heel geringe menschen ... 'n leerkooper,
geloof ik. Wat zeg jy, Dieper?
Dieper legde langzaam en voorzichtig z'n pen neer, trad 'n stap
achterwaarts--hy boekhouwerde altyd overeind--snoot z'n neus, hèmde
z'n keel schoon, en sprak met expresselyk voor deze betuiging gereed
gemaakte organen:
--Ja, jongeheer, heel geringe menschen!
--Zieje, ging Pompile voort, m'nheer Dieper zegt het ook, en ... die
leerkooper schryft z'n naam met één b. Maar myn zwager heet Kalbb
... met twee b's, en hy is konsul van den heelen Elsas, en als de
Koning in de stad komt, moet-i altyd op audiëntie, en dan zegt de
Koning: eh bien, m'sieur le consul, comment vont les affaires? En
dan antwoordt m'nheer Kalbb ... ook in 't fransch. En dan heeft-i
'n rok aan met 'n geborduurden kraag. En dan knikt de Koning--'t is
eergister nog gebeurd, en alle jaren weer!--en m'nheer Kalbb ... is
m'n zwager, de schoonzoon van papa. En ... heb jyzelf nu mevrouw
Kalbb al gezien? Wèl, wat zei ze?
--Ze zei niets, m'nheer.
--Zoo, zei ze niets? Dat komt omdat ze niet wist dat je hier jongste
bediende bent, anders zou ze je zeker wel iets ... gezegd hebben, of
... 'n boodschap opgedragen, of zoo-iets, want ... ze is m'n zuster,
weetje! Dat moet je goed onthouden. En hoe is 't afgeloopen met dat
borduurpatroon?
Wouter's triumf over de afgedongen vier stuivers, werd eenigszins
gematigd door 't gefronsd voorhoofd van Pompile, toen deze de
buitensporigheid van z'n lichtzinnige wederhelft te weten kwam:
--Binnen geweest? Zelf de jonge-mevrouw gesproken! Ei
... zoo? Binnen-geweest in de zykamer? Waarom ben je binnen geweest?
--M'nheer, stamelde Wouter, die bemerkte dat-i 'n fout begaan
had, m'nheer, de meid zei dat mevrouw me liet roepen, en dat ik
... binnenkomen moest.
--De meid, de meid! Wat geef je-n-om 'n meid? Zoo'n meid kan wel
zeggen ... kyk, dit is nu zóó, weetje? Als ik je wat opdraag, dan
moetje-n-altyd ...
Men hoorde een sloffenden tred in de gang. 't Spyt me. Want ik
had gaarne eens vernomen hoe Wouter zich in 't vervolg zou te
gedragen hebben, wanneer "de jonge-mevrouw" hem door de meid liet
binnenroepen? Pompile brak op-eens z'n onderricht af:
--Daar is papa! Ik zal je voorstellen aan papa. Je moet nu zoo goed
wezen heel beleefd te zyn tegen papa. Dag, papa!
De eerwaardige gedaante van den ouden heer Kopperlith schoof 't kantoor
in. Met 'n welbehagelyk lachje nam hy de nederige begroetingen van
Dieper en Wilkens in ontvangst, en ook op Wouter spatte een drupjen af,
van den genadestroom dien hy zich alleredelmoedigst ontvloeien liet.
--Zoo, is dat de jonge Pieterse? Wel, mannetje, nu moet je maar
braaf oppassen, dan kan er iets degelyks van je groeien. Je bent ons
gerekommandeerd door m'nheer Dieper ...
De boekhouder trad 'n pas achterwaarts, en maakte een beweging alsof-i
nogmaals verschooning vroeg voor 'n stoutheid die hy scheen begaan
te hebben. Maar de oude heer glimlachte weder. Goddank, Dieper zou
voorloopig niet geradbraakt worden.
--Ja, door m'nheer Dieper, die myn boekhouder is. En aan mênheer Dieper
ben je gerekommandeerd door zekeren heer ... hoe heet-i ook weer?
--Och, m'nheer, antwoordde de boekhouder, als ware de naam dien-i
zou uitspreken, eigenlyk te gering voor het oor van den heer
Kopperlith. Och, m'nheer, 't jonge mensch is my aanbevolen door
... zekeren Kalb, 'n leerkooper ... iemand dien ik wel eens ontmoet
heb ... m'nheer!
Kalb was z'n neef, en z'n beste vriend, voor-zoo-ver het
kantoorbedienden en boekhouders geoorloofd is, neven en beste vrienden
te hebben.
--Juist! Zekere ... Kalb. Nu, dat's hetzelfde. Je zult hier veel
werk vinden, jongetje! Hard werken is de boodschap. Heeft Wilkens
hem reeds een-en-ander gewezen? Is-i al in 't magazyn geweest? Op de
zolders? Zeker zet je 'm aan 't kopyboek, Pompile?
Op al deze vragen had Pompile 'n dozyn: "O ja, papa's" ten-beste
gegeven.
--En schryft-i 'n mooie hand?
--O ja, papa!
Wouter begon eerbied te voelen voor Pompile's doorzicht. De vereerende
hoedanigheid die hem werd toegekend, was zeker gebleken uit z'n
boodschappen by de Pleiers, of de Kruckers, of de Hockers, of den
schoenmaker. Wat die voorname lieden toch scherpzinnig zyn!
--Zoo? Ei! 'n Mooie hand? Ei, ei! Wel, Pompile, wat zeg je 'r van,
als we hem den brief van Leon 'n keer of wat lieten overschryven voor
Flodoard, en voor neef Griekel, en voor de familie Pruikers?
--O ja, papa!
--Niet waar, ze inviteerden Leon altyd zoo trouw op hun
kinderpartytjes. Ze zullen 't aardig vinden dat-i zoo'n man geworden
is, en al zulke mooie brieven schryven kan. Maar ... op dun papier,
op heel dun papier! 't Is om de port naar Rome, weetje ... op héél
dun papier!
--O ja, papa!
--Zieje, dan kan 't mannetje zich met-een wat oefenen in briefstyl,
vind je niet, Pompile?
--O ja, papa!
En zoo geschiedde het. Wouter werd belast met het verveelvuldigen der
oostindische wysheid van den jongeheer Leon, ter opvroolyking van den
jongeheer Flodoard die te Rome was en daar heette te schilderen. Tot
amuzement ook van neef Griekel te Leiden. En om de vriendschap te
cimenteeren met de familie Pruikers, óók lieden in 't best van hun
fatsoen. Na 't eerbiedig aanhooren van veel leerstelsels over de
ware manier om 'n brief overteschryven, ging Wouter dapper aan
't werk. Hy keek niet op, kopieerde letter voor letter, woord
voor woord, zin voor zin, en ... netjes! Z'n werk leek op 'n
gravure. Hy volbracht dus alweer zoo goed mogelyk z'n naastbyliggend
plichtje. Maar wel verwonderde het hem dat de heer Leon Kopperlith,
surnumerair by de Landelyke Inkomsten en Kultures in de afdeeling
Tjanjor, residentie Preanger Regentschappen, op het eiland Java,
in Nederlandsch lndië--aldus onderteekende die verre jongeheer 'n
brief aan z'n moeder, die niets vreemds vond in deze zotterny--wel
bevreemdde het hem dat die voorname persoonlykheid zooveel taal- en
spelfouten maakte. En ... iets anders nog. Hy voelde zich eenigszins
beleedigd--meer dan door die boodschappen!--dat men hèm al die fouten
te kopieeren gaf ... tot oefening in briefstyl.
Er bestond nòg iets dat hem zeer begon te hinderen. Maar dit kon Leon
niet helpen. Hy had 'n vreeselyken honger.
Slechts zeer zelden verwaardigde zich de oudeheer des morgens op 't
kantoor te komen, d. i. vóór den toenmaligen beurstyd en 't daarop
volgend middagmaal. Het scheen dat-i zich dezen keer wat vroeger dan
gewoonlyk naar beneden had laten dryven door de verveling, een euvel
waaraan hy zich twaalf uren in 't etmaal schuldig maakte, jaar-in,
jaar-uit. Hoe zou 't anders kunnen? De man was leeg. Misschien
herinnert zich de lezer 't portret van den baron Van Een-en-ander,
dat ik tentoonstellend aan den wand hing in m'n "Specialiteiten." Ook
daar schetste ik een nietig wezen. Welnu, zoo'n Een-en-ander-baron
is by den hier bedoelden Kopperlith vergeleken, 'n ware Humboldt,
'n Kroesus naar den geest. Die oude baron beteekende zeer weinig,
omdat-i slechts ... een-en-ander was. Kopperlith senior was nòch
't een, nòch 't ander. Hy was niets.
Z'n komst op 't kantoor werd altyd, door Pompile vooral, met weerzin
gezien, omdat hy--voor-zoo-ver er inderdaad iets te doen viel--de
bedienden van 't werk hield door z'n eindeloos gebabbel. Dit was,
vooral nà den middag, zeer hinderlyk, en Wouter's menschenkennis had
dan ook weldra gelegenheid zich uittebreiden tot het besef hoe zekere
lieden byzonder grappig worden als ze goed gedineerd hebben. Doch ook
in den "stillen tyd", in 't saizoen dat z'n botanischen naam aan de
cucurbitaceën ontleent, zagen de jongeheeren den oorsprong van hun
bestaan liever vertrekken dan komen. Door overmaat van opgeblazenheid
namelyk, meende hy in zekere buien niet noodig te hebben den toegang
tot z'n hoogheid zoo angstvallig te versperren als sommige anderen,
en deze noodlottige waan verleidde hem soms--vooral nà tafel!--tot
inbreuk op 't decorum van het kantoor. Dit beviel de jongeheeren
niet, zy die in de bespottelyke gemeenzaamheid van "papa" een element
van bederf meenden te ontdekken voor 't verheven standpunt dat zy
wilden blyven innemen. Wie 'n zuiver muzikaal gehoor had, kon altyd
in den toon dien de jongeheeren terstond na 't vertrek van "papa"
aansloegen, duidelyk zekere scherpte waarnemen, waaruit men verstaan
kon: "denk nu vooral niet dat je geen bediende bent omdat papa zich
zoo met je gekompromitteerd heeft." Het: "je moet eens zoo goed wezen"
van Pompile klonk dan waarlyk komisch, juist omdat z'n linksgedragen
hoogheid zoo kluchtig afstak by de laagte der sfeer waarin hyzelf
zich bewoog. Zeker bezat hy één hoedanigheid van 'n groot man. Déze,
dat niets hem te klein was. Om nu echter wezenlyk-groote mannen niet
te-schande te maken door dezen schyn van verwantschap, behoort men
zich te haasten er bytevoegen dat hem alles te groot was, behalve
het allerlaagste. We vernamen reeds hoe hy den stuiver waarmede hy
'n briefbesteller paaide voor 't verzaken van z'n plicht, niet wilde
doen drukken op de "zaken" waarin hy 'n vierde aandeel had, terwyl-i
als aanstaand mede-erfgenaam ter-zyner-tyd slechts voor 'n geringer
deel zou betrokken zyn in 't wel of wee van "huishouden." En veel
hooger dan Pompile stonden de andere leden der familie Kopperlith niet,
noch in kennis, noch in verstand, noch in hart.
Het spreekt vanzelf dat Wouter--in 't oordeelen nog altyd
belemmerd door naïveteit--dit alles niet dan zeer langzaam
opmerkte. In-den-beginne nam hy zich z'n eigen verwondering kwalyk. Hoe
trager evenwel z'n oordeel zich ontwikkelde tot overtuiging, hoe dieper
deze overtuiging geworteld werd. Aanvankelyk voelde hy slechts z'n
nieuwsgierigheid geprikkeld. Telkens echter werd er 'n nieuw hoekjen
opgelicht van de gordyn die de Maatschappy--of het nietig onderdeel
er van dat hy nu te beschouwen kreeg--tot-nog-toe voor z'n oogen
bedekt hield. Langzamerhand ging deze nieuwsgierigheid in verzadiging
over, weldra in minachting, en daarna in verachting en walg, waaruit
ten-slotte de hoogmoed voortkwam die 't doel van ons streven moet
zyn. Maar zoo ver zyn we nog niet. Op dit oogenblik begint hy juist
z'n derde afschrift van den fameuzen brief des zeer jongen heers
Leon. Daarin kwam 'n vertelling over zeker feestmaal voor, waaraan
de auteur beweerde te hebben deelgenomen. Daar was veel gedronken,
gegeten en ... och, Wouter had zoo'n honger! Hy kende het dokument nu
van buiten, en schreef werktuigelyk voort, niet zonder te luisteren
naar alles wat er gesproken werd door de "heeren van 't kantoor." Maar
dat de honger hem vreeselyk plaagde, is de waarheid. Als ooit "de
handel" hem aan "brood" helpen zou, moesten de zaken zeer veranderen.
Wat de luistervink al zoo te weten kwam, zal ik meedeelen in 't
volgend hoofdstuk, waarschyntyk niet zonder kommentaar.
De lezer zal wel reeds hebben opgemerkt--en misschien niet zonder
eenig medelyden met den auteur--dat er onder al de personen die ik
in dezen kring ten-tooneele voer, geen enkel slecht mensch voorkomt,
althans niet in den zin dien wy gewoonlyk aan dit woord hechten. Het
is zoo. Al die sujetten vallen niet in de termen van welk artikel
ook uit het Wetboek van Strafrecht, noch zelfs van policie-keur.
De oude Dieper zou geen kind te vondeling leggen, al was 't een
voorbarige spruit van z'n eigen dochter geweest. Wilkens maakte reeds
sedert ruim 'n halve eeuw zich niet schuldig aan belletjes-trekken,
en ik kan den lezer verzekeren dat ook de drie stuivers die er te-kort
kwamen in z'n "kleine kas" niet in zyn zak waren overgegaan. Eugène
vermaakte zich wel met de booswichten in die fransche romannetjes,
maar verder ging z'n verkeer met zulk onfatsoenlyk gezelschap niet. In
z'n gedrag geleek hy wel volstrekt niet op de deugdhelden in die
boeken--wat ik verstandig vind--maar toch, hy vermoordde nooit
iemand. Zelfs verleidde hy geen meisjes welker eer den prys van
'n halven dukaton te-boven ging. Dit was 'n principe van hem. Hy
was dus wat men gewoon is te noemen: van onberispelyk zedelyk
gedrag, en zou--wat dit betreft, en nu eens geen acht-slaande op
den gerekwireerden "lust in werken"--best geschikt zyn geweest voor
de betrekking van winkeljongetje by m'nheer Motto. De oude Gerrit
was 'n pruttelaar, maar overigens bestond z'n grootste fout--op de
rhumatiek na--in 't koketteeren mèt die rhumatiek, 'n begaafdheid
die hem alleraardigst te-pas kwam om nu-en-dan 'n boodschap voor den
jongeheer Pompile uittewinnen. En ook deze leverde geen bruikbare
vlek in de eentonige schildery van 't gewone. Gelukkig dus dat ik
geen romanschryver ben! Hoe immers zou ik 't aanleggen, om straks wat
licht te doen uitkomen by zoo weinig bruin? By zoo'n totaal gemis van
't krimineel-zwarte? Wie zou helder blinkende deugd kunnen schilderen
op zoo'n vaalgryzen grond?
Neen, neen, dat gaat niet! Al moest dan de heele deugd achterwege
blyven--ik zweer er niet op dat dit het geval wezen zal!--dan toch
... vanhier, vanhier, gy die meent 'n roman te halen uit den huize
Kopperlith!
Als ik 'n romanschryver was, zou m'n taak ligter zyn. Dan immers had ik
slechts den gek Wilkens te verdoopen in 'n bandiet, hem 'n roovermantel
van diemet en shirting om den schouder te slaan, z'n kantoortjen onder
de stoep te veranderen in 'n spelonk vol doodsbeenderen en geronnen
bloed, z'n kadetjes in zakpistolen, z'n pedante praatjes in moord-
en wraakschreeuwende tooneelkrankzinnigheid. Niets gemakkelyker
dan dat alles, maar ... 't is nu eenmaal bepaald dat m'n taak zoo
eenvoudig-akelig niet wezen zal. Want ... 'n romanschryver ben ik niet!
Ware ik 'n romanschryver ... zeker, dan liet ik de draadpoppen
myner chinesche schimmen elkaar den nek omdraaien tot vermaak en
zielestichting van den lezer. Dan ware reeds lang de lyvige Hersilia
op-weg naar Gretnagreen, met den ouden Dieper en de kas ... de
groote. Want in die van Wilkens kwamen nog altyd de drie stuivers
te-kort, die volstrekt noodig zyn om sous d'autres climats zalig
te wezen met 'n verboden geliefde. Ware ik romanschryver ... dan
boezemde ik den teederen Pompile yverzucht in tegen 't allerjongst
kantoormannetje dat zich, één halven dag nog slechts in funktie, reeds
verstout had integaan tot z'n vrouws zykamer! Ware ik romanschryver
... dan liet ik den achtenswaardigen hoofddader van 't wanbedryf:
Ouwetyd & Kopperlith, bekneld raken tusschen twee olievaten, woedend
allebeî over de zoo sarrend te-kyk gedragen persifflage hunner smeerige
welgedaanheid ...
Maar, helaas, 'n romanschryver ben ik niet! Ik kan van al die menschen
niets anders maken dan wat zy inderdaad waren: niemendal! Is 't
niet treurig voor my, gedoemd te zyn tot schilderen met zoo weinig
kleur? Welke lezer zal tevreden wezen, wanneer ik alles wat 'n boek
lezenswaard maakt--uitdrukking, styl, schryfmethode, en ... inhoud
nog bovendien op den koop toe--wanneer ik me veroorloofde dat alles
te borgen van Gerrit Sloos, en my te bepalen tot 'n bondig:
--Je kunt me gelooven, Pieterse, ik ben 'n oud man, en jy 'n jonk
borssie, maar ... wat ik je zeg: 't is allemaal wind en 'n engelsche
notting!
Sloos had nog 'n andere uitdrukking, die hem zeer scheen te bevallen
omdat ze, naar-i meende, de zaak even duidelyk en eenigszins
tooneelachtiger voorstelde. Hy leefde in den eersten bloeityd van
Kotzebue, en laafde gedurende al z'n vele boodschappen zyn kunstzin
aan de tooneelbriefjes die de opvoering van Armuth und Edelsinn
aankondigden. De hollandsche vertaler had dit laatste woord als in
ons land minder gangbaar beschouwd, en doopte dus dat tooneelstuk met
den meer hollands-klinkenden titel: Armoede en Grootheid. Onze Gerrit
had wel dien naam diep in z'n geheugen geprent, doch--eenigszins
tegen de bedoeling van den schryver en vertaler--in den zin van:
kalen bluf. Ieder is de uitlegger van z'n eigen woorden, en indien
de oude Sloos nog leefde ...
