Dàt was het! Dáárom voelde hy zich zoo gelukkig. [6]

Wouter had het recht veroverd--'n recht dat zoovelen zich aanmatigen

zònder grond--dat hy zichzelf voor iets mocht aanzien. En zonderling,

zelfs het... kuiperytje van de oefenaarster had hem goed-gedaan.

Fancy schynt wel terdeeg geweten te hebben wat ze deed

of... toeliet. Nog zeer onlangs was haar pleegballing 'n kind,

meer kind zelfs dan byna ieder die even ver als hy van 't uur zyner

geboorte verwyderd was. Bovendien was-i zeer kort geleden nog ... 'n

kind in alle beteekenissen van 't woord.

Doch zie, daar wierpen hem de omstandigheden den kerel in den weg,

die hem zoo majestetisch verbood tabak te geven aan 'n "opvreter van

Stad en Land." Tot Wouter's groote verbazing voelde hy in zichzelf de

kracht--en den lust zelfs--die waarschuwing te trotseeren. Zeker was

geen der omstanders daarover zoo verrast als hy. Ze hadden dikwyls

"brutale bliksems" gezien, en konden niet weten dat Wouter ... nu ja,

van 'n bliksem had hy iets, maar brutaal was-i niet. Toch had hy zich

by die gelegenheid voorgedaan als 'n persoonlykheid, eenigszins als

'n persoon... jazelfs--op 'n beetje na!--als 'n wezenlyke man.

Kort daarop was deze onthulling gevolgd geworden door 'n beroep op

z'n ridderlykheid. "Dieven, moordenaars, en... 'n vrouw in nood!" De

gekste zotternyen die uit al die boeken in z'n gemoed gezaaid waren,

werden daar snel genoeg verwouterd, om terstond voor-den-dag te

treden als iets schoons: hy durfde! Hy durfde, ja, maar... niet

omdat-i moed had, o neen! Het durven-zèlf trok hem aan. God en die

zeven planken kunnen getuigen aan hoeveel ridders hy z'n woord zou

gebroken hebben, wanneer-i niet was uitgetogen op den jammerkreet der

belaagde onschuld. Dat-i gedurende z'n heldentocht geleden had aan

ontmoediging, is waar, doch men bedenke dat juffrouw Laps hem slechts

gebakken aardappelen voorzette, en geen enkelen moordenaar. Zoo'n

onthaal werkt niet bezielend. Om ons 't recht te geven, Wouter te

verdenken van... terugtrekkende krygskunde, zou men hem moeten hebben

waargenomen als z'n dame in werkelyk gevaar geweest was. Hoe dit zy,

de jongen, of 't kind van weinig tyds geleden, was ten-stryd getrokken

als n man. En... juffrouw Laps--'n volwassen persoon toch!--had hem

als zoodanig niet versmaad. Integendeel. Er bleek al spoedig dat-i

haar welkomer was in z'n hoedanigheid van ridder dan, byv. de oude

Pennewip zou geweest zyn, dien hy nooit had hooren beschuldigen van

verregaande onvolwassenheid. Ook had zy verzekerd dat ze hem liever

had dan Stoffel, 'n persoonlykheid die toch nog altyd--waarheid

bovenal!--'n paar duim langer was dan hy.

Misschien waren deze opmerkingen voldoende om hem den moed te geven

zich in veel opzichten "groot" te voelen. Maar toch zou er 'n gaping

bestaan hebben in z'n aanspraken op volwassenheid, indien er niet méér

geschied was. Z'n zonderlinge gastvrouw--hoe afschuwelyk ook vroeger

in zyn oog--had de verdienste gehad, snaren aanteroeren, die lang na

't verlaten van haar woning bleven doortrillen in z'n gemoed. Ze had

hem geleerd dat-i man was, en mneer, of iets anders ten-minste--'n màn!

Dit werd hem toegeroepen door de wakker geschudde zinnen, die met

z'n gekittelde ydelheid om den voorrang dongen in 't bevestigen

van z'n mondigheid. 't Was zeker al iets heel schoons--en niet

elk protestantsch handelsjongetje gegeven!--te kunnen dienen als

schild tegen dieven en moordenaars, maar... dat àndere... o, lieve

onbaatzuchtige edelmoedige Laps! Had ze hem niet de mogelykheid

aangetoond, dat hy--hy, Wouter!--kon bemind worden als verloofde,

als bruîgom, als echtgenoot... méér nog dan dat: als de minnaar in

'n boek? Zeker, zeker, ook zóó had-i Femke lief, ook zóó--ànders ook,

God weet het!--maar... ook zóó! Dit bewustzyn had de oefenaarster

in hem opgewekt, zy die eerst zich beklaagde over z'n verregaande

onleerzaamheid, en zoo spoedig reden had tot verdriet over den weg

dien z'n pas opgedane wysheid al te haastig insloeg. Had ze niet

als 'n Virgilische by, honig vergaard voor 'n ander? Was 't niet

'n pynigend: sic illae--Femke!--non mihi? [7]

Zóó althans vatte Wouter de zaak op, al bracht-i er dan Virgilius

niet by te-pas. Er was geen twyfel aan, dat juffrouw Laps hem,

met den vinger als 't ware, gewezen had op 'n vroeger onbekende

plek in z'n gemoed, en tevens dat deze ontdekking in-verband stond

met z'n eerzucht zoowel, als met z'n begeerte om te weten, en "het

Lot uittedagen". En over dit alles lag de gloed--we moeten oprecht

zyn!--niet van z'n liefde voor Femke zoozeer, als van de ontwaakte

zinnelykheid die hy natuurlyk met deze liefde verwarde ... zooals

meer gebeurt, by dokters en patiënten beiden.

Van dit alles wist-i alweer zeer weinig. Gemakshalve bepaalde hy zich

tot den hoogmoed die by z'n nieuwen rang paste, naar-i meende. Als

'n jonge haan dien de kam zwelt, nam-i zich voor... o allerlei! Dit,

o.a. dat-i nooit weer aan Femke vragen zou of ze "maagd" was, en

ook niet wat toch die Bilderdyk kon bedoeld hebben met het malle

woord wulpsch? Hy wist het nu, o goden, zoo goed als Bilderdyk zelf,

en begreep dat zulke praatjes tegenover Femke niet passen zouden in

den mond van 'n "man."

Het dooreenhaspelen van deze nieuwe ondervinding en z'n genegenheid

voor 't meisje, 'n gevoel dat voor 't minst zeer hartelyk was...

Men bedenke dat-i weinig andere meisjes had leeren kennen, en dat

de onvoedzame dorheid van z'n huiselyken kring hem voorbeschikte tot

het gulzig inslikken van de eerste liefelykheid de beste.

...dit, en het licht dat juffrouw Laps zoo onvoorzichtig geworpen

had op z'n aandoeningen, boezemden hem ook jegens haarzelf 'n

vriendschappelyk gevoel in. Om stipt eerlyk te zyn, had-i eigenlyk

tot haar moeten terugkeeren, en heel vriendelyk bedanken voor de

prettige promotie. Maar zóó ver ging z'n erkentelykheid niet. Het

was al veel dat z'n afkeer veranderde in iets als medelyden, en

wanneer-i had kunnen toegeven in de overbruischende mildheid van

z'n hart ... waarlyk, hy had haar met genoegen z'n heelen broer

Stoffel afgestaan! Heel goedig nam-i zich voor, daaromtrent by

de eerste gelegenheid te dienen van konsideratien en aanpryzend

advies. Inderdaad, hy wou gaarne iedereen gelukkig zien, en waarom

dan háár niet, haar die hem zoo zelfopofferend den weg had gewezen

tot wat hy aanzag voor z'n eigen geluk?

Maar al wat niet Femke-zelf was, hield hem slechts vluchtig bezig. Al

z'n eerzuchtige plannen van ... grover aard, weken beschaamd terug

voor z'n besluit om háár lieftehebben, háár te dwingen tot liefde. De

werelddeelen die van hem hun geluk wachtten...

Láát ze wachten! Voor zulke nietigheden had-i nu geen ruimte in z'n

ziel. Hy dacht aan Femke, aan haar zachte mollige hand...

't Is waar ook! Nooit had hy die hand zóó gevoeld. Hy meende vroeger

dat ze ruwer was, steviger...

Maar, eilieve, dan had-i vroeger verkeerd gemeend. Nu wist hy--ja, ja,

ja, want gedroomd had-i niet!--nu wist hy, dat de hand die zoo flink

'n zware ben met waschgoed van den grond wipte, fluweelig was als

't boordsel van Hamlet's mantel, die vergulde kraag waaraan-i zooveel

gom had besteed om 't ding behoorlyk te doen glimmen.

En ook had-i zich vroeger vergist in Femke's stem. En in haar

toon! Want zie, altyd zoud-i zich hebben voorgesteld dat zy, iets

nauwkeurig willende zien in 't donker, zou gevraagd hebben nàar...

licht, o ja, maar anders uitgesproken, heel anders! Of liever, ze

zou--zoo meende Wouter in de dagen van z'n onkunde--ze zou by zoo'n

gelegenheid gezegd hebben:

"Wil jelui asjeblieft die kaars even byhouden?"

En de houding? Die heele Klaas Verlaan--'n man as 'n boom toch!--en

z'n makker, stonden verbluft! Wat ze die rechterhand uitstrekte! En

toch alweer... 'n droom was 't niet, al geleek het dan precies

op 'n droom! By 't openslaan van den mantel, had-i duidelyk den

blauw-geruiten boezelaar gezien. Zoo-iets ziet men niet zoo helder

in den slaap! Hy had de ruitjes kunnen tellen, als-i niet aan iets

anders gedacht had ... o, aan heel wat anders, en byna zelfs aan niets!

Neen, neen, gedroomd had-i niet! Maar toch... wat al raadsels!

Wat beteekenden die praatjes van den schipper over 'n m'nheer

Kopperlith? Wat bewoog hem zich met Femke te bemoeien? Haar

te... verlagen tot 'n ander? Hoe wist-i zoo op-eenmaal dat gemeene

wyf uit de kroeg aan z'n zy te krygen, haar en dien schreeuwer over

menschenrecht? Waarom ging Femke, in-weerwil van z'n bede, met die

mannen mee? Of ... zat zy alleen in dat rytuig. En waarom niet te-voet,

gelyk kinder- en bleekmeisjes gewoon zyn? En waarheen? Kon zy op

dat uur by de Holsma's te-recht? Of was ze naar hare moeder gereden

... die óók vreemd zou opzien als Femke daar kwam aanrollen in 'n

brommer! En uit welke fondsen zouden de "daaldertjes" betaald worden,

waarover die schipper gesproken had met 'n voorname onachtzaamheid

alsof 't maar duiten waren?

Och, wat al mysterien! Maar hoofdzaak was en bleef dat hy haar vingers

gekust, en dat zy hem ten-aanhoore van drie personen allerplechtigst

haar broeder genoemd had.

Dit stond vast als 'n rots. Al 't overige? By de eerste gelegenheid

zoud-i haar vragen om inlichting, die ze hem niet weigeren zou ... hèm,

haar broêr.., neen, broedèr. Zóó zei ze!

Wat overigens 't gevaar aanging--of liever ... 't onbehagelyke--van

haar weggaan met die mannen, hy telde het niet meer. Al waren er tien

mannen met haar in dat rytuig geweest, by de minste onbehoorlykheid

hoefde Femke slechts de rechterhand uittestrekken, en allen zouden

gekropen hebben voor haar voet. Dit immers had hyzelf gezien, en dit

zou hy, Wouter, ook doen--met byzonder veel genoegen, waarlyk!--als-i

maar zeker wist dat ze hem terstond zou opheffen, of althans de hand

reiken tot 'n kus...

Zoo mymerend doolde hy met lamme schreden--want hy voelde zich zeer

vermoeid!--door de als uitgestorven straten der stad.

Na de Kalverstraat te hebben doorgeslenterd, bereikte hy den Dam. Daar

stond 'n lange reeks van rytuigen voor en naast het Paleis te

wachten. De koetsiers zaten te dutten op den bok, en bleven hierdoor

bewaard voor de zonde van 't verwensenen der hooge gasten, die zich

blykbaar hadden voorgenomen 'n hollandsche zon te zien opgaan, doch wat

laat voor den dag kwamen. Want de zon begon zich reeds te vertoonen,

en er was prins noch prinses te zien.

Behalve eenige werklieden, wier dag wat vroeger dan die van de

anderen scheen te beginnen, stonden er geen toeschouwers om de

"kleine steentjes van 't Paleis." En gepraat werd er onder dat

schamel publiekje niet. Op de deugdzaamheid van de omstanders wil

ik niets afdingen, maar wel bleek er dat de verkwikkende morgenstond

hen slaperig maakte. Misschien heeft de fransche verzenmaker zich in

die beide menschelyke zwakheden vergist, en de eene voor de andere

genomen. Maat of rym zullen dit zoo vereischt hebben.

Ook Wouter voelde slaperigheid. Gister nog zoud-i zich veel moeite

hebben getroost om 'n wezenlyken koning te zien te krygen--zeker om

te weten of zoo'n wezen op Macbeth, Arthur en King Lear gelykt--maar

nu... och, hy gaf er zoo weinig om.

Juist wilde hy heengaan, toen de koetsiers zich oprichtten en in 't

styve postuur zetten, dat hun door Heeren, Vrouwen en traditie schynt

voorgeschreven tot verhooging van de deftigheid. Ze sloten de armen

aan 't lyf, als iemand die zichzelf 'n stoot met den elleboog in de

lenden geven wil, haalden de teugels op, en vertoonden zich zoo leelyk

en voornaam als maar eenigszins mogelyk was. Een schoenmakersjongen

die de wereld scheen te kennen, maakte hieruit op: "dat ze nou wel

gauw komme zouwe."

Die "ze" waren Keizerlyke, Koninklyke en andere Hoogheden. Zoo'n

schoenmakersjongen steekt zonder omslag al zulke waardigheden als

bruine boonen op den elst van z'n tong.

De olykert had juist geraden. "Ze" kwamen inderdaad, en bestegen de

meestal open wagens, die zoo snel wegreden dat Wouter 't gelaat van

al de Majesteiten en Hoogheden niet te zien kon krygen. Slechts één

bejaarde dame gaf op 't oogenblik van wegryden den koetsier met haar

zonnescherm 'n tikje op den schouder, dat zooveel scheen te beduiden

als: wacht even!

--Ze het wat vergeten, diagnozeerde 't krispyntje.

Drie, vier "Kavaliere" vlogen als weerlichten 't paleis in,

en schenen 'n wedloop te houden om den achtergelaten joujou de

Normandie te halen. Een hunner--de ongelukkige!--kon den ingang

niet vinden. Vreemder is 't dat de anderen wèl wisten binnen te

komen, omdat het achtste wereldwonder eigenlyk geen ingang hééft,

'n byzonderheid die zeer gevoegelyk voor negende wonder kan doorgaan,

en dan ook een der hoofdgronden is van den rechtmatigen trots der

Amsterdammers. Paleizen of Stadhuizen met 'n behoorlyke deur of poort

kan men overal te zien krygen.

Twee ridders des Heiligen Roomschen Ryks betwistten elkander de eer van

't veroveren... nu ja, veroverd werd er niets, maar ze kwamen te-gelyk

aanloopen met den joujou. Ze schenen 'n compromis te hebben gesloten,

en klemden beiden juist even ver duim en wysvinger om 't gouden

doosje waarin 't kleinood bewaard werd. Beiden lachten en bogen by 't

aanbieden, met gelyke allerunterthänigste Pflichtschuldigkeit. Onder

beiden verdeelde de rechtvaardige Palatine haar tevredenheidswenk van

den zevenden rang. Beiden klopte het hart met gelyke slagen, en wie op

'n goudschaaltje de zieleverrukking van die twee eendrachtige heeren

gewogen had...

Toch ontstond er later twist. In den jare O. H. tweeduizend zóóveel,

procedeerden de naneven van die twee ridders, over de voorzitting in

'n demokratisch kieskollegie. Ridder A zou volgens de traditie z'n

wysvinger een millimeter verder onder de doos hebben uitgestrekt

dan de helft, en dus grooter aandeel hebben gehad in... grooter

aanspraak op...

Gekheid! riepen de afstammelingen van z'n mededinger B. Onze voorvader

heeft er ook den ringvinger aan geslagen! Ziedaar ònzen titel, ònze

aanspraak! Welke onverlaat zou in deze demokratische eeuw, de rechten

miskennen... enz.

--Zieje wel dat ze puissies in d'r gezicht het! riep de

schoenmakersleerling.

't Was de waarheid! Koninklyk-Keizerlyke puisten! Menschelyke

puisten! Dit had geen der poppen op Wouter's printen. Al z'n gekleurde

prinsen en prinsessen verheugden zich in gave gezichten, en 't viel

hem zeer tegen, dat 'n dame die tot den stoet van koningen en keizers

bleek te behooren, zoo bitter weinig op z'n printen geleek. Als hy

't mensch gekleurd had, zou ze 'r beter uitzien, meende hy.

Hoe geheel anders was dit met... háár, met Femke! Zy had frisscher

gelaat dan-i met al z'n vleeschkleur schilderen kon. En 'n houding! Nu

kwam hem op-eens voor den geest aan welke figuur ze hem had doen

denken, toen ze daar stond met half-opengeslagen mantel by 't

flikkerend kaarslicht: aan konigin Elisabeth van Engeland... juist!

Maar deze vrouw met haar puistjes? Gut, ze kon best 'n waschvrouw

wezen, 'n allergewoonste waschvrouw, die nog slordig blauwde op den

koop toe, en zoekgeraakte mansetten te vergoeden kreeg.

Het onaanzienlyk voorkomen van de Paltsgravin, werkte zeer... burgerlyk

op Wouter's verbeelding, en 't kwam hem niet heel waardig voor,

prinses te wezen, als men daarby puistjes in 't gezicht hebben kon

gelyk ieder ander. Hy beloofde zich vast en zeker, dat-i nooit Femke

verlaten zou om-den-wille van welke Majesteit ook.

Wel voelde hy eenige yverzucht op 'n zeer jong mensch die kort na

't wegryden van de Paltsgravin, 'n opening in 't Paleis scheen

gevonden te hebben, en naar buiten trad. Gelyk 'n deel der andere

Kavaliere--de meesten torschten 'n witte pruik, met 'n staartjen

in den nek--droeg hy eigen haar, dat vry lang was, en hem los om

de schouders slingerde. Z'n kleeding was 'n eenigszins fantastische

variant op de uniform der adelborsten van die dagen. De kleur van z'n

buis was donkerblauw, met roode opslagen aan hals en mouwen, doch

zonder 't minste goud, wat by de schitterende uitmonstering van al

de andere heeren, zeer in 't oog viel. Ook droeg-i geen ridderorde,

en scheen dus 'n gedistingeerd persoon te wezen, al ware 't hierom

alleen dat-i minder dan alle anderen op 'n begunstigde koninklyke

kamerdienaar of 'n hansworst geleek. Op z'n hoofd had-i 'n zoogenaamd

schotsch-mutsje, zooals ligt-matroosjes gaarne dragen. Twee jockey's

brachten 'n schoon paard voor, dat door den een by den teugel werd

gehouden, terwyl de ander den stygbeugel hield.

--Dat 's god-straf-me-n-'n jonker! zei 'n sjouwerman. As de bliksem

zes man 't grietje-want in, om dat vet in 't blok te klaren!

--Mot hy op dat paard? vroeg 'n oud-kavallerist, die 't in zyn vak

gebracht had tot "oppasser" van ongetrouwde ouwe-heeren. Weetje wat

ik zeg? Ik zeg: 'n zeeman op 'n paard, is 'n gruwel in Gods oog!

Wouter was te onbedreven in de vakpedanterie dezer beide

pronkstukken van mislukte soldaat- en zeemanschap, om hun spotterny

te begrypen. Voor-i gereed was met het ontcyferen van dat "vet in 't

blok" en dien "gruwel" sprong prins Erik, den stygbeugel versmadend,

op den goudvos. De toeschouwers schrikten van 't steigeren, en maakten

zich gereed om wegtestuiven zoodra 't wilde beest blyk mocht geven

dat de "kleine steentjes" te nauw waren voor den stryd dien 't met

z'n ruiter aanving. Het zette den kop in de borst, steigerde, schoot

vooruit, en stond op-eens pal, zwenkte onverwacht, brieschte, schudde

de manen, schopte, trachtte z'n ruiter over-kop te werpen ... alles

te-vergeefs! Of prins Erik 'n gruwel in Gods oog was, weet ik niet,

maar hy zat vast in 't zaal, dit is zeker.

--Dàt 'n zeeman? riep de oud-matroos--die in zyn tyd den welverdienden

bynaam droeg van "lamstralige snertmalènger"--dàt 'n zeeman? 't Is

de vraag of-i 't verschil kent tusschen'n bezaan en 'n fok! Al die

rykeluîs-zoontjes komen de kajuitspoort in! Ik en 'n ander kruipen

door de kluisgaten, zieje! Dat 's 't ware!

En, als om op deze diepzinnige meening 't zegel te zetten, verschikte

hy z'n tabakspruim van rechts naar links.

--Hm, zei de kavalerist-kleerenklopper, hy heeft meer 'n paard tusschen

de pooten gehad! Anders ... ik wil maar zeggen dat zoo'n pallas van

anderhalf verrel, 'r heel mal by staat. Die vliegeprikker slingert

het arme beest tegen de beenen. Hy moest dat ding opgespen.

Prins Erik gespte niets op. Hy vermaakte zich met temmen van z'n

paard. Toen dit gelukt was, begon hy op zyn beurt het schoone dier

te plagen, en kittelde het met de sporen, onder 't inhouden van den

toom. Telkens gaf het blyk van goeden wil, maar scheen wat straf

te-goed te hebben voor z'n speelschen moedwil van zoo-even. Eindelyk

scheen de ruiter voldaan. Hy liet den vos, die niets liever wilde

dan de nog altyd wegrollende rytuigen narennen, z'n zin, en schoot

vooruit. De dunne gordel omstanders brak af, en op-eenmaal bevond

zich de ruiter voor 'n kruiwagen, die de dubbele funktie vervulde van

voertuig en augurken-magazyn. Nog juist by-tyds hield de jonge ruiter

z'n paard even in, maar toch... 't was te laat om te wyken. Op-eens

liet hy den teugel schieten, en 't vlugge dier sprong welberaden over

't beletsel heen.

De weinige toeschouwers riepen: hé! en onze prinselyke adelborst

joeg den stoet rytuigen na, die sedert eenige oogenblikken in de

kalverstraat verdwenen was.

Het schoenmakertje, dat zooveel blyk gegeven had op de hoogte

van hofzaken te wezen, beweerde dat "ze" den Diemermeer zouden

doorryden, en, van daar terugkeerend, al de buitensingels om, door

de Haarlemmerpoort weer naar 't Paleis.

Wouter verheugde zich hartelyk in z'n afkeer van de puistige

Prinses. 't Was hem als 'n geschenk van 't lot, dat hy eens eindelyk

iets had te zien gekregen uit 'n sfeer die van de zyne zoo hemelsbreed

verschilde, en dat toch z'n begeerigheid niet opwekte.

Met dat schoone paard was 't iets anders! Wat 'n sprong! En wat

die jonge ruiter 'n lief gezicht had! Precies Hamlet... vóór 't

kleuren! Zoo'n paard zou hy ook wel eens bezitten, als-i maar op

goeden voet bleef met Femke...

Dit scheen hem de eenige bron van alle geluk!

...als Femke hem maar lief had! En... zoo niet? Wel, dan verkoos-i

niet eens 'n paard te hebben, geen ezel zelfs, en ... niets! 't Was

immers juist om door háár te worden bewonderd, dat-i z'n beest zulke

sprongen wilde laten doen over kruiwagens, of... hooger dingen!

In afwachting van die gelukzaligheid te-paard, sukkelde hy voorloopig

op z'n voeten verder, en raakte weldra in de buurt van Femke's huisje.

Hier zette hy zich op haar bleekveldjen in 't gras, en peinsde, en

voelde zich overmand van vermoeienis, en viel in 'n slaap die meer

onrustig dan verkwikkend was.

Hy droomde allerlei vreemde dingen, waarvan de hoofdzaak was dat 'n

jong meisjen op 'n tafel stond, en zich vermaakte met het opwerpen

en vangen van zware mannen in schippersdracht. Ze speelde er mee, of

't ballen waren...

--Laat ik haar nu goed aanzien, vermaande zich Wouter. Straks rydt

zy de lucht in ... ze ziet niet op 'n daalder... en daarom... al is

't nu maar 'n droom...

En hy zàg. Hy staarde zoo scherp als men dat in 'n droom kan, en hy

onderscheidde duidelyk de trekken van ... de kleine Sietske Holsma!

Zéker was zy het! Want ze riep heel verstaanbaar: 'n "massa" is

'n heele troep, weetje!

En met zoo'n massa--die precies geleek op Klaas Verlaan en de

zynen--kaatste zy...

--Dàt zal ik nu eens goed onthouden als ik wakker word, beloofde zich

Wouter. Men hoeft zulk volk maar tusschen duim en vinger in den nek te

pakken, en 't gaat vanzelf. Ik zal 't opschryven, want zoo'n droom...

Van Femke geen woord, helaas! Zou men niet bevreesd worden inteslapen,

als men bedenkt dat dit ons verleiden kan tot zooveel ontrouw, tot

zoo'n valsheid?

Lezers die gesteld zyn op deftige poëzie, kunnen ook dit

hoofdstuk weer overslaan. 't Is vol prozaïsch realismus,

zich openbarend in de hydrogymnastische oefeningen van 'n

kastalische-fonteinnimf--tevens van beroep: waschvrouw--met

'n ridder in de luur, die 'n brief ontvangt uit den hemel: mirakel!

Toen Wouter zich in 't gras zette met z'n rug tegen 'n boom, was z'n

voornemen daar te blyven zitten wachten tot-i leven bespeuren zou in

Femke's huisje. Al was 't dan hoogstonzeker of ze zich dáár bevond,

toch immers zou hy dan iets vernemen. In-allen-geval kon haar moeder

hem zeggen, zoo hoopte hy, of ze behouden was thuis gekomen, en of

de wond in haar hals of gezicht van beteekenis was? Want bebloed was

ze geweest, dit had-i duidelyk gezien.

Hy wist niet of ze gedurende haar tydelyke funktien by de Holsma's--'n

nicht... hoe zàt dat in elkaar!--op de Kolveniersburgwal sliep, of

's avends te-huis kwam by haar moeder. Maar hoe dit wezen mocht,

iets zou hy nu zeker vernemen, als-i maar wachtte...

Helaas! Om hem overeind te houden, waren drie stevige boomen niet

te veel geweest, en hy had er maar één. Hy viel dan ook weldra om,

en lag daar alleronfatsoenlykst. Z'n petje rolde in de sloot, en

verdween langzaam maar zeker onder 't kroos.

De zeer enkele voorbyganger die hem bemerkte, meende dat daar 'n

beschonkene lag, en was ruimschoots in de gelegenheid om bespiegelingen

te maken over de al te vroege rypheid van zoo'n jong ventje. Een

onderzoek naar de oorzaken van 't geval--hy toch kon ziek, gewond

of dood wezen--lag niet in de zeden. Dat zyn politiezaken. 't Was

volgens die zeden al wel, dat niemand hem leed deed.

Gelukkig was 't aantal voorbygangers, om 't vroege morgenuur, nog zeer

gering. Bovendien, hy lag niet zeer naby het pad dat door 't grasveldje

kronkelde, en de meesten gingen voorby zonder hem te zien. Maar straks

als er gebleekt moest worden, zoud-i in den weg liggen, dat was zeker.

Z'n droomen blyven--als 't wakend leven-zelf--'n zonderling mengsel van

schyn en werkelykheid. Een beetje waarheid, en veel bedrog ...ziedaar

alles! Om rechtvaardig te zyn jegens slaapdroomen, moet men erkennen

dat ze maar beschikken kunnen over één soort van leugen. Even als

dichters en lasteraars!--vinden ze niets uit, en bepalen zich tot

eenige verandering in 't rangschikken of samenvoegen. Personen, zaken

en denkbeelden wisselen gedurig van rol, en leenen van elkander 't

heterogeenste. Wouter droomde precies als 'n ander in zyn geval zou

gedaan hebben, d. i. onder den indruk van de gegevens die hem waren

meegegeven in den slaap, en van den boomwortel waarop z'n lenden

waren te-recht gekomen. Die wortel speelde voor juffrouw Laps die hem

pynlyk omhelsde, maar ze sprak daarby als oom Sybrand, over taal en

kippenhokken. Z'n moeder zag het aan, en geleek op koningin Elisabeth

die, volgens haar, Amerika had gekocht, en betaald met háár geldje:

honderd kromme pietjes. Klaas Verlaan droeg 'n fluweelen mantel, en

zat schrylings op 'n gevleugelden kruiwagen vol augurken, waarmed-i

heensprong over 'n dame vol puistjes en ridderorden. Daar kwam ook:

"massa"--persoon geworden--met 'n pruim in den mond, en verklaarde

dat-i Gooremest heette en op de Keizersgracht woonde, waar-i "met

God" in effekten deed. Een zevenklapper hield redevoeringen over

menschenrecht, en beukte Wouter in de ribben ... dit was weer de

schuld van dien wortel. Een vries-bont boezelaar zong: honneur au

plus vaillant, en scheen daarmee broêr Stoffel te bedoelen, die er

naar stond te luisteren, en met allerliefste bescheidenheid 'n wolk

van toegeworpen lauwerkransen opving op 'n yzeren leerlineaal.

Zoo ziet men, hoe billyk het lot is. Wie roem te-kort komt in

werkelykheid, krygt z'n deel in 'n anderen droom.

Maar, in-weerwil van 't vermoeiend geflikker dezer half-uitgewreven

en bont dooreen gemengde beelden van z'n herinnering, behield één

figuur vry standvastig haar trekken. Ze beheerschte elk tooneel dat

aan Wouter's verbeelding voorbyschoof. 't Was die van 't meisje dat op

'n tafel stond, en haar armen kruiste.

--Lieve goeie god, jongen, hoe kom je dáár? Hoe kom jy daar?

Zoo sprak 'n stem, eerst op eenigen afstand, toen naderby, en weldra

zelfs aan z'n oor. Hy had 'n flauw besef dat iemand bezig was hem

opterichten.

--Sietske! mompelde de slapende.

--Ja, zoo heet ik! Maar hoe weet jy dat?

--Sietske... Holsma!

--Wel zeker! Maar wie heeft je dat gezegd? En hoe kom je hier? Heel

fatsoenlyk is 't niet! Ben je dronken? 't Is 'n groote schande voor

zoo'n jong bloedje!

Ja, zeker was-i dronken. Maar 't was nog altyd van den slaap. En

nogeens sprak hy den naam van Sietsken uit.

--'t Kan me niet schelen dat je me by m'n voornaam noemt, maar ... hoe

kom je 'r aan? Heeft Fem je zoo wys gemaakt? 't Is 'n ware schand voor

god, dat ie hier zoo ligt als... 'n zwyn, dat zeg ik je! En zoo-even

nog... geen uur geleden, zat je d'r op als 'n banjer... 't Is schande,

zeg ik!

De persoon die aldus tot hem sprak, was by hem neergeknield. Ze

richtte hem wat op, en hy viel wezenloos tegen haar aan, zoodat ze

wel genoodzaakt was, hem weer in 't gras te leggen.

--Och, och, och, 'n waar schandaal! Zoo jong nog, en dan al zoo

gruweloos aan 't verpieteren!

De vrouw die zich met Wouter bezighield, scheen te willen voortgaan

met de niet ongewone fout, 'n beschonkene z'n schandelyken toestand

te verwyten op 'n oogenblik dat-i onvatbaar is voor rede. Maar op-eens

bedacht ze zich, en, van toon veranderend:

--Och, lieve god, 't is waar ook, riep ze, hoe kan ik zoo praten! 't

Kind is van 't paard gevallen, de stumpert! Jesis-Maria, wat

ben ik 'n gemeen schepsel! Zeg, jongeheer, ben je van je paard

gevallen? Och, och, och, wat doe je-n-ook op zoo'n beest! En... waar

is je skos-mussie? 't Stond je zoo aardig! En je sabeltje? 't Rinkelde

zoo! En nu al dood... Jesis-Maria! En je kleertjes? Och, lieve god,

hy is dood, en... van z'n paard gevallen! Ben je dood?

--Sietske! mompelde Wouter.

--Goed, goed, noem jy me gerust by m'n naam. Ik geef er niets om, want

groots ben ik niet, als je me maar zeggen wilt of je dood bent! Och,

och, och, Maria-Josef, hy is dood! Als Femke maar hier was!

Daar trilde iets in den zevenslaper: Femke! Was zy 't? Femke? Was

't niet Sietske?

--Sietske ben ik, zei... Vrouw Claus.

Deze vreemde mededeeling was de moeite van 't oog-opslaan waard! Maar

ze vielen weer toe, en hy tegen haar aan.

--Je mag me noemen zooals je wilt--gut, waarom niet? Ik ben

waschvrouw--als je me maar zeggen wilt of je je bezeerd hebt, en of

't erg is? En waar is je geruite muts? 't Is schande van je moeder,

dat ze je-n-op zoo'n beest zet ... 'n ware schande! Zeker heb je

armen en beenen gebroken? En je ribben? En misschien je nek, hè? Zeg

't maar, jongen! Ja 't is schande van je moeder! Zoo-even zag je 'r

nog zoo snoepig uit ... geen uur geleden! En nu ... leg maar gerust

tegen me-n-aan. Och, wat zal Fem er van zeggen? De meid zal desperaat

wezen, en... ik ook!

Wouter richtte zich 'n weinig op, en wreef zich de oogen uit.

--Zeg, wat is er aan je gebroken? Wil je dat ik pater Jansen laat

roepen? Och, 't wurm kan niet spreken! Wat is er aan je stuk?

--Stuk? Gebroken? Aan my?

--Ja, stumpert, zeg 't maar!

Wouter betastte zich. Toen z'n hand de plek bereikte, waar die

boomwortel z'n plooien en knoesten had ingestempeld, nam z'n gelaat

'n vragende uitdrukking aan. Geheel overtuigd dat men hem niet buiten

z'n weten had geradbraakt, was-i niet!

--Gebroken? Stuk? Ik?

--Wie anders?

--En... wie zou dat gedaan hebben?

--Wie? Wèl ... jyzelf, stumpert!

--Ik?

--Wat doe je-n-op zoo'n beest!

--Op 'n beest? Ik op 'n beest?

--Weet je dan niet dat je d'r afgevallen bent?

--Ik? Van 'n beest gevallen? Van welk beest?

--Van 'n paard immers? Weet jyzelf dat niet? Ben je dan

toch... misschien... 'n beetje... dronken ook?

--Ik? Dronken? Van 't paard gevallen? Ik?

En hy legde beide handen met wyd-uitgespreide vingers op de borst,

als om met onomstootelyke zekerheid vasttestellen van welke ikheid

hier de rede was:

--Ik? Ben ik dronken? Ben ik van 't paard gevallen?

--Wat ànders? Wie ànders?

--God, god, hoe is dàt mogelyk?

En nogeens betastte hy z'n rib die 't cachet droeg van den

boomwortel. Daarop greep-i Vrouw Claus by den arm, en schreeuwde,

op elk woord drukkende:

--Je... zegt... dat... ik... van... 'n paard... ben... gevallen?

--Ja, schaap, dàt zeg ik! Houd je bedaard!

Nu sloeg Wouter de handen aan z'n hoofd, misschien begrypende dat

dààr de ikheid woonde die geraadpleegd worden moest. De slotsom van

z'n overwegingen schynt zonderling, maar is natuurlyk:

--Ik wou me graag eens wasschen!

--Wel, dàt 's goed! riep Vrouw Claus verheugd. Zou er dan waarlyk

niets aan je kapot zyn? En waar is je muts?

--Wasschen, ging Wouter peinzend voort, met heel koud water!

--Goed, jongen! Kom maar mee naar de pomp! Ben je zeker dat je loopen

kunt? Heb je je beenen niet gebroken?

Wouter betastte ze, en zei zonder de minste overyling:

--Ik... geloof... het... niet!

--En je ribben?

--Ook... niet!

--En je nek?

--N...e...e...n!

Om de goede vrouw gerusttestellen, schudde hy langzaam 't hoofd,

maar hy had wel eenigen moed noodig om die gymnastische bewysvoering

te beproeven. 't Mocht eens niet lukken!

--Kom dan mee naar de pomp! En... zeg eens, jongen, maar jok niet,

ben je altemet niet 'n beetje... dronken ook? Zeg de waarheid!

Wouter stond langzaam op, bedacht zich vry lang, en zei, blykbaar na

konscientieuze raadpleging van z'n herinneringen:

--Ik geloof het niet! Maar... ik wou me zoo graag wasschen in heel,

heel, heel koud water... koud als ys!

Vrouw Claus geleidde hem in en door haar huisje naar 't erf daarachter,

waar 'n groote pomp stond.

--Kleed jy je maar gerust uit, m'n jongen! Niemand kan je hier

zien. Maar... hoe kwam je 'r toe, my zoo op-eens by m'n voornaam te

noemen? Niet dat ik 't kwalyk neem, gut né, maar...

Geheel wakker was onze slaper nog niet. Hy had tyd noodig om z'n

herinneringen te regelen, en 't werkelyk gebeurde te zuiveren van de

laatste droomerige toevoegsels, Hy verzekerde daarom dat-i... hoofdpyn

voelde, en niet zou kunnen spreken voor-i zich behoorlyk gewasschen

had. Vrouw Claus bemerkte dat-i te beschroomd was om zich te

ontkleeden. Met kostbare naïveteit dacht zy te-dezer-zake in 't

minst niet aan zichzelf, en meende al heel veel gedaan te hebben om

Wouter gerust te stellen, door 'n paar lakens over den rand van 'n

latten-schutting te slaan, zoodat nu 't erfjen, op de zoldering na,

vry wel naar 'n afgesloten kamer geleek.

--Zie zoo, m'n jongen, nu kan geen mensch je zien, geen sterveling! Wie

dáár overheen kykt, moet knap wezen!

Geen "mensch" geen "sterveling?" En zy dan? Wouter wist waarlyk niet

hoe hy 't had. Gister nog zoud-i misschien zonder den minsten erg...

Ach, hy was zooveel ouder sedert gister! En 'n beetje wyzer ook! En

dus... iets minder onnoozel ook! Of hoe anders moet het heeten,

die schroom om zich te stellen op de laagte of hoogte van Vrouw Claus?

--Ja, ja, ik begryp best wat je mankeert, zei ze. Je hebt je leedjes

niet tot je wil, dàt is het! Wat doe je-n-ook op zoo'n beest!

En ze pakte hem flink beet, en begon hem te ontdoen van z'n kleeren,

en Wouter liet haar begaan alsof hy vyftien jaar jonger geweest

was. 't Moest wel! Hy voelde zich vernietigd, en al wat in hem was,

loste zich op in één uit afmatting berustend: in-godsnaam! De flauwe

tegenstand dien-i nu-en-dan bood, werd door z'n baker opgevat als

kinderlyken gril, en dáármee wist ze raad! 't Scheelde weinig, of

ze had er 'n "suia, suia, kindje" by gezongen. Want--honni soit qui

mal y pense!--zoo bakerlyk was haar indruk by 't uitkleeden van den

jongen ridder.

Toen ze gereed was, zette zy hem op 'n laag bankjen onder de pomp,

en sloeg de hand aan den slinger. By de eerste druppel rilde hy, en

weldra klaterde 'n breede waterstraal hem op hoofd en schouders. Van

teweerstellen was geen spraak. Hy kon zien noch spreken, en Vrouw

Claus vatte z'n "brrr!" dat misschien beteekenen moest: "genoeg,

genoeg!" als 'n betuiging van tevredenheid op.

--Ja, zieje, na zoo'n val stygt het bloed...

'n Pompslag!

--Brrr!

...naar je hoofd! En de kou van 't water...

'n Pompslag!

--Brrr!

...als je maar niet je nek gebroken hebt...

'n Pompslag!

--Brrr!

...want dan helpt het niemendal! En...

'n Pompslag!

--Brrr!

...als je ribben stuk zyn, ook niet! Zou je niet...

'n Pompslag!

--Brrr!

...denken, dat het nu genoeg is! ik heb...

'n Pompslag!

--Brrr!

...pyn in m'n milt! Maar anders, ik...

'n Pompslag!

--Brrr!

...ik wil wel! Zoo lang als je maar...

'n Pompslag!

--Brrr!

... als je maar wilt!

Op-eens hield zy op, maar liet den slinger niet los, zeker om blyk

te geven van goeden wil om terstond weer te beginnen, als de patiënt

het verlangen mocht.

--Gut, ik heb vergeten je te vragen of je misschien liever hebt...

--Brrr!

...dat ik je boen met groene zeep? Zoo wascht zich onze Fem altyd,

weetje? 't Vel glimt er zoo van! Je moest haar rug eens zien... 'n

ware spiegel, kompleet 'n spiegel!

Wouter wilde heusch iets zeggen, maar kon niet. Wàt zoud-i gezegd

hebben? Femke's rug, een... spiegel?

--Ja, en haar voorhoofd ook? Heb je dat nooit opgemerkt? Nu, dat komt

alleen van de groene zeep! Is je moeder niet gewoon je te wasschen

met groene zeep? En dan... boenen, weetje, schuieren, schuren,

flink! Maar ben jy gewoon 't zonder zeep te doen? Gut, dat wil ik

ook wel...

En ze maakte zich gereed om weer te beginnen. De vreeselyke slinger

rees...

--Ik... geloof... heusch... dat het nu wel genoeg zal wezen,

bibberde Wouter.

En hy kreeg 'n gulp water in de mond, zoodat zy hem alweer niet

verstaan kon.

--Groene zeep is ook goed voor peesknoopen...

--Brrr!

...en rimmetiek! Als je maar van-binnen niet heelemaal stuk bent,

want dan...

--Brrr!

...is er niks an 'n mensch te doen.

Het was niet zonder inspanning, dat Wouter, koud, moe, beschaamd en

gebiologeerd, het waagde zich en z'n bankje eventjes van onder den

straal wegteschuiven. Dit sprak iets duidelyker, en bad vry welsprekend

om genade. Eigenlyk had-i gedurende de heele kunstbewerking niet

anders gedaan, maar wat baatte het? Besef om optestaan had-i niet. En

bovendien... de goeie vrouw had z'n kleeren over 'n droogstok geslagen,

die niet onder z'n bereik was, en hy, gaandeweg wakker geworden, begon

schaamte te voelen over z'n volslagen gemis aan bedekking. Hy bleef

onbewegelyk zitten, maakte zich zoo klein mogelyk, en verschool z'n

kin tusschen de knieën. Ik denk dat Adam in Genesis III ook zoo-iets

gedaan heeft, en dit zal wel de oorzaak geweest zyn, waarom hy in dat

verdrietig hoofdstuk van de paradyshistorie zoo moeielyk te vinden was.

--Wou je nog wat? vroeg z'n goedige Najade.

--Neen, neen, o neen, antwoordde hy snel, bevreesd dat 'n nieuwe

straal--de slinger rees al!--hem weer de spraak zou afsnyden. Neen,

maar...

De onschuldige vrouw begreep niet wat hy wilde. En daar-i als 'n

klomp en in-een gedoken zat:

--Heb je véél pyn? vroeg ze.

--Neen! Pyn juist niet, maar ...

--Ben je misschien moe van 't ryden?

--Van 't ryden? Ja, ja, ik ben erg moe!

--Dàt is het! riep Vrouw Claus. En ik heb 't wurm in z'n slaap

gestoord! Weetje wat we doen zullen? Je moet wat slapen... dat denk

ik er van.

En met 'n onbeschroomdheid, waarvoor ik eerbied vorder van den

lezer--zouden er zyn, die hiertoe te laag staan?--droogde zy Wouter

af. Ze trok 'n beddelaken van de schutting, wikkelde hem--zoo

opgevouwen als-i was--daarin, en droeg 'm weg als 'n pakje waschgoed.

Hy voelde dat ze hem neerlegde, en warm toedekte...

--Strek jy je beenen gerust uit, m'n jongen, als ze maar...

in-godsnaam niet gebroken zyn.

Wouter deed wat ze gelastte, en voelde 'n onbeschryfelyke gewaarwording

van welbehagelykheid. Z'n lichamelyke aandoening steeg tot verrukking,

toen z'n voedster de dekens naast hem "instoppende" de heerlyke

woorden uitte:

--Ja, slaap maar, arm kind. Je ligt daar goed... dat is 't bedje van

onze Fem, weetje!

Op Femke's bed! Wèl mocht Vrouw Claus zeggen dat dit hem goed zou

doen! Was 't niet jammer dat-i de kracht niet had, zich wakker te

houden om te blyven beseffen waar-i was! Hy beproefde dit... als

kleine man en als ridder, maar hy bezweek als 'n mensch.

Doch hoe plezierig 't wakkerblyven zou geweest zyn, ook de slaap--nu

van gezonder aard dan zoo-even op dien boomwortel met wat gras er

naast--werkte weldadig. Straks by 't ontwaken, zoud-i heel op z'n

gemak aan Femke denken. Zoo had hy zich voorgenomen toen-i Vrouw Claus

hoorde wegsluipen tot halfweg de deur. Voor ze die geheel bereikt had,

nam hy niets meer waar, zelfs z'n droomen niet.

Wel beschouwd, hy had tot-nog-toe niet te klagen over Fancy's leiding,

al koos ze vreemde middelen om hem optevoeden tot mensch...

Want--onder ons, lezer--dáárop eigenlyk scheen de zaak aangelegd!

Toen-i zoo ongeveer tegen vier uren in den namiddag wakker werd,

hoorde hy fluisterend spreken. Hy spande zich in, eerst om te weten

waar-i was, toen om te begrypen hoe hy daar kwam, en daarna om te

verstaan wat er gezegd werd.

Het scheen er op toegelegd, op-nieuw voedsel te geven aan de

zonderlinge verwarring tusschen Femke en Sietske, die in z'n gemoed

ontstaan was. Zeer duidelyk hoorde hy Vrouw Claus zeggen:

--Ja, Siet, maar... wat doet-i op zoo'n paard! Als ik z'n moeder was...

En hoe Sietske nogal nuffig antwoordde:

--Nicht, ik denk dat z'n moeder er niets van weet. Herman heeft het

ook eens gedaan, want, nicht, de jongens zyn zoo!

Dus: Sietske was dáár! En... Vrouw Claus was haar nicht, en heette

ook Sietske! En... 't meisje dat op de tafel stond...

Och, op-eens voelde Wouter zich weer minder gelukkig! Hy kon maar

in 't geheel niet wys-worden, noch uit het gebeurde, noch uit z'n

aandoeningen. Lichamelyk gevoelde hy zich welvarender dan ooit...

Nooit had-i zóó 'n bad ondergaan, nooit zóó geslapen, na zóóveel

spanning en vermoeienis!

...maar juist dit gaf hem volle ruimte om verdriet te voelen over de

verwarring van z'n denkbeelden. Was... dàt, dàt en... dàt, wáár, of

was 't niet waar? Daarop moest orde gesteld worden! Straks misschien

zou men hem komen vertellen dat-i op 't bed lag van Klaas Verlaan,

of van de liefelyke weduw Gooremest!

Neen! Zóó ver zou de helsche spokery niet gedreven worden! Hy lag

wel inderdaad in Femke's kamertjen, of in haar bed toch, want 'n

byzondere kamer had ze zeker niet.

--Als ik nu 'n stuk uit het laken knipte, dach hy, om morgen te kunnen

zien en tasten, en zeker te zyn?

En hy bracht er Samuel 26 by te-pas, en droomde zich voor, hoe hy Femke

zou bezweren dat-i haar spies en waterkruik niet had meegenomen om te

dienen als getuigen tegen háár--'n spies zag hy niet, maar 'n Rebekka

stond er--doch alleen om zichzelf 't zwygen te kunnen opleggen, als hy

eens later weer mocht beginnen te vragen, te twyfelen, te ontkennen...

Wat overigens het beddelaken aangaat, waaruit hy naar Davids voorbeeld

'n slip snyden wilde... 't was eigenlyk jammer dat-i niet aan zeer fyn

linnen gewoon was. Dit belette hem, de poëzie van 't byzonder grove

te genieten. Rein wàs dat lynwaad, als zy die daartusschen geslapen

had! Maar Wouter stond nog in lang niet hoog genoeg, om gevoelig

te zyn voor schoonheid in 't geringe. Was-i niet nog kinderachtig

verslingerd op fluweel, goud, satyn, en zulke voddery? Het zeer

grove weefsel van die lakens was wel inderdaad nog altyd te grof

voor z'n smaak, doch hierom alleen wyl die smaak niet fyn genoeg was

om de tegenstellend-fyne beteekenis der grofheid van dat weefsel te

waardeeren. Gelyk zeker soort van boekenmakers, zoud-i 'n prinses laten

slapen op geborduurde zyde... waarom niet op paarlen, tusschen lakens

van scherpgeslepen diamant? Hy wist nog niet dat men zich--behoudens

alle deftigheid, en eerbied voor de grondwet--Koninklyk-Keizerlyke

Hoogheden by-nacht, ànders kan voorstellen, en dat eenmaal misschien

'n prinses zich te gering achten zou, om Femke's bedje te schudden.

Neen, neen, zóó ver was Wouter nog niet! Toch keek hy met innig

genoegen 't kamertje rond, en ademde den geur in, die z'n verbeelding

meedeelde aan alles wat-i zag. Al voelde hy zich dan niet in-staat,

den hier uit alles sprekenden eenvoud boven boekerige majesteit te

stellen, toch was-i reeds genoeg gezuiverd van 't àllergemeenste,

om die eenvoudigheid hooger te schatten dan 't benauwd-burgerlyke

waaraan-i gewoon was en dat hem zoo kwelde. Aan paleizen--die hy

nog nooit gezien had--bleef-i nog altyd de voorkeur geven boven

'n hut. Maar te kiezen hebbende tusschen hutten en huizen, tusschen

armoede en burgerlijkheid... o, dan helde z'n smaak onvoorwaardelyk

over naar den kant van 't geringste.

En, alweer bedroog zich z'n smaak! Om nu niet te spreken van 't

onrecht dat-i aandeed aan wat ik nu in één woord: "burgerlykheid"

noem, door de achter- onder- boven- voor- zy- en opkamertjes waarin

dat maatschappelyk standpunt zich tot-nog-toe aan hem had geopenbaard,

te verheffen tot type--hy zag, door vergelyking dáármee, de Holsma's

voor ryk en voornaam aan--in veel wyder opzicht beging-i 'n fout. Noch

hutten, noch grove beddelakens, noch achterkamers, noch paleizen, noch

zelfs... de puistjes van 'n Palatine, bedingen--d. i. veroorzaken of

weren--de poëzie! Voor haar is dit alles gelyk. Zy zoekt en vindt

haar voedsel in 't schynbaar geringe, niet meer--maar vooral niet

minder ook!--dan in voornaamheid. Gelyk 'n godin--dit is ze, en... de

eenige!--alles overziend, alles waardeerend op juisten prys, alles

vervormend naar háár beeld, alles behoudend, samenvoegend en gebruikend

voor háár doel, de ongelyksoortigste bestanddeelen overgietend met

háár kleur, heft ze alles gelykmakend tot zich op, zonder aanzien van

persoon, standpunt of omgeving. Dit is haar roeping, haar behoefte,

haar Wezen.

't Was nog al wèl, dat Wouter niet naar juweelen zocht in 't kamertje

van de prinses zyner ziel. In-plaats hiervan bemerkte hy dat er nòg een

slaapplaats was: 'n "bedstee." Daar sliep zeker Femke's moeder. Tegen

een der wanden van 't vertrek was 'n wyde gemetselde schoorsteen,

alleraardigst gekleed in Delftsche ticheltjes. Ze stelde met hun allen

de opwekking van Lazarus voor, en de man met wien ik den lezer by 'n

vorige gelegenheid in kennis bracht [8] ontbrak niet. Wouter voelde

zich door dit staal van al te wonderbewyzend realismus minder gestuit

dan anders 't geval zou geweest zyn, want... op die poppen had Femke's

oog gerust. Dit denkbeeld adelde alles wat-i zag. Het kamertje was

overigens gemeubeld met vier matte-stoelen, waarvan een voor 't bed

stond, met z'n kleêren, netjes gerangschikt en blykbaar gereinigd,

er op. Zelfs z'n ryglaarsjes waren gepoetst. Die goede Vrouw Claus!

In 't midden van de kamer zag hy 'n vierkante tafel, waarin 'n

lade die openstond. Het ding kon niet anders, omdat het gaapte door

overlading. De ons bekende wollen kousen staken boven den rand uit,

en wachtten op herstelling of misschien op terugzending naar den

eigenaar... naar pater Jansen? daar was meer brei- en ook naaiwerk

in die lade... goeie hemel, geestelyke onderbroeken misschien!

Wouter sloot z'n oogen, en keerde zich gemelyk om. Wollen

kousen... va! Maar die onderbroeken... hy zag geen kans ze te

poëtizeeren! De schuld lag aan die broeken niet, meende hy, maar aan

den pastoor. Ik zeg dat de schuld aan hemzelf lag. Of er onderbroeken

lagen in die uitgeschoven tafella, kan ik niet zeggen, doch zoo ja,

dit zou voor Wouter geen reden geweest zyn, zoo vies z'n oogen te

sluiten. We willen hopen dat-i 't maar deed om 'n voorwendsel te hebben

tot nadutten. Dit kon wel wezen, want al voelde hy zich hersteld van

de vermoeienis, hy was nog niet bekomen van den slaap. Toch begreep hy

dat er 'n eind moest komen aan z'n Capua. Niet zonder inspanning sloeg

hy de oogen weer op, en zag nu iets dat hem liefelyker voorkwam. Aan

den wand by 't hoofdeneind van z'n kribbe--heel veel meer was Femke's

bedje niet--hing 'n krucifix met wywaterbakje van zeer gewonen steen,

waarop de bezitster hoogen prys scheen te stellen. Daaraan toch had

zy de eenige versiering aangebracht, die van haar hand in 't gansche

vertrek te vinden was. Het rustte tegen 'n vierkant schildje van

haakwerk, dat op 'n blad karton was gespannen. Blauw glanspapier

gluurde vriendelyk door de symmetrische gaatjes.

"Daarmee zegende zy zich" dacht Wouter, en onwillekeurig stak hy de

hand in 't bakje...

Het was droog. Nu, om 't water was het ons protestantsch jongetje

niet te doen. Hy wilde slechts z'n hand... wyden door aanraking met

iets dat door háár voor heilig gehouden werd. Hy wist met dogmatische

precizigheid--lieve god, op z'n katechizatie was-i de eerste in die

zaken, en had er mooie pryzen mee behaald--dat Roomschen zeer dom zyn,

en aan allerlei gekheid gelooven. Hierin namelyk ligt het verschil

tusschen Katholieken en... andere menschen. Wel beschouwd, begreep hy

dus zeer goed dat zoo'n wywaterbakje niets helpt voor de zaligheid,

en dat de lieden die aan zulke prullen gewicht hechten...

Maar Femke dan? Was ook zy zoo byzonder afschuwelyk papistisch

dom... zy? Wel neen, ze was... Femke! Dit beteekende heel iets anders

in Wouters oog. Aan z'n eigen afgodery met háár, dacht-i in 't geheel

niet. Daarvan stond niets in z'n katechismus, en hy hoefde er dus

niet tegen te waken.

Heel onprotestants sloot-i z'n vingers om den rand van 't schulpjen, en

trachtte zich voortestellen dat ze daar háár vingers ontmoetten. Dat

steenen ding was wel Femke niet, maar 't kwam hem te-hulp in 't

aanschouwelyk vóór zich dagen van haar beeld, en alzoo...

Wat is dàt?

Iets als 'n brief van zeer groot formaat, toegevouwen en dichtgegomd,

viel van achter 't karton uit, en op z'n bed. Wouter nam het op, en

zocht--'n oogenblik lang door naïveteit bewaard voor verbazing--naar

't adres... aan hèm, natuurlyk! Het steenen Jesusje had hem iets te

zeggen, naar 't scheen. Een achtste kruiswoord misschien? Of kwam de

boodschap van... haar? Of van beiden tegelyk?

Zóó was de eerste indruk van ons protestanterig vrydenkertje. Een

adres stond niet op den brief, doch in-plaats daarvan, 'n datum van

'n maand of wat oud. Gelukkig dat Wouter zich 'n oogenblik bezon,

voor hy den omslag losbrak. Reeds was z'n onbescheiden vinger daartoe

gereed, toen-i zich nog juist by-tyds verweet dat het stuk onmogelyk

aan hem kon gericht zyn. Immers, welke besteller had hem kunnen vinden

in dat domicilie? Hyzelf begreep ter-nauwernood waar-i was. Dit konden

bovendien noch Femke weten--hy vergiste zich: ze wist het--noch dat

steenen poppetje.

Maar... 'n wonder? Gekheid! De "Heere" doet geen wonderen dan... op

zeer grooten afstand en... heel lang geleden. Dit is elk rechtschapen

Protestant bekend.

Uit al deze beschouwingen,vloeide rechtstreeks de slotsom voort dat

de geheimzinnige dépêche onmogelyk voor hem kon bestemd zyn...

Domme jongen! De brief was wel degelyk aan hem gericht! Met al z'n

wonderhekel wàs-i wel genoodzaakt den inhoud te zien, te begrypen,

in zich optezuigen...

Bevend van aandoening en met eerbied plaatste hy 't kostbaar

stuk--ongeopend... maar gelezen en verstaan hàd hy 't!--op de oude

plaats, en sprong 't bed uit.

Hy had den gesloten brief tegen 't licht gehouden, en... zyn gekleurde

Ophelia herkend. Dat beeldje bewaarde Femke in haar binnenste Heilige

der Heiligen...

Nu eindelyk was-i wakker. Wie zou niet wakker worden na 't ontvangen

van zóó'n brief uit den Hemel?

Nieuwe blyken der verdorvenheid van Vrouw Claus--en van

den auteur--in-zake: aesthetika. Een weerbarstige verloren

zoon. Verschyning van 'n muts en 'n Sybille. Geroepen, en... àls

geroepen! Wouter begint iets van de "vier windstreken" te zien.

Hy kleedde zich aan, en trad in het andere kamertje, waar-i z'n

gastvrouw en de kleine Sietske meende aantetreffen. Maar er was

niemand. Nu eerst bedacht hy dat-i, na de weinige woorden die hy

verstaan had, geen verder gesprek had waargenomen. Het jonge meisje

was zeker na 'n kort bezoek by haar "nicht" reeds weder vertrokken.

En Vrouw Claus zelf? Blykbaar had ook deze haar huisje verlaten, doch

ze deed het niet zonder 'n eigenaardig kenmerk achter te laten van

haar ruw karakter, grove levensopvatting en gebrek aan opvoeding. Dat

heeft men van de menschen die nooit verzen of romans lezen!

Verbeeld u, lezer, wat het onbeschaafde vrouwmensch zich veroorloofd

had! Op 'n klein witwerks-tafeltje, waarby 'n stoel stond aangeschoven

als om uittenoodigen tot plaatsnemen, lagen twee boterammen van de

ons bekende soort op 'n ontbytbordje, en stonden mèt dat bordje op

'n alleronhebbelykst groote kom koffi. Die koffi was nagenoeg koud,

maar... overigens? Zouden niet sommige smakelooze realisten iets als

gloed meenen te ontdekken in dien toestel? Hoe jammer, niet waar, dat

zoo'n vrouw niet in haar jeugd door den bekenden: "dominee die terstond

bemerkte dat er wat in zat" gekuischt was met latynsche verzen! Zonder

maat, rym, spondaeen of mythologie, schreeuwden die plompe boterammen:

--Tast toe, m'n jongen! Je moet honger hebben!

Zóó verstond Wouter de alexandrynen van Vrouw Claus. En hy handelde

flinkweg naar z'n overtuiging, door ze met smaak te verslinden,

waartoe wel eenige volharding noodig was, want waarlyk ... één

mondvol meer, en 't was te veel geweest. Hy voelde zich versterkt,

en ook die lauwe koffi deed hem goed. O, dat heerlyke, heerlyke

proza! Zoo'n namiddag-ontbyt...

't Is waar ook! Eigenlyk was 't plan geweest, dat-i zou ontbeten

hebben by...

Hy ontstelde, en verviel--nu door honger noch slaap gekweld--in angst

voor den afloop van z'n zonderlinge uithuizigheid. Het huis Pieterse

torende als 'n verzwelgende waterhoos voor z'n verbeelding op, en

verdreef zelfs de behoefte aan opheldering van al de mysterien die

hem omstrikten.

Naar huis? Hy durfde niet!

Z'n moeder, Stoffel, z'n zusters... zy allen vertoonden zich als

Shakespearsche heksen, met kromme nagels, en ongekamde slangen op het

hoofd. Zelfs Leentje, z'n goedig advokaatjen anders, zou hem--als

by gelegenheid van de aardappelgeschiedenis--verraderlyk afvallen,

en zeggen:

--Ja, maar... zieje, Wouter, dat 's ook geen fatsoenlyke manier van

doen! Déze keer moet ik heusch je moeder gelyk geven. Weetje wat je

doen moet? Vraag excuus, en zeg dat je 't nooit weer zult doen.

Och, och, Leentje, je weet niet wat je zegt, kind! Ik geef 't je-n-in

drieën, in zessen, in tienen, om na zóó heen-en-weer te zyn gegooid...

Een oogenblik dacht Wouter aan 't vierde tafereel van den Verloren

Zoon... hm! Hy wist zeer goed dat de zaak niet op vergiffenis en

kalfsvleesch zou uitloopen. "Vader--dit werd: "moeder" hier, maar

't variantje doet niet tot de zaak--moeder en Stoffel dan, ik heb

gezondigd...

Sakkerloot, ik hèb niet gezondigd! Niets ... niemendal! Heb ik wat

verkwist? M'n erfdeel? Geen duit! Heb ik wyn gestort? Geen drup!

De zuivere waarheid! Noch juffrouw Laps, noch Vrouw Gooremest,

wat dan ook overigens de grieven van deze beide dames tegen Wouter

wezen konden, hadden 't recht hem aanteklagen van bovenmatige

spilzucht. En... Vrouw Claus? Deze had hem, ongevraagd-ongeweigerd

immers, krediet gegeven voor koffi, boterammen en verblyf... dagverblyf

slechts, nu ja, maar dit kon nu eenmaal niet anders, omdat de

nacht onherroepelyk was voorby geweest toen ze hem opvischte van

dien boomwortel. Kon hy dit alles helpen? Was-i nu daarom prodigue,

of... verloren dan, als men zich koppig houden wil aan den hollandschen

tekst, die nog altyd--volgens juffrouw Pieterse--de eenig-ware is?

Wouter vloekte nogeens: sakkerloot! Verder durfde hy ditmaal niet gaan,

hoewel-i terdeeg boos was. Hy kon niet wys-worden uit al z'n zonden,

en begreep toch dat er iets aan hem haperde, want... naar huis durfde

hy niet.

Met wyde stappen liep hy de enge kamer op-en-neer, en sprak of dacht:

--Heb ik pleizier gehad? Neen! Heb ik gastmalen aangerecht

met vier dames? Neen! Heb ik jachthonden laten rondloopen in de

eetzaal? Neen! Heb ik al m'n goederen op 'n kameel gepakt? Neen! Heb

ik 'n zwarten knecht gehad, die m'n paard hield? Ben ik er op gaan

zitten? Weggereden...

Hier bleef-i steken! Van kameelen en hooggekleurde juffers voelde hy

zich zuiver. Ook van jachthonden, wynkruiken en dien zwarten knecht,

maar... 'n paard? En... ryden?

Vrouw Claus was toch niet gek, niet beschonken! Had ze hem op z'n paard

gezien... ja of neen? Had-i op zoo'n beest gezeten... ja of neen? Zoo

neen, dan was ook dat meisjen in de herberg niet Femke geweest! Dan

was zy evenmin Sietske geweest! Dan was ook die kroeg geen kroeg

geweest, die schipper geen schipper, Laps geen Laps, likeur geen

likeur... dan was àlles schyn, verblinding, droom, goochelspel, waan,

bedrog, razerny, dolheid! Dan was ook het standbeeld met gekruiste

armen en strengen blik... o God, zou ook dàt niets geweest zyn dan

'n sarrend spook?

Maar... dit was nu de vraag niet. De vraag was, hoe hy 't moest

aanleggen om zich weer te doen inlyven by den huize Pieterse, waartoe

hy nu eenmaal van gods- en rechtswege behoorde...

Hy pluisde de kruimels van z'n bordjen, en riep, ditmaal niet zonder

onbehoorlyk zeedyksch tusschenvoegsel:

--Ik wou--...........--dat ik zoo'n kruimel was! Dan wist ik ten-minste

waar ik heen moest!

En hy stak 't ding in z'n mond.

Ziedaar de eerste broodkruimel die zich beroemen kan, benyd te zyn

geworden door 'n heertje van de Schepping.

--Naar... Amerika?

Dit lachte hem wel toe. Als-i maar in 't bezit was geweest van de

fameuze honderd guldens, waarmee men--volgens z'n moeder--in dat land

kan leven als 'n prins. Doch, nader overlegd, ook die verbazende som

zou hem niet geholpen hebben. Hy kon immers 't huisje van Vrouw Claus

niet ongesloten overlaten aan de hebzucht der voorbygangers? God weet

wie daar al zoo vermoord zouden worden, als voorbygaande booswichten

't leeg vonden, en onbewaakt! Mocht hy z'n post verlaten, hy die

aanvankelyk was uitgetrokken--'t is waar ook, maar 't was hem

ontgaan--tegen roovers? En, zonder nu juist aan moord of doodslag

te denken, was 't geen medeplichtigheid aan heiligschennis, Femke's

wywaterbakje--en wat daar achter stak!--bloottestellen aan den

ongewyden blik van nieuwsgierigen?

--Neen, neen, riep-i, en hy nam de huisgoden tot getuigen, ik ga niet

naar Amerika!

Bovendien, wat zoud-i daar doen, zonder... háár? Dat de Weledele heer

Motto vertrokken was in z'n eentje, was zyn zaak--ieder moet handelen

naar z'n overtuiging!--maar hy, Wouter, 'n nieuw werelddeel betreden,

zonder by 't aan-wal stappen, het neerteleggen voor háár voet... zonder

tot háár te zeggen: trap er gerust op, daartoe juist heb ik 't expres

veroverd voor jou... dat nooit!

Amerika zelf zou 'r geen vrede mee hebben! Wat is 'n ridder zonder

dame? En welk werelddeel nam ooit genoegen met 'n zoo gebrekkig

toegerusten veroveraar?

De zaak was nòg onmogelyker dan ze hem in-den-beginne toescheen. By

nader inzien kon-i evenmin naar Amerika, als naar huis... hy had geen

hoed, geen pet, geen muts! Verbysterd keek hy rond, en zag niets dat op

'n hoofddeksel geleek. Toch wel! Daar hing 'n noordhollandsch-friesche

kap op 'n mutsebol, maar...

De deur werd behoedzaam geopend, en 'n onzichtbare hand die om den

rand boog, hield Wouter 'n elegant mutsje voor... precies geschikt

voor veroveraars, en jongeluî die 't worden willen. Wouter sperde

mond en oogen op, en stond daar als 'n verbaasde Term...

Wouter's verbazing was gegrond. Hy staarde 't geheimzinnige mutsjen

aan, en twyfelde weer of-i wakker was. Het aardig spookje scheen

aan den rand van de deur te kleven, maar onbewegelyk was het

niet. Verbysterd vroeg Wouter, alsof hy te doen had met 'n levend

voorwerp:

--Waar kom jy vandaan? Wat wil je van me?

't Was al wel dat-i niet, gelyk Luther den Duivel, 't onschuldig

voorwerp iets naar den kop keilde. Z'n boterambordje, byv. dat zeer

geschikt was voor zoo'n worp.

Er was beweging in de deur, en ook 't mutsje trilde. Nogeens vroeg

Wouter vry onthutst--'t klonk inderdaad als 'n vade retro!--wat

het wilde?

Als 't mutsje zelf geantwoord had, zoud-i 't op dit oogenblik niet

vreemd gevonden hebben. In-plaats daarvan echter piepte een bevend

stemmetje van achter de deur:

--Ben je nog heelemaal naakt, jongeheer? Ik mag niet binnen komen. Hier

is je mussie ... neem maar aan... als je de rechte bent, want dat

moet ik eerst weten.

Wouter bekeek zich. "Ik... naakt? Wel neen! En... de rechte? Ben ik

de rechte?" Dit scheen-i niet te weten.

Hy liep naar de deur. De muts verdween, en de deur werd toegetrokken

tot op 'n kier.

--Wie is daar? Wie ben je? snauwde hy.

--Ik ben 't Stakkervrouwtje. Ben je nog heelemaal naakt, jongeheer? Ik

breng je je mussie... as jy 't bent, de rechte!

Woedend rukte Wouter de deur open, en grimde de zonderlinge

boodschapster aan ...

'n Heks, 'n ware heks! De gelykenis met een der Megaeren uit den

Macbeth op z'n printen, was treffend.

Wat al overleg moet het Fancy gekost hebben om die vrouw te doen

geboren worden op 't vereischt oogenblik, en haar tachtig jaar in

't leven te houden--in wèlk leven!--om dáár op haar post te zyn met

'n muts in de hand, juist toen hy om zoo'n kleedingstuk verlegen

was. O, domme ondankbare Wouter! Want:

--Wat motje? zeid-i zoo ruw mogelyk.

De arme mismaakte stumpert schrok drie waggelingen achteruit.

--Is uwe niet naakt meer? Wezenlyk niet?

--Heere-krrristis, wyf--de lapsische verbazings-terminologie had

school gemaakt--wat wil je van me?

Ze bekeek Wouter van 't hoofd tot de voeten.

--Ze had gezegd dat je rooie lappies op je kraag had...

--Wàt op m'n kraag?

--Rooie làppies. En 'n sabeltje!

--En dat ze je-n-onder de pomp had gezet...

Dit klonk minder onzinnig. Onder de pomp was-i geweest, inderdaad

en... terdege! Maar wat er nu volgde, maakte Wouter weer kriegel.

...en heelemaal naakt had uitgekleed... as 'n wurm. En dat ik

niet moest binnengaan, omdat ze niet wist of je-n-al je kleertjes

áánhad. Waar is je sabeltje?

Ze hield het mutsjen op haar rug, als om te betuigen dat ze 't niet

zou afgeven voor ze dat sabeltje zag.

Wouter wist niet wat-i zeggen zou, en begon weer te twyfelen aan z'n

verstand. Na eenig zwygen:

--Wie bèn je?

--En wie ben jy dan, jongeheer? Ben jy 't matroossie die van 't paard

is gevallen? Je ziet er niet uit als 'n matroos, en ik geef je de

muts niet! Vrouw Claus zou me...

De naam van z'n gastvrye bronnefee bracht Wouter tot nadenken. Hy

meende 'n gelegenheid te bespeuren, eenig licht te doen opgaan over

al de geheimenissen die dreigden hem krankzinnig te maken. Op-eens

van toon veranderend, noodigde hy 't oude vrouwtjen uit, binnen te

komen. Ze gaf hieraan aarzelend gehoor, maar bleef den muts aandrukken

tegen den onderkant van haar bochel.

--Vertel me-n-eens, zei Wouter zoo minzaam hem mogelyk was, wat je

hier komt doen, en wie je gezonden heeft? Wil je niet zitten vrouwtje?

En hy schoof haar 'n stoel toe. Maar ze kon er geen gebruik van

maken. Ze was te verdraaid van gestalte, en bovendien te klein,

om zich ter-ruste te zetten op zoo gewone wys.

--Ja, zitten wil ik wel, maar dat doe-n-ik zoo op m'n eigen manier. Heb

je niet 'n stoof voor me? Die geeft me Vrouw Claus ook altyd, als

ik hier kom eten, want ik eet hier driemaal in de week. Daar staat

er een...

Wouter volgde de richting van haar vinger, en zag 'n drietal stoven

op 'n stapeltjen in den hoek staan. Hy vloog er heen, greep er een

in de traditioneele vyf gaatjes, en zette den troon die z'n sybille

zou dienen voor drievoet, achter haar neer. De handbeweging die nu

tot plaatsnemen uitnoodigde, was waardig, vroom, bevallig, galant,

in één woord: ouwerwetsch-ridderlyk. Hoe ànders? Die vrouw spysde

driemaal 's weeks in dat huisje. Die vrouw had Femke gezien. Die

vrouw kende zyn Femke. Die vrouw zat daar waarlyk heel goed op haar

stoofje. Wie er mee gespot had, was 'n gek. En ook hy ging nu zitten,

en nam iets aan van de houding der notarissen, als ze zich 'n uitersten

wil laten voorzeggen.

--Je komt dus van Vrouw Claus?

--Ik mot eerst weten wie je bent, jongeheer.

--Wouter Pieterse.

--Dat kan me niks schelen. Ben jy de jongeheer die van 't paard

gevallen is? Dàt mot ik weten.

Wouter zag nu in, dat hy om iets van Femke te vernemen, wel

genoodzaakt was zich de onderscheiding aantematigen van 'n nooit

geleden ongeluk. En dus:

--Ja, ja, ja... o zeker, zeker! Ik ben van 't paard gevallen,

wel... zesmaal!

--Zy wist maar van ééns! Maar... zesmaal, zeg je? Je was dus wel

wezenlyk 'n beetje dronken?

--Ja, o ja, ik was dronken... heel erg!

--Zóó? vroeg de bes, nog altyd wantrouwend. Je was erg dronken, zeg

je? En hoe komt het dan, dat je niet heelemaal naakt bent? Want ze

zei dat ze je-n-onder de pomp...

--Ik heb me weer aangekleed.

Dit scheen de achterdochtige vrouw niet volstrekt onmogelyk te

vinden. Maar op-eens:

--En je rooie lappies dan? Waar heb je die gelaten, hè?

Luk-raak antwoordde Wouter dat "die dingen"--hy wist waarachtig niet

wat ze bedoelde--in de sloot gevallen waren.

--Komaan, vleide hy zoo verteederend mogelyk, zeg my je boodschap

maar! Ik ben heusch van 't paard gevallen, en erg dronken geweest! Gut,

zoo erg! Je hebt er geen begrip van, hoe dronken ik geweest ben! Och,

zeg me nu asjeblieft je boodschap!

Ze liet zich bewegen. Heel gelukkig. Hy was waarachtig in-staat geweest

haar te streelen, maar deze ramp werd hem uitgewonnen, want ze begon:

--Ik ben 't Stakkervrouwtje, weetje, en woon achter de planken,

by den molen, en Vrouw Claus is eigenlyk 'n nicht van me ...

O goden, alweer 'n nicht! Als Wouters liefde eenmaal behoorlyk

"bekroond" wordt, wat aan my staat...

Aan my, en aan... háár: Fancy, Femke, of hoe zou ze

heeten? Causaliteit, misschien?

...nu, ik wil maar zeggen dat-i dan op-eenmaal in 'n zeer groote

familie komen zou.

--Ja, 'n nicht, of... 'n tante misschien. Neen, ik ben háár tante. Als

ik m'n broer was, kon ik haar oudtante wezen, of... 'r grootmoeder. En

de kleine Fem is naar me genoemd, of... naar m'n overgrootmoeder

eigenlyk, want in onze familie heeten we allemaal Fem of Sietske. En

de mannen heeten Sybrand of Erik. Dat wist je zeker niet, hè?

--Sybrand?

--Ja... of Erik! Maar ik woon achter de planken...

Op-eens doorschoot Wouter de gedachte--te vroeg was 't niet!--dat die

vrouw krankzinnig was. En er was iets van aan. Maar niet alles wat

ze zeide, gaf daarvan blyk. Integendeel, wie vertrouwd ware geweest

met de oorzaken die haar indrukken benevelden, zou misschien tot

de slotsom gekomen zyn, dat haar verstand in sommige oogenblikken

helderder was dan van menig ander. Niemand is volmaakt gek.

--Achter de planken? vroeg Wouter.

--Ja, achter de planken van den molen. Want dáár woon ik, omdat

het de molen is van m'n grootvader. Vraag maar aan alle menschen,

of-i niet gebouwd is door Erik Holsma... den Stoereman? Want zóó

werd-i genoemd. Dàt was 'n kerel! Hy kon er wel zes aan, als jy! 't

Is eigenlyk myn molen, maar ik geef er niet om, als ik maar slapen

mag achter de planken...

Notaris Wouter keek vragend.

...ja, omdat ik daar 'n vryertje wacht. Jy bent het niet, maar je

lykt wel wat op hem. En als je wat stoerder was... want stoer was-i!

Zeker, die vrouw was krankzinnig!

...'n vryertje, weetje! 'n Smuke jongen die alles neerslaat wat niet

deugt. En hy krygt den molen van me... 't is 'n bovenkruier. Met

paltrokken houd ik me niet op. En jy?

Wouter werd verlegen. Wat had-i aan zoo'n gesprek? Te weinig ontwikkeld

nog om belang te stellen in de ziektegeschiedenis der ziel van die

vrouw, trachtte hy haar aandacht terug te brengen op de zaken die

hem belang inboezemden.

--Ja, ja, 'n bovenkruier, beaamde hy, zonder te weten wat dat voor

'n ding was. En wat heeft vrouw Claus je voor my opgedragen?

--Wel, ze had me geroepen, om met 'r meetegaan om in de Halsteeg

't mussie voor je te koopen, omdat je naakt was. 'n Mussie van fyn

laken, en 'n rand van allerlei kleur, en 'n kwast van bonte wol. De

Stoereman droeg nooit anders, want zie je, eigenlyk was-i 'n prins,

en heette Erik.

--En wat zei Vrouw Claus?

--Dat ik je 't mussie geven zou, maar niet binnen gaan, omdat je

heelemaal naakt was. En ze had zooveel "wasschen" thuis te brengen. En

ik moest je zeggen... als je wakker was... want, zei ze, je sliep...

De stumpert richtte zich aan de tafel op, en trachtte te zien wat

daarop lag.

...als je niet sliep, moest ik je zeggen dat er... op de tafel in

't voorhuis... dat is hier, weetje?

--Ja, ja, dat is hier!

--Daar zou 'n boteram voor je staan, en die zou je eten, zei ze,

als je... wakker was.

--Ja, zeker! Die zou ik eten...

--Als je wakker was!

Nog altyd trachtte zy den boteram te zien te krygen. Wouter maakte

'n eind aan haar onderzoek, door de verzekering dat-i de bedoeling

van Vrouw Claus volkomen begrepen, en zich reeds dien-overeenkomstig

gedragen had. Ze hurkte weer neder.

--Als je wakker was, zei ze. Maar anders moest ik niet binnengaan... om

je naaktheid, zieje! Hy was ook naakt...

--Wie toch?

--Prins Erik.

--Wil je die geschiedenis hooren? vroeg ze.

--Neen, neen, dankje wel! En geef me 't mutsje maar, en ga nu maar

heen.

Hy strekte de hand naar de muts uit, maar ze trok die snel terug.

--Ben jy 't jongetje dat van 't paard is gevallen?

--Wel zeker! Geef op, de muts!

--Dàt zal ik wel laten! riep ze. Niet voor ikzelf je van

't paard zie vallen. Ik moet het eerst met m'n eigen oogen

zien. Denk... jy... dat... ik... mal... ben?

Hy wou haar 't begeerd voorwerp ontrooven. Maar sneller dan-i

verwachten kon, vloog ze de deur uit, en verdween.

Alweder moest Wouter zich afvragen of-i te doen had gehad met

'n verschyning?

Hy werd moe van 't ongewone, en begon intezien dat ook 't

eentonig-banale z'n aangename zyde heeft. Met iets als heimwee,

voelde hy zeker verlangen naar de huiselyke atmosfeer van verveling

in zich opkomen.

--In-godsnaam naar huis, zuchtte hy, met of zonder muts dan! En... ik

zal de deur zoo goed mogelyk sluiten, want hier kan ik 't niet langer

uithouden!

Juist was-i van plan dit heldenstuk uittevoeren, toen de deur opnieuw

geopend werd. Er trad iemand binnen. 't Was dokter's Kaatje. Wouter

herkende haar niet, en begreep er niets van, toen ze hem zeide door

Femke gezonden te zyn om te vernemen hoe hy zich bevond? Hy zag de

boodschapster eenige oogenblikken vorschend aan. Eindelyk:

--Kom... jy... me... nu... hier... ook... voor... mal... houden?

--Gut jongeheer! Ik kom van Femke...

--Van... welke... Femke? Is... dat... misschien... weer...

'n grootmoeder van je, hè?

En met dreigend gebaar deed hy 'n stap vooruit.

--Ben... jy... de vryster... van... Stoereman den molenaar, hè?

Weer 'n stap vooruit. En Kaatje terug!

--Kom... jy... ook... hier... alweer... kyken... of... ik...

heelemaal... naakt... ben, hè?

--Och, jongeheer, wat 'n praat!

--Wil jy... me... ook... van 't paard zien vallen... hè?

Kaatje was de deur uitgedrongen. Hy volgde haar met gebalde vuisten.

--Maar... jongeheer, om-godswil, wat mankeert je?

--Wat... me... mankeert? Ik wil niet langer voor gek worden gehouden,

dàt mankeert me! Versta je dàt?

Ze week jammerend terug, en noodigde hierdoor tot vervolgen uit. Z'n

woede voedde zichzelf, en met afgemeten groote stappen--komiek om

te zien, maar voor hèm de maatslag van z'n verwenschingen--drong

hy voortdurend op haar toe. Ze legde rugwaarts den weg af, dien ze

gekomen was, het padje door 't bleekveld.

--Och, lieve-jesis, als dokter maar kwam!

--Waar... zie... jy... me... voor... aan?

--O god, o god...

--Wat... denk... je... van

me? Denk... jy... ook... dat... ik... dronken... ben?

--Neen, neen, o neen... volstrekt niet!

--Of... gek?

--Bewaar-ons! Och, waar blyft dokter!

Twee gelykluidende kreten maakten 'n eind aan den zonderlingen

wedloop. Atalante riep:

--Daar is-i, goddank!

Meleager:

--Daar is-i, goddank!

De een ontwaarde het koetsje van dokter Holsma, dat snel kwam

aanrollen. De ander bespeurde dat twee jongetjes die in de sloot naar

kikkers vischten, z'n pet hadden opgehaald.

Wouter nam zonder omslag z'n eigendom terug. Kaatje vloog Holsma

te-gemoet, en deed 'n jammerklagend relaas van haar wedervaren.

--Zou 't zóó erg wezen? zei de goede man.

Hy naderde ons leerling-menschje, dat bezig was z'n petje te zuiveren

van modder en kroos, en sprak hem aan.

Wouter zag verschrikt op.

--Zoo, m'n jongen, ben je daar? Wel, dat treft goed! Ik kom je

vragen of je plezier hebt, vandaag by ons te komen eten? We wachten

je allemaal, en van-avond gaan we misschien samen uit, als je lust

hebt, ten-minste.

Dàt was de toon die vereischt werd!

Wouter berstte in tranen uit--de weerslag van z'n woede--en vloog

den dokter om den hals.

--Asjeblieft, asjeblieft, m'nheer! Dat 's met-een goed voor m'n moeder!

Holsma wenkte Kaatje die--bang voor Wouter--op eerbiedigen afstand

het tooneeltjen aanzag.

--Ga aan juffrouw Pieterse zeggen dat de jongeheer by my is, en den

heelen avend blyft.

--Ja, riep Wouter haastig, en...

De geneesheer zag hem onderzoekend aan. Hy vreesde iets van de hem

aangekondigde krankzinnigheid te bespeuren. Maar Wouter's oog spelde

niets verdachts. En z'n woorden ook niet:

--M'nheer, mag ze 'r asjeblieft byzeggen...

--Welnu, m'n jongen, spreek op! Wàt moet ze 'r byzeggen? Wat heb

je-n-op je hart?

--Dat ik... by u ben geweest... den heelen, heelen dag!

Holsma bedacht zich even.

--Wel zeker, zeid-i, den heelen dag.

--Van van-morgen... zeven uur af?

--Ja, van zeven uur af, herhaalde de dokter.

--Ik heb... by u ontbeten?

--Goed, de jongeheer heeft by ons ontbeten. Wel zeker, hy heeft by

ons ontbeten! Je kunt wel meeryden, Kaatje.

En Wouter in 't koetsje leidende, gaf-i den koetsier last optehouden

voor 't huis Pieterse: "waar 't meisjen 'n boodschap had." Toen hy

naast Wouter plaatsnam, greep deze z'n hand, en riep:

--Och, m'nheer, wat 'n geluk dat ik u zie!

--Vind je! 't Is toch... louter toeval. Vrouw Claus is...

--'n Nicht? viel Wouter haastig in.

--Ja, en 'n zeer brave vrouw, antwoordde Holsma met 'n eenvoudigheid,

waartoe Wouter nog in lang niet zou in-staat geweest zyn als ze zyn

nicht geweest was.

--Ze is onze nicht, en ik kwam haar bezoeken. Dit doe ik alle

weken... niet als dokter, maar als neef. Jy mag daar gerust komen,

jongen! Je zult er geen kwaad leeren.

--M'nheer, riep Wouter--en hy bloosde--ik houd zoo erg veel van Femke!

--Zóó? antwoordde Holsma droog. Ik ook.

De geneesheer, alle blyken van onderzoek zorgvuldig verbergende, sprak

over onverschillige zaken, en bespeurde weldra dat z'n keukenmeid

zich vergist had in de diagnose. Wel toonde zich Wouter opgewonden en

uitgeput tegelyk, maar krankzinnig was-i niet. Integendeel. Holsma

bemerkte dat z'n ziel aan 't groeien was. En dit moest wel. Fancy

scheen bezig de aarde om hem wegtegraven, hem te schudden en te

geeselen, gelyk tuinluî gewoon zyn met vruchtboomen te handelen, die

zy byzondere zorg waard-keuren, en willen noodzaken tot dracht. Dit

noemen zy: "de vier windstreken laten zien."

Femke, nogeens Femke, en--na 'n roerende complainte over den dood

van twee geniën--weer Femke! Alles opgeluisterd met teleologische

opmerkingen over puistjes, vaderlandsliefde, karakter, en verdere

menschelyke zwakheden.

Het is my inderdaad onmogelyk, den lezer meetedeelen welken

weg Holsma's koetsier moest inslaan, om van de Aschpoort den

Kolveniers-burgwal te bereiken, en wel zóó dat-i de nog altyd

verschrikte Kaatje kon afzetten by de Pietersens. Ook zonder me nu te

beroepen op m'n volslagen gebrek aan lokaal-memorie--er is geen stad,

vlek of dorp in de wereld, waar ik den weg weet--ga ik gebukt onder

'n onkunde die me byna geschikt maakt voor opgehemelde buitenlandsche

beroemdheid.

Holsma's koetsier gaf blyk van 'n begaafdheid die we haast

voor exotisch mogen houden, en dit deed zelfs z'n paard. Het

stomme dier--even als ik toch maar in Holland geboren--bleef met

buitenlandsche scherpzinnigheid staan op 't juiste oogenblik om de

keukenmeid gelegenheid te geven tot uitstappen by de Pietersens. Niet

zonder angst schoof ze Wouter's knieën voorby, en achtte zich gelukkig

dat-i haar niet 'n beet meegaf tot afscheid.

Wouter scheen te meenen dat nu 't oogenblik was aangebroken om wat

inlichtingen te geven en te ontvangen. Maar Holsma scheepte hem

af. Hy toonde wel vriendelykheid, maar geen lust in vertrouwelyke

mededeeling. Toen de jongen 'n verward verhaal begon van z'n

ontmoetingen, viel hy hem in de rede:

--En... ik heb gehoord, je zult in den handel gaan?

--Ja, m'nheer... overmorgen!

--Nu, dat is zoo kwaad niet, als je maar in goede handen valt. Ze

moeten je veel laten werken! Dat 's heel nuttig voor 'n jongen

als jy...

En, als bevreesd dat Wouter zich zou beginnen aantezien voor wat

byzonders:

...nuttig voor iedereen, voor àlle jongelui! Op jou jaren zyn ze allen

hetzelfde, en hebben gelyke behoefte aan arbeid en inspanning. Alle

jongens moeten veel werken, en meisjes ook, en... alle menschen!

Wouter kende zichzelf niet, en kwam dus niet op de gedachte dat de

dokter bezig-was hem 'n geneesmiddel integeven. Maar wel bespeurde hy,

dat de tyd van opheldering nog niet was aangebroken. Zonder nu juist

te meenen dat Holsma hem die geven kon, was 't hem reeds 'n ontlasting

geweest iets te mogen verhalen van z'n wedervaren, al wist-i dan nog

niet recht hoe hy den lapsischen aanval op z'n deugd zou overspringen,

wat toch z'n ridderlyk plan was.

Nogeens begon hy. Maar alweer brak de dokter z'n relaas af, door by

de gebakken aardappels reeds hem toetevoegen:

--Och, zulke dingetjes overkomen iedereen. Er is niets vreemds

in. Hoofdzaak voor 'n jong mensch--en voor oude menschen ook!--is

dat ze veel arbeiden. Het schynt nogal te waaien vandaag...

Hiermee moest Wouter genoegen nemen. Dat er wind aan de lucht was, is

de zuivere waarheid. Helaas... had het gister maar willen waaien! Dan

immers was er behoorlyk gehardzeild op den Amstel. Dan zou niet het

volk dat zich verveelde, uit jolige baldadigheid naar de Botermarkt

gestroomd zyn, en daar...

Toch niet! Die ééne zevenklapper van prinses Erika kon niet gemist

worden. Lezer, bedenk eens...

Neen, neen, 't was zeer wys van de Voorzienigheid, dat er gister geen

zuchtjen aan de lucht was, Eén graad atmosfeer-drukking minder, en

't venster van juffrouw Laps ware gesloten geweest! De noodlottige

gevolgen...

Alweer niet waar! De heele zaak was--dùs of zóó afloopend--van weinig

beteekenis.

Maar men ziet uit dit alles, dat de dogmatiek der doeleinden, de

beoefening van de beteekenisleer der opdatten, 'n allermoeielykst

vak is.

Wanneer de rivieren niet werden warm gehouden door 'n dekkleed van ys,

zegt zeker "Natuurkundig Schoolboek" zouden ze... bevriezen. Ziedaar,

voorzienigheids-preekers, in weinig woorden de karakteristiek der

teleologie!

--Houd je van schilderyen? vroeg Holsma by 't uitstappen.

--O, zeker, m'nheer!

--Wel, dan moet je-n-eens in de zykamer zien, wat daar aan den wand

hangt. Bekyk maar alles op je gemak...

De dokter opende de deur van die kamer, en noodigde Wouter uit,

binnen te treden. Hyzelf echter ging haastig de gang door en de trap

op, die naar de huiskamer leidden, waarschynlyk met de bedoeling

z'n gezin voortebereiden op de manier waarop Wouter moest ontvangen

worden. Dààrom die verwyzing naar de zykamer.

Ons vrindje bekeek de schilderyen, maar genoot er weinig van. Tot het

begrypen van goede stukken, ontbrak hem de noodige opleiding. En zelfs

was-i te ongeoefend om zich te ergeren aan de leegte van denkbeelden,

die de anderen ternauwernood onderscheidt. By "één heer met één hond

en één haas" zag-i 'n heer met 'n hond en 'n haas. Toch zou juist hy

beter dan menig ander in-staat geweest zyn, dien onnoozelen "heer" 'n

geschiedenis toetedichten, en 't stuk overteschilderen met de kleuren

van z'n fantazie, als-i maar even tyd had gehad. Maar op-eens treft

hem 'n vrouweportret... 'n koningin, of 'n fee, of 'n toovergodin,

of 'n burgemeestersdochter, of 'n dame uit 'n boek...

't Was Femke!

Maar in-plaats van den noordhollandschen kap, droeg zy 'n diadeem

van glinsterende steenen, neen... 'n straalkrans, neen... 't was

'n kroon van sterren, of...

--Vader en moeder laten je roepen. 't Eten staat op tafel! Heb je

geen pyn van je val?

Goeie goden, daar kwam nu ook de kleine Sietske hem plagen met z'n

fabelachtig paard! Tegen háár kon-i toch niet opvliegen, zooals hy

tegen Kaatje gedaan had! Bovendien, z'n olympische toorn was òp! Hy

antwoordde vry bedaard dat-i niet gereden had, en dus...

--Zóó? Niet gereden? Niet op 'n paard gezeten? Wel zeker niet! Ik

bedoel of je nog pyn hebt van je val op ons tafeltjen in 't

koffihuis! Gut, hoe grappig! En als je geen pyn hebt, en... heelemaal

wel bent, gaan we van-avend samen uit. Vader, moeder, Willem, Herman,

jy, ik... allemaal! Naar de komedie, weetje?

Het vlugge ding gaf blyk dat zy de door haar vader voorgeschreven

medikatie goed begrepen had. Ze verslikte het fatale paard als 'n

hapje suiker.

--Uitgaan? seurde Wouter. Heel graag, maar... m'n moeder!

--Dat zal vader wel goedmaken. Bekommer je dáárover niet! Vader brengt

altyd alles terecht. Kom maar mee...

Nog in de gang bleef Wouter eensklaps staan. Hy wenkte Sietske,

bracht haar terug voor 't portret in de zykamer, en vroeg:

--Sietske, zeg me, wie is dat?

--Wel, 'n over- over- over-grootmoeder van ons.

--Maar 't lykt op...

--Op Femke? Wel zeker! Op my ook! We lyken allemaal op

elkaar. Als Herman 'n amelander kap opzet, kan je 'm niet van Fem

onderscheiden. Kom nu mee, we mogen vader en moeder niet laten wachten.

En, hem by de hand nemende, trok ze 'm de gang door, de trap op, en de

eetkamer in, waar Wouter verwelkomd werd met de kalme vriendelykheid

die door den dokter was voorgeschreven. Gedurende den maaltyd richtte

men juist even genoeg het woord tot hem, om hem op z'n gemak te

zetten, doch niet genoeg om voedsel te geven aan 't denkbeeld dat hy

't onderwerp was van byzondere oplettendheid. Toen Sietske, als om

verschooning te vragen voor haar lang toeven in de zykamer, vertelde

dat Wouter de gelykenis van dat oude portret met Femke had opgemerkt,

zei Holsma nuchter:

--Ja, daarvan is wel iets aan, maar onze kleine Fem is zoo mooi

niet. Dat scheelt veel!

Hu, 'n droge douche!

Wouter had er nooit aan gedacht, of Femke mooi of leelyk was. Hy

meende alleen dat er gebrek aan... 't hoogste moest bestaan in alles

wat niet op haar geleek. En dat "hoogste" openbaarde zich... in haar

trekken niet, maar in de aandoeningen die hy vry eigendunkelyk aan

die trekken vastknoopte. Toen-i op z'n laatst examen die moeielyke

"som" zoo korrekt oploste, was 't Femke of iets van Femke, dat hem

aanwees waar de verborgen knoop lag, en toen-i eenmaal gerekend had:

zevenmaal negen is vier-en-vyftig, had de genade van juffrouw Laps z'n

denkvermogen in den weg gezeten, als 'n zandkorl de radertjes van 'n

fyn uurwerk. Z'n vermeende liefde was vereenzelvigd met den lust tot

weten, kennen en begrypen, en dáárom stuitte het hem--hem die onder

aanroeping van Femke's naam, de eerste was gewordem op Pennewip's

school--iets te hooren verheffen boven háár. Als de dokter maar eens

'n flink examen had doortestaan, meende hy, dan zoud-i wel ànders

oordeelen over Femke's "mooiheid." Heerlyk schoon wàs 't portret,

o zeker! Maar lag niet juist hierin 'n reden om precies op háár te

gelyken? En de diadeem, of wat was het? Wel, zoo'n ding zoud-i immers

ook háár opzetten, zoodra hy...

Ja, wanneer?

Goed! Eéns zou die tyd komen. En dan kon ze tien diademen krygen voor

een, schoon nog altyd de vraag blyven zou of 'n heel firmament haar

beter kleedde dan de noordhollandsche kap?

Maar al deze overleggingen--nu-en-dan afgebroken door: "wil je wat

saus, Wouter?" of: "houd je van sjalotten by je vleesch?"--betraden de

wereld niet. Ze bleven zich als kluizenaartjes opsluiten in 't celletje

waar ze geboren werden, en broeiden daar, en gistten, en kookten...

--Veel peper is niet goed voor je, zei Holsma.

Och, juist was-i bezig met 'n sterk gekruid: "ze heeft my

broeder genoemd!" En--zonderling niet, maar toch verrassend voor

hem!--op-eens vond-i dat het woord: "broedèr" beter paste by diademen

en sterrenkransen, dan by 'n hoofdtooisel dat gedragen wordt door

melkboerinnen ook. Beter by dat portret, dan by 'n... dame met eelt in

de handen. Want dàt had Femke en dame was ze toch: de zyne! Ach, had

ze maar liever: broer gezegd! Maar... dáárby zou weer die koninklyke

Elisabeths-houding misstaan hebben. Zóó immers ook zou dat portret in

de zykamer de hand uitstrekken... als 'n portret de hand uitstrekken

kòn. Kyk, zóó:

En Wouter maakte een vry linksche beweging, waarmed-i 'n schotel

scheen aantewyzen.

--Sla? vroeg Sietske.

De verwarring die hieruit ontstond, werd weder goedgemaakt door 'n

paar eenvoudige woorden van de moeder, over 't weêr, inverband met

het voorgenomen uitgaan van dien avend.

--'t Zal heel vol zyn op den weg, beste man. Ieder wil graag koningen

en prinsen zien. 't Is waar ook, we hebben ons gastje nog niet gevraagd

of-i lust in de zaak heeft? Ons plan is naar de komedie te gaan. Je

wilt immers wel mee, mannetje?

't Antwoord laat zich raden. Wouter was verrukt. Hy was nooit in

'n schouwburg geweest, en verlangde vurig naar onechte zoons. Dat

de voorstelling zou worden opgeluisterd door de tegenwoordigheid van

'n groep geliefde souvereinen, trof hem minder. Hy had tien koningen

present gegeven voor één baron die volgens de regels van de kunst

'n meisje verleidt. "Zóó noemt men zulks" had Stoffel gezegd, en

Wouter had zich deze terminologische bedrevenheid toegeëigend, niet

zonder toejuiching van z'n eigen deugd. Want--dáár ging hem 'n licht

op!--hy had zich met juffrouw Laps niet gedragen als 'n slechte baron,

volstrekt niet! Hy was gebleven op 't pad der deugd... zoo noemt men

zulks! En zy zou hem zeer dankbaar zyn... hèm!

Hem, en dien zevenklapper zeker!

--We zullen de helft der souvereinen van Europa zien, zei Holsma,

en dozynen kandidaten, die misschien nooit...

Wouter kende dit woord weer niet anders dan in den zin van aanstaande

dominees. Hy gaf halfluid z'n bevreemding te kennen, dat zulke personen

de komedie bezochten...

--Wel neen, zei Sietske, 'n kandidaat is iemand die... wat worden

wil. Koning, by-voorbeeld.

Wouter voelde zich allerkandidaatst.

Hierop vertelde Willem hem iets over witte kleeren, uit z'n

Antiquitates Romanae, dat hem niet het minste belang inboezemde

op-zichzelf, maar alweer de oude snaar deed trillen van verdriet over

z'n gebrek aan kennis. Dit leidde z'n gedachten op den verloopen

schooltyd--hy had toch waarlyk z'n best gedaan!--op z'n huis, op

z'n gewone omgeving, en met angst herinnerde hy den dokter aan de

verstoordheid van z'n moeder over z'n lang uitblyven. Holsma beloofde

hem de familie te gaan geruststellen, waartoe voor 't vertrek naar

de komedie, nog ruimschoots tyd was. Op hoog bevel namelyk zou de

voorstelling twee uur later dan naar gewoonte beginnen. De souvereinen

hadden dit aldus bepaald om de warmte.

Na Holsma's vertrek vernam Wouter een-en-ander dat hem veel belang

inboezemde, omdat Femke's naam daarby genoemd werd. Ook zy zou den

schouwburg bezoeken, werd er gezegd, en uit de gesprekken aan de

theetafel bleek hem, dat de verhouding tusschen 't gezin dat hem zoo

aanzienlyk was voorgekomen, en 't betrekkelyk arme bleekmeisje,

allergemeenzaamst was. Mevrouw Holsma liet haar door Sietske

uitnoodigen binnen te komen, maar zy antwoordde dat ze liever by

den kleinen Erik wilde blyven, met wien ze juist zoo prettig aan

't spelen was. "Erik?" dacht Wouter.

--Dat verwachtte ik wel, zei mevrouw Holsma. Daarom ook was ze

van-middag niet aan tafel. Ze blyft liever by 't bedje van den

kleinen jongen.

--Ook houdt ze niet van ons eten, riep Sietske. Ze klaagt dat we te

lang aan-tafel zitten.

--De komedie zal haar ook niet bevallen, was de meening van Willem. Ze

is 'n beste meid, maar staat wat styf op haar stuk, vindt u niet, mama?

--Ieder moet handelen naar z'n overtuiging, en mag handelen naar z'n

smaak, zei de moeder. Fem is te braaf en te flink om haar in iets

te dwingen.

--Dat zou ze zich ook niet laten doen! was hierop de algemeene opinie.

--Zeker niet! Gelukkig dat het niet noodig is. 't Blyft nog altyd de

vraag, of ze van-avend komen wil. Ikzelf ging ook liever niet, maar

't moet wel!

Wouter bespeurde dat er 'n byzondere reden bestond, waarom de moeder

"anders liever by den kleinen Erik blyvende, die de mazelen had"

ditmaal de familie vergezellen zou naar 't Leidsche-Plein. Slechts

'n klein uurtje zou ze blyven, werd er gezegd, en dan met Oom Sybrand

huiswaarts keeren, om Femke aftelossen in de kinderkamer. Het meisje

zou dan met hem terugkomen. "Als ze wil" werd er telkens by gezegd,

alsof men dit zeer twyfelachtig bleef vinden.

--Ik noem 't koppigheid! zei Willem. Ze wil ook geen behoorlyke japon

aantrekken, en met ons op-en-neer gaan...

--Ja, antwoordde de moeder, 'n dame wil ze nu eenmaal niet worden. Wat

is er aan te doen?

--Koppigheid!

--Dat 's de vraag! Zy is zeer verstandig, en ziet misschien in,

dat de verhouding met haar moeder pynlyk worden zou wanneer ze van

stand verwisselde.

--En met tante Siet! riep Herman.

Dat is zeker 't Stakkervrouwtje, kommenteerde Wouter zwygend. En:

"'n zonderlinge familie!" dacht-i er by.

--Bovendien, ging de moeder voort, het veranderen van stand gaat zoo

makkelyk niet! Hiertoe is meer noodig dan kleeren...

Ach ja, dacht Wouter, men moet onder anderen ook weten wat sjalotten

zyn, en hoe men zoo'n artisjok eet! Want over die twee voornamigheden

was-i zoo-even gestruikeld.

...als onze Fem dat gewild had--of liever, als haar moeder 't gewild

had toen Femke nog 'n kind was--dan hadden we daarmee heel vroeg moeten

beginnