Scylla, en keek nieuwsgierig rond. Z'n gedachten wiegden zich op
't gesuis dat hem omgaf. De toedrang was groot. Alles praatte en
fluisterde. Men twistte over de plaatsen. Men schoof voorby elkaar
heen. Men verschikte z'n kleeren. Men vertelde 't nieuwste nieuws van
't hof. Men voorspelde wie dáár zitten zou, wie 't eerst zou komen,
wie plaatsnemen moest achter den keizer, en wie achter den Koning. Men
berekende waar de prinsen zouden zitten--die ééne ook, wiens vader
herbergier was, en die zich zoo grappig kleedde--en wat de hooge
heeren en dames zouden bestellen uit het buvet. Men psjstte om 'n
stoof, en loofde fooien uit. Men leende elkaar het tooneelbriefjen,
en verzekerde dat de affiches die daarboven vastgesteld lagen op den
karmozyn-fluweelen rand van loges en balkon, gedrukt waren op satyn
van zóóveel stuiver de el. Men beoordeelde ook het stuk, en zei dat
het gekozen was...
--Rotgans is 'n eerste dichter!
--Hm! Eigenlyk 'n tweede of ... derde!
Onder ons, lezer, eenmaal aangeland in 't verzenmakersgild, is dit
alles zoowat hetzelfde.
--Hy is maar 'n dichter van den zevenden rang, zei 'n ander.
--Waarom dan 'n stuk van hèm? We hebben toch ànderen, mannen die
... klinken als klokken!
--Zeker, zeker! Bilderdyk, by-voorbeeld, 'n ware feniks!
--Waarom dan Rotgans?
--Och ... die vreemdelingen verstaan er toch niets van. We kunnen
laten spelen wat we willen.
--'t Is jammer van den Floris...
--Die was er expres voor gemaakt, en zou dus wel mooi geweest zyn.
--Ik hoor dat de akteurs te lui waren om hun rollen te leeren.
Neen, dàt was de oorzaak niet! Er zit heel iets anders achter. Onze
Bilderdyk is 'n vaderlander...
--Van belang!
--'n Hollander in z'n hart!
--'n Echte!
--Zeker heeft-i in z'n stuk die vreemde kerels...
--Sjt!
... niet genoeg gevleid. Dat doet geen ware Hollander!
--Neen, dat doet geen Hollander ... nooit!
--Sjt!
Alles stond op. Er was reden toe. Een lakei vertoonde zich op den
achtergrond der koningsloge, waarschynlyk om te zien of de kussens
wel behoorlyk op de fauteuils lagen.
--Ze lyken allemaal wel mal! Optestaan voor 'n lakei, voor 'n
mostertjongen!
Aldus spraken sommigen, die toch precies 'tzelfde hadden gedaan als
de ons reeds eenigszins bekende zondebok: Ze, en Wouter werd hier
weer levendig herinnerd aan de eigenaardigheden van de "massa". Ook
maakte hy de opmerking dat men niet juist by de Pietersens heeft te
komen, om zich gestuit te voelen door dat eeuwig verschil tusschen
indruk en uiting. "Zou dit overal zoo wezen, dacht hy, en is dit nu
de bekwaamheid die ik me moet eigen maken om iets te worden in de
wereld?" Koningen van Afrika waren eigenlyk de heeren wier gesprekken
hy beluisterde, niet, maar zeer aanzienlyke menschen toch. Daar waren
dokters onder, geleerden, leden van den stadsraad, jazelfs groote
koopluî ... misschien wel m'nheer Kopperlith in eigen persoon. Met
eenige tusschenpoozen, veroorzaakt door 't plaats-nemen van nieuw
aangekomenen, werden deze en dergelyke gesprekken voortgezet.
--Maar waarom dan juist iets van dien Rotgans?
--Z'n Boerenkermis is heel aardig.
--Man, hoe kan je 't zeggen! 't Is 'n onfatsoenlyk stuk, vol gemeene
woorden.
--Nu ja, maar ... aardig toch!
--Dat weet ik niet. Ik heb 't nooit gelezen, omdat het zoo gemeen
is. In poëzie gaat by my niets boven deftigheid, en wat niet deftig
is...
--Och, wat geeft zoo'n Keizer daarom?
--Ik begryp heel goed waarom ze van-avend 'n stuk van Rotgans
spelen. Hy droeg altyd z'n stukken op aan een van de Huydekopers. Dàt
is de zaak!
--Hy was van de familie.
--Juist! Misschien wil een van de schepens, als de Keizer 't stuk mooi
vindt, hem zeggen: Sire, de dichter van die... Scylla, of hoe heet
de man?--die Scylla is 'n bloedneef van me, om uwe Majesteit te dienen.
--Gekheid! Wie zal grootsch wezen op de verwantschap met 'n man die
komedies maakt?
--Hm ... in Frankryk is dat anders, heel anders!
--Bovendien, Rotgans was zoo'n minne man niet. Hy had 'n
buitenplaats aan de Vecht.
--Dat moeten ze dan den Keizer er by zeggen.
--De hoofdzaak komt neer...
Weer 'n lakei. Alles vloog omhoog als duveltjes uit 'n
surprise-doosje. En alles--op de zwygende Holsma's na--schimpte weer
op de verdoemelyke karakterloosheid van "ze".
...de hoofdzaak komt neer op de toespraak van Thomasvaer. Dit zeg
ik maar!
--Daarin zal dezen keer 'n echt-vaderlandsche geest heerschen, naar
ik hoor.
--Ja... echt-vaderlandsch! 't Moet heel mooi zyn. De prefekt van
policie heeft 't zelf gezegd. Er zyn drie gezworen translateurs by
te-pas gekomen. Je begrypt dat men zich zooveel moeite niet geven
zou voor 'n prul?
--Zeker niet! En de vertaling is naar Parys geweest? De minister
heeft er eigenhandig op geschreven: approuvé!
--'t Is toch maar altyd 'n zékere waarheid, dat ze-n-in 't buitenland
eerbied hebben voor onze letterkunde.
--O ja, en voor ons karakter!
--Er is geen beter volkskarakter dan 't hollandsche.
--En geen beter letterkunde! Die is... echt-nationaal.
--Dat zegt de Préfet de Police ook. Hy laat alles vertalen wat er
uitkomt. Wat hem vooral bevalt, naar ik hoor, zyn onze alexandrynen ...
--Nu ja, en 't karakter!
--Zeker, 't karakter ook. Maar de alexandrynen zyn even lang als die
van Racine, en dat 's juist het mooie. Ik ben zeer benieuwd naar de
maat van Thomasvaer. Korte regels kan ik niet verdragen...
--Hm! Bellamy's Roosje dan?
--Ja, en z'n: Schoone maan, zeg, ziet gy heden...
--En z'n: 't Was nacht toen u uw moeder baarde...
--Mooi, hoor!
--En z'n: Oproeping aan de Bataafsche jongelingen, om den
Engelschman te bestryden. Dat's óók geen gekheid!
--En z'n toespraak: Aan de vaderlandsche meisjes. Dáár zit pit in,
hè? Weetje wat-i zegt? Hy zegt:
Indien ik ooit ontaarde
Van Vaderlandsche fierheid,
Dan moet gy, waardste Fillis...
Weer kwam 'n lakei deze echt-vaderlandsche ontboezeming afbreken. De
man inspekteerde ditmaal de kussens in de loge der Palatine die
byzonder graag op 'r gemak zat. Als door 'n veer bewogen, stond het
heele Publiek op. Die groene rok met gouden tressen ...
--Och, 't is weer zoo'n doodeter. 'k Wou dat de vent...
En teleurgesteld nam men weer plaats. De liefhebber van korte verzen
waarin echt-vaderlandsche "pit" zat, liet zich niet van z'n stuk
brengen:
Indien ik ooit ontaarde,
Dan moet gy my verachten,
Dan moet gy my vervloeken!
--Dat's táál, hè?
--Heel mooi, maar ik houd meer van alexandrynen. Ze zyn honderd
percent deftiger, dunkt me.
Het gegons werd gedurig sterker. De keeren dat het Publiek misleid
werd door dezen of genen die de deur van een der loges opende--'n
foppery die telkens op 'n te-loor gaande eerbiedsbetuiging te staan
kwam--waren niet meer te tellen. Men begon te morren, maar... zacht,
zeer zacht, zoo zacht als maar gemord worden kan.
Wat onzen Wouter aangaat, hy vond alles vreemd, maar tot behoorlyke
ontleding van z'n indrukken was-i niet in-staat. Voor den tienden
keer reeds sedert twee dagen, verdrongen de gebeurtenissen die hem
overstelpten, de aandoeningen van 'n oogenblik te-voren. Hy was er
duizelig van. Tot zelfs de eigenaardige reuk van de zaal, bracht het
zyne by tot verdooving van z'n begrip. Zoo-even in 't rytuig nog,
had-i zich ingespannen om iets te verstaan van Willem's vertellinkje,
en ook de daarvan opgevangen indrukken waren nu reeds uitgewischt,
of althans zeer vermengd met iets anders. Hy geleek op 't lang
gebruikt leiblad van den schoolknaap, waarin de oude krassen 't later
schrift onleesbaar maken zonder baat voor eigen duidelykheid. Op 'n
palimpsest dat ingewyd werd met catullische zangen, daarna dienst
deed als afstandwyzer van germaans-romeinsche castra, vervolgens
'n spikspelder nieuw systeem van--nogal oude--wysbegeerte op z'n
rug droeg, en eindelyk tot ons kwam als lofzang op de H. Maagd,
gratiâ plena. Er behoort veel geduld toe--en scheikunde--om al dat
overpleisterd menschenwerk uit elkaar te houden. En wanneer nu,
gelyk hier 't behandeld palimpsest, zelf 'n mensch is... 'n codex,
zooveel moeielyker te ontwarren dus dan elk ander geschrift...
Zoo goed mogelyk luisterde hy naar de gesprekken om hem heen. De graad
van belangrykheid der opmerkingen die hy hoorde maken, herinnerde
hem eenigermate aan de godzaligheid van pater Jansen, die hem zoo erg
was tegen-gevallen. Al die voorname heeren zeiden òf gewone dingen,
òf erger. De Holsma's waren de eenigen die niet spraken. Eens slechts
hoorde hy Oom Sybrand die naar 'n loge wees, iets zeggen, en 't kort
gesprek dat daaruit voortvloeide:
--Ik denk dat ze dáár zitten zal... àls ze komt!
--'t Zou me leed doen, als ik m'n kleinen Erik had alleen gelaten
voor niemendal, antwoordde mevrouw Holsma.
--Nu, Femke is vertrouwd!
--O ja! Maar 't drukt me dat ik hier zit, terwyl m'n kind ziek is. Lang
wacht ik niet op haar...
--'t Is de vraag, of ze gelyk komt met de anderen. Ik hoorde zeggen
dat ze veel luimen heeft, en die altyd in-volgt. Aan etikette stoort
ze zich niet. Dat schynt in 't bloed te zitten.
--Als ze 'r om tien uur niet is, ga ik heen. Héél veel belang stel
ik niet in de zaak...
De beteekenis van dit gesprek hield Wouter maar weer kort bezig. Hy
had ter-nauwernood tyd zich de vraag voorteleggen, wie toch wel de
persoon wezen kon, die oorzaak scheen te zyn dat mevrouw Holsma tegen
haar zin het ziekbed van den kleinen Erik verlaten had.
Een groote beweging in de zaal, dwong tot aandacht. Men hoorde een
oogenblik haastig schuifelen... alles rees op, en bleef ditmaal
staan ...
Een... Keizer of zoo-iets, betrad de koningsloge. Wouter zag er weinig
van. Hy hoorde fluisterend behandelen wat er geschiedde. Z. M. was
haastig naar den voor hem bestemden fauteuil gestapt, niet zonder
'n paar stoelen omver te loopen, die hem in den weg stonden...
Dit was de niet onpraktische gewoonte van Zyne Keizerlyke
Majesteit. Vivat sequens!
...hy had daarna 'n oogenblik--één oogenblik maar--in de zaal
rondgezien, éven geknikt, als iemand die byna geen tyd heeft om
te zeggen: "'t is wel!" en daarna z'n fauteuil met 'n ruk schuins
naar-achter gehaald. Hy liet zich daarin neervallen, en 't Publiek
kon weer gaan zitten... nog niet voor goed.
Ook de andere loges werden nu als door 'n tooverslag gevuld. Men
zag zonderlinge kostumes: de "Wede. Maaskamp en Zonen!" Dames met
lyven van drie duim, en 'n schoot van byna zooveel ellen. De boezems
zweefden tusschen kin en ceinture. Kleine pofmouwtjes wisten zelf
niet, of ze dienen moesten tot bedekking van den bovenarm of van den
schouder. Maar dit te-kortschieten werd eerlyk aangevuld door witte
kabretleeren handschoenen, die van den pink tot den oksel reikten. Op
't hoofd droegen de dames tulbanden, toques, bloemtuinen... dáár
was wat te plukken gevallen voor Scylla! Maar al wat er leelyks te
zien was, werd overtroffen door de onuitstaanbare militaire kostumes
van dien tyd. Wie die steeken en chakots gezien had, begreep terstond
waarom de vyand altyd zoo verschrikt op den loop ging. Die aanhoudende
vlucht ontstond uit schoonheidsgevoel.
De muziek speelde...
't Spreekt vanzelf... daar wàs ze weer, de lyzige melodie van den
dapperen Dunois!
Een vreeselyk geraas stoorde op-nieuw onzen Wouter in het toegeven aan
de herinneringen die deze lamentable deun in hem opwekte. Ook immers
gisteravend op de straten, was dat lied de tolk van... van... nu ja,
van geestdrift niet, maar van de zucht toch om zich aantestellen
alsof men byzonder verheugd was. En zelfs by Vrouw Gooremest...
Debout... debout! werd er geroepen. Een der hardste schreeuwers was
de man van de korte verzen, waarin zooveel echt-vaderlandsche "pit"
zat. En alles schreeuwde mee: debout! Men moest opstaan voor den:
jeune et beau Dunois!
Reeds was de muziek gevorderd tot de strofe: de bénir ses exploits,
toen er met 'n bundel papier vry driftig op den rand der koningsloge
werd getikt, juist op de plaats waar men berekenen kon dat de Keizer
zat. De Holsma's recht naar-boven ziende, werden slechts 'n stuk van
den zonderlingen hamer gewaar, waarmee Z. M. de maat sloeg...
De maat? 't Mocht wat! Het geklepper met dat pak dokumenten, in der
haast saamgevouwen tot dirigeerstok, sloeg heel wat anders dan de
maat! Ieder die in 't parterre zat, kon aan de angstige blikken die
uit de loges naar den vreemdsoortigen kapelmeester werden geworpen,
duidelyk bespeuren dat er iets haperde, schoon men van-beneden-af de
oorzaak niet begrypen kon. Deze werd dan ook niet spoedig geraden,
zelfs niet door de bewoners der hoogere sfeeren. Ook de Palatine, juist
bezig haar lievelings-vyandin, de Hertogin-titulair van Groenland, heel
hartelyk te verwelkomen in de tegenover liggende loge, raakte in de
war, wat anders de gewoonte van deze dame volstrekt niet was. De koord
van haar joujou krinkelde, en 't ding bleef levenloos hangen, als 'n
geëxekuteerde. Dit was hem in de hand der Palatine nog nooit overkomen!
De Keizer stond op, en tokkelde met z'n rol papier als 'n razende.
Een afgescheurd driehoekje schrift warrelde tegenzinnig omlaag. Wie
't opving, kon te weten komen dat er wat aan-de-hand was met Kykduin en
't perfide Albion.
Onze verstoorde tamboer stond op, en zette een gezicht als 'n
izegrim. Een dame die naast hem zat, scheen genade te vragen,
maar hy luisterde niet, en ranselde hoe langer hoe heftiger op 't
fluweel van de balustrade, zoodat het stof er uit vloog. Lakeien,
koningen, kamerheeren, maarschalken, adjudanten, aides de camp,
schoten toe. Maar Z. M. verkoos niet te zeggen wat hem zoo boos
maakte. Hy verwaardigde zich alleen, het hoofd te schudden, en den
roffel 'n oogenblik aftebreken, om met z'n papieren trommelstok naar
't orkest te wyzen. Men had nu vryheid, te raden wat dit beteekenen
moest. De bevolking van de voorste loges gaven den orkest-direkteur
te kennen, dat de schuld der stoornis aan hem scheen te liggen, en
siste hem van alle kanten toe. De man schrok, en bleef als versteend
staan, met z'n maatstok zuid-oost half-oost in de lucht, dat hier
zooveel beteekende als heelemaal buiten-west. 'n Plotselinge stilte
verving nu 't geraas, en liet verraderlyk toe, dat men heel duidelyk
'n te laat ingehouden vaderlandsch nagalmpje te hooren kreeg. In
den engelenbak namelyk--dezen avend bezet door fatsoenlyke burgers,
want alle standen waren 'n graad of tien in waarde gedaald, omdat de
markt van rang overvoerd was--in den engelenbak had 'n onverlaat zich
de magere voldoening gegund: al is ons prinssie te zingen, wèl bedekt
natuurlyk onder de noten van koningin Hortense's prachtstuk.
Was zy de dame die om genade gesmeekt had voor haar liedje? Misschien
wel. Maar de lezer weet nu eenmaal, dat historische juistheid me
byzaak is, omdat ik my de verplichting opleî, juister te zyn dan de
Historie. We hebben hier noch met stellig gebeurde feiten noch met
datums te doen, en trachten slechts mogelyke indrukken te schetsen,
en menschen te teekenen zooals de denker zich kan voorstellen dat ze
geweest zyn.
De stoornis was pynlyk. Allerlei waardigheidbekleeders vlogen als
opgejaagde vleermuizen heen-en-weer, en de arme orkest-direkteur
kommandeerde eindelyk in den angst van z'n hart: "où peut-on être
mieux." De vaderlander uit den engelenbak maakte zich gereed de
muziek toetelichten met de bekende romance van 'n "sleepersknol... op
hol" toen er bleek dat Z. M. nog altyd niet voldaan was. 't Moest:
"veillons au salut de l'empire" wezen! Dacht hy er aan, dat het
huiselyke: "waar kan men beter zyn" bewaard moest blyven voor de
Beresina, by den terugtocht uit Rusland? Want by die gelegenheid is
't--o bloedig sarkasme!--gespeeld.
"Veillons" dus! Weer het knikje: 't is wèl! en weer liet hy zich vallen
in z'n fauteuil, waar-i voortging zich te verdiepen in de vestingwerken
by Huisduinen. Toen 't "Veillons" behoorlyk was afgespeeld, mochten
al de vaderlanders weer gaan zitten. Nu eindelyk voor goed, goddank!
Het scherm ging op, en 't woord was aan Rotgans:
Ja, Minos, aan 't geschenk dat ik u heb gegeven,
En uit de kerk geschaakt...
--Wàt? vroeg Wouter. Uit de kerk? 't Purper haartjen uit de kerk? Ik
meende...
--Sjt! zei Willem. Straks zullen we wel te weten komen wat dit
beteekent. Misschien 'n licentia poetica, weetje.
Heel juist geraden! De treurspeldichter had den vreemsoortigen crinis
purpureus heel handig omgesmeed in 'n schild dat door Scylla geroofd
wordt. Zeer wel. Maar... uit de kerk?
...hangt Nisus' kroon en leven!"
--Qu'est-ze qu'elle changte? riep de Paltsgravin. Il barait que zela
zera excèzivemang larmoyang! Za doilette est egzégraple! La bedite
est attivée d'une magnière ... et quelle langue, mong Dié, mong Dié,
quelle langue! Za m'égorssche les oreiglles!
Onder al de aanwezige vreemdelingen had niemand minder te lyden van den
klank der taal, dan die Keizer. Hy was by Kykduin, te Boulogne... te
Dover... overal, behalve dáár! Behalve daar, en... op Sint Helena!
Wouter luisterde als 'n vink. Niet omdat hy alles begreep, nog minder
omdat alles hem schoon voorkwam, maar de geheele zaak was hem te
vreemd om niet z'n aandacht volkomen in beslag te nemen. Z'n wangen
rustten op beide vuisten, en z'n elbogen op de leuning der bank vóór
hem. Wie met half geopenden mond deze houding nabootst, kan precies
weten hoe nieuwsgierig hy was naar den afloop van Scylla's tocht in
't kamp van Koning Minos.
Een schild in-plaats van 't haartje? Dacht hy. Wie weet of niet
de dichter, als-i toch aan 't verzinnen gaat, ook iets zegt van
onechte zoons, en van het terugkeeren op 't pad der deugd, dat de
menschen altyd met zooveel plezier schynen te verlaten... zeker om
het terugkeeren mogelyk te maken.
Voor deze sarkasme verklaart zich de auteur niet aansprakelyk. Wouter
mag zeggen en denken wat-i wil. Ik wasch m'n handen in onschuld.
De tuchtelooze auteur--gebrek aan school!--vertelt niets van 't
purpren haartje, doch integendeel allerlei zaken die in 'n roman
niet te-pas komen. Hy geleidt den lezer langs keizerlyken weg in
de kommeny waar Leentje zout moet halen. Verzoeke vriendelyk dit
gebrek aan zout niet meer dan driemaal in-verband te brengen met
des auteurs schryfmanier.
Die arme Rotgans! 't Was wèl de moeite waard 'n paarduizend verzen by
elkaar te rymen, om zóó verwaarloosd te worden! Geen der toeschouwers
was geroerd door de treurspellige bravigheid van Minos, die de ontaarde
juffer zoo flink op haar plaats zette. Men luisterde niet. [10]
Met naïve verbazing trachtte Wouter de tirades van 't stuk te
volgen. Ze bevielen hem niet, en byna klom z'n ontevredenheid op
tot den moed, zichzelf in-staat te achten tot het leveren van iets
beters. Vooral trof hem de verregaande leegte aan denkbeelden. De
aan Ovidius ontleende handeling van 't stuk mocht dan in zekeren
zin hoofdzaak zyn, tot het schetsen dáárvan waren geen tweeduizend
regels noodig. Aan "gaan en komen" waren meer verzen besteed dan aan
menschkundige ontwikkeling, of aan opmerkingen die de moeite van 't
onthouden waard schenen. Zoo gaat het meer. Is dàt 'n dichter? vroeg
Wouter. [11]
Wouter bemerkte dat de volwassen leden van de familie Holsma
by-voortduring niet den minsten acht sloegen op het stuk. Ze richtten
hun blikken naar de loges, doch blykbaar met andere bedoeling dan de
meesten, of zelfs dan àlle anderen, die de hooge personaadjes alleen
om de vreemdigheid aangaapten. Ook uit de afgebroken zinsneden die
tusschen Oom Sybrand met z'n broeder en zuster gewisseld werden,
scheen te blyken dat hun aandacht door iets zeer byzonders werd tot
zich getrokken.
--Als ze niet spoedig komt, ga ik heen, zei weder mevrouw Holsma.
--Misschien zit zy in de keizersloge, en achter-af. Dan kunnen we
haar van-hier niet zien.
--Men heeft me gezegd, dat ze te Parys nooit 'n kwartier achtereen
op dezelfde plaats blyft. Misschien komt ze straks dáár of dáár...
En met 'n bescheiden beweging van den uit z'n vuist opgestoken duim,
wees Holsma 'n paar der zyloges aan.
--Ze komt soms in 't parterre ook, naar ik hoor.
--Langer dan nog vyf minuten wacht ik niet, zei mevrouw Holsma. M'n
kleine Erik is my meer waard dan duizend...
Wouter meende te verstaan: "dan duizend nichten." Ja, zóó zal 't ook
wel geweest zyn. Want:
--Van den koning, voegde Holsma er by.
Dit deed hem den draad weer verliezen. Hy had gemeend dat Femke
bedoeld werd. En nu: van den koning? Waarom was juist die prinses zoo
belangwekkend? De loges zaten vol neven en nichten, de een nog meer
opgepronkt dan de ander. Welke byzonderheid verhief juist die eene
afwezige, in aanspraak op belangstelling tot mededingster van den
kleinen zieken Erik? Toen de tooneelspelers het derde bedryf hadden
afgealexandrynd, was de zorgvuldige moeder niet langer te houden. Ze
verliet de zaal met Oom Sybrand, die weldra zou terugkeeren met Femke:
--Als ze wil! voegde hy er by, op 'n toon die twyfel te kennen
gaf. Want, zeid-i, ze houdt niet van drukte.
O he, dit meende Wouter beter te weten. Oom Sybrand had haar eens op
de Botermarkt moeten zien, en in de gekroonde Jeneverbes! Maar zulke
dingen verklapt geen ridder. Hy zweeg dus.
De oude Minos is byzonder verliefd op Ismene die zeer schoon en
deugdzaam is. Scylla is byzonder verliefd op Minos die zeer oud en
eerbiedwaardig is. Ismene is byzonder verliefd op Fokus die zeer
heldhaftig is. En Fokus is byzonder verliefd op Ismene... dat's
mogelyk. Maar hy spreekt haar zonderling toe, en wel juist op 'n
oogenblik dat ze het in alle treurspelen onmisbaar voorstel doet, om
voor haar beminde te sterven. Ik geloof gaarne dat Fokus 'n held was,
maar heel hoffelyk was de man niet:
"Weerhou die redenèn, prinses, die my verveelen...
Wat is dàt? Een nieuw rumoer, en ditmaal in den engelenbak. Aller
oogen richtten zich opwaarts, maar niemand kon spoedig te weten
komen wat er in dat hoog regioen voorviel. Eerst meende men dat er
gevochten werd, maar dit scheen toch 't geval niet te zyn. Na eenig
dringen en andere blyken van roering en onrust, werd de uniform van
'n policiekommissaris zichtbaar, die blykbaat met vruchtelooze moeite
iets wilde begrypelyk maken aan 'n paar mannen op de voorste bank. Het
scheen dat ze van 'n ander gevoelen waren dan hy. Om z'n fransch of
italiaansch te vertolken, greep de vertegenwoordiger van 't gezag die
beide personen by den arm, en trachtte hun aan 't verstand te brengen
dat ze niet zouden worden opgehangen, noch zelfs gearresteerd, maar
dat ze hun plaatsen moesten ruimen.
"Weerhou die redenèn, prinses, die my verveelen...
--Qu'y a-t-il encore? vroeg de keizer weer.
En toen een der kamerheeren hem op deze vraag geantwoord had, begon
hy hartelyk te lachen. Er scheen iets nieuws geschied te zyn, dat
byzonder in den smaak viel van de aanzienlykste bezoekers der zaal,
want in alle loges stak men de hoofden by elkaar. Men fluisterde,
en lachte, en giechelde, en staarde naar den engelenbak. Zelfs
de keizer stond op, boog zich over den rand van z'n loge, en keek
rechtuit naar boven. Maar zonder baat, want krom-zien kon hy niet,
wat hem by deze gelegenheid wrevel, en zelfs eenige verwondering op den
hals haalde. Ook de bewoners der lagere sfeer in 't parterre, kregen
voorloopig niets te zien dan de gebaren en mimiek der personen die men
verjagen wilde van hun welbetaalde plaatsen, en die zich hiertegen
hardnekkig bleven verzetten. Onze oude kennis, de Paltsgravin, gaf
weldra blyk meer van de zaak te begrypen, dan de onderste laag van
't gezelschap. Halverweeg uit haar loge buigend, telegrafeerde zy
met iemand die in 't paradys nog altyd op den achtergrond scheen te
blyven. Het stuk van Rotgans... och!
"Weerhou die redenèn, prinses, die my verveelen...
De Palatine groette met haar joujou. Wien of wie groette zy? Het
scheen dat ze zich byzonder vermaakte. Met wyd uitgestrekten arm wees
ze aan al haar buurtgenooten in aanzienlykheid, dat daarboven in die
gemeene-volkskooi iets zeer byzonders te zien was. Arme Rotgans! En
arme akteur ook. De man zag van alle gepruikte en ongepruikte
hoofden niets dan de kruin. Blyf eens begeistert... achter zoo'n
Publiek! Nogeens, en als sprak hy nu zeer in 't byzonder tot de
Palatine:
... Weerhou die redenèn, prinses, die my verveelen ...
De Palatine gaf er niets om. Ze schaterde van lachen--ook de keizer
had gelachen: het mocht dus!--en ze scheen maar niet tot bedaren te
kunnen komen van plezier.
Nu moest ik 'n dubbele pen hebben, om te vertellen wat Oom Sybrand
zei, die teruggekeerd was na mevrouw Holsma te hebben thuis-gebracht,
en te-gelyker-tyd den uitroep van Wouter behoorlyk weertegeven, die
met open mond en verdraaiden hals zat te kyken naar het tooneel van
den stryd.
--Waar is Femke? vroeg Holsma.
--Ze wil niet, zei Oom Sybrand. Ik dacht het wel.
--O God, daar is ze! riep Wouter.
--Wie?
--Femke, m'nheer! Femke, Femke... o God, dàt is nu wel wezenlyk
Femke! En ze... vecht! Zie, dáár, daarboven, zie!
Hm... 't had er veel van! Maar vechten deed ze toch eigenlyk niet. Het
meisjen in den engelenbak had den policiekommissaris by den kraag
genomen, hem achteruit getrokken, was zoo goed mogelyk tusschen de
bezitters van de nauw-bezette voorbank heengedrongen, en liet zich
daar neervallen op de twee halve schoten van de buurtjes die ze zoo
onbarmhartig gescheiden had.
--'t Is Femke, m'nheer! O god, het is Femke! Als men haar maar geen
kwaad doet!
Weer stond de keizer op, en weer staarde hy naar boven. Hy kreeg 't
meisje met den noordhollandschen kap in 't oog, en knikte haar toe...
--Maar, m'nheer Holsma, het is Femke... onze Femke!
En de Paltsgravin groette het meisje nogeens met den joujou, als om
haar geluk te wenschen met de verovering van dat plaatsje...
--Maar, m'nheer, 't is Femke! riep de verbaasde Wouter, die maar niet
begrypen kon dat-i geen antwoord kreeg.
Ook Holsma en Oom Sybrand waren verbaasd, doch niet als Wouter,
die zich by 't hoofd greep om te voelen of-i wel terdeeg wakker was?
--Nu, kinderen, zei eindelyk de dokter, je kunt straks aan moeder
vertellen dat we haar gezien hebben.
En, zich tot Wouter keerende:
--Dat meisjen is 'n nicht van ons...
--O ja... Femke!
--Neen, ze heet anders, en...
--M'nheer, 't is Femke! Zou ik Femke niet kennen!
Ei, Petrusje! Dit klinkt reeds geheel anders dan: wie is die
meid? Of... dan zelfs dàt niet!
Op-eens kreeg 't vreemdsoortig meisje dat haar groote blauwe oogen
onbeschroomd door de zaal liet dwalen, onzen kleinen jongen in het
oog. Ze bukte voorover, staarde hem met aandacht en inspanning in
't gelaat, knikte vriendelyk, en wierp hem 'n kushand toe...
Zoo meende hy, en zoo wàs het. Maar 't geheel parterre was ditmaal
al te zeer van zyn gevoelen. Ieder meende dat ze hemzelf, of
allen meenden dat zy allen gegroet had. De deftige lui ergerden
zich aan de verregaande onbeschaamdheid van zoo'n boeredeern--in
hoofdsteden heet elk provinciaal 'n boer--en de meer vroolyk gestemden
beantwoordden haar groet met spottende overdryving. Weldra echter
werd er gesist. Uit de hoogere sfeeren kwam de tyding neerdalen dat
's konings nicht, prinses Erika, 'n blyk willende geven van sympathie
voor 't Nederlandsche Volk, zich kwam vertoonen in "nationaal kostuum"
of wat by vreemdelingen daarvoor doorgaat.
--O god, geloof er niets van, m'nheer Holsma! Ik zeg u dat het Femke
is, verzekerde Wouter met tranen in de oogen.
--Neen, m'n jongen, dat meisjen is Femke niet.
--Maar... ze heeft my gegroet!
--En de keizer háár. Je begrypt toch wel dat hy geen waschmeisje
groeten zou?
Zeker! Dit was moeilyk te veronderstellen. Maar even vreemd kwam
het Wouter voor, dat die... prinses 'n nicht wezen zou van dokter
Holsma. Op-nieuw meende hy te bemerken dat het meisje hem toewenkte,
en dat ze haar lippen bewoog. Naar die beweging te oordeelen, kon ze
best gezegd hebben: myn broeder! Wouter hield het er voor, en lispte
die woorden na, en drukte beide handen styf tegen de borst, als om
'n kostbaarheid te bewaren die zoo-even daarin was neergelegd.
In-weerwil van z'n hoogachting voor dokter Holsma, was het hem
onmogelyk diens verzekering te gelooven, dat het jonge meisje
daar-boven eene andere was dan de door hem verloochende dochter
van Vrouw Claus. Hy knoopte de voorvallen der laatste uren zoo goed
mogelyk aan elkander, en meende te begrypen hoe hy door z'n drift
aan die Kaatje aanleiding had gegeven tot 'n zonderling bericht
van wedervaren. Men had hem voor krankzinnig aangezien, letterlyk:
voor gek gehouden, en wilde nu hem afleiden van 'n idée fixe. Daarom
ook die uitnoodiging tot het bezoeken van den Schouwburg, en Femke's
voorgewende weigering om meetekomen met Oom Sybrand, die van zyn kant
op deze reeds lang afgesproken weigering had voorbereid. Zeker had de
dokter haar den wenk gegeven, wanneer ze dan toch ook iets zien wilde
van al die pracht en vreemdigheid, ergens anders plaats te nemen dan in
't parterre. 't Was voor zyn ontroerd gestel beter geoordeeld, dat ze
nu juist niet naast Wouter kwam te zitten, die haar verloochend had,
en daaronder zoo leed! Misschien had men daar in die hoogste loge
'n plaats voor haar opengehouden, en die kommissaris van policie ...
Maar ... hoe durfde zy dien man zoo onzacht storen in de al te
welwillende uitoefening van z'n funktie? Hem 't gezag uit de hand
nemen? En ... die groet van den keizer? En ... vanwaar wist Holsma
dat hy haar verloochend had, en dat haar tegenwoordigheid de kalmte
van z'n gemoed bedreigen kon?
--Och, m'nheer, laat Femke maar gerust hier zitten ... ik zal heusch
heel bedaard wezen! Ik ben zoo bang dat men haar kwaad zal doen,
daar-boven onder al die ruwe menschen!
Holsma zag hem vorschend aan. Zou dan toch die Kaatje gelyk hebben
gehad? Hy vond nu goed, Wouter niet langer tegentespreken in z'n
meening omtrent de identiteit van de verschyning, en trachtte door
eenige onverschillige opmerkingen z'n aandacht en gewaarwordingen
afteleiden. Het toeval wilde dat hy hierby 't woord "engelenbak"
gebruikte, dat ook den niet-amsterdamschen lezer nu zeer gewoon klinkt,
omdat ik het reeds verscheiden malen gebruikt heb, doch den nuchteren
Wouter geheel vreemd was.
--Juist, viel hy den dokter driftig in de rede. Juist: engelenbak! U
ziet dus wel, m'nheer, dat het Femke is!
Ook deze konklusie klonk weer zonderling in Holsma's oor. Al te
zonderling zelfs, om nu te laten bemerken dat hy er niets van
begreep. En om Wouter te bewaren voor nòg meer opwinding, gaf hy toe.
--Wel zeker, jongen, dat zeg ik ook. Ik wou je maar 'n beetje
plagen. Femke zit dáár, omdat ze ... niet gaarne hier wil
zitten. Ze meent dat ... het zoo raar zou staan, omdat ze maar 'n
waschmeisjen is. En dat wy ons schamen zouden over de verwantschap
zieje!
--O, m'nheer, niemand behoeft zich te schamen naast Femke te
zitten. Zelfs de keizer niet! En ... God niet!
Ei, Petrus!
--Ja, ja, suste Holsma. Precies! Zóó is het! Wie braaf en goed is,
hoeft zich voor niemand wegtestoppen. Kyk nu maar verder naar 't stuk,
m'n jongen.
Wouter wilde gehoorzamen, doch niet voor z'n oogen afscheid hadden
genomen van de heerlyke verschyning. Nog eenmaal zag hy op. Zy
wenkte hem toe, nam 't takje met drie rozeknopjes van de borst,
hield het eenige oogenblikken tusschen duim en voorvinger van de
linkerhand, wees met de rechter op Wouter, en liet het vallen. Het
kwam--niet te-recht, o goden, maar neer toch!--op 'n dikken heer
in Wouter's buurt, die 't aangreep, en heel verwonderd keek. De man
leek niet op rozeknopjes, en z'n verbaasd gezicht scheen te vragen:
wat doe ik daarmee? Vóór-i evenwel zichzelf 'n bruikbaar antwoord op
deze vraag geven kon, was Wouter van z'n plaats gesprongen. Hy wipte
langs en over 'n paar buren en banken, greep 't gulden vlies dat den
valschen Jason zoo in verlegenheid bracht, en drukte het, opziende
naar den engelenbak, aan z'n lippen. Overal elders dan te Amsterdam,
zou 't publiek geapplaudisseerd hebben. Hier deed het de Palatine,
vooral toen prinses Erika knikte: "dat ze 't juist zóó gemeend had!"
Dit was meer dan Wouter's geschokt gestel verdragen kon. Nooit zou
hyzelf zich 't verloochenen van Femke vergeven, maar nu had zy, de
edelmoedige, de groote, de majestueuze, hem vergiffenis geschonken
ten-aanzien van 't gansche Volk! O, dààrom wilde zy bóven zitten,
zoo hóóg ... in den engelenbak! Zy had de vlek van z'n ziel gewischt,
z'n geschonden riddereer hersteld ...
By deze gedachten die hem als bliksems door 't hoofd schoten, viel
hy flauw. Was 't wonder?
Holsma nam hem mede naar zyn huis, en liet aan juffrouw Pieterse
berichten dat de jongeheer Wouter ...
--Zieje wel, Stoffel, net wat ik gezegd heb! Ieder mag 't weten: het
kind leseert effectief by dokter Holsma op de Kolveniersburgwal. Trui,
denk er aan dat Leentje morgen ochtend zout haalt in de kommeny,
want ... werachtig, 't kind leseert er!
Ariadnisme met modern-burgerlyke verwikkeling. Treurzang over
de hedendaagsche onbruikbaarheid van wonderen. Wouter krygt
les, en wordt--als de lezer--uitgenoodigd zich 'n tydje te
spenen van romantiek.
Het is me zeer moeielyk, te berekenen hoeveel van m'n lezers genoeg
menschelyk gevoel hebben uitgeschud, om niet te schreien by de
ongelukken van juffrouw Laps. Als het medelyden dat ik voor haar
inroep, gering is, wyt ik dit aan te groote geleerdheid. Het schynt
wel dat de belezen mensch onzer dagen z'n gevoelighedens heeft
opgemaakt aan mythologie, romantiek en bybelkennis. Hy heeft zich
moê getreurd op 't legio modellen van verlatenheid, die ons sedert
eeuwen geleverd zyn in profane en heilige Schriften. De tranen alzoo
waarop juffrouw Laps 'n onmiskenbaar recht heeft, en die haar ook
niet zouden geweigerd zyn door naïver toeschouwers of lezers, zyn de
buit geworden van Medea, van Fedra, van Asnath, der vrouwe Potifars,
van Ariadne op Naxos, en dergelyke persoonlykheden meer, waarvan
er toch geen enkele by ons Lapsjen in welbegrepen rampspoed halen
kon. Ze was, zy by-uitnemendheid, wat de romanschryvers gewoon zyn
met sierlyke spraakwending: "de ongelukkigste der vrouwen" te noemen,
en haar door Wouter zoo schichtig verlaten boven- voor- onder- achter-
insteekkamer, 'n ware tempel van verschillende smarten.
Het is geenszins m'n bedoeling, Wouter boven Jozef, Theseus, Jason
of Hippolytus te stellen. Apollo beware my voor de by auteurs
somwylen voorkomende apenliefde, die hen in hun helden altyd de
"belangwekkendste der stervelingen" doet zien. De lezer zal erkennen
dat ik genoeg moed en plichtbesef heb, om m'n jongetje nu-en-dan
niet zeer malsch te behandelen. Neen, niet in Wouter's verdienste
zoek ik den maatstaf voor de wanhoop der verlatene. En ook zyzelf
voedde haar verdriet niet uitsluitend met 'n droevig staren op de
waarde van den verloren schat. De hem kwalificeerende benamingen
die ze 't weggeloopen heil namurmureerde, getuigden meer van vinnige
verstoordheid dan van byzondere waardeering. Er bestond iets geheel
anders, dat met volle recht haar verstoordheid stempelde tot wrevel,
en zelfs tot woede. Met gepasten eerbied voor de smart van al die
andere dames, meen ik te mogen in 't midden brengen, dat er onder die
gansche weenende vrouwenschaar geen enkele zoo'n gek figuur maakte
tegenover de respektieve verwanten van haar verlaters, als juffrouw
Laps. Ze moest Wouter verantwoorden aan z'n familie. Dàt was het!
De zonderlingste plannen gingen haar door 't hoofd. Hoe zou 't zyn,
als ze vertelde dat-i was "weggenomen" van voor de oogen des Volks,
en opgevaren in 'n gloeiende diligence? Ze verwierp dit denkbeeld,
uit zeer gegronde vrees dat men haar niet gelooven zou. Onder alle
wonderen zyn er maar weinig zoo ongeschikt tot dagelyksch gebruik,
als hemelvaarten. Zelfs Politie en Justitie gelooven er niet aan, dit
zy gezegd zonder 't minste wantrouwen op de historische grondslagen
van de christelyke godsdienst, die zulke zaken niet missen kan zonder
in elkaar te storten als 'n slecht gebouwd kaartenhuis. Het zal den
godsdienstigen lezer genoegen doen, te ontwaren dat ik in dit opzicht
geheel-en-al 't gevoelen aankleef van den zeer heiligen Paulus. (I
Corinthen, XV, vs 14.)
Dus: géén hemelvaart! dacht onze Ariadne, met bedroevend
verstand! Maar... wat dan?
Ze begon met wachten of haar Theseusje misschien zou terugkeeren? Het
was haar niet duidelyk geweest, of hy in die kroeg geraakt, dan wel
gebleven was onder de volksmenigte die er vóór stond. Misschien ook had
deze of gene stroom van de joelende menigte hem meegevoerd. Hm... hoe
vèr? 't Land uit? Naar... Amerika of 't peperland? Dit zou zoo
kwaad niet wezen, vond ze, want eigenlyk was ze nu meer angstig
voor z'n terugkeer by de zynen, dan begeerig naar zyn wederkomst by
hààr. De oorzaak is ligt te vatten. Wat zou Wouter vertellen aan z'n
verwanten? Tot haar groote teleurstelling was z'n medeplichtigheid
niet ver genoeg gegaan, om hem bescheidenheid inteboezemen in z'n
eigen belang, en 't schepsel stond te laag om kiesheid te verwachten
uit oorzaken van anderen aard.
Om by 't schriftuurlyke te blyven, zon ze, na 't verwerpen van de
gedemodeerde luchtvaart, op 't aanwenden der egyptische methode
van Asnath. Helaas, daarby is de verrukkelyke naïveteit van Potifar
onmisbaar, en ze had menschenkennis genoeg om te berekenen dat noch
Stoffel, noch z'n moeder, noch zelfs een van Wouter's zusters,
onnoozel genoeg wezen zouden om zich te laten vangen in 'n strik
van zoo verouderd maaksel. Zeker zou er blyken dat haar zeer bekend
"Geloof" eer 'n wapen tégen haar opleverde, dan 'n schild waarachter
ze schuilen kon. Want, lezer, de achtbaarheid van de goddienery is wat
versleten. Ze voorzag dat men meer vertrouwen stellen zou in Wouter's
... kinderachtigheid, dan in haar gescherm met "Schrift" of "Heer" en
hierin had zy alweer volkomen gelyk. De tyd nadert, dat men zeggen zal:
"ziedaar iemand die niet gelooft, en toch 'n schelm is." Dit "toch"
zal beter op z'n plaats staan dan 't arme woordje gewoon is, daar we
't nu meestal zien misbruiken om betrekkelyke verdorvenheid en wèl
gelooven--zaakjes die zeer na aan elkander verwant, en dikwyls zelfs
identisch zyn--in tegenstellend verband te brengen.
Uit spyt en woede beet onze martelares haar nagels af, en vervloekte
al het volk dat daar onder haar vensters nog altyd nafeest vierde van
'n feest dat er niet geweest was. Ze vleide zich eenige oogenblikken
met de hoop haar deserteur in 't oog te krygen, en nam zich voor, als
't lukte, hem unguibus et rostris in haar nest te slepen, niet om 't
genoegen van z'n gezelschap nu, maar om te voorkomen dat-i naar z'n
eigen huis ging, en daar meer vertelde dan haar aangenaam was. Doch
ze slaagde er niet in, Wouter te ontdekken, en vermoeid van staren
schoof ze eindelyk haar venster toe, juist 'n oogenblik te vroeg om
den wagen te zien wegryden, waarin prinses Erika zich liet brengen naar
't paleis op den Dam.
Schoon de morgenstond reeds lang was aangebroken, begreep onze Laps dat
het te vroeg was om reeds nu naar de Pietersens te gaan. En bovendien
... wat zou ze daar zeggen? Dat haar riddertjen in 't holst van den
nacht was weggeloopen? Waarheen? Waarom? Wie verzekerde haar, dat niet
reeds 't heel schandaal door hemzelf was bekend gemaakt, en dat alzoo
Vrouw Asnath ditmaal visschen zou achter Jozef's net? Och, hoe pynlyk!
Ze besloot ... niet te besluiten, en de zaak nog 'n paar uurtjes
overtelaten aan den "Heer." Met deze verzuchting besteeg ze haar
maagdelyke koets, 't frigidum lectum waarover 'n latynsch dichter de
eenzame Penelope laat klagen in den zevenden regel van haar brief aan
Ulysses. Als juffrouw Laps latyn gesproken had, zou ze waarschynlyk ook
zoo-iets gezegd hebben. De lezing van de twee regels die Ovidius laat
voorafgaan, luidde nu in háár mond: "ik wou liever dat de kwajongen
z'n nek had gebroken op de manier van hoogepriester Eli in 1 Samuel,
IV. Maar de weldadige wonderen zyn de wereld uit. Die vervlll...oekte
zevenklapper!"
En nu, gewillige Muze, leid ons terug naar den Pietersburg! Blaas my
in, wat daar geschiedde gedurende Wouter's romantische omzwerving,
en zorg dat m'n taal niet al te ver sta beneden de waardigheid van
't onderwerp! Wy weten reeds, o Clio, hoe de slotvoogdes haren spruit
had zien uittrekken tot bescherming zyner geïmprovizeerde dame, en
hoe zy hem wel geen zegenbeden, heilwenschen of gewyden sjerp meegaf,
maar 'n slaapmuts toch, en den bekenden sitsen nachtpon. Wy weten
hoe Jonker Stoffel, erfstadhouder van den familieroem...
Komaan, laat ons liever de zaak heel eenvoudig behandelen. Die Muze
kan wegblyven. Juffrouw Pieterse was den bewusten vrydagavend naar
bed gegaan als gewoonlyk. En de rest ook. Van akelige droomen is me
niets gebleken. In m'n archieven vind ik geen spoor van angst over
't vreeselyk gevaar waaraan men Wouter zoo onbedacht had blootgesteld,
misschien wel omdat dit gevaar z'n verwanten ten-eenen-male onbekend
was. Juffrouw Laps had waarlyk niet noodig gehad haar opzetje zoo
fyn intekleeden, en 't overslaan van Wouter's naam by 't oproepen
van de ridders wier bescherming zy beweerde noodig te hebben, was 'n
overbodige weelde van staatkundery. Dank zy de domheid der Pietersens,
ze zou by veel grover behandeling van zaken, even goed haar doel
bereikt hebben. De voornaamste aandoening die haar onbegrepen
taktiekje te-weeg bracht, sproot voort uit den afkeer dien hare
geheele persoonlykheid inboezemde, en volstrekt niet uit achterdocht
omtrent haar byzonder plan. Aan zoo-iets werd by de Pietersens niet
gedacht. De oorzaak hiervan lag volstrekt niet in zedelyke hoogte,
maar geheel-en-al in laagte van verstandelyke ontwikkeling. Zekere
lieden zouden omtrent Mensch en Wereld veel te leeren hebben, voor ze
't standpunt van beredeneerd vertrouwen bereiken.
En ook van de geestige onwetendheid die we naïveteit noemen, was hier
geen spraak. Dat de Pietersens voor weinigen uit den weg behoefden
te gaan in onkunde, moge waar zyn, maar geestig waren ze niet. Ze
hadden in dit byzonder geval alleen hierom niets ergs gedacht, omdat ze
gewoon waren in 't geheel niet te denken, en deelden dus de verdienste
van 't vertrouwen, met Wouter's muts die er ook geen kwaad in zag,
juffrouw Laps 'n paar uurtjes gezelschap te houden. [12]
--Ik begryp om al de wereld niet, waar de jongen zoo lang blyft? zei
de moeder.
--Hy zal niet vroeg opgestaan wezen, en misschien laat ze hem by
't ontbyt 'n kapittel uit de Schrift lezen.
Aldus Stoffel. En de familie berustte zonder veel inspanning 'n
half-uurtjen in die bemoediging.
--Wat zou je-n-'r van zeggen, als jyzelf er eens heenging? stelde
eindelyk juffrouw Pieterse voor.
--'t Zal moeielyk gaan, moeder! Want ... uwe weet, het is niet in
den weg van m'n school.
Dit argument voor non-interventie was volkomen geldig. Men moet nooit
iets doen wat niet op z'n weg ligt. Ziehier een der liefelyke kanten
van 'n welbegrepen konservatismus. Stoffel zelf wist niet hoe diep
de zin was van z'n staatkundig grondbeginsel.
--Maar... als we dan Leentjen eens daarheen zonden, om te vragen waar
de jongen blyft?
Dit werd goedgekeurd. Leentje ging, en kwam weldra terug met de
boodschap dat "Wouter waarschynlyk 'n wandelingetje maakte."
Zóó namelyk had juffrouw Laps in den angst van haar hart gezegd. En
't was niet geheel-en-al onwaar. Wouter was inderdaad na z'n vertrek
uit haar woning, terdeeg aan 't wandelen geraakt... de lezer weet
het. Maar juffrouw Laps verzuimde wyselyk, er by te zeggen waaròm hy
'n wandeling deed, en op welk uur hy haar verlaten had. Leentje had
geen erg er naar te vragen, omdat het vanzelf scheen te spreken dat-i
niet was uitgetogen in 't holste van den nacht. En zóó ook werd de
zaak door z'n moeder en zusters opgevat. Ze kwam dus eenvoudig neer
op een van de zonderlinge gewoonten van Wouter, waarover men zich
zoo dikwyls te verwonderen had.
--Daar heb je 't weer! zei de moeder. De last die ik van dàt kind
heb ... kyk! 'n Ander maakt 'n kuiertje na den eten, niet waar? En hy
... wat doet-i? Hy loopt rond in den vroegen morgen. Ik vraag jezelf
nu, Stoffel, of dat 'n manier van doen is?
--Né, moeder!
--En ons hier in angst te laten zitten!
--Ja, moeder!
--Zieje, 't is toch weer heel erg van hem. Hy moest begrypen dat
we hier allemaal in doodelyke ongerustheid ... god weet waar-i nu
weer rondloopt?
--Zeker, moeder! En nu is 't tyd voor m'n school. Dag, moeder!
Stoffel vertrok. Van dien angst en die ongerustheid was geen woord
waar. Deze klacht hoorde er zoo by, meende de familie, overigens niet
de minste blyken gevende van bekommering over Wouter's lot. Ook hier
alweer speelden onkunde, onwetenheid en traagheid haar gewone rol. Het
kòn immers zyn dat den knaap 'n ongeluk overkomen was? Z'n moeder
vond het gemakkelyker hem te beschuldigen van onbehoorlyk gedrag,
dan ernstig te onderzoeken waar-i beland was. En hierby bleef het,
tot dokter's Kaatje kwam.
De lezer weet hoe Holsma z'n koetsier gelastte 'n oogenblik optehouden
voor Wouter's woning, ten einde dat meisje gelegenheid te geven tot
uitstappen. Alles was haastig naar 't venster geloopen ...
--Daar is-i, daar is-i! riep de heele familie om 't hardst, hy zit
zoowaar in dokter's koets!
Deze opmerking verdreef alle andere indrukken, en Kaatje's
geruststellende taak viel byzonder ligt. Eigenlyk had ze niets hoeven
te zeggen. 't Kwam er niet meer op aan, waar Wouter geweest was ... nu
reed hy in 'n koetsje. In's hemelsnaam, wat wil men meer?
--By dokter ontbeten? Gut, mensch, wat zeg je! En ... en ... waarom
heeft de koetsier z'n beeremuts niet op?
De verwonderde Kaatje beriep zich op 't saizoen, en vond de ontvangst
die haar te-beurt viel, zeer zonderling. De verdenking die zy koesterde
omtrent Wouter's geestvermogens, ontving nieuw voedsel door de vreemde
manier waarop haar boodschap beantwoord werd. 't Scheen wel dat de
heele familie ... 'n beetje ...
--En heeft-i wezenlyk by dokter ontbeten? Begryp eens, Trui
... ontbeten!
--J...a, juffrouw, hy heeft by ons ... ontbeten! O ja, zeker, ontbeten
... m'nheer heeft het gezegd.
--By den dokter? En ... ontbeten, zeg je? Op den Kolveniersburgwal?
--Wel zeker! Waar anders? Maar ... wat zou dat?
--En ... is-i wel fatsoenlyk geweest?
--Gut ja, juffrouw, maar ...
--En nu zit hy met den dokter in de koets?
--Wel zeker, juffrouw! Maar ...
--Hoor 'ns hier, vryster, ik zal jou eens wat zeggen, maar je moet
er niemand overspreken. Hy is 'n zonderling kind, weetje ...
--Ja, zuchtte Kaatje, volkomen overtuigd. Dàt weet ik!
--Zoo? Weetje 't? En weetje-n-ook waarom? Dàt zal ik je nu eens
vertellen. Hy is zoo'n zonderling kind, omdat--ga jy even op-zy, Petrò,
en jy ook Mine ... Trui kan blyven, maar kyk op je werk!--hy is zoo
zonderling en dingsig, weetje, omdat ik, toen ik zwaar van 'm was ...
--Gut, juffrouw!
--Ja, vryster! Toen heb ik gedroomd van 'n kapel die 'n olifant
voorttrok. Begryp je 't nu?
--O ja, ja, ja, precies, juffrouw! Ik begryp 't nu heel best.
--Zie je? En daarom ... doe de komplimenten aan den dokter, en zeg
dat ik wel laat bedanken. 't Is nu maar te hopen dat-i fatsoenlyk
is ... Wouter, meen ik. Gut, draagt de koetsier zoo'n muts alleen in
den winter?
Kaatje maakte dat ze wegkwam. Ze nam zich voor, nooit van kapellen
en olifanten te droomen. Zoo'n uitspatting van den geest kwam haar
zeer gevaarlyk voor, want ze begon nu in allen ernst te meenen dat de
heele familie gek was, en dat zy in Wouter daarvan slechts 'n klein
staaltje gezien had.
Toen, eenige uren later, de dokter-zelf zich de moeite gaf juffrouw
Pieterse te komen geruststellen, kende de vreugd over Wouter's
verheffing geen grenzen. Holsma bestudeerde deze en andere zotternyen,
en maakte van z'n opmerkingen gebruik by 't bepalen van den geestelyken
leefregel dien hy Wouter straks zou voorschryven, een dieet dat hy
nog meende te moeten inkrimpen na 't voorgevallene in den Schouwburg.
Wat juffrouw Laps aangaat, zyzelf wist niet hoe goed alles buiten
haar toedoen geschikt was. Ze hield zich den heelen dag bezig met
onnoodig gepeins over de mogelykheid om 't ding te redden, dat ze--wel
eenigszins met verkrachting van den zin--haar "eer" noemde. Daar zy
evenwel tot geen besluit kwam, bewaarden de gunstige goden haar voor
't nemen van maatregelen die juist andersom zouden gewerkt hebben
dan de eisch was. Ze deed niets, en door 'n byzondere welwillendheid
van 't lot, was dit de beste party die ze kiezen kon. 't Spyt me
voor sommige lezers, dat haar veroveringstocht niet tragischer
afliep. Maar de moraliteit wint er by. Ik gis dat Fancy 't gemeene
schepsel de belangwekkende smart niet gunde, van de kastyding die ze
verdiend had. Een paar dagen angst was voor haar peccadille volkomen
genoeg. 't Spreekt vanzelf dat ze nog altyd bleef vreezen dat Wouter
haar aanklagen zou.
Wouter was inderdaad dien saturdag-nacht by de Holsma's gebleven. Den
volgenden morgen vroeg nam de dokter hem by zich op de studeerkamer, en
sprak hem vriendelyk toe. Hy moedigde den ontluikenden jongeling aan,
hem zoo goed mogelyk te vertellen wat er in z'n gemoed omging, doch
onthield zich zorgvuldig van alles wat Wouter in de meening zou kunnen
brengen dat-i byzonder was. Het spreekt overigens vanzelf, dat hy meer
begreep dan Wouter zeggen kon. Ook de niet zeer handig overgeslagen
geschiedenis met de onnoozele verleidster, lag hem klaar voor oogen. Hy
luisterde naar Wouter's ontboezemingen, als naar iets zeer bekends,
en stelde z'n onbegrensde eerzucht--of liever z'n voorbarige en
overspannen zucht naar 't goede: z'n God-zyn--als 'n gewoon verschynsel
voor, dat uit de levensperiode voortsproot, en... dat uit den weg moest
worden geruimd. Ook Wouter's liefde voor Femke, behandelde hy als 'n
zeer gewone zaak. Om aan al deze geringschatting zooveel doenlyk de
pynlykheid te ontnemen, haalde hy gedurig z'n eigen ondervinding aan,
en verklaarde zichzelf schuldig aan de fouten die hy in Wouter meende
te moeten gispen, een methode die nog altyd veel ouders en opvoeders
onbekend schynt te zyn. Ook Jezus heeft over 't hoofd gezien dat men
zich bukken moet om te kunnen opheffen. Of werd hem die terugstootende
heiligheid aangewreven door vervalschers? Meenden zy misschien dat
de zondeloosachtigheid die hem zoo volstrekt onbevoegd maakte tot
voorganger, als onmisbaar bestanddeel van z'n goddelyke natuur moest
worden voorgesteld? Zagen ze niet in, dat de voorgewende verheffing
tot méér dan Mensch, 'n verlaging was beneden 't peil der Mensheid,
die juist aan den specifisch-menschelyken stryd tegen afdwaling, haar
hoogheid te danken heeft? Dat ook hier alweer 't onbruikbaar-goddelyke
uitloopt op ongerymdheid, spreekt vanzelf.
Holsma, heel ongoddelyk, maar goedig, verstandig en waar, zette
zich niet op 'n voetstuk. Hy begon met de betuiging dat ook hy in
z'n jeugd alles wat Wouter hem meedeelde, ondervonden had, en tevens
dat hy dezelfde gemoedsverschynselen in byna alle andere jongelieden
waarnam. Ook trachtte hy de zaak terugtebrengen op burgerlyk-praktisch
terrein, met vermyding van allen prikkel tot geestvervoering. Het
kwam hem voor, dat z'n patiënt aan zulke behandeling behoefte had,
en hy volgde dus in zekeren zin de koud-water-medikatie van Vrouw
Claus. Of deze ontnuchtering ten-allen-tyde en voor ieder dienstig
is, blyft de vraag. Ook paste de menschkundige Holsma ze slechts
voorloopig toe, en misschien wel als proef om te weten of Wouter
tot hooger levensopvatting in-staat was. Hy liet hem z'n gemoed
uitstorten, en viel hem niet in de rede, waaruit voortvloeide dat
Wouter vry slecht sprak, omdat onafgebroken verhandelingen niet
in de natuur liggen. Juist het gehakkel der voorstelling deed den
ongeoefenden spreker bemerken--en hierom was 't Holsma te doen--dat
z'n aandoeningen minder belangwekkend waren dan hy gemeend had. Hy
voelde lust zichzelf in de reden te vallen met de vraag: "is 't anders
niet?" en begon nu te vreezen dat ook Holsma dit zeggen zou. Maar
toen-i eindelyk scheen gereed te zyn, antwoordde deze vriendelyk:
--Zeker, zeker, m'n jongen, ik ken dat! In zulke stemming zou je overal
willen zyn, alles willen regelen, beheerschen... alles goed-maken,
niet waar? Je hebt 'n gevoel alsof je voor alles aansprakelyk was. Het
hindert je dat er zooveel verkeerds is in de menschen, en dat zy
... o ja, ja, ik ken dat zeer goed!
Maar, eilieve, denk eens na over de middelen die je tendienste
staan. Hoe zou je 't aanleggen om iets te verbeteren? Wouter zweeg.
--Meen je dat àlle menschen slecht zyn? Dit mag je toch niet aannemen,
dunkt me. Onder die menschen zyn er gewis velen die 'tzelfde wenschen
als jy. Waarom veranderen zy de wereld niet?
Wouter zweeg alweer. Juist de eenvoudigheid van de vraag belemmerde
hem. Maar Holsma drong op antwoord aan.
--Welnu? Komaan, ik zal je helpen. Geloof je dat ik 'n goed mensch ben?
--O ja, riep Wouter hartelyk.
--Ei? Nu, ik geloof 't ook. Ik zou me schamen als ik dit niet durfde
zeggen. Waarom dan verander ik de wereld niet? Je spreekt zoo dikwyls
van Afrika--omdat je dat land niet kent, m'n jongen!--welnu, ik die 'n
goed mensch ben, heb nog altyd de slavenjachten niet afgeschaft. Waarom
niet, denkje? Antwoord eens.
Wouter was volstrekt geen debater. 't Lag niet in z'n eerlyken aard,
het geven van 'n stellig antwoord te weigeren uit vrees dat het
straks zou kunnen gebruikt worden als stormram tegen de meening die
hy verdedigen wou. Toch bleef hy weifelen. Men bedenke dat Holsma
bezig was met 'n amputatie. Is 't wonder dat de patiënt het deel van
z'n ziel, dat afgezet worden moest, angstig terugtrok?
--Welnu, dan zal ik de zaak anders voorstellen. Je hoort immers wel
dat aanhoudend geklop en gehamer... luister! Dat is van 'n smedery
hier-naast. Je begrypt wel dat me dit soms hindert?
--By ziekte?
--Ja, en als ik te denken heb. Ik wenschte die smedery verplaatst
te zien... zóó... fluks... op-eens! Zeg me nu eens, waarom doe ik
dat niet?
--Omdat ... u niet kan, m'nheer.
--Juist! Dáárom ook heb ik tot heden toe niets veranderd aan al wat
er verkeerd geschiedt in Afrika. En ook in Azië niet. En in Amerika
niet. En in zeer veel landen niet. Maar gister-avend in de komedie,
toen je onwel was--'t was er warm!--nam ik je mee, en ik heb je
verzorgd en naar bed laten brengen. En ik heb je moeder laten
geruststellen over je lang uitblyven. Dat alles was m'n plicht,
niet waar?
--O, m'nheer...
--Geen dank, m'n jongen! 't Kwam me voor, dat het m'n plicht was,
en ik deed het: omdat het kòn. Wat niet kan, is m'n plicht niet! En
daarom ook neem ik die smedery niet tusschen duim en vinger, om haar te
verzetten naar 'n andere buurt. Om dezelfde reden bemoei ik me niet
met Afrika. Onmogelyke plicht is géén plicht, en het jagen daarnaar
staat het vervullen van onze werkelyke plichten in den weg. Heb je
weleens op-school je les niet gekend?
--O, dikwyls! Maar in den laatsten tyd niet, omdat Femke...
--Laat Femke nu even rusten. Misschien zeg ik straks een woordjen over
haar. Toen je op-school je werk verzuimde, had je zeker aan wat anders
dan je lessen gedacht, aan dingen die niet voor-de-hand lagen. Dit
nu is de fout van veel jongeluî, en--word er niet boos om: ik was
ook zoo!--ze komt grootendeels voort uit luiheid. Het is gemakkelyker
zich te verbeelden dat men zweeft boven 'n berg die heel in de verte
ligt, dan in werkelykheid z'n voet optelichten om over 'n steentje
te stappen. Onder de millioenen zaken die je zoudt willen doen, zyn
er slechts weinigen die je zoudt kunnen doen. Bemoei ie voorloopig
alleen met die weinigen. Dàt is de weg om verder te komen. Vraag altyd
jezelf af: "wat wordt er op dit oogenblik van me gevorderd?" en gebruik
niet de ingenomenheid met het vermeend hoogere, als voorwendsel tot
verwaarloozing van wat je lager toeschynt. Je bent ontevreden met je
tegenwoordig standpunt? Wel, maak je 'n beter standpunt waard! Dit is
de manier om het te bereiken, en de eenige goede manier. Vraag jezelf
by elke gelegenheid af: wat is m'n naast-byliggende plicht? Kun je
me dit beloven?
Wouter gaf er de hand op.
--En je wou zoo graag meer weten? Ik ook, m'n jongen! Laat ons zien
wat er aan die kwaal te doen is. Wat u betreft, het ontbreekt je nu
zeer in 't byzonder aan de schoolkennis, waarin jongelieden van uw
leeftyd die in andere kringen werden opgevoed, je vooruit zyn. Dàt is
ligt intehalen, en we zullen er op terugkomen, maar... 't is op dit
oogenblik je naast-byliggende plicht niet! 't Beetje latyn dat onze
Willem verstaat, en waar je zoo jaloers op bent, is in 'n paar maanden
geleerd, vooral wanneer je je zult geoefend hebben in 't willen. Wat
zou 't nu helpen, nu? Wen je eerst dat zweven af, dan komt het latyn
vanzelf, en 't grieksch ook, en al de andere zaakjes waartegen je
nu zoo hoog opziet. Er zyn op dit oogenblik heel andere vyanden te
verslaan, dan de ridders uit je romans. Minacht de moeielykheden niet,
die je te bestryden hebt. Dit zou juist oorzaak kunnen worden van
'n treurige nederlaag. Je moet je denkvermogen leeren gebruiken naar
je eigen wil, en de verbeelding knotten die je anders over 't hoofd
groeien zou. Er zyn wysgeeren geweest, die beweerd hebben dat het
leven 'n droom is. Wat ze daarmee eigenlyk bedoelden, is me niet zeer
helder. Die uitspraak-zelf komt me droomerig voor. Misschien vergis
ik me hierin, doch wel durf ik met zekerheid zeggen dat droomen geen
leven is. Begryp je dit?
Wouter knikte toestemmend.
--De ware verhevenheid, ging Holsma voort, is dat men doet wat
men doen moet, zelfs 't geringe. Wat zou je zeggen van ridders die
zich op den kop lieten slaan door vagebonden, omdat hun riddereer
niet toeliet zulk kanalje ten-onder te brengen? Zou je dit niet
'n onbruikbare ridderschap vinden? Je gaat nu in den handel? Kom
my over 'n maand eens vertellen of je woord gehouden, en altyd je
naast-byliggende plicht vervuld hebt? Dan zullen we verder zien,
maar... dàt eerst! Zal je 't doen?
--O zeker, zeker! Maar... m'nheer, mag ik u nu vragen naar...
--Naar Femke? Wel, dat is 'n best meisjen, 'n heel braaf kind, en
'n nichtje van me.
--Maar hoe dan te begrypen wat ze daar kwam doen? En hoe ze...
--Die dame in de komedie was Femke niet. Dat was prinses Erika. We
wilden haar zien, omdat haar voorouders aan de onzen verwant
waren. Hierin is niets byzonders, kereltje!
--Een wezenlyke prinses?
--Ja, en Fem is 'n wezenlyk waschmeisje. We willen hopen dat die
Erika even degelyk van karakter is als zy. Maar, jongen, hecht
toch aan zulke dingen zoo'n gewicht niet. Men ziet dat afwyken
van familievertakkingen dagelyks. Of, al ziet men 't niet, het
is zoo. Er moet 'n tyd geweest zyn dat Erika's voorouders zich in
beestenvellen kleedden, en de mynen ook. De vraag is, of zy 't weet
dat ze hier te-lande stamverwanten heeft? Dat wy 't weten... nu ja, m'n
broer Sybrand schept genoegen in 't opsporen der overeenstemming van
schynbare tegenstellingen. Ook in taal... dit heb je by 't kippenhok
gehoord. Wel beschouwd, is de wereld veel kleiner dan je meent: alles
raakt elkaar! Wie weet of 't niet invloed heeft op de Geschiedenis,
dat je morgen by die heeren... hoe heeten ze ook?
--Ouwetyd en Kopperlith, m'nheer.
...dat je by de heeren Ouwetyd en Kopperlith den handel gaat
leeren. Welnu, wereldhistorisch of niet, doe daar je naast-byliggende
plicht! Dit is nu de ridderlyke taak die ik je opdraag... als je naar
me luisteren wilt. Zal je 't doen?
--Heusch, m'nheer! Maar... Femke?
--Daar heb je 't al! Ze heeft niets met je naast-byliggende plicht
te maken. De eenige dame die je voor 't oogenblik dienen moogt,
is... nu, wie?
--De... handel?
--Juist! Wil je nu volstrekt iets van Femke weten... welnu, zy zegt
ook dat je je niet met haar bemoeien moogt, en aan niets moet denken
dan aan je werk...
--O, ik zàl, ik zàl!
--Nog wel tien jaren lang.
--Tien jaren? Tien?
--Ja, zóó zei ze toen ik haar vertelde dat je nog zoo weinig wist,
en zoo weinig kon.
--Tien jaren?
--Nu ja, zóó zei ze. Misschien acht, of... twaalf, of... twintig, want
je begrypt wel dat men zoo-iets niet zoo héél nauwkeurig kan bepalen.
--Tien jaren?
--Zóó zei ze.
--Ik zàl!
--Heel goed, m'n jongen. 't Zal my genoegen doen, en... háár ook. Begin
er dus spoedig mee, en dring je niet op, dat het zoo byzonder moeielyk
is. Dat maakt zenuwachtig. Duizenden zyn voor tien jaar begonnen
met wat u morgen te doen staat, en... ze leven nog! Je ziet dus wel
dat het kàn. Bovendien, denk nu voorloopig maar alleen aan de eerste
maand. Zoo breek je den tyd. Over 'n week of vyf wacht ik je hier. Dan
zullen we verder zien.
Na nog eenmaal beloofd te hebben dat-i "alle gekheid" uit z'n
gedachten zetten wou, nam Wouter voor dien dag afscheid. Maar hy
bewaarde z'n rozeknopjes, al was 't hem niet helder of de vereering
van deze reliek--het eenige wat hem uit de afgeloopen driedaagsche
stormperiode overbleef--'n prinses gold, of 'n bleekmeisjen, of beiden,
of de kleine Sietske Holsma, of 't portret uit de zykamer, of z'n
ideaal dat hyzelf samentooverde door 't onwillekeurig ineensmelten
van al deze beelden tegelyk. Om zyn aan Holsma gegeven woord gestand
te doen, verbood hy zich alle onderzoek dienaangaande, en drong met
heldhaftigheid z'n aandoeningen terug. Het blyft de vraag, of-i
tot helderheid en zelfkennis zou geraakt zyn, wanneer hy hierin
niet geslaagd was? Wie zegt ons of niet misschien de indrukken die
hy meende te hebben opgevangen van buiten-af, de afspiegeling waren
van z'n eigen gemoed? Om dezen twyfel begrypelyk te vinden, heeft men
zich slechts aftevragen, of z'n fantazie werkeloos zou gebleven zyn,
indien hy al die voorwerpen niet ontmoet had? Ik acht deze opmerking
hierom niet zonder gewicht, wyl ik aan de gewaarwording die Wouter
beheerschte, nog altyd den naam van liefde niet geven durf. Dat een der
meest karakteristieke kenmerken van het beminnen, de zucht om goed te
zyn hem niet ontbrak, is waar. Doch deze neiging had zich reeds veel
vroeger in eigenaardige overdrevenheid by hem geopenbaard, waaruit
dan ook, lang voor hy Femken ontmoette, z'n overspannen eerzucht en
de daarby behoorende hoogmoed waren voortgesproten.
Onder de aandoeningen die hy na 't gesprek met Holsma moest
terugdringen, speelde de nieuwsgierigheid naar de oplossing der
verschillende wyzen waarop Femke zich aan hem vertoond had, maar
'n zeer ondergeschikte rol. Dit schynt te vreemder, omdat hy aan de
door Holsma gegeven verklaring geen geloof sloeg. Hy bleef er by,
dat het meisje in den schouwburg wel inderdaad de persoon was geweest
die men tot-nog-toe Femke genoemd had, en schreef Holsma's verzekering
óf aan dwaling toe, óf aan de zucht om hem tot kalmte te brengen. Hy
beweerde meer van dat meisje te weten dan den dokter kon bekend zyn,
die haar niet in die herberg gezien had! Dat ze zich kon voordoen
als prinses, kwam hem volstrekt niet vreemd voor. Het was eer te
verwonderen, meende hy, dat ze de goedheid had, zich nu-en-dan te
vertoonen als kindermeisjen of als dochter van 'n waschvrouw. Een
prinses? Wel mogelyk! Waarom niet? Dat meisjen op die tafel zou niet
Femke geweest zyn? Ook niet die verschyning in den schouwburg? Heel
natuurlyk, en geheel in overeenstemming met de hoogte waarop hy
altyd het voorgewende bleekmeisje geplaatst had? Als dat niet Femke
was, dan kon zeer goed het meisje dat hy tot nog toe Femke noemde,
eens-vooral prinses wezen. Deze verandering was zoo groot niet,
of liever... 't was er geen. Als 'n bliksem schoot hem nu ook de
indruk door de ziel, dien het schrikwekkend bellen van juffrouw Laps
dien vrydagavond op hem gemaakt had. Toen immers reeds vroeg hy zich
af, of daar misschien prinses Erika was, die kwam ruilen? Er bleek
nu, dat ze dit reeds voorlang gedaan had! Dat er in dit alles iets
geheimzinnigs lag, ontveinsde Wouter zich niet, maar dit geheimzinnige
kwam zoo juist overeen met z'n droomen en luchtbeelden, dat het hem
meer bevredigde dan ooit nuchtere waarheid zou hebben kunnen doen. Hy
was evenmin nieuwsgierig als de velen die na de lezing van Genesis,
nu eens-vooral meenen te weten: "waar alles vandaan gekomen is" en
geen lust hebben in 'n onderzoek dat hun die genoegelyke zekerwetery
zou kunnen kosten. Hierin zal dan ook wel de oorzaak liggen, dat voor
zekere gemoederen slechts de fabel 't kenmerk van de waarheid draagt.
Gelyk de Mensheid in voorhistorische tyden, was Wouter nog altyd
ontvankelyk voor 't buitengewone, voor 't wonderbare, voor 't
onrnogelyke. Wie hem verzekerd had dat Femke onderworpen was aan gewone
aandoeningen, zou niet zoo zeker op geloof hebben kunnen rekenen,
als de dichter die haar tot onderwerp had gekozen van de wildste
fantazie. Wanneer hy haar had te spreken gekregen, zou er aan ànderen
die 't onderhoud bywoonden, gebleken zyn dat zyzelf in dit opzicht
hooger stond, maar of 't hèm gebleken ware, blyft de vraag. Elke
uiting van haar eenvoudig gezond verstand zou hy hebben opgenomen
als neerbuiging om-zynentwil, als 'n poging om 'n taal te spreken die
verstaanbaar was voor... menschen of burgerjongetjes. "Ze houdt zich
zoo om my niet afteschrikken" zou hy dan gedacht hebben. Inhoeverre er
by dit alles invloed werd uitgeoefend door de byna geheel uitgewischte
herinnering aan de Fancy-verschyning, is moeielyk te bepalen. Wel
was de indruk daarvan niet meer te herkennen, doch misschien deden
zich nog altyd de gevolgen van dien indruk eenigszins gelden. Z'n
geest was eenmaal zekeren weg opgestuwd, en in deze richting ging
hy voort, al was dan ook 't punt van uitgang sedert lang uit het
oog verloren. Ook deze byzonderheid is op de Geschiedenis van 't
Menschdom ten-volle van toepassing. Wy werpen de fabels weg, waarmee
ons Geslacht in z'n kindsheid werd vermaakt, we schamen ons over
't geloof aan de spokery waarmee het bedrogen werd, maar... blyven
gebukt gaan onder de gevolgen der onnoozelheid van vorige geslachten.
Wouter vroeg niet meer: "zou zy 't zusje wezen, dat ik
zoek?" maar de behoefte aan ineensmelting met 'n wezen, dat hy
wilde toebehooren--in-verband altyd met z'n zucht naar kennis en
stryd--bleef bestaan. En alweder werkte de onbewustheid van deze
neiging bevredigend op z'n begeerte om de vele byzaken die hy niet
begreep, eens eindelyk opgehelderd te zien. In al het vreemde dat
hem de laatste dagen overkomen was, vond hy evenzeer aanleiding om
zich aftevragen: "wat wàs er toch?" als om zich toeteroepen: "zeker,
zeker, zóó is het! Juist wat ik altyd meende!" Dat mysterieuze-zelf
was juist de voldoening die hy zocht, en... dus nog altyd 'n blyk
van z'n onrypheid. Zyn aandoeningen waren hem als 'n bewogen water
waarin de onvolwassen ziel de Nixen ziet spelen, die ze zien wil, hoe
onbestemder van omtrek, hoe weifelender van lynen, hoe liever. Naar
juister teekening, naar meer duidelykheid, haakt die ziel niet... er
mocht eens blyken dat ze zich slechts gespiegeld had in de rimpeling
van den door haarzelf in roering gebrachten vloed!
Was Femke géén prinses? Was prinses Erika niet--uit weeldeliefhebbery
dan--'n waschmeisje? Eilieve, misschien ook was dat heerlyk standbeeld
op die tafel, noch de een noch de ander... 'n derde verschyning
dus! Drie? 't Is te weinig! Millioenen beelden van dien aard waren
niet te veel om, saamgevat in één totaal-gedachte, de begeerte te
bevredigen van 'n gemoed dat, slechts ontluikend nog, niet Femke
beminde, maar... de Liefde! Waarlyk, de knaap had nog veel te leeren,
en waarschynlyk waren op deze behoefte, de raadgevingen van z'n
menschkundigen vriend gegrond. Het schynt wel, dat Holsma inzag hoe
Wouter vóór alles moest kennismaken met het àllerlaagste, om allengs
opteklimmen tot de Poëzie der Werkelykheid die zooveel hooger staat
dan liefelyk-bontgekleurde--maar kinderachtige, onvoedzame en dus
verderfelyke--droomery!
Hoe dit zy, even als hyzelf, dalen we voor eenigen tyd naar
lager sferen. Het hoofdkwartier van de Mensheid is nu eenmaal
gelykvloers. Vandaar gaan wy altyd uit, dáárheen keeren wy altyd
terug. Het is al wel, wanneer we niet verleerd hebben van-tyd tot-tyd
ons te vermeien in wat vlucht. Hopen wy dat de lust en de kracht ons
niet begeven, die uitspanning te hervatten. Er bestaat dan tevens
kans, nader kennis te maken met prinses Erika, by welke gelegenheid
we misschien te weten komen dat aristokratie van verstand en hart niet
uitsluitend behoeft gezocht te worden in de... lagere standen, zooals
sommige romanschryvers--hofmakend aan 't gemeen--weleens voorgeven
te gelooven. Reeds nu durf ik verzekeren dat ze wel degelyk "van de
familie" was, en wel in veel hooger zin nog, dan oom Sybrand weten kon.
Voor 't ons vergund is nader kennis met haar te maken, hebben
we--precies weer als Wouter zelf--vervelender dingen te behandelen. Zóó
immers moet m'n geschiedenisje geschreven worden, op-straffe van niet
op 't leven te gelyken, wat 'n fout wezen zou, 'n groote fout... de
gewone!
Ochtendmymering. Iets over de beschavende strekking van onkreukbare
halsboorden. Non omnibus licet... zonder de minste toespeling
op Corinthe.
Fancy's luim had alzoo voor ditmaal uitgestormd. De serie van
byzonderheden was afgeloopen, en de lezer wordt nogmaals uitdrukkelyk
uitgenoodigd z'n verwachting op de leest van het dagelyksche te
schoeien.
De voor Wouter zoo belangryke maandag-morgen brak voor hem vroeger aan,
dan voor de meeste anderen. Niet omdat-i zooveel oostelyker woonde dan
't meerendeel van z'n medemenschen, maar uit onrust. Hy had weinig of
niet geslapen, en verliet z'n bedstee zoodra 't licht werd, drie volle
uren alzoo voor-i zich had aantemelden op 't kantoor van de heeren
Ouwetyd & Kopperlith. Wat z'n diligentie in dit opzicht aangaat kon dus
dokter Holsma die zoo byzonder had aangedrongen op belangstelling in
de plichten die onmiddellyk vóór hem lagen, met ter-zydestelling van
utopien en fantastische begeerten, volkomen tevreden zyn. Maar hyzelf
zag in, dat het vroeg opstaan alleen, niet veel beduidt. Hy moest ook,
en vooral, zich uitsluitend bezig-houden met het dagelyksche, maar
juist deze plicht viel hem zoo moeielyk. Gelyk te verwachten was,
voerde hy 'n zeer zwaren stryd tegen de byna onbedwingbare neiging
tot afdwalen. Niemand is beter in-staat dit te begrypen dan de lezer,
die na al 't vorige wel evenveel moeite hebben zal als Wouter-zelf,
om belangtestellen in 't kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith.
--Zeker, zeker, dacht hy--nu-en-dan overluid--ik zal braaf oppassen,
en terdeeg m'n best doen, en werken tot ik moê ben, en zorgen dat
ieder tevreden over my is, maar... zou ik nu daarom niet eerst Femke
eens mogen spreken? Zou dàt nu oorzaak kunnen zyn, dat ik m'n plicht
in den handel verwaarloosde? Mag ik haar niet gaan zeggen dat ik weet
waar ze m'n prent bewaart, en... wie zy eigenlyk is? En mag ik niet
vragen aan Vrouw Claus, wie haar in 't hoofd gezet heeft dat ik op 'n
paard reed? En dat ik 'n sabel op-zy had... 'n kleintje, zei ze. Nu,
klein of groot, ik wou dat het waar was, maar... hoe komt ze 'r aan?
En... dat Stakkervrouwtje?
En... dat portret!
Ik wil en zàl denken aan m'n werk, alleen aan m'n werk, en aan
de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Straks ga ik naar hun kantoor,
en zal daar mooi schryven, en goed rekenen, want... ik ken den
heelen "Strabbe" en moeielyker dan van Strabbe, zullen de sommen
op zoo'n kantoor toch wel niet wezen, denk ik. En al was dit zoo,
dan zal ik... neen, neen, moeielyker dan van Strabbe zyn de sommen
op zoo'n kantoor zeker niet! Zouden nu zulke heeren-zelf ook den
heelen Strabbe doorgewerkt hebben? Wie heeft hen daartoe aangespoord
toen ze jong waren. Dat ik de eerste ben geworden by Pennewip, heb ik
aan Femke te danken. Waarom toch vertelde zy aan haar moeder, dat ik
't knapste jongetje van de school was? Want dat was niet waar... o,
in lang niet! Later... ja, toen ik 't geworden was om haar pleizier
te doen. En nu zegt dokter Holsma dat ik veel te weinig weet, en pas
beginnen moet iets te leeren. En dat ik nog wel tien jaar lang, of
veel langer nog, aan niets mag denken dan aan m'n werk! Alle Grieken
zullen vermoord zyn, voor ik 'n wezenlyke man ben. En... Femke zal
trouwen met 'n matroos, of 'n timmerman, of... met 'n schipper die
'n bonte muts draagt, of... met 'n prins, als ze wil!
Die man scheen veel ontzag voor haar te hebben, en de ander ook. Och,
hoe prachtig stond zy op die tafel! Wie zou gedacht hebben, dat
ze zoo... grootsch was! Maar... wat kwam zy eigenlyk uitvoeren in
zoo'n drukte! Dat ze dapper was, wist ik wel, maar... zóó! En in
de komedie! Ik begryp heel goed, waarom de keizer haar groette. Hy
vond het zeker aardig, dat ze zoo durfde. In die heele Scylla was
niets dat uit de verte halen kon by háár. Dit zal de keizer ook wel
begrepen hebben, en dáárom heeft hy haar gegroet.
Zoodra ik heelemaal groot ben--ik meen: als ik den handel versta,
want daarop zal ik nu wezenlyk me allereerst toeleggen... dat zàl
ik!--nu, later dan, wil ik ook eens 'n treurspel maken, en zóó dat
ook de keizer er naar luistert, hy, de prinsessen, en 't Volk,
en allemaal! Ik zal er iets inbrengen van 'n geroofd schild, en
... Femke zal het terugbrengen ... zy, of ik, of ... wy samen. Ja,
zóó zal 't wezen, juist andersom dan in Scylla. En ik wou m'n stuk wat
minder laten rymen, want het klinkt alsof de menschen elkaar voor gek
houden. En ik heb duidelyk gemerkt dat ze soms heel wat anders zeggen
dan ze eigenlyk meenen, alleen om dat rym. En telkens wist ik wat er
volgen zou, want als de een wat zei van z'n hart, vertelde terstond
'n ander iets over z'n smart. 'n Enkele keer hindert het niet, maar
op-den-duur is 't heel vervelend. Dat zei dan ook die Focus: weerhou
die redenen, prinses, die my vervelen. Ik geloof niet dat 'n grieksche
held ooit zoo iets kan gezegd hebben, want al nam hy er geen genoegen
mee dat z'n beminde voor hem stierf--ik zou 't ook niet toestaan--dat
was geen reden om haar zoo onvriendelyk toetespreken. Misschien was
't weer om 't rym. Daarom zal ik niet rymen in m'n treurspel. Niet
altyd, tenminste. Als ik nu maar lang genoeg leef om zoo-iets te
mogen beproeven, en als zy maar niet vóór dien tyd ...
Sla neer dat oog dat my mezelf ontrooft,
My weglokt van de taak die op me rust.
Gy zweeft, en wenkt, en wyst op hooger doel,
En tracht me wegtestelen van m'n plicht ...
Ik mag niet, Femke! Ik smeek je, vlucht niet heen
Omdat ik altyd nog mezelf niet ben,
En niet mag luistren naar uw stem. Ik moet,
U ziende, blind zyn ... doof als gy me roept.
En stom, als 't hart me berst van drang tot uiting.
Want, Femke, ik ben een kleine jongen nog,
Die leeren moet, en leeren, altyd leeren,
En leeren, leeren, leeren, leeren, leeren ...
--Wat mankeert je, Wouter? vroeg Laurens. Zeg je versjes op?
--Hm ... ja ... zoo! Ik praatte met mezelf, antwoordde hy verlegen. Ik
was opgestaan omdat het zoo warm was in 't bed, en ... en ... dáár
sprak ik over!
Laurens sliep alweer, en Wouter voelde zich nog juist bytyds
gewaarschuwd dat-i weer bezig geweest was met het verbodene, met iets
anders dan de naastbyliggende werkelykheid. Zóó had de dokter gezegd!
En nogeens dwaalden z'n gedachten af. Die vreeselyke juffrouw
Laps! Nu, geen afwyking makkelyker te herstellen dan deze: hy waschte
zich. En daarna, om goed te doen blyken zeker van de oprechtheid zyner
schuldbelydenis, ging-i zitten bladeren in z'n Strabbe. Met dat boek
bracht-i de paar uren door, die hem nog scheidden van 't ontbyt.
Juffrouw Pieterse had het zeer druk met de wichtigheid van den dag,
en was mild in 't uitdeelen van lessen omtrent de manier waarop Wouter
zich in z'n nieuwe betrekking zou te gedragen hebben. Hy moest vooral
heel fatsoenlyk wezen, en door z'n gedrag de heeren opwekken tot
het besef der goede hoedanigheden van z'n moeder. Ook was 't niet
kwaad hun meetedeelen dat-i by de Holsma's op den Kolveniersburgwal
gelogeerd had, en dat de schoenen van z'n vader ...
--Ja, moeder, zei Stoffel. En hy moet vooral precies op z'n tyd op
't kantoor wezen. Daar houden zulke menschen van.
--Juist! Altyd precies op je tyd, want daar houden ze van. En als
ze je-n-iets vragen, dan moet je maar risseluut antwoorden, heel
risseluut. En kyk niet telkens zoo scheef-uit, dat verfrommelt je
boordje, en dat stáát niet voor 'n jongen die al op 'n kantoor is.
Dat boordje--amsterdamismus voor: halskraag--had 'n groote rol
gespeeld in de voorbereidingen tot de geschiedenis van dezen dag. De
belangstellende lezer herinnert zich zeker 't jukkraagje, waaronder
Wouter gebukt ging toen we 't eerst kennis met hem maakten in de
Hartenstraat. Door 'n verdrietige gaping in m'n archief--daarvan
zullen zich méér sporen vertoonen, helaas!--ben ik niet in-staat
met juistheid al de overgangen te schetsen, die in dit opzicht de
toenmalige periode scheidden van de tegenwoordige, doch wel weet ik
dat de opstaande boordjes die Wouter vandaag zouden begeleiden naar
"den handel" 'n zeer voornaam bestanddeel uitmaakten der fondamenten
van juffrouw Pietersen's hoop. En ook Wouter-zelf dacht niet gering
over deze verandering. De twee plankstyve linnen lappen die z'n wangen
bedykten, maakten op hem 'n dubbelen indruk. Eerst en voornamelyk
dien van 'n toga virilis. Vervolgens 'n paar roode streepen, die den
weg wezen van z'n mondhoeken naar z'n ooren. Hy was er grootsch op,
en reeds hierom alleen zoud-i zoo graag Femke ontmoet hebben. Wie
styf-overeindstaande halsboorden draagt, is geen kind, en niemand
zou dit beter inzien dan iemand die voor bleekmeisje fungeerde,
en dus beroepshalve gewoon was met zulke onderscheidingsteekenen
omtegaan. Maar dat deze roemryke blyken van volwassenheid 'n lastige
keerzy hadden, is ook waar. Wouter moest voortdurend recht voor zich
uit zien om z'n pronk niet te bederven. Hy voelde dat dit hem 'n zot
voorkomen gaf, en de neiging meedeelde om te spreken als Stoffel, maar
't was juist dit gemaakte, dit onnatuurlyke, waarmee hy, volgens de
niet geheel onjuiste menschkundige berekening zyner moeder, de gunst
moest winnen van z'n nieuwe chefs. Dus:
--Draai toch in-godsnaam je hoofd niet zoo telkens rechts en links,
'n Mensen moet vóór zich kyken. Je kunt er vast op aan, dat zulke
heeren van deftigheid houden. Je moet je nu met je nieuwe boordjes--'t
zyn ouwe van Stoffel, maar dat doet er nu niet toe, wat zeg jy,
Trui?--je moet je niet aanstellen als 'n wilde.
Van wildheid was geen spraak, toen Wouter 'n kwartiertje na deze
laatste vermaning, allerbeschaafdst aanbelde aan zeker huis op
de Keizersgracht, dat met den naam Kopperlith gemerkt was. Doch,
helaas, 't scheen wel of reeds z'n eerste aanraking met die firma 'n
misgreep wezen moest. Twee toegangen boden zich--niet zeer oprecht
uitlokkend, maar bruikbaar toch--den bezoeker aan. Een dubbele
glasdeur vertoonde zich op de laagte, of zelfs ten-halve beneden
de laagte, van de straat, doch daar-naast gaf 'n "opgaande stoep"
gelegenheid om doortedringen tot 'n soort van bel-étage. Wouter,
vol fatsoensbejag, vond den laatsten weg 't geschiktste, en met niet
zeer flink gestrekte knieën besteeg hy de acht of tien trappen. Op
't bordes aangeland, trok hy zoo zacht mogelyk aan de bel: men
mocht het eens hooren! Onwillekeurig, en byna met schrik, ontwaarde
hy door 't venster van de "zykamer" het gelaat eener bejaarde
dame, dat zonder de geringste uitdrukking van welwillendheid z'n
figuurtje scheen te monsteren. 't Scheen wel dat ze hem de stoep
wou afkyken. Wouter had er 'n pynlyk gevoel van, en maakte zich zoo
klein mogelyk. 't Is niet ieder gegeven, en vooral niet iemand die
z'n eerste opstaande halsboorden torscht, zonder angst, op de stoep
te staan van 'n huis op de Keizersgracht! Met genoegen ware onze held
hard weggeloopen, maar... wat dàn? Bovendien, hy had geen militairen
rang, en moest dus stáán blyven onder bereik van 't geschut uit die
zykamer. Het... vrouwspersoon bleef hem aanzien met een vinnigen blik,
en scheen maar niet te kunnen verdragen dat er iemand aanklopte aan
háár paleis. De martelende inspektie duurde lang, zóó lang dat Wouter
ernstig begon te denken, óf aan den aftocht, óf aan 't herhalen van z'n
klinkende aanmelding. Maar ook tot deze beide uitersten was 'n moed
noodig van heel andere soort dan-i... misschien eenmaal hebben zou,
doch gewis op dit oogenblik evenmin bezat als de vereischte. Wat baatte
hem nu Holsma's heerlyk voorschrift om altyd flink z'n naastbyliggenden
plicht te doen? Wat viel er nu te leeren? Wat kon-i arbeiden op die
stoep? In 's hemelsnaam: hy wachtte!
Lezers, die omgegaan hebben met goden, keizers, prinsen en mannen en
place, weten waarschynlyk dat iemand die zich respekteert, moeielyk te
genaken is. De bewoners van de amsterdamsche Keizersgracht respekteeren
zich zeer, waarin ik dan ook 't heel eenig kenmerk vind, dat hen
uit de verte op goden doet gelyken, zonder nu juist te beweren dat
ze zich aan den anderen kant te-buiten gaan aan humaniteit. Wat
overigens dat respekt aangaat, ze hebben eigenaardige manieren
om ook anderen daarmee aantesteken, en wie niet op z'n hoede is,
wordt er ziek van. Achtenswaardige oude schryvers, die de Natuurlyke
Historie der Kleinstädterei tot onderwerp van hun studien kozen,
verzekeren dat de dienstboden in bedoelden kring worden afgericht op
't inboezemen van ontzag aan bezoekers: ze laten de ongelukkigen die
door 'n gram noodlot veroordeeld werden zich daaraan bloottestellen,
zeer lang wachten op 't openen van de huisdeur. Het schynt dat de
ad hoc dienstdoende keukenmeid, door een tot de uiterste grenzen der
mogelykheid gerekt dralen, den bezoeker in den waan moet brengen, òf
dat het huis zoo byzonder groot is, of dat haar bezigheden onafbrekelyk
zyn omdat ze zoo byzonder veel te koken heeft. Bedoelde auteurs
schryven dezen diepzinnigen gedragsregel op rekening van zekere jacht
naar aanzienlykheid. God-bewaarme dat ik die jacht loochenen zou,
maar de aanzienlykheid draagt in myn mond 'n heel anderen naam. Ze
komt my--met het oog op de van dit woord in m'n vorigen bundel gegeven
definitie--ploertig voor. En aan zulke ploertery is nu ons Woutertje
voorloopig overgeleverd. Hy wachtte met heldhaftig geduld. Heel
eindelyk werd de deur door 'n vry onoogelyk vrouwspersoon geopend,
doch maar heel even, en niet verder dan volstrekt noodig was om
Wouter toetesnauwen:
--Wat mòtje? Mot je by mefrôô weesse? Wa's je booschap? Je skelt
huis, jonge! Ik ken niet f'r jou plessier den heelen dag de skel
naloope. Waarom skel je huis?
By mevrouw? O neen, gewis niet! Wouter dacht niet aan mevrouwen. Maar:
"je skelt huis"... wat is dàt?
--Of skel je keuke?
Deze tweede vraag gaf licht. Wouter bemerkte nu dat er twee
belknoppen uit de deurpost staken, en dat ze onderscheiden waren
door de benamingen "keuken" en "huis." Wie groente, vleesch,
boter, of melk kwamen brengen, moest zich melden door middel van de
keukenbel. En alleen bezoekers die aanspraak konden maken op toegang
tot het salon--'n ding dat er in zekeren zin niet was, gelyk we zien
zullen--mochten zich aanmatigen de zeer pretentieuze huisschel in
beweging te brengen. Wouter die noch viktualie kwam brengen, noch
z'n opwachting maken wilde aan "mevrouw"--zou zy 't wezen, die zoo
onlieftallig door 't venster van de zykamer gegluurd had?--Wouter
erkende stamelend dat-i zich vergist had, en niet wist waar-i wezen
moest. Juist wilde hy zeggen dat-i... de jongeheer Pieterse was,
toen de meid, die zich volstrekt niet nieuwsgierig toonde naar z'n
identiteit, hem de deur voor den neus dichtsmeet.
Door m'n al te vurig dichterlyk genie heb ik me daar laten verlokken
tot 'n overdryving die zeer te betreuren is. Herhaaldelyk sprak
ik van 'n deur, en... die geopend. Een klein beetje maar, heel
eventjes, zoo ongastvry mogelyk, maar geopend toch! dit nu was
de waarheid, maar... een deur? Vervloekte hyperbolen: 't was 'n
halve! De huisdeur waarachter 'n rechtgeaard Amsterdammer z'n vrouw,
z'n effekten en z'n schimmelig patriciaat verbergt, is halverhoogte
in tweeën geknipt. De bezoeker moet eerst deugdelyk gerekognosceerd
zyn, voor men hem door 't openen van de onderste helft, den toegang
vry laat. De zeer letterlyk-exklusieve strekking dezer byzonderheid
ligt alzoo voor-de-hand, en wordt duidelyker nog, wanneer men ze
in-verband brengt met de tallooze hekjes en afsluitingen die elken
voorbyganger schynen toeteroepen: "myn huis, je komt er niet in!" En
nog zyn er gevoellooze bedillers, die 't den Amsterdammer van zulk
gehalte kwalyk nemen dat-i, by zoo'n benauwde levensopvatting in den
regel 'n dom schepsel blyft! Die onbillykheid is niet uittestaan.
En nog altyd spionneerde die leelyke dikke dame door 't venster
van de zykamer. 't Kwam Wouter voor, dat zy iets hem betreffende
meedeelde aan iemand die in haar gezelschap was. Een heer van minder
dan middelbaren leeftyd, boog over haar heen naar 't venster, en wenkte
Wouter met niet zeer vriendelyk gebaar, dat-i de stoep verlaten, en
beneden aanschellen zou. Goddank, nu wist onze kandidaat-handelsman
ten-minste iets. Allerbeleefdst nam-i z'n hoed af, en schoof
blootshoofds eenigszins bukkend dat dreigende venster voorby, en de
stoep af. Inderdaad, beneden by de dubbele glasdeur was ook 'n bel,
en daarnaast las hy 't woord: magazyn.
Hier zal ik moeten wezen, dacht hy. Kantoor en magazyn zal wel zoo
omstreeks 'tzelfde zyn. En hy belde.
De persoon die belast was met het "naloopen" van deze schel, zou alweer
zeer gevoegelyk kunnen doorgaan voor 'n kurator of superintendent
van 't respekt. Hy gaf Wouter veel tyd tot meditatie, vooral over
den tekst hoe moeielyk het is integaan tot den huize Kopperlith. Of
onze expektant-handelsridder behoorlyk gebruik maakte van de zoo
gul aangeboden gelegenheid tot ontwikkeling van z'n denkvermogen,
is te betwyfelen. Bovendien, hy werd gestoord. Men tikte--en op den
klank af geoordeeld, eenigszins toornig--tegen 'n glasruit van de
zykamer. Wouter stapte een tred achteruit, en zag naar boven. De
m'nheer van zoo-even beduidde hem met driftige bewegingen, dat-i
nogeens moest aanbellen, en wat harder. Wouter bedankte door
het afnemen van z'n hoed--had niet z'n moeder hem vóór alles,
fatsoenlykheid aangeprezen?--en hy waagde nu 'n harder trekje, dat
nog al tyd niet terstond door 't openen van de deur gevolgd werd. Het
scheen wel dat de Cerberus van 't "magazyn" 'n zeer hoog denkbeeld
koesterde van 't respekt dat de heeren Ouwetyd & Kopperlith noodig
hadden. De man overdreef z'n yver. Dit begon zelfs de heer in de
zykamer intezien, die alweer tikte, en wenkte: "schel nògeens voor den
drommel!" met 'n uitdrukking alsof Wouter 't helpen kon dat er niemand
kwam. Hy voelde heel duidelyk hoe de ware fatsoenlykheid voorschreef,
vergeving te vragen dat men hem zoolang wachten liet.
Intusschen gluurde hy door de glasdeur, en wierp nieuwsgierige blikken
in 't "magazyn." Het was een van die lokalen welker afmetingen
men gewoon is uittedrukken door de dichterlyke vergelyking met
'n pypelâ. Eenigszins in afwyking van de bekende omschryving in de
meetkunst, verheugde zich de hier bedoelde ruimte in de eigenschappen
van lengte, breedte en... laagte. De breedte was met die van 't
huis gelyk. De lengte werd aan de voorzy begrensd door de reeds
bekende glasdeuren, die in haar poging om wat licht doortelaten,
werden bygestaan door 't schuins hoekje venster dat z'n hypothenuze
gemeen had met de stoep, en bovendien door 'n ander raampje dat aan
de vóórzy van die stoep aan de straat uitkwam. Het hokje dat door dit
venstertje z'n licht ontving, heette "het kantoortje" in tegenstelling
van 't "kantoor" dat we straks zullen te zien krygen. Wat overigens
de "laagte" van 't magazyn aangaat, deze benaming is zoowel gegrond
op de zeer geringe afmeting van den opstand, als op 't peil van den
vloer. Een volwassen man kon met z'n opgeheven hand de zoldering
bereiken, en de bodem lag 'n voet of drie beneden den beganen
grond. Hy verhief zich niet verder boven de riolen die in de gracht
uitliepen, dan juist voor de bewoners noodig was om niet te worden
meeweggespoeld met de vuiligheid. Wat de verlichting aangaat, men
begrypt dat het weinige glaswerk aan de voorzy, niet àl 't werk alleen
kon doen. Ongeveer op één derde van de lengte, hield het binnenkruipend
licht op. Wie evenwel scherp van gezicht en rechtvaardig was, moest
erkennen dat-i, heenborende door de duisternis van 't midden, vry
duidelyk kon bemerken dat de bouwmeester gepoogd had ook aan den
achterkant iets te laten binnendringen dat naar vermindering van
duisternis geleek. Daar namelyk was door vriendelyke bemiddeling
van 'n boven de zoldering van 't magazyn gelegen binnenplaatsje,
iets te zien dat niet volstrekt zwart kon genoemd worden. Hoe de
venstersoort heette, die dit wonder te-weeg bracht, weet ik niet
recht. Een lantaarn, of 'n koek-koek, of zoo-iets. Er is altyd wat
armoedigs in zulke bouwkunstige meesterstukken. Ze geven getuigenis
van bekrompenheid--in alle beteekenissen!
Voor-zoover Wouter's blikken in 't magazyn konden doordringen, bemerkte
hy dat de langsche, middelruimte was ingenomen door 'n breede tafel,
waarop stapels lynwaad gerangschikt lagen. Ook rechts en links langs
de muren waren zulke koopmanschappen opgestapeld, zoodat slechts 'n
nauwe doorgang aan weerszyden van die lange tafel overbleef. Alleen
aan 't vooreind, tusschen 't "kantoortjen" en de glasdeur, was eenige
ruimte overgelaten, waar 'n meubel op schragen stond, dat hy later
leerde kennen en waardeeren als "de paktafel."
Waarlyk, er begon kans te komen, dat de deur tenlaatste zou geopend
worden. Dat Wouter eindelyk in een der gangetjes iemand naderen
zag, zou wat veel beweerd zyn, en alweer aan sommige kunstrechters
die in polemiek op hun gemak gesteld zyn, gelegenheid geven tot de
bakerlyke aanklacht van overdryving. Neen, Wouter zag niets in die
duisternis, maar wel kwam 't hem voor, dat de duisternis zelf zich
begon te bewegen. Er schoof iets zwarts over den zwarten grond. En
dat zwarte werd--zonder overyling altyd--wat bruiner en gryzer
en lichter ... waarachtig, er naderde een menschelyk wezen. Heel
natuurlyk. Gerrit Sloos kwam de deur openen, en beslofte reeds de
ruimte naast de paktafel. Nog één sekonde, en de slotbrug van het
tooverkasteel zou worden opgehaald. Wat vreemds lag daarin? Voor u en
my niets, lezer, maar Wouter was aan 't versteenen geraakt, en stond
op het punt vasttegroeien in z'n wachtstemming. Alle verwondering over
de moeielykheid om in dat heiligdom doortedringen, was zoo volslagen
geweken, dat hy, nu de deur eindelyk geopend werd, zich niet kon
onthouden van eenige verbazing over het tegendeel. 't Scheelde weinig
of hy had aan Gerrit Sloos gevraagd, of-i zich ook vergiste? In-plaats
daarvan echter, nam hy--voor de hoeveelste maal nu reeds!--z'n hoedjen
af, en Gerrit keek vragend tot hem op. Wouter stotterde iets.
--Ben jy Pieterse, de jongeheer die hier op 't kantoor komen zou?
--J...a...a, m'nheer!
--Zoo? Je hoeft geen m'nheer tegen me te zeggen. Ik hiet Gerrit
... Gerrit Sloos, weetje. Eigenlyk is m'n naam Schlossmann, maar och
... wat heeft 'n mensch aan die moffekuren, niet waar? Daarom zeg ik
maar Sloos, en zoo teeken ik ook, want ... ik ben de knecht, weetje,
de kantoorknecht. Kom maar in!
Wouter daalde de drie trappen af, die toegang verleenden naar
het hol. Z'n eerste beweging, toen-i naast de paktafel stond,
was 'n onwillekeurige greep naar z'n neus. Want ... de stank was
onverdragelyk.
--O né, zei Gerrit, als antwoordende op dit welsprekend gebaar. Dat
reukjen is niet van 't magazyn--ik zeg maar kelder, weetje, want zoo
zeien we vroeger toen de ouweheer-zelf nog meedeed--die lucht is van
den kelder niet, maar van de riolen, weetje!
Zoo troost een edle ziel haar deelgenoot in 't lyden!
--O zoo, zei Wouter, alsof deze opmerking de pestlucht veranderde in
'n geur. O ... zoo!
--Ja, van de riolen. Daarom ook staat al dat goed daar tegen den muur
op planken, zieje. Als 't den grond raakte, zou 't verrotten. Kom
mee naar 't kantoor. Maar je komt veel te vroeg, want we benne-n-in
den komkommertyd. Dan is er niet veel te doen, dat begryp je-n-ook
wel. Maar hoor eens, je mot niet vóór schellen, aan den kelder--de
jongeheeren zeggen tegenwoordig: magazyn... fransche wind allemaal
... 'n engelsche notting, weetje! Nou, ze hebben 't van dien mallen
Wullekes!--je mot het kantoor ingaan in de Vellestraat. Ik zal 't je
wyzen. Voor vandaag komt het er nou niet op aan, omdat het de eerste
keer is, en omdat je 't niet weet. Je ziet, ik heb je opengedaan ...
Gelukkig!
... maar anders, weetje, wie op 't kantoor wezen mot, komt in door
de Vellestraat. 't Is heel makkelyk te vinden ... als je-n-'t maar
eens weet. En daarom zal ik 't je wyzen. Kom maar mee. Maar zet
je hoedjen op. Je hoeft tegen my zoo beleefd niet te wezen, want
ik ben de knecht maar, weetje. De heeren komen straks, zoo tegen
negenen. 't Is komkommertyd, moet je denken. En daarom heb je zoo
lang gewacht voor ik je opendeed. Want ik zat in de keuken, en ik
zei tegen de meid dat zy zou opendoen--in de bovengang, weetje--want
dat het zeker 'n nieuwe aschkarreman was, die nog niet wist waar-i
schellen moest. Maar ze wou niet--'n lui beest is ze!--en ik zei:
't gaat my niet aan, want we benne-n-in den komkommertyd, en dan
wordt er zoo vroeg niet aan den kelder gescheld door iemand die de
zaken kent. Dat zal jyzelf ook wel te zien krygen, als je hier 'n
tydje geweest bent. Weetje hoe lang ik hier al dien?
Wouter klaagde zich aan van verzuim. Hoe drommel kon-i zich veroorloven
niet te weten hoe lang Gerrit Sloos reeds in dienst was van Ouwetyd &
Kopperlith? De booswicht stamelde vol schuldbesef dat-i 't niet wist.
--Nou, raad eens!
Elk ander zou 'n cyfer genoemd hebben. Wouter was te stipt, te vol
geweten, om aan zeker getal jaren de voorkeur te geven boven 'n ander
getal. Waarom twintig? Waarom dertig? Waarom meer of minder? Hy bleef
er by dat-i 't "heusch" niet wist, en ook geen kans zag het te raden.
--Zoo? Nou, dan zal ik 't je zeggen. Verléje Pinkster was 't
drie-en-veertig jaar. Wat zeg je dáárvan?
--Hè!
--Ja, 't is 'n lange tyd, niet waar? Als je 'r vóór staat, denk je dat
het wat is. En als 't voorby is ... weet je wat het dan is? Niemendal
... 'n engelsche notting! Dat zal je zien, als je-n-'n ouwe kerel
wordt, want nu ben je maar 'n jong borssie. 't Zal me benieuwen of
je-u-'t zult kunnen vinden met Wullekes, met m'nheer Wullekes. Want
tegen hem moet je "m'nheer" zeggen, schoon ik 'm gekend heb zoo kaal
als 'n luis. Toen had-i geen nagels om met permissie ... z'n neus
te snuiten, en hy liep me na als 't horloge van 'n trekschipper die
'n ouwe juffrouw ziet aankomen. Maar nou ... wind, wind, allemaal
wind! En wat is 't? 'n engelsche notting! En z'n vrouw--ook 'n gekkin
van de bovenste plank!--praat altyd over prinsessen die ze-n-eens
gezien heeft. Né, die Wullekes ... wie 'm kent, koopt 'm niet! Nou,
je zal 't zelf zien en ondervinden, als ie tyd van leven hebt. Ieder
moet maar altyd z'n eigen weg gaan, en dat doe-n-ik dan ook. Maar
die Wullekes ...
Kyk, hier is 't. Tusschen de olievaten moet je door--'t is hier altyd
even smerig, dat komt van 't lekken, want die vaten lekken altyd--maar
eerst moet je door de stokvischbeukery, en als je dat doet. kom je
vanzelf op 't kantoor.
Wanneer Gerrit Sloos met dit "vanzelf" bedoelde: gemakkelyk,
geleidelyk, zonder omslag, en wat men zou kunnen noemen: op 'n
niet onprettige manier ... 't zy zoo! Over den smaak valt niet te
twisten. Gerrit zal 't maar zoo by-wyze van spreken gezegd hebben.
Onder 't luisteren naar al deze mededeelingen, had Wouter den
half-onderaardschen weg afgelegd, die van de Keizersgracht naar de
dwarsstraat leidde, waar inen den ingang tot het kantoor van de heeren
Ouwetyd & Kopperlith te zoeken had. Hy prentte die stokvischbeukery en
de gang naast het oliepakhuis diep in z'n geheugen, om zeker te zyn
dat-i nooit weer zou worden overgeleverd aan de spitsroeden die hem
zoo hadden gepynigd aan den voorkant van 't huis. Dat die verheven
stokvisch-industrie en dat oliepakhuis, niets te maken hadden met de
"zaak" waarin Wouter leerling werd, zal de lezer wel begrypen. Er
lag op dat terrein 'n servituut van doorgang, en de stokvischbeuker
moest gedoogen dat er op de deurpost van z'n lokaal 'n ovaal bordje
pronkte met het opschrift: "Ingang naar 't kantoor van Ouwetyd &
Kopperlith." Ook de olieman mocht den doortocht niet versperren,
doch hy nam z'n verplichting zoo nauw op, dat men er gewoonlyk
niet dóór kon zonder 'n paar smeervlekken meetenemen. Juffrouw
Pieterse heeft daarover vaak gekeven, ook Wouter-zelf vond het heel
onaangenaam. Maar... had-i zich dan voorgesteld, met de wereld in
aanraking te kunnen komen zònder bezoedeling? Beste jongen, dat
gaat niet!
Wacht-oefeningen, als geschikte objektieven voor 'n
fotografie-kastje. Nieuwe portretten. Hoestende intree in de
handelswereld. Multa tulit!
By 't nalezen der laatste helft van 't vorig hoofdstuk, bemerk ik,
'n gedeelte van den weg die van de Vellestraat naar 't "kantoor"
leidde, te hebben overgeslagen. Na 't voorbyworstelen van de
glimmende olievaten, moest men de gang door, langs een achterhuis
van 'n paar verdiepingen hoog, en eindelyk de binnenplaats over,
waarop 't kantoor "uitzag." De lezer die op nauwkeurigheid gesteld
is--anderen zyn me onverschillig--wordt gewaarschuwd deze binnenplaats
niet te verwarren met het plaatsje dat zoo edelmoedig wat licht
meedeelde aan 't magazyn. Tusschen die beide "open-luchtjes" in,
lag 'n groot gedeelte van 't huis, dat lang, smal en hoog was. Na
de ontdekkingsreis geleidde Gerrit onzen Wouter naar 't kantoor,
wees hem daar 'n tabouret aan, en gaf hem den raad te wachten tot
"de heeren" zouden komen. En, zei de man:
--Dat zal nog wel 'n uurtje duren, want we zyn in den komkommertyd. En
ik ga m'n kommetje koffi drinken in de keuken. 't Ga je goed, zoolang.
Wouter dreef inderdaad de onbescheidenheid zoo ver, dat-i den tabouret
opklauterde, die hem aangewezen was. En hy peinsde.
De voorwerpen die z'n aandacht tot zich trokken, waren niet zeer
geschikt om z'n stemming byzonder vroolyk te maken. Het uizicht door de
twee verweerde vensters op de binnenplaats en 't achterhuis, was--op
't verschil in warmtegraad na--nova-zemblisch:
Een eeuwig grauwe lucht hangt loodzwaar op de ... wanden.
Hier houdt geen sterfling 't uit. Hier komt geen Noorman landen.
Geen andre plek op aard, hoe karig ook bedeeld,
Is zoo ellendig naakt, zoo arm aan groei en teelt!
Meent men dat Tollens ooit die schoone regels had kunnen schryven,
als-i niet door z'n vader was "gedaan" op 'n kantoor in verfwaren? Waar
anders ving z'n oog zulke tinten op van iets droevigs, van 't enge,
benepene, barre, kille? Meent men misschien dat er in 't hooge
Noorden-zelf iets te aanschouwen valt, dat in zielstremmenden invloed
halen kan by zoo'n verblyf? De oude heer Tollens heeft wel geweten
wat-i deed, en 't is waarlyk te verwonderen, dat zyn zoo wèl op z'n
plaats gezette zoon het aanzyn heeft gegeven aan prullen ook. Misschien
werd-i bedorven door 'n bloempotjen op z'n binnenplaats.
Zoo verraderlyk handelde het lot omtrent Wouter niet. Geen enkel
voorwerp trok z'n oogen tot zich, dat hem 'n voorwendsel aan de hand
deed om iets anders te denken dan: "in den handel, in den handel,
ik ben hier in den handel!"
Van-tyd tot-tyd verwaardigde zich een der dienstboden in de keuken,
naast de onderaardsche gang die naar 't magazyn liep, eenig geruisch te
maken. En telkens liet dan Wouter zich afglyden van z'n krukjen, om al
wat er zou binnentreden, met de noodige beleefdheid te groeten. Maar er
kwam niemand, en Wouter besteeg z'n troontje weer. Toch zorgde hy z'n
hoed in de hand te houden, om terstond gereed te zyn tot het aannemen
van 'n groetende pozitie, àls er eens tenlaatste in die onbehagelyke
eenzaamheid iemand te voorschyn kwam. Op den greenenhouten vloer
bemerkte hy indrukken van voetstappen. Dáár glinsterde de gepolyste
moet van 'n rechts-om-keert-beschryvenden hak ... hoe heette ook de
man dien-i had hooren noemen by de Holsma's, de man op dat eiland,
die zoo verschrikte by 't ontwaren van menschelyke voetstappen? Och,
in deze wildernis ...
Aan den wand hingen hier-en-daar bundels papieren, onder bescherming
van kartonnen bladen die allerlei opschriften droegen, welke Wouter
verlegen maakten. Daar waren Cognossementen, Fakturen, Vrachtbrieven,
en zelfs: Diverse Nota's. En die opschriften waren omgeven van 'n
gekoperdrukten rand vol bloemen, rankwerk, hoornen van overvloed en
allerlei krullen, welk bywerk beheerscht werd door 'n spiernaakten
Merkurius, die op wolken zat, en heel pedant neerkeek op de epigrafen
en de weelderige arabesken aan den rand. De wolken waren gemerkt O &
K, No ... later in te vullen by eventueel gebruik.
--Dat is de god des Koophandels, dacht Wouter. Zou nu zoo'n god ook
begonnen zyn met leerlingetjen op 'n kantoor te worden? Hoe leî
men het toch aan in 't oude Griekenland, om iets te worden in de
wereld? O, ik weet wel dat die fabelleer gekheid is, maar de luî die
zulke geschiedenissen uitdachten, moeten zich toch 'n voorstelling
gemaakt hbben van 't begin der zaken. Van wie had die Merkurius
rekenen geleerd? Dáármee toch moet men aanvangen. Ik zal goed oppassen
... kapitaal staat tot kapitaal, gelyk interest tot interest ... dàt
geeft dàt, wat geeft dàt? En dan vermenigvuldigen. En dan deelen met
het voorste. En als er breuken zyn ... lastig is 't, nu ja, maar
ik zoek den algemeenen noemer. Ja, ja, ik zal goed m'n best doen,
zooals de dokter gezegd heeft ...
Daar werd weer gestommeld in de gang. Misschien zette een der meiden
'n "luiwagen" buiten de keuken. Of ze smeet 'n "varken" de deur uit ...
Wouter zette zich in postuur voor dien luiwagen, en voor dat varken, en
voor de meid die er over baasde. Helaas, nog altyd kwam er niemand. Hy
had nog niets "in den handel" verricht, nog geen enkele evenredigheid
opgelost, geen noemer bruikbaar gemaakt voor 'n heel ristje breuken
tegelyk, en toch ... hy was vermoeid! De klok sloeg al, of pas,
negen. "Reeds" voor iemand die sedert vyf uren worstelde met z'n
gedachten. "Pas" negen uur, voor 'n werkmannetje dat zoo graag wou
uitmunten, èn nu al vóór 't aanvangen van den arbeid, zich geknakt
voelde door uitgeputheid. Wouter onderging hiervan den onbewusten
indruk, en werd bitter verdrietig. Beheerscht door 't denkbeeld dat z'n
voornaamste werk in rekenen zou bestaan, angstig dat-i niet voldoen
zou--'t was niet te veronderstellen dat zulke aanzienlyke menschen
zich zouden ophouden met makkelyke "sommen"--legde hy zichzelf 'n
tentamen op, en werd weldra zoo suf, dat-i zich herhaaldelyk betrapte
op: zes maal acht is ... drie en 'n kwart, of ... niemendal. "O God,
o God, waar moet het heen, zuchtte hy, met ... den handel!"
Elken keer dat een der beelden die 'n rol hadden gespeeld in
de laatstverloopen dagen van z'n leven, zich aan zyn verbeelding
vertoonde, joeg hy het driftig weg. Niet Laps alleen, noch Gooremest,
noch de goede Vrouw Claus ... hy bloosde, en keek Merkurius aan,
die ... ook geen kleeren aan 't lyf had. Wèl ... gekleed of niet,
hy wou er niet van weten. Hy zat daar niet op dat hooge stoeltjen
om aan mythologie te denken, noch aan pudeur, noch aan dat bad by de
put! Weg met dat alles: hy moest in den handel! En, wel beschouwd, hy
wàs er al in. Bevond hy zich niet op 't kantoor van de heeren Ouwetyd
& Kopperlith? Zoud-i niet straks, dienzelfden dag nog, en binnen 'n
kwartier misschien, gereed moeten zyn tot antwoorden op de moeielykste
vragen? Op vragen die den groote Strabbe-zelf in verlegenheid konden
brengen? Och, waarom had Femke hem niet aangeraden de knapste te worden
van de heele wereld? 't Was immers dan in één moeite doorgegaan? Dan
zoud-i nu niet angstig behoeven te zyn, en niet beschroomd ... noch
tegenover Merkurius, noch zelfs voor de vreeselyke heeren Kopperlith!
Ja, ja, Femke had méér van hem moeten vorderen! Haar eisch was
kinderachtig. Wat had nu, wel beschouwd, haar advies hem gebaat? Hy
was juist, of ter-nauwernood, 'n klein weinigje bekwamer maar dan
Slachterskeesjen, en ieder weet toch dat dit niet voldoende is in de
wereld, om god des Koophandels te worden, veel minder nog om 't te
brengen tot "patroon" van 'n amsterdamsch "huis." Dat Femke's bedoeling
goed was geweest, wilde hy wel gelooven ... o, zeker! En boos op háár
was-i niet. Integendeel. Voor en met haar zoud-i gaarne ...
Weg, weg, weg met Femke ... drie maal negen is zeven-en-dertig: o god,
daar is 't weer! Het was om gek te worden. Juist! Zoo begint ... [13]
Ja, 't was voor 'n ongedisciplineerd verstandjen om krankzinnig
te worden. Gelukkig hoorde Wouter 'n deur toeslaan, en daarop 't
geluid van voetstappen. Maar 't was niet in het huis. Een oud heer
vertoonde zich in 't gangetje naast het achterhuis, en betrad het
plaatsje. De man naderde de achtervensters, gluurde even naar binnen,
als om te zien wie daar al zoo vroeg op 't kantoor was, verdween door
'n glazen deur in de gang, en vertoonde zich weldra binnen de kamer.
't Spreekt vanzelf dat Wouter 'n houding had aangenomen, die om
vergeving scheen te smeeken voor z'n existentie. Och, zoo onnoodig! Die
oude magere heer nam 't hem volstrekt niet kwalyk dat-i bestond,
en zelfs niet dat-i dáár was.
--Houd je gemak, jongeheer. Uwe-n-is zeker de jongeheer Pieterse? Ja,
ja, ik weet er van. Heel goed! Wel, jongeheer, zal uwe hier zoo op
't kantoor komen? Nu, dat is best! Houd je gemak ... houd je gemak,
en stoor je niet aan my. Ik ben de boekhouder ...
Wouter had gebukt en gebogen en geknikt, en zich voorgenomen, wanneer-i
eens weer in den handel ging, z'n hoed op 't hoofd te houden ... om
dien te kunnen afnemen als er iemand binnen kwam, gelyk z'n moeder
had voorgeschreven. Want hy voelde dat dit ontbrak aan z'n begroeting
van den heer Dieper. Die vriendelyke oudeheer moest hem wel voor zeer
lomp aanzien. En dit was-i niet, waarlyk niet! Hy had integendeel
'n gevoel van dankbaarheid aan den heer Dieper, die hem zoo minzaam
kwam verlossen uit z'n drukkende eenzaamheid. Om daarvan iets te doen
blyken, bleef hy staan, zelfs toen de gulle boekhouder hem nògeens
had toegevoegd: "houd je gemak, jongeheer ... ik ben de boekhouder."
En alweer onderzocht Wouter niet, of deze
maatschappelyke-stand-belydenis misschien beduidde: "ga nu maar zitten,
nu! Straks als "de heeren" komen, is 't wat anders!" Deze zin kon door
hem onmogelyk aan Dieper's woorden gehecht worden, omdat in zyn oog,
'n boekhouder ter-nauwernood 'n minder verheven wezen was, dan de
"patroon" zelf. Het verschil tusschen deze beide standpunten ontsnapte
aan z'n waarnemingsvermogen, en hy zou dus--àls-i kon geroepen zyn
tot schatting--hierin dezelfde fout gemaakt hebben als 'n kind dat
verwonderd vraagt, waarom de wolken nooit voorbyschuiven achter de
maan om?
De uitdrukking van Dieper's gelaat was één doorgaande
vriendelykheid. Hy verdween 'n oogenblik in de alkoof die tegenover de
vensters wand vormde, en kwam weldra terug in boekhouders-uniform,
d. i. in 'n gryzen langen jas die veel beleefd had, en met 'n
zwart kalotjen op z'n witte haren. Want: "soms was er tocht op 't
kantoor." Zoo verzekerde hy aan Wouter, die 'n gebaar maakte alsof
hy deze mededeeling met innige dankbaarheid aannam, en ze vergelden
zou by de eerste gelegenheid ...
Och, hy had zoo graag dien goeden ouden heer Dieper 'n dienst
gedaan. Hy stelde hem boven Merkurius, en vond dat-i op 'n engel
geleek.
--Ja, het tocht hier soms. En er niets op de wereld, waarvoor 'n
mensch zoo moet oppassen, als tocht.
Dat Wouter niet tegensprak, zal de lezer wel gelooven. Maar dit was
niet genoeg, meende hy. Als 'n bliksem vloog hem de gedachte door de
ziel, alle reten van vensters, deur en vloer dicht te plakken, om dien
vriendelyken grysaard te helpen in den stryd tegen zoo'n vreeselyken
vyand. Hoe was 't mogelyk dat de man nog middel had weten te vinden,
grys haar te krygen in zoo'n tochtige wereld? Moest-i niet voor zeer
lang reeds--als zuigeling zelfs--bezweken zyn? Er zyn taaie naturen,
dit weet ik wel, maar wie drommel zou 't den ouden Dieper hebben
aangezien dat-i daartoe behoorde? De man had in z'n voorkomen niets
van 'n held, en vertoonde zich eer als 'n sukkelaar die zich zou
laten omvèr- en wegwaaien door de minste luchtbeweging, dan als de
perpetueele triumphator over al de kamer-orkanen waaraan-i sedert
byna zeventig jaren was blootgesteld geweest, en waarvan-i de spolia
opima in den vorm van "zinkings" in 't hoofd droeg. Want lezer,
daarmee beloont de afgod "Tocht" ieder die hem deemoedig vreest in
onkunde en onnoozelheid. By gelegenheid zal ik eens uitleggen hoe
die bespottelyke eeredienst in de wereld gekomen is.
"Deemoedig." Dit woord bevalt me, en wanneer ik 't recht had,
de helden en heldinnen van m'n vertelling andere namen te geven,
dan zy in werkelykheid gedragen hebben, zou ik me misschien laten
verlokken aan dezen klank de gelegenheid te ontleenen, om den goeden
boekhouder te kenschetsen met één pennestreek. Wie weet of ik hem
niet: m'nheer Deemoed gedoopt had. Maar ik zou dan 'n dubbele fout
begaan hebben. Want hy heette Dieper. En dit wàs-i ook.
Na de korte verpoozing die 't binnentreden van den boekhouder onzen
Wouter bezorgd had, brak er weldra een nieuw saizoen van bedompte
verveling aan. Dieper had 'n yzeren kist geopend, waaruit hy 'n half
dozyn kantoorboeken nam, welke hy eenigszins rangschikte op 't vlakke
middelstuk van 'n dubbele kantoorlessenaar "voor twee personen" ook
wel genaamd: 'n vis-à-vis. Tegenover de zyde waar nu de boekhouder
plaatsnam, stond 'n gelid enkele lessenaars. En daartegen veroorloofde
zich Wouter even te leunen--geschied is 't!--telkens als-i 'n oogenblik
vergat dat de boekhouder wel eens kon opkyken. Maar dit deed Dieper
niet. Hy debiteerde en krediteerde religieuzelyk, en sloeg geen acht
op de dingen dezer wereld, die al of niet leunden tegen 'n anderen
lessenaar dan den zynen.
Tusschen de alkoof en de eigenlyke kern van 't hoofdkwartier des
handels, stond op tafelhoogte een beschotje, dat de grens aanwees
tusschen vreemde bezoekers van 't kantoor, en de gelukkigen die
er thuis-hoorden. Een daaraan met scharnieren bevestigde klep
kon, opgeslagen, dienen tot operatie-bazis van geld-tellen, en
vervulde thans in afhangende houding de niet overbodige funktien van
afleider van Wouter's verveling. Het ding werd in deze eervolle taak
bygestaan door 'n ronde opening in een der hoeken, waarin 'n yzeren
ring paste, die bestemd was tot het vastklemmen van den rand der
geldzakken. Gelukkig voor Wouter, dat-i dit niet wist. Hy kon nu op z'n
gemak zich vermoeien met de vraag: wat toch de handels-bestemming van
dien ring was, en van dat gat? Heel eindelyk ... goddank, er gebeurde
iets: Dieper nam 'n snuifje, en Wouter stond als 'n paal.
--De heeren komen wat laat, jongeheer.
Voor Wouter nog tyd had, te verzekeren dat-i daarom niet boos was
op de heeren, en er volstrekt niet aan dacht hen te ontslaan uit
de betrekking van patroons, lag de boekhouder al weer gebukt over
z'n memoriaal.
Wel beschouwd was de toestand nog verdrietiger dan vóór Dieper's
komst. Toen en nu verveelde hy zich, maar zoo-even deed-i niets dan
dat. Thans had-i er nog den angst by, dat Dieper merken zou hoe hy zich
verveelde, want--en deze opmerking geef ik wèl voor nieuw--niemand
verveelt zich zonder schaamte. Men wordt er niet graag op betrapt,
waaruit misschien de gevolgtrekking kan gehaald worden, dat het niet
geoorloofd is zich te vervelen.
Wouter, byv. had in dien tyd zich kunnen meester maken van wat gladheid
in de vermenigvuldigmgs-tafel tot 20 × 20, of verder nog. Waarom
niet? Maar aan zoo-iets dacht-i niet. Z'n eenige zorg was, geen geluid
te maken, om vooral m'nheer Dieper niet te hinderen. Dit was nu--o
Holsma--z'n meest-nabyliggende plicht. Uit het volle besef hiervan,
hield hy den adem in, met het natuurlyk gevolg dat-i uitberstte in
'n hoestbui.
Geen oneerbiediger ding dan de Natuur!
--'n Beetje verkouwen, jongeheer? Ja, ja, dat komt van de warmte. 'n
Mensch moet zich wèl in-acht nemen by heet weer. Ineens kryg je
't beet, in-ééns!
't Was wel wat ondeugend van Fancy, dat ze de prikkeling in
Wouter's keel deed voortduren tot en na de binnenkomst van een der
"heeren." De arme jongen voelde zich genoodzaakt een van z'n patroons
den rug toetekeeren, om hem niet in 't gezicht te hoesten. Dit
bedierf de voorstelling, en bedolf Wouter in een der afgrondjes van
oogenblikkelyke wanhoop, waaraan 't leven zoo ryk is, doch die later
blyken niet veer meer te zyn geweest dan 'n geringe oneffenheid op
ons pad.
--Gmorge, Dieper! had de binnentredende geroepen. Is Wilkens er
nog niet?
--Dienaar, jongeheer Eugène, antwoordde de boekhouder. Neen, jongeheer
Eugène, Wilkens is er nog niet. Misschien met stalen uit? Dit is de
jongeheer Pieterse.
--Zoo?
Wouter hoestte.
--Hy moet maar wachten tot Pompile komt ... of Wilkens.
Wouter knikte, altyd doorhoestend, dat-i met het grootste geduld
wachten zou op m'nheer Pompile of m'nheer Wilkens.
--Neem 'n glaassie water, jongeheer, vermaande de zoetsappige Dieper.
--Wel ja, laat 'm 'n glas water drinken, hervatte de jongeheer Eugène
grootmoedig. Dáár staat water, en 'n glas ook.
Inderdaad! Naast de yzeren kist waarin 's nachts de "boeken"
werden geborgen, stond in 'n donker hoek'jn op 'n stoof, een
verweerde waterkaraf, waarby 'n glas met groezelig oranjekleurig
bezinksel. Wouter dronk 'n paar teugen, en behandelde de daartoe
gebruikte gereedschappen met 'n eerbiedige teederheid, zuiver water
en helder glaswerk waardig. Toen-i eindelyk had uitgehoest, zat de
jongeheer Eugène met breed-uitgestrekte elbogen voor een der enkele
lessenaars in 'n fransch romannetje te lezen. Dat Dieper al weer op
z'n boeken lag, spreekt vanzelf.
Wouter stond nu by die geldkist en dien stoof, waarop-i netjes en
zonder geruisch de kostbare voorwerpen weer had neergezet. Zonder
zich in 't minst te verroeren wachtte hy op m'nheer Pompile en op
m'nheer Wilkens ...
Sedert het aanbreken van den dageraad had-i niet ànders gedaan dan
wachten, o Fancy! En gy, hardvochtige, gevoellooze, wreede, gy blaast
hem niet in: loopt allemaal vierkant naar den weerlicht, met je handel?
Neen!
"Er moet veel leeds geleden zyn,
Er moet veel stryds gestreden zyn!"
Ik geloof juist niet dat altyd--zooals de goede Kamphuyzen, misschien
om 't rym slechts, beweert--het eind van dat alles: "vrede" wezen
zal. Maar ... zelfgevoel toch, en hoogmoed, en de betrekkelyke kalmte
die de belooning is van 't:
Multa tulit fecitque puer, sudavit et alsit!
Mochten sommigen meenen dat de beide aangehaalde teksten te deftig zyn,
te ernstig, te klassisch voor de soort van Wouter's tegenspoedjes? Ze
vergissen zich. De zwaarste beproevingen worden ons opgelegd door
nietigheden. Zy overvallen ons dagelyks, telkens, aanhoudend, en
vinden ons meestal ongewapend. Bovendien, er wordt geen eer behaald
in zulken stryd. Mozes en de "Heer" wisten 't wel. Ze plaagden Egypte
niet met tygers, maar met sprinkhanen.
Dat Wouter leed is waar. Maar z'n stryd beduidde niet veel. We kunnen
in het midden laten, of hy den moed bezat, die tot wegloopen zou
noodig geweest zyn. Zeker is het, dat hy de zielskracht had om te
blyven, en de plicht te vervullen die 't naast voor de hand lag. Zóó
had Holsma gezegd, en zóó zou 't wezen!
--Daar komt Wilkens, verwaardigde zich de jongeheer Eugène te zeggen,
zonder de minste verandering van houding, en met zekere zuinigheid
in 't uitspreken der woorden, alsof er deuren- en venstergeld werd
geheven van de artikulatie.
Inderdaad, de heer Wilkens vertoonde zich op de binnenplaats. Hy liep
zeer snel, als om blyk te geven van 'n diligentie die niet precies
overeenstemde met de klok. De klok zal vóór geweest zyn.
--Dienaar, m'nheer! Dag, Dieper!
--Gmorge! Dat's de jonge Pieterse.
--A-eh! Wèèèèl zoo! A-ei, a-ei!
Wilkens was 'n oude gek. Z'n geheel leven was één veroveringstocht
geweest naar deftigheid en gewicht. Daar-i 't op z'n ouden dag niet
verder had gebracht dan tot kantoorbediende en handelsreiziger, kan
de lezer narekenen hoeveel veldslagen de man moet verloren hebben. De
voornaamste ammunitie die hem overbleef, bestond in 'n langgerekt
ae of èèèè, of zooiets. Wie hem van naby kende, was er niet zeer
bevreesd voor, maar nog altyd zagen sommige boeren-winkeliers hoog
op tegen iemand die zoo oneenvoudig spreken kon. En ook Wouter voelde
zich heel klein.
--Jae, m'nheer, wat dunkt u? Zouden we met dat jonge mensch maer niet
wachten op m'nheer Pompile?
De jongeheer Eugène stootte een klank uit, die alles kon beteekenen wat
men verkoos, zelfs: ja. En zóó scheen z'n antwoord te worden opgenomen
door m'nheer Wilkens, die nu op zyn beurt in de alkoof verdween,
en weldra weder voor den dag kwam, gehuld in 'n lange kantoorjas.
--Ik ben eens by de juffrouwen Alders geweest, met diemetten,
zeide hy, als om zich by z'n jongen patroon over z'n laat-komen te
verontschuldigen.
Deze antwoordde weer zoo afgeknot mogelyk. Hy bromde iets dat
juist even genoeg was om te kennen te geven: "ik heb gehoord wat je
zei." En daarop zette Wilkens zich aan den lessenaar naast Eugène,
waar-i de houding aannam van iemand die wat uitvoert. En hy deed
inderdaad niets. Sedert eenige dagen reeds tobde hy met 'n deficit
van drie stuivers in de "kleine kas" en pynigde zich met zoeken naar
de oorzaak van die vreeselyke gaping.
--Maer, m'nheer, kan er ook misschien 'n brief zyn geweest voor
"huishouden?"
--Wel mogelyk, antwoordde Eugène, op 'n toon van: "wat kan 't my
schelen!" Ook lag er iets in van: "maak toch zoo'n wind niet met je
oogendienende stiptheid!"
--Jae ... maer ...
Zoodra mogelyk zal ik my ontslagen rekenen van 't nabootsen der
Wilkensche deftigheid, voor zoover die zich openbaarde in z'n
lymerige ae's. De lezer zal wel nagenoeg weten hoe zich 'n verwaande
kwast uitdrukt, die meermalen in den Haag was geweest en zich de
mislukte moeite geeft in elke letter de beteekenis te leggen: ik ben
'n heer! De reden overigens dat hy, in tegenstelling van Dieper en
den ouden Gerrit, het naast hem zittend individu niet aansprak met
het praedikaat: "jongeheer" lag hierin, dat Eugène reeds nagenoeg
halfwassen was, toen Wilkens hem elf jaar geleden leerde kennen,
terwyl Dieper en de knecht dezen telg van den patroon, en zelfs den
ouderen Pompile, als kind hadden gekend. Toch zouden ook deze twee zich
niet veroorloofd hebben, iets aftedingen op 't volslagen heerschap
van de beide ondergoden, indien niet de oude heer Kopperlith-zelf
hun die vryheid had in den mond gelegd. Deze namelyk was zeer fyn
op maatschappelyke onderscheidingen--altyd slechts in toepassing op
anderen, want zichzelf schatte hy 'n graad of zooveel te hoog--en
noemde de jongelieden: "m'nheer Pompile en m'nheer Eugène" wanneer-i
over hen tot Wilkens sprak. Doch ook in zyn mond heetten ze, als
vroeger: "jongeheeren" wanneer hy 't woord richtte tot de oudere
lyfstaffieren van den huize. Dat iedereen--op den knecht na--tegenover
Wouter volop: "m'nheer" was, spreekt vanzelf. Of 't waar is dat
men geen twee heeren dienen kan, laat ik daar. Doch zeker is 't,
dat Wouter er vyf tegelyk te bedienen kreeg, en vooral te eerbiedigen.
Wilkens becyferde de kolommetjes van z'n "kleine-kas-"boekjen,
en zeide:
--'t Is ienderdaed verbaezend!