Komaan, z'n engelsche notting is mooier. En z'n wind ook. De oudeheer
was 'n neerbuigend-winderige notting. Eugène's notting-wind woei
naar-binnen. Pompile was 'n notting met kinderachtigen wind. De notting
van Wilkens suisde en blaasde ploertig-pedant. De oude Dieper ... hm,
'n volslagen notting was deze niet, maar toch, de wind die daarby zou
behoord hebben, was hem niet geheel-en-al vreemd. Hy bewaarde dien
voor huis- en buurtgebruik. Zoodra hy, van 't kantoor komende, de brug
bereikte die den Jordaan waar-i woonde afscheidt van deftiger buurt,
liet-i zyn wind los. Op die brug rekte hy hals en lenden eenige duimen
uit. Hy richtte zich met zekere fierheid omhoog--op 't horloge-n-af,
altyd kwart over vieren--gaf aan longen, armen en beenen, aan gezichts-
en nekspieren, de zoolang ontbeerde vryheid weder, en kuchte dat de
Jordaan er van daverde. Die kuch was 'n jerichoosch trompetgeschal
dat schetterend verkondigde: "de Kopperlith van déze buurt ben
ik!" Jammer dat de ware bezitters van dezen roemruchtigen naam zich
nooit verwaardigden hun voeten in die gemeene wyk te zetten. Want
als eens onze Dieper in zoo'n huisbui van overmoedige handlichting
den oudeheer had ontmoet, Of den jongeheer Pompile, of den jongeheer
Eugène ... tot groot nadeel van den Jordaan, nu ja, maar ... dan had
ik 'n natuurtooneel te beschryven gehad, en in deze hoofdstukken iets
anders te schetsen dan één doorgaande nietigheid!
Waarheid blyft echter, dat Wouter in zóó'n kring 'n paar van z'n
"Lehrjahre" moest doorbrengen ...
Fancy had gelyk!
Hy moest leeren dat er in onze kleine wereld heel iets anders dan
ridders, roovers en reuzen te bestryden valt. Dat er heel wat schooners
moet veroverd worden dan betooverde kasteelen, heel wat grooters dan
werelddeelen. Dat de adelyke kampvechter zich moet toerusten met geheel
àndere wapenen dan zwaard, lans en Edelsinn, om niet ondertegaan in
den stryd tegen 't geboefte. Wouter moest zich leeren verdedigen tegen
't kleine.
Dit nu gelukt byna allen, omdat weinigen daartoe te hoog staan. Maar
te-gelyker-tyd was hem opgedragen het groote in 't oog te houden
... rein te blyven by aanraking met vuil ... buigend en bukkend niet
te breken ... steeds gereed te staan tot krachtig opspringen als
'n gebogen veêr ... te-midden van zooveel smetstof gezond te blyven
... in één woord: steeds zichzelf te zyn. Dit gelukt weinigen!
Thema van dezen bundel, en in zekeren zin van de geheele
Wouter-geschiedenis:
Een parelduiker vreest den modder niet.
Schetsen uit onwelriekende streken van zekere wereld beneden de
oppervlakte der zee, waarby men, o. a. "een man als U, m'nheer!" te
aanschouwen krygt. Ook de jongeheer Pompile blyft voortgaan zich
te vertoonen in al z'n geurige beminnelykheid van verstand en hart.
De lezer herinnert zich den indruk dien pater Jansen's eenvoudige taal
op Wouter gemaakt had. Niet geheel-en-al ongelyk dááraan nu was z'n
bevreemding over den aard der gesprekken op het kantoor. Doch ... er
bestond verschil. Wel sprak ook pater Jansen geheel anders dan hy
zich had voorgesteld, maar er blonk iets zoo liefelyk-goedaardigs
in z'n onderhoud door, dat Wouter den moed niet had iets in hem
aftekeuren. Al was onze leerling in menschenkennis en menschkunde
nog niet ontwikkeld genoeg om intezien hoe hoog het waar-menschelyke
boven het vals-goddelyke verheven is, toch zou in dit geval z'n
smaak al zeer spoedig den weg hebben gewezen aan z'n oordeel. Om
nu evenwel zelfs den braven Jansen niet meer te geven dan hem
toekomt, moeten wy wel onthouden dat Wouter's kennismaking met dien
eenvoudigen geestelyke vergezeld ging van 'n boteram, terwyl het
kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith niet de minste bykomende
omstandigheid aanbood die verlokkend werkte op de beoordeeling van 't
verhandelde. Geen onzer is in-staat den oorsprong van z'n indrukken
nauwkeurig te bepalen, noch met juistheid het aandeel te schiften
dat velerlei invloeden uitoefenen op ons oordeel. De kennismaking
met het stukje nieuwe wereld waarin Wouter aanving zich te bewegen,
ging vergezeld van zulke onaangename byzaken, dat-i moeite zou gehad
hebben de gesprekken die hy aanhoorde schoon of belangryk te vinden,
al hadden de sprekers Bilderdyk's Floris gerepeteerd, of 'n preek
opgezegd. In-plaats van de gulle ontvangst die hem was te-beurt
gevallen by Vrouw Claus, voelde hy zich geplaagd door 'n onbevredigden
eetlust die hand-over-hand toenam. Bovendien ... komaan, we zullen
't woord dat niet gaarne uit m'n pen vloeit, in den mond leggen van
de sprekende personen-zelf, die niet te goed zyn voor 't platste:
--Zeg eens, Dieper, vindje niet dat het hier erg stinkt? vroeg de
oudeheer met roerende vertrouwelykheid.
De plichttrouwe boekhouder toonde zich deze neerbuiging tenvolle
waard. Hy volbracht de by zulke gelegenheden voorgeschreven hand-
en voetgrepen: pen in de gleuf van 't opgeslagen boek ... één stap
achteruit ... de handen gewreven, en:
--Ja, m'nheer, 't stinkt hier wel ... 'n beetje.
Dat "beetje" was kostelyk. Het moest er volstrekt by, om 't
gelyk-geven aan m'nheer Kopperlith niet te doen ontaarden in 'n
vermetele aanranding der eer van m'nheer Kopperlith's kantoor. Zoo
zeilt de wyze tusschen twee klippen door!
--Ja, ja, papa, bevestigde Pompile, 't stinkt hier heel erg. Dat komt
van de grachten, niet waar, Dieper?
--Zeker, jongeheer, 't komt van de grachten ...
En, alsof deze betuiging niet voldoende was om den jongen patroon
tevreden te stellen, bezwoer de boekhouder deze meening met de
plechtige woorden:
--Ik heb de intieme fiktie, m'nheer, dat het alleen van de grachten
komt!
--Ei? vroeg of zei m'nheer Kopperlith.
--Ja, m'nheer! En ... 't is zoo'n ... modderlucht, vindt u niet?
Dieper had zeer gerust de kwalifikatie 'n paar graden onfatsoenlyker
kunnen inrichten, zonder te-kort te doen aan de waarheid. Maar bégueule
stiptheid in omschryving was minder z'n zaak, dan 't reinwasschen
van m'nheer's kantoor van àl te onwelriekenden blaam. Op gelyke wys
had Gerrit dien ochtend het even laag gelegen magazyn in bescherming
genomen door de schuld op de riolen te werpen, al geschiedde dit dan
niet zoozeer uit diplomatie, als wel om den nieuwen jongste-bediende
een blyk van z'n scherpzinnigheid te geven. Misschien ook was 't
Gerrit alleen om 'n praatje te doen, een bodem waarop veel onbekookte
meeningen groeien. In-zoo-verre echter moet ik zoowel Dieper als
den knecht volkomen gelyk geven, dat de beide lokalen die thans in
zoo slechten reuk stonden, misschien welriekend zouden geworden zyn
wanneer men ze had overgeplaatst naar 'n lusthof op den Hymettus. Maar
in zoo'n lusthof lagen ze nu eenmaal niet.
--Als jeluî de ramen wat opschooft? stelde de oudeheer met bescheiden
weifeling voor.
--O né, papa! Volstrekt niet, papa! Dat kan niet, papa! Ik zal u
zeggen, papa ... vooreerst, Dieper kan niet tegen tocht, papa! Niet
waar, Dieper?
Dieper betastte z'n hoofd:
--Zinkings, m'nheer! Allemaal zinkings!
--En dan, papa, als we hier versche lucht binnenlaten, dan komt er
dadelyk zoo'n fameuze stank in van de binnenplaats, papa!
Meer afdoende reden om "versche lucht" buiten te sluiten, zal wel
nooit gegeven zyn. De oudeheer berustte dan ook in de zaak, en
Pompile die gelegenheid zag de verpeste atmosfeer te gebruiken als
bondgenoot--niets was hem ooit te gering!--en als middel om z'n doel
te bereiken met de Pleiers en de Hockers en de Kruckers, bracht zeer
handig het gesprek op iets anders.
--De zaak is, papa, dat u behoorde buiten te wezen in Juli. Niet
waar, Dieper?
--Zeker, jongeheer, zeker! Ja, m'nheer, een man als U, m'nheer,
behoorde reeds lang buiten te wezen!
Het glimlachje dat de oudeheer Kopperlith by deze gelegenheid liet
opgaan over de boozen en goeden van z'n kantoor was goud waard. Toch
niet om de zeldzaamheid, want Dieper kon het tevoorschyn roepen
zoo dikwyls hy verkoos met 'n allergoedkoopst: "een man als U,
m'nheer!" Maar hy was te bekwaam in z'n specialiteit van perpetueel
ondergeschikte, om de kitteling van z'n streelen aftestompen door
overvoer. Meer dan tweemalen daags zeide hy 't niet. En gewis ook
zóó veel keeren kon m'nheer Kopperlith het verdragen zonder op
't afgryselyk denkbeeld te komen dat z'n boekhouder hem voor den
gek hield. Neen ... Dieper had verder kunnen gaan, waarachtig! Maar
de man was 'n vriend van 't gemiddelde, een vyand van overdryving,
matig, sober en ingetogen, tot in z'n flik-vlooiery toe. Bovendien,
er was inderdaad geen element van bespotting in de hulde die hy vry
periodiek neerlegde op 't altaar van de Kopperlithsche hoogheid. Z'n
opblazen by 't betreden van de buurt die hyzelf bewoonde, had
volstrekt niets te maken met de gemoedsstemming die inderdaad de
zyne was zoodra hy den gewyden grond der Keizersgracht betrad, waar
't zoo heel erg ... 'n beetje stonk. Hy huichelde evenmin als de
bulhond die, wild en onhandelbaar onder z'n gelyken en by vreemden,
zich deemoedig kruipend neerstrekt voor de voeten van z'n meester.
Oppervlakkige ziel-ontleders denken gewoonlyk veel te spoedig aan
huichelary, wanneer zy iemand ongelyk zien aan zichzelf. Juist deze
ongelykheid is by zeer velen de strenge konsekwentie van allergewoonste
karakterloosheid.
Ook Dieper hield er 'n wezen op na, dat tienmaal in de week 'n
fleemerig: "een man als U, m'nheer Dieper!" by hem plaatsen kon, en
... op-straffe van ongenade, plaatsen moest. De majesteit waarmee de
oude boekhouder in zyn huis om z'n sloffen riep, of 'n ketel saliemelk
bestelde--zoo byzonder goed tegen de "zinkings"--was nauw verwant aan
't zelfde hondenkarakter dat hem zou hebben genoopt de pantoffels van
"m'nheer" te kussen, wanneer dit blyk van rechtgeaarde boekhouwery
mocht gevorderd worden.
--Een man als U, m'nheer, moest al lang buiten wezen, niet waar,
jongeheer?
--Ja, papa. 't Saizoen gaat voorby, papa!
--Dat is waar, Pompile. Maar ... als mama niet reizen kan ... wat
zullen we 'r aan doen? Ik hoor van Gerrit dat mama weer heel erg is,
byzonder erg, Pompile!
Dit had hy van "Gerrit" vernomen. De onnoozele lezer die nooit
te logeeren werd gevraagd aan 't hof van Spanje, en dus niet
ingewyd kan zyn in de verheven etikette van zoo'n Kopperlithsche
huishouding, is misschien verwonderd dat 'n man bericht van den
gezondheidstoestand zyner vrouw ontvangt door bemiddeling van den
knecht. Men bedenke dat--op 'n kleine uitzondering na, die straks
zal gemeld worden--slechts zeer weinige stervelingen toegang hadden
tot de suite, waar "mevrouw" huisde, sliep, ziek was, at en dronk,
enz. Daar was 'n "juffrouw" die haar gezelschap hield, en 'n kamenier
voor 't aan- of uitkleeden, en 't optooien. Want ... opgetooid wèrd
ze. Doch zie, deze beide mynslavinnen waren niet sterk genoeg om 't
logge schepsel uit haar bed op den rolstoel te helpen, waarmee ze naar
't voorvenster van de "zykamer" moest gekruid worden. Jaren geleden
reeds was er over deze zwarigheid 'n kantoor- en familieraad belegd,
met den kanonieken uitslag dat de ook toen reeds niet jeugdige Gerrit
zou worden beschouwd als geslachteloos, 'n vereerende onderscheiding
die hem 't recht van toegang tot den harem verschafte. Men bedenke
dat het er donker was, en de sultane sedert lang grootmoeder. Deze
regeling omtrent Gerrit voldeed te-meer aan den eisch, omdat zy
samenviel met de voortdurende noodzakelykheid om hem met boodschappen
te belasten. Gedurende Wouter's wittebroodsweken pynigde hem telkens
z'n wanbegrip, wanneer een der meiden of de kamenier Gerrit kwamen
zoeken met de onheldere toelichting: "'t is, weetje, om mevrouw
te kruien ... ze wil eruit" of: "ze wil er in." Ook begreep-i niet
volkomen wat er bedoeld werd met den roep: "Gerrit, mevrouw's boeken
ruilen!" Maar dit alles helderde zich weldra op. Dat eeuwige boeken
ruilen stond in verband met haar verveling. Ze was geabonneerd in drie
leesbibliotheken te-gelyk, en verslond al wat daarin fransch was. Dat
er noch door haar, noch door wien ook van de andere familieleden ooit
'n penning besteed werd om 'n boek te koopen, spreekt vanzelf. Van
'n bibliotheek was geen spoor in den huize Kopperlith! De "heeren"
meenden dat zoo-iets behoorde by geleerdheid, 'n eigenschap waarvoor
zy allerfatsoenlykst den neus optrokken.
Wat overigens die geheimzinnige suite-kamer aangaat, het is te
veronderstellen dat ze weleens bezocht werd door Pompile en Eugène
ook, wanneer deze jongeheeren hun: "broodje gingen eten by mama"
maar overigens waagde zich daarin vóór het uur van 't middagmaal,
geen schepsel. Dan namelyk, maar ook dan eerst, kon de oudeheer
z'n huwelyksgeluk 'n uurtje te zien krygen. Z'n vurige drift om
vóór dat oogenblik iets te vernemen van de wyze waarop zy den
nacht had doorgebracht, kon alleen door Gerrit bevredigd worden,
en deze ontleende alweer aan deze byzonderheid zeker gewicht, dat hy
zeer handig wist op de schaal te leggen in z'n eeuwigen gezagstryd
met: "die Wullekes!" De manier waarop hy 't aanlei om z'n welkome
voorwendsels tot dienstweigering toetepassen, is niet moeielyk te
raden. Zoodra de wyze kantoorheer iets gelastte dat den kantoor- en
huislooper niet aanstond, moest deze juist "boekenruilen voor mevrouw"
'n ultima ratio die Wilkens niet dan schoorvoetend aandurfde. En,
als: "mevrouw straks misschien zou moeten gekrooie worden" verzonk
de autoriteit van den gehaten onder-chef in 't peilloos Niet, juist
waar Gerrit ze gaarne zag om ze op z'n gemak uit het oog te verliezen.
--Zieje, Pompile, als mama zoo erg is, zoo heel erg.., wat zullen we
doen? Ik kan toch niet in m'n eentje naar Groenenhuize! Wat zeg jy,
Dieper? Ik zou me daar vervelen, denk je niet?
--Zeker, m'nheer, ik ben zeker dat m'nheer zich daar vervelen
zou. M'nheer zou daar zoo ... heelemaal alleen zyn, niet waar?
--Nu ja, papa, dat's waar, maar ... 't saizoen gaat voorby. Ik kan u
verzekeren, papa, dat er geen enkele fatsoenlyke familie meer in de
stad is, wat je noemt: 'n fatsoenlyke familie! Wat zeg jy, Dieper?
--Zeker, jongeheer, er is geen enkele fatsoenlyke familie meer in
de stad, dàt is waar.
--Ziet u, papa? En als mama niet zeer spoedig resolveert ... zal ze nog
veel zieker worden. Dat heeft de dokter ook gezegd, niet waar, Dieper?
Hm! Wat zou de boekhouder zeggen? Hy kon toch in-gemoede de
meening niet bevestigen van 'n dokter dien-i nooit had te zien of
te spreken gekregen? En ook de vreeselyke ziekte van mevrouw was
aan de "heeren van 't kantoor" slechts zeer schemerachtig bekend,
want de half-vertrouwelyke ontboezemingen van Gerrit weken weleens
'n beetje van z'n officieele berichten af, 'n byzonderheid die
oplettende hoorders en lezers ook nu-en-dan in andere kringen kunnen
waarnemen. Ook de betrekkelyke duisternis der onwetendheid omtrent
mevrouw's zeer voorname kwalen zou in diepen nacht zyn overgegaan,
wanneer men by die heeren gevorscht had naar bekendheid met de
mevrouw-zelf. Zy was in hun oog de zeer letterlyk-etymologische
uitdrukking van 't solemneele: men zag haar éénmaal 's jaars, op
den eersten Januari. Op dien dag namelyk werden Dieper, Wilkens,
en later ook Wouter, door een der ad hoc gekommitteerde jongeheeren
plechtstatig door de bovengang in de suite geleid, waar ze dan konden
wachten totdat mevrouw door haar gezelschapsjuffer het sein liet geven
dat "de heeren" mochten binnentreden in de eeuwige zykamer. Schryvers
van middelmatige konscientie zouden allicht uitstrooien dat ze daar
werden toegelaten tot den handkus, maar wie eerbied voor waarheid
heeft, zal ten-allen-tyde verzekeren dat de plechtigheid niet zóó
ver ging. Dieper wenschte by deze gelegenheid: "ook namens de andere
heeren, aan mevrouw ... des Hemels besten zegen, en ... bestendig
welzyn." Ze was er mee tevreden, en zei dat ze 't vandaag zoo
byzonder erg "op" haar zenuwen had, en dat het zeker van 't weer
kwam. Nadat dit door Dieper beaamd was--met 'n buiging, want z'n
welsprekendheid was òp--kon men de zaak als afgeloopen beschouwen. De
gezelschapsjuffer opende een der dubbeldeuren van de suite, en de
"heeren" verlieten ruggelings de "zykamer van mevrouw." Dieper was
dan gewoonlyk zeer warm, en kon niet altyd de schuld hiervan op 't
weer schuiven, want het vroor soms. En ook lag de oorzaak van die
hitte niet in de vermoeienis van de reis die zoo byzonder ver niet
was, en maar weinig inspanning vorderde. De plechtige exodus nam op
't kantoor 'n begin ... linksom, vyf treden in de ondergang ... de
keuken voorby, waar de meiden stonden te lachen en te ginnegappen,
vooral om 't malle gezicht van m'nheer Wilkens, daarop volgde een
donker slakhuisvormig trapjen, en twaalf korte schreden tot aan
de deur van de suite ... neen, neen, uit vermoeienis van de marsch
ontstond Dieper's verhitting niet! Doch al ware dit anders, ik vraag
of zoo'n kennismaking voldoende is om iemand instaat te stellen tot
beoordeeling van de vraag of "mevrouw nog zieker worden zou ais ze
niet spoedig naar buiten ging?" En tevens: of men uit zoo'n bezoek op
nieuwjaarsdag--en in die hitte nogal--voldoende gegevens putten kan om
te berekenen hoe de dokter mevrouw's toestand zou beoordeelen in 't
hartje van den komkommertyd? Maar de jongeheer Pompile had nu eenmaal
Dieper's getuigenis ingeroepen. Des boekhouders naastbyliggende
plicht schreef dus voor, een "intieme fiktie" by-de-hand te hebben,
die den jongeheer kon dienen by z'n plannetjes, en dus:
--Ja, ja, m'nheer, 't is zeker goed voor mevrouw, dat ze spoedig naar
Groenenhuize vertrekt, want ziet u--o, prachtsprong over 't onbekend
gezegde van den onbekenden dokter!--'t is zeker goed voor mevrouw,
anders ... gaat de tyd van jonge doppertjes voorby!
--Ziet u, papa? Dàt is juist wat ik altyd zeg. Mama moet absoluut
naar buiten! 't Is voor mama niet langer in de stad uittehouden,
niet waar, Dieper?
--Juist, jongeheer! M'nheer, het is voor mevrouw in de stad niet
langer uittehouden!
--Voor niemand, papa!
--Zeker, m'nheer, voor niemand!
En hyzelf dan? En al z'n lotgenooten?
--'t Water in de grachten ziet paars van den stank, papa! Niet Dieper?
Ook dit beaamde de getuige, en ditmaal met grondige reden van
wetenschap. Want hyzelf woonde in den Jordaan, waar de opgezamelde
meststof zich niet onbetuigd liet in dartele kleurspeling op 't
water. 't Was juist 'n buurt om nieuwe verfstoffen uittevinden.
--Maar ... Pompile, hoe krygen wy in-godsnaam mama de stoep af? Dat
is de vraag!
--Juist, papa, dàt is het! Dàt's de zaak! Ik heb er Flip over
gesproken, Flip den kruier, papa!
--Hè?
--Ja, papa, den kruier! Met hun drieën zien ze geen kans mama de
stoep aftedragen ...
--In 'n fauteuil, Pompile!
--Juist, papa, in 'n fauteuil! Weet u wat ze zeggen? Ze zeggen: 't
handt niet, omdat de trap van de stoep wat smal is, papa! En ze zouden
mama laten vallen, papa! U moet begrypen, papa, 't is lomp volk, papa!
--Maar ... hoe dan?
--Flip zei: als we mevrouw in 'n flinken leuningstoel hadden--fauteuils
kent zoo'n man niet, papa!--en dan 'n strop er om--om den fauteuil,
papa!--en dan ... maar toen zei ik: met veel kussens, papa, weet u,
met héél veel kussens, dan zouden we ...
Eugène trad binnen. Blykbaar was hy door z'n vader op kondschap
gezonden, of er iets met de oude koppige dame te bereiken zou zyn. Doch
ook hy bracht geen bevredigend antwoord mee.
--En jy, Pompile, wat had jy dan bedacht?
--Wel, papa, 'n fauteuil ... en mama daarin, met veel kussens, en dan
'n strop er om ... om den fauteuil, Eugène! En dan ... 't venster
open--Flip zei, 't kon best, maar ik zeg met veel kussens, weet u,
papa?--en dan ...
--Ben je mal, Pompile, wou jyzelf nu mama 't venster uithyschen? En
zoo-even zei je ...
--O neen, Eugène, zoo meende Flip. Maar ik zeg: met veel kussens,
weetje? Maar ... die kruiers zyn lompe menschen, en ... ze rekenen
hoog. Al wat boven 'n dubbeltjes-boodschap gaat ... berekenen ze
vreeselyk hoog, papa! 't Weekbriefje--vooral als Gerrit styf van
rhumatiek is, papa!--o, dan is 't weekbriefje ... fameus, papa! En
daarom had ik gedacht--omdat we nu 'n jongstebediende hebben,
ook--nu dacht ik ... kyk, papa, we kunnen voor mama die kruiers best
missen. U weet misschien dat Gerrit weer styf van rhumatiek is? Nu,
dat's hetzelfde ... maar Dieper heeft telkens briefjes te inkasseeren
... morgen 'n smerig papiertje, niet waar, Dieper?
--Ja, jongeheer! Morgen 'n smerig papiertjen in den Jodenhoek, m'nheer,
heel smerig!
--Maar, Pompile, wat wou je dan met mama?
--Met veel kussens, papa! Dan wou ik vragen of Wilkens zoo goed
zou willen zyn--niet waar, Wilkens?--met dat jongemensch daar, aan
't windas te gaan. Ziet u, papa, dan konden wy die kruiers missen
... lomp volk! Maar ... met veel kussens, dit begrypt uzelf wel,
papa! En, ziet u, papa, Eugène en ik, wy zouden ... beneden staan,
en ... er goed naar kyken, papa!
Eugène bromde. Maar 't was karakteristiek dat niemand lachte by
Pompile's voorstel om--niet zonder terugzicht op zuinigheid--z'n moeder
't venster uittehyschen aan 'n strop ... om den fauteuil.
--De buren!
--Juist, Eugène, de buren! Precies wat ik zeg! En daarom ... als we
mama konden bewegen ... 's morgens vroeg ...
By noorderzon alzoo! Wouter wist nog niet wat 'n windas was, en
dacht zich suf over de rol die hy zou te spelen hebben. Hy voelde
reeds angst by de bedenking of-i wel in-staat wezen zou by die
gelegenheid z'n naastbyliggenden plicht te vervullen. 't Was hem 'n
kleine verademing dat Pompile's voorstel nog altyd niet gaaf werd
aangenomen. Men scheen te betwyfelen of "mama" genoegen nemen zou
met de vreemde lokomotie. De oudeheer klaagde dat zy zéker weigeren
zou als ze hèm verdacht van de uitvinding.
Hy iets uitvinden!
--Wel, papa ... u kan zeggen dat Flip de kruier het verzonnen
heeft. Dat kan u best zeggen, papa!
--Hm ... ja ... als nu by-voorbeeld de juffrouw dat aan mama
verzekerde?
--Dat zou zeker 't allerbeste wezen, papa. Maar ... ik geloof dat wy
op die juffrouw niet best kunnen rekenen, papa! Weet u wat ze doet,
papa? Ze stookt!
--Zou je dat denken, Pompile?
--Ja, papa! Want, ziet u, anders had ze 'r al lang op aangedrongen
dat mama naar buiten ging, wat zeg jy, Dieper?
--Zeker, jongeheer, zeker! Anders had ze 'r al lang op aangedrongen.
--Die nieuwe juffrouw is 'n gekkin, bromde Eugène.
--Mama is zeer met 'r tevreden, zei de oudeheer. Ze is zoo erg
fatsoenlyk, zegt mama, zoo heel erg fatsoenlyk. En ... haar papa was
prokureur, Eugène!
--Ze heeft kale plekken op 't hoofd.
--Wel, wel, Eugène!
--Dat kan my nu niet schelen, zei Pompile, als ze mama maar wou
overhalen om naar Groenenhuize te gaan, papa!
--Waar is Gerrit? vroeg de oudeheer.
--Styf van 't rhumatiek, papa! En morgen heeft Dieper 'n smerig
papiertje, niet waar, Dieper?
--Nu ja, maar als Gerrit nu eens--zonder dat het van ons kwam, begryp
je?--aan de juffrouw vertelde dat de kruier gezegd had ... want zieje,
Pompile, als ik alleen ga, dan verveel ik me zoo! En ... hoe met de
keuken? Ik kan toch niet te Haarlem in 'n restauratie gaan eten, als
'n kantoorbediende! Wat zeg jy, Dieper?
--Zeker niet, m'nheer! Een man als U kan niet in 'n restauratie gaan
eten. Zeker niet!
Diezelfde "man als U" kon wel de hulp inroepen van den kruier,
en van den knecht, en van de gezelschapsjuffrouw, om z'n vrouw te
bewegen tot iets dat ze hardnekkig nalaten zou zoolang ze meende dat
hy er op gesteld was! En al die naaktheid mocht Wouter te aanschouwen
krygen! Geen van de sprekers kwam op het denkbeeld dat ze zich voor
dien jongen kantoorbediende vertoonden in 'n zonderling licht. Men
ziet het, ook 't gemeene heeft z'n naïveteit.
Om overigens den belangstellenden lezer, die zich zeker al ongerust
maakt over den gezondheidstoestand van die "mevrouw in de zykamer"
wat moed intespreken, beroep ik me hier op zeker getuigenis van Gerrit,
die eenmaal aan Wouter deze vertrouwelyke mededeeling deed:
--Je kunt me gelooven--ik ben 'n oud man, en jy 'n jonk borssie--zy
... eet te veel, en ze-n-is koppig en sagrineus: dàt is het! Haar
heele ziekte ... komaan, ik zal 't je maar op z'n rond-hollandsch
zeggen, is wind en 'n engelsche notting! Maar zy ... eet te veel. Zy
... eet den godganschelyken dag, dàt is het! Als ik haar dokter was,
kreeg ze niets dan één roggebroodjen in de week, en verder pomp-water
... anders niets, wat ik je zeg!
De auteur kruipt tot in de nauwste gaatjes de hoogheid na, van
'n "man als u, m'nheer!"
De oudeheer die tot-nog-toe had staan leunen tegen Dieper's lessenaar,
begon zich te vervelen. Of liever, hy kreeg lust de verveling die
hem kwelde en waarmee hy gewoon was ieder te plagen die met hem in
aanraking kwam, te doen veranderen van soort. By Dieper had de man
'n halfuurtje links geleund ... hy wou nu eens rechts leunen. Zoo
wentelt zich de luiaard in z'n bed om, like a door on its hinges, gelyk
Shakespeare, meen ik, ergens zegt. Maar onze emeritus-leeglooper had
nog andere redenen dan zoo'n deur, om zich eens omtekeeren. Het nieuwe
kantoorbediendetje, hoe jong en onbeduidend ook, moest doordrongen
worden van 't besef der hoogheid van m'nheer Kopperlith. Hy naderde
alzoo sloffend den hoek, waar de hongerige Wouter nog altyd bezig-was
zich door 't overschryven van Leon's epistel, bekwaam te maken voor
den "handel."
--En, mannetje, hoe gaat het nu eigenlyk met jou? Met je werk? Schryf
je wel netjes? Neen, neen, blyf maar zitten, blyf gerust zitten! Ik
kom maar even kyken of je netjes schryft, weetje? En ... klein,
heel klein, om de port. Want, mannetje ... die brief gaat naar Rome.
't Werd voor Wouter waarlyk tyd dat-i eens opkeek. Hy zou flauw-
of in-slaap gevallen zyn. Het woord Rome maakte hem eenigszins
wakker. Hy had iets geschreven dat heel naar Rome gaan zou, hy! God
weet welke Paus zyn schrift onder de oogen krygen zou! En zelfs
... welke roover! En de stad-zelf! De stad van Caesar, van Romulus
en Remus, van Numa Pomp ... 't is waar ook, waarom heette z'n hoogste
onderpatroon: Pompilius? [15]
--Ja, mannetje, naar Rome! Dat dacht je niet, hè?
--N...e...e...n, m'nheer!
--Hi, hi, hi, naar Rome! Hoorje wel, Pompile, hy dacht niet dat die
brief heel naar Rome ging! Ja, mannetje, zóó is het toch! Die brief
gaat--daarom moet je netjes schryven--naar m'n zoon, den jongeheer
Flodoard die te ... Rome-n-is! Wat zeg ie dáárvan?
Wat zou Wouter zeggen? Ik weet het waarachtig niet. En hy-zelf wist het
ook niet. Dit bezwaarde hem. Zou er ook misschien 'n naastbyliggende
plicht verzuimd worden als-i zweeg? De oudeheer genoot van z'n
hakkelen. Hy had z'n doel bereikt: het jonge-mensch was vernietigd. En
nog zyn er onverlaten die uitstrooien dat Hollanders "van fortuin"
zich niet weten te amuzeeren!
--M'n zoon--de jongeheer Flodoard, weetje?--is daar ...
Hier stuitte de kinderachtige bluffer. Het denkbeeld kwam in hem
op, dat misschien die domme burgerjongen niet op de ware hoogte
stond om te beseffen wat 'n schilder was. En deze vrees was niet
ongegrond. Juffrouw Pieterse-zelf zou dit maatschappelyk standpunt
niet byzonder hoog gevonden hebben: 'n schilder!
--Hy is ... fynschilder, weetje? Zeg, Pompile, je moet hem Mozes by
't Doornbosch eens laten zien ...
--In de hoes, papa!
--Ah, ja, in de hoes! Anders, weetje, dan kan je-n-op de zaal--vlak
boven--Mozes by 't Doornbosch zien ... als-i eens niet in de hoes
zit. Dat heeft m'n zoon, de jongeheer Flodoard-zelf geschilderd,
heelemaal zelf. Wat zeg je dààrvan? En nu is hy te ... Rome om zich
te oefenen in de Kunst, in 't fyne, weetje, heel in 't fyne van de
Kunst. Want ... dit begrypje toch ook wel, niet waar, er is schilder
en schilder! Je moet niet denken dat de jongeheer Flodoard schilderyen
maakt voor z'n brood. Volstrekt niet, in 't geheel niet! Je begrypt
immers 't verschil wel, zeg?
Die arme knoop! Wouter zette 'n gezicht alsof-i volkomen bereid was
alles te begrypen wat men hem vertellen zou.
--Om z'n brood ... hi, hi, hi, 't lykt er niets naar! Gut, Pompile,
begryp eens, er zouden menschen zyn die dachten dat Flodoard schilderde
... hi, hi, hi ... om z'n brood!
--Ja, papa!
--Neen, mannetje, ik zal je heel wat anders zeggen ... heel wat
anders! De jongeheer Flodoard schildert ... voor z'n pleizier, en
... voor de Kunst. Wat zeg je dáárvan?
Wouter bleef stom van verbazing. Heel goed!
--Voor de Kunst, mannetje! Denk je dat-i wat krygt voor z'n
schilderyen? Zeg, Pompile, je moet 'm toch Mozes by 't Doornbosch
eens laten zien ...
--Ja, papa!
--Zieje, mannetje, dat heeft-i zelf geschilderd, en hy krygt er niets
voor. En 't hangt op de zaal--vlak, vlak hierboven, weetje?--en je
mag 't zien, als de hoes er af is, want ... nu is er 'n hoes over,
omdat mevrouw naar buiten gaat, naar myn Buiten ... Groenenhuize heet
het. En daar mag je-n-ook wel eens komen, want ... daar hangen ook
schilderyen van den jongeheer Flodoard ... dàt zal je zelf zien! Dacht
jy dat-i er iets voor kreeg?
--N...e...e...n, m'nheer, o neen!
--Zoo? Ik dacht dat je dat dacht. Maar zieje, 't is juist andersom. De
jongeheer Flodoard verteert veel geld te Rome, heel veel geld! Zeg
eens, hoeveel geld denk jy wel dat de jongeheer Flodoard te Rome
verteert? Komaan, raad eens!
Och, daarvan stond weer niets in Strabbe! Onze Wouter voelde zich in
pynlyke verlegenheid. De oude dwaas scheen op antwoord te wachten:
--Ja, ja, raad eens! Je mag gerust eens raden!
--Hon...derd... gulden, m'nheer?
--Hi, hi, hi ... hoorje dat, Pompile? Hoor je 't Eugène? Heb je
't gehoord, Dieper? Honderd gulden! Help me onthouden, Eugène,
dat ik die aan mama vertel! Honderd gulden? Honderd gulden? Wil ik
je-n-eens wat zeggen, mannetje? Honderd gulden ... ja! In de maand,
weetje? Honderd gulden in de maand ... wat zeg je dáárvan?
--Hè, m'nheer!
--In... de... maand!
--Hè!
--In... de... maand! Hon...dèrd... gul... den... in... de... máánd!
Wouter zweette.
--Ja, al dat geld verteert hy te Rome. En dat haalt-i ... zeg eens,
by wien denk je dat-i al dat geld haalt?
--By... den...
--Nu, zeg maar op. Spreek gerust uit. Waar denk jy nu wel dat de
jongeheer Flodoard al dat geld haalt?
--By den ... Paus, m'nheer?
Was 't niet jammer dat er niet mocht gelachen worden op 't kantoor van
m'nheer Kopperlith? Wat Wouter aangaat, hy was ditmaal inderdaad iets
minder onnoozel dan-i scheen. Dat wereldsche hoogheid hem altyd door 't
hoofd speelde, was waar. En dat hy, eens zich verplaatsende naar Rome,
aan weinig anders dan pausen en roovers dacht, is ook waar. Toch kwam
z'n malle gissing niet hoofdzakelyk hieruit voort. Z'n onverbiddelyke
partner eischte antwoord. Dit antwoord moest den indruk uitwisschen,
dien z'n onfatsoenlyk-lage-taxatie van Flodoard's vertering gemaakt
had. Om nu zeker te zyn dat-i deze keer niet zoo héél ver beneden 't
peil zou blyven van de ontzettende hoogheid die men hem te bewonderen
gaf, wist-i niet beter dan 't voornaamste te noemen dat hem te Rome
bekend was. Het was hem zeer goed bewust dat-i mis-raadde. Maar om den
oudeheer tevreden te stellen ... och, hy vervulde z'n naastbyliggend
plichtje! En zie ... hy greep minder ver mis, dan de lezer denkt. Al
moest dan de heer Kopperlith ootmoedig erkennen dat-i nog altyd onder
z'n bankiers geen gekroond hoofd had, toch, toch ...
--De Paus? Neen, mannetje, niet de Paus. De jongeheer Flodoard
ontvangt alle maanden honderd gulden op 't kantoor van een ... van
wien, denk je? Ik zal 't je maar zeggen: van 'n ... prins! Niet waar,
Dieper! Ja, ja, mannetje, m'nheer Dieper kan je de wissels laten
zien--want die worden op myn kantoor door m'nheer Dieper betaald,
weetje?--de wissels van prins Torlonia! Wat zeg je daarvan! Je ziet
dus wel dat de jongeheer Flodoard niet hoeft te schilderen voor z'n
brood? Hy moet volstrekt Mozes in 't Doornbosch eens zien, Pompile,
maar ... alles is nu op de zaal in de hoezen, weetje, anders bederft
het satyn van de stoelen--want er zyn stoelen met satynen zittingen
op de zaal--en 't verguldsel van de spiegels, weetje, omdat mevrouw
naar-buiten gaat, naar Groenenhuize--want zoo heet eigenlyk m'n
Buiten--en ik ook ... ik meen dat ik ook naar-buiten ga. Ben jy wel
eens buiten geweest, mannetje, zeg?
--J...a...wel, m'nheer!
Dit antwoord viel den gek tegen. 't Was dan ook wel 'n beetjen
onvoorzichtig van Wouter zoo plomp op de ydelheid te trappen van
iemand die duidelyk te kennen gaf dat-i het buiten-zyn voor z'n
privatief domein houden wilde.
--Jy ... weleens ... buiten geweest? En wáár dan, mannetje?
--Op den Singel, m'nheer, buiten de Aschpoort.
Alweer zou hier 'n algemeen schaterend gelach zyn opgegaan, indien
er door iemand anders dan den oudeheer zelf mocht gelachen worden
op 't kantoor. Deze oefende in z'n eentje zoo goed mogelyk de
funktien van koor uit. Dieper legde z'n pen neer. Wilkens fronsde
't voorhoofd. Pompile meesmuilde. En zelfs 't officieel gelaat van
Eugène vertrok zich byna in 'n plooi.
--Hi, hi, hi, buiten de Aschpoort! Maar, jongen... maar,
kereltje... maar, ventje... dat is niet buiten, mannetje! Gut, Pompile,
wat toch zulke burgerlyke menschen rare ideën hebben!
--O ja, papa!
Weer verkneuterde zich de oude dwaas van pleizier over Wouter's
domheid, en de knoop van z'n jasje moest het ontgelden.
--Buiten is... wat je noemt: buiten, heelemaal buiten, weetje?
Of Wouter 't nu wist, zullen we daar-laten. Hy kromp verlegen in
elkaer.
--O ja, m'nheer! Zeker, m'nheer! Ik wist niet wat m'nheer bedoelde...
--Juist! Hi, hi, hi... hy wist niet wat "buiten" was. Nu,
nu, ik neem 't je niet kwalyk, wees maar gerust! Buiten-zyn
is... 's-zomers buiten-zyn, weetje? Dat is... 'n Buitenplaats
hebben, begrypje? Nu... ik heb 'n Buitenplaats... by Haarlem in
den Hout... och, Eugène, hy weet zeker niet wat "den Hout" is. Zeg,
weet je wel?
--N...e...e...n, m'nheer!
Wouter jokte. Hy wist zeer goed wat "den Hout" was. Dit stond immers
in z'n geografieboekje? En... Laurens Coster dan, met z'n vermoeiende
uitvinding! Welke Hollander zou "den Hout" niet kennen? Of nu onze
kleine bediende zich zoo onnoozel hield om z'n kinderachtigen patroon
den vollen triumf van z'n uitlegging te laten, weet ik niet. Misschien
zeid-i maar neen, uit verlegenheid, want de graagte waarmee men
z'n domheid van zoo-even als iets vermakelyks had aangegrepen, had
hem zéér gedaan. Hy was beschaamd alsof men hem op diefstal betrapt
had... neen, erger!
--Ja ja, ik heb 'n Buiten in den Hout, vlak by de "Logementen"... zeg,
Pompile, hy mag van den zomer weleens komen kyken op Groenenhuize,
niet waar?
--O ja, papa!
--Zieje, dan kan-i op 'n zondagmorgen met de eerste schuit...
--Vier stuivers, papa!
--Ja, vier stuivers. En 's avends terug, dat 's acht,
niet waar? En... 'n dubbeltje voor den man die hem den weg
wyst. Anders... je hoeft maar te vragen naar 't Buiten van m'nheer
Kopperlith, in den Hout, vlak by de "Logementen" zieje, 't is dus
heel makkelyk te vinden. En je hoeft maar te zeggen: 't Buiten van
m'nheer Kopperlith, want... zieje, mannetje, van den zomer mag jy
heel goed eens buiten komen... omdat ikzelf 'n eigen Buiten heb,
weetje, 'n wezenlyk Buiten... dàt zal je zien. 't Is vlak by de
"Logementen"... in den Hout, weetje? In den Haarlemmer Hout! Hi, hi,
hi, by de Aschpoort! Eugène, help me-n-onthouden dat ik die aan mama
vertel, van middag aan tafel, weetje!
Na nog eenige praatjes van gelyken aard, verloste eindelyk de oudeheer
't kantoor van z'n tegenwoordigheid. Wouter leed meer dan iemand gissen
kon, en wanneer hem op dit oogenblik de keus gegeven was tusschen 't
bestormen van 'n turksche vesting, of 't òpzien... hy had het eerste
gekozen. Schaamte is altyd pynlyk, maar de valsche! En dan op een
zoo onbekend terrein! Nooit, nooit, nooit had hy kunnen gissen dat de
"handel" zoo'n moeilyke zaak was.
Vita longa, ars brevis. Plebejervreugd over "gekochte
kost." Dekadentie van Herkulanum en Pompeji. Wouter's verdriet
over z'n snel begrip. Parafraze van Gerrit op Talleyrand's "pas
de zèle!"
Toen Wouter eindelyk met z'n afschriften gereed was, begon Wilkens
hem toetespreken op 'n toon en in bewoordingen die niet volstrekt
misplaatst zouden geweest zyn by 'n inwyding in de Eleuzinische
geheimenissen, en den adept dan ook niet weinig angstig maakten. De
mysterie kwam evenwel ditmaal neder op iets wat geen byzondere
illuminatie van den geest vereischte of te-weeg bracht. Wouter
kreeg 'n groot aantal gekleurde katoenen lappen, die hy netjes
moest afknippen naar 'n opgegeven maat en daarna op karton plakken,
'n bezigheid waarvan-i zich beter kweet dan m'nheer Wilkens erkennen
wilde. De man was niet gewoon iets goedtekeuren dat niet de eer had
uitgegaan te zyn van hemzelf.
--En, Wilkens, nu moest je-n-eens zoo goed zyn hem in den kelder
te brengen, zei Pompile, die nogeens onder vier oogen by Dieper wou
aandringen op 't klagen over Gerrit's hardnekkig-styve rhumatiek.
Wouter werd weggeleid naar de onderzeesche bewaarplaats van allerlei
heerlyke zaken. Hier kreeg-i de stapeltjes lynwaad van-naby tezien,
waarvan hy reeds de voorsten had waargenomen toen hy dien ochtend zoo
geduldig stond te wachten buiten de glasdeur. Wilkens onderrichtte
hem met 'n pedanterie die moeielyk te beschryven is, omdat gelaat,
houding, stembuiging, jazelfs 't heen-en-weer schuiven van z'n bril,
daarby zóó groote rol speelden dat Wouter zich alweer zeer bezwaard
voelde onder 't gewicht van den nieuwen kursus.
--Dit is... de kelder. Doch ik zou je maar raden Magazyn te
zeggen, want 'n jong-mensch moet altyd... bescheiden zyn in z'n
uitdrukkingen. Voor jonge-lieden is bescheidenheid 'n hoofdzaak,
en dus... magazyn!
--Magazyn, stamelde Wouter.
--Juist! Ma...ga...zyn! Zóó is het! Alle deze goederen
zyn... koopmansgoederen, en alles ligt--gelyk je ziet--op plankjes. Dit
doe ik aldus... om de vochtigheid, want... de vloer is vochtig. Let
daar wel op, en geef acht dat je nooit 'n stuk op den vloer
legt... nooit ofte nimmer!
--Dat zal ik nooit doen, m'nheer!
--Zeer wel! Maar de goederen die op deze tafels liggen... leg ik niet
op plankjes, gelyk je ziet. Want... ze liggen op tafels. Dit begryp
je-n-immers wel?
--O ja, m'nheer!
--Juist! Al deze goederen ontvang ik uit Engeland, namelyk uit
Manchester. Kan je dit onthouden?
--Uit Manchester, in... Engeland, m'nheer!
--Precies! Ze zyn els-breedte, en meten acht-en-twintig yards. Nu
moet je weten hoe lang een yard is. Onthoud dit wel: drie yards zyn
vier ellen. Onthoud dit goed! Indien je een behoorlyk zakboekje hadt,
zou je 't kunnen opschryven. Een jong-mensch moet altyd trachten iets
te leeren. Drie yards maken vier ellen, dit moet je goed onthouden.
Wouter knikte zoo hard hy kon dat-i altyd z'n best zou doen alles
goed te onthouden. Het diepzinnig onderricht werd voortgezet.
--De vyf-kwarts katoenen, anders gezegd: de katoenen van vyf-kwart-el
breed, voor-zoo-ver ik die laat komen uit Manchester, zyn slechts
vier-en-twintig yards lang. Dit maakt dus 'n verschil. En de
zwitsersche katoenen, die ik laat komen uit Mühlhausen in den Elsas...
Hier had-i byna gezegd "een groot land, waarvan myn schoonzoon konsul
is." Maar hy bedacht zich:
...in den Elsas alzoo. Nu--let wel op!--die stukken hebben geen vaste
maat. De maat staat er op, gelyk je ziet, niet waar? Zoo'n papiertje
draagt de benaming van: etiket... e...ti...ket! Onthoud dit wel! En
het cyfer dat daarop genoteerd staat, beteekent wat men noemt:
aunes. De lengte van het stuk in... aunes. Kan je dit onthouden?
--Aunes, m'nheer!
--Zeer wel! Aunes of fransche ellen, want... 'n fransche el noemt
men: aune. Elf van die aunes maken zestien ellen. Ook dit moet je
trachten te onthouden. Wie zich bekwaam wil maken voor den handel,
moet... alles onthouden. Je begrypt dit toch wel?
--Ja, m'nheer!
--Anders moet je 't opschrijven. En hier in den hoek hangen eenige
vegers... je ziet ze wel?
--Ja! m'nheer!
--Daarmee... veeg je. Je veegt er de goederen mee... als er stof op
ligt. Er is hier in den kelder--zeg jy maar altyd magazyn--altyd iets
te doen, vooral voor 'n jong mensch die wat leeren moet. Zie... zóó
veeg je!
En de leeraar streek met 'n stoffer 'n paar maal over 'n stapeltje om
Wouter goed te toonen hoe die bezigheid behoorde verricht te worden. Ik
kan verzekeren dat de les terstond begrepen werd, en dat de leerling
nu op-eens "den handel" weer wat minder moeielyk begon te vinden.
--Dan moet je-n-altyd zorgen dat de stukken behoorlyk recht op elkaar
gestapeld liggen... ziehier, de ruggen in één lyn, en ook de zyden
aan den lichtkant gelyk, want... soms zyn ze niet precies van dezelfde
breedte, zieje. Daarop moet je dus wel letten, want 'n jong-mensch...
--Ja, m'nheer!
--En nooit 'n stuk kreukelen...
--Neen, m'nheer!
--Of in 'n verkeerden plooi leggen...
--Neen, m'nheer!
--Nu zullen wy eens naar de zolders gaan. Want... ook daar is altyd
wat te doen voor 'n jong-mensch.
Wilkens geleidde nu Wouter naar de hoogere verdiepingen van 't huis
waar-i hem met gelyksoortige lessen besproeide. De daar opgestapelde
koopwaren bestonden gedeeltelyk in goederen die zich door de mode
hadden laten voorbystreven, gedeeltelyk in diemet en shirting,
waarin Wilkens "zoo byzonder knap" was. Hy weigerde evenwel iets van
z'n uitstekende bekwaamheid in dit "vak" aan Wouter overtedoen. Dit
kon, zeide hy, zoo niet te-hooi en te-gras geschieden in 'n paar uur
sprekens. Dat het hem op z'n zestigste jaar nu gelukt was eenigszins
op de ware hoogte van de zaak te komen, moest men als 'n zeer byzonder
geval beschouwen. Hy had van der jeugd af "aanleg gehad voor witte
goederen", maar dat gebeurt niet alle dagen. Gewone menschen brachten
't nooit zoo ver.
Wouter hoorde deze mededeelingen met betamelyken eerbied aan, en zou
er nog meer van genoten hebben als-i niet zoo'n honger gehad had. Toch
maakte hy met groote belangstelling kennis met het windas. Dàt was
alzoo de mekaniek die Flip de kruier--en de jongeheer Pompile... met
heel veel kussens--wilde toepassen op de verhuizing van de dikke
mevrouw uit de zykamer! Vanwaar toch dat deze eenvoudige toestel die
door 't straalverschil van twee assen overbodige snelheid omzet in
vereischte kracht, hem aanlokkelyker voorkwam dan al die stapeltjes
katoen en die vegers? Hy zag terstond in, hoe sterk de hand werd die
het touw hield waarmee men 't groote rad in beweging bracht, en dat
de last die slechts invloed had op de dunne spil... waarachtig, men
zou lust krygen met zoo'n ding de dikste mevrouw van de wereld het
venster uittehyschen. Hy hoopte dat-i zoo'n exercitie beleven zou, en
vooral dat men hem vergunnen mocht meetedoen. Wel zou zoo'n prouesse
zonderling afsteken by de dozynen schakingen en venster-evakuaties
waarvan hy ooit gelezen had, maar...
--En met de kisten die dáár staan, hebje je niet te bemoeien, zei
Wilkens. Dat zyn oude papieren die je niet aangaan... volstrekt
niet! 'n Jong-mensch moet zich nooit bemoeien met iets dat hem niet
aangaat. Leer dit van my. En nu zullen wy de zolders sluiten. Ziehier,
op dezen sleutel... één keep. Dit beteekent: eerste zolder. Op dezen
sleutel zyn twéé keepen, hetwelk tweede zolder beduidt. Eén keep:
eerste zolder, twee keepen: tweede zolder... onthoud dit wel!
--Ja, m'nheer!
--En nu zal ik je de zaal toonen. Gedurende den winter gebruiken wy
die zaal niet. Maar des zomers, als de familie naar-buiten is, dan
gebruiken wy de zaal, en wel voornamelyk voor de nieuw-aangekomen
goederen van 't voorjaar. Tracht dit te onthouden.
--Ja, m'nheer!
De fameuze "zaal" werd nu voor Wouter's blikken ontsloten. Het was
een niet zeer groote kamer die er met al haar "hoezen" uitzag als
'n blindeman of 'n hospitaalgast. Zelfs 't vloertapyt was tegen
onbescheiden blikken en ruwe zolen beschermd door 'n grof-linnen
kleed. En ook van Mozes by 't Doornbosch was niets te zien dan 'n bleek
vierkant skelet. Wouter beging de vermetelheid er naar te vragen ...
--Dàt zyn nu eigenlyk je zaken niet! We zyn hier niet om schilderyen
te zien maar om te werken! 'n Jong-mensch moet zich door niets laten
aftrekken van z'n werk! Leer dit van my.
--Ja, m'nheer!
--Je ziet wel dat ook hier alles op plankjes ligt? Zoodra er nu op
't kantoor, of in den kelder, of op de zolders niets voor je te
doen is--want 'n jong-mensch moet nooit ledig zyn!--dan ... veeg je
hier 't stof van de stapeltjes, en je legt alles behoorlyk te-recht
... alles altyd op z'n eigen plaats, begrypje? En kom nu weer mee naar
't kantoor. Ik zal eens met m'nheer spreken over de uren van je gaan
en komen, want ik ben zeer op orde gesteld, en jonge-menschen moeten
zich daaraan wennen.
Er werd bepaald dat de nieuwe jongste-bediende "zoo tegen drieën
eventjes naar huis zou gaan om te eten." En zie--goddank!--'t wàs
byna drie uur, want Dieper sloot z'n boeken, en trok z'n jas aan
"voor de beurs."
Nooit richtte Wouter met zooveel genoegen z'n schreden huiswaarts, 't
Scheen er op toegelegd hem te doen beseffen dat er kringen bestonden
waar even nietige denkbeelden heerschten als in den zynen. Moest-i
genezen worden van den waan dat geen levensopvatting die van zyn
familie kon te-boven gaan in dorheid? Met zeker genoegen zag-i
z'n moeder en zusters weer, en vooral Leentje die hy met nog meer
uitvoerigheid dan de anderen, deelgenoot maakte van alles wat-i
ervaren had. Ze vond het zeer belangryk. Ook de overige leden van
't huisgezin namen begeerig deel aan de byzonderheden uit 'n wereld
die hun zoo nieuw was. Niets evenwel trof juffrouw Pieterse zóó,
als de moeielykheid van 't binnen-komen. Ze vond daarin iets plechtigs.
--Zieje wel, dat's wat ànders dan by zoo'n slechten kerel op den
Zeedyk, waar ieder maar uit- en inliep! Deze menschen zullen niet
op-eens naar Amerika gaan met 'n andermans geld! En ... 'n zaal,
zegje? En ... 'n Buiten? En ... eigen rytuig? Ga jy nu eens naar de
komeny, Leentje, en zeg dat de jongeheer ... neen, praten hoeft niet,
maar 't is toch 'n heel ding voor Wouter, nu by menschen te zyn die
'n zaal in hun huis hebben, en 'n buitenplaats, en eigen rytuig! Als
je nu goed oppast, Wouter ... jongen, je kost is gekocht! Wat zeg
jy, Stoffel?
--Ja, moeder.
--Want ... weetje wat ik zeg? Ik zeg: 'n mensch is sterfelyk. En die
oude heeren ... voor hoe oud zag je ze wel aan, Wouter?
--Moeder, die boekhouder was wel ... zestig. En m'nheer Wilkens
ook zoowat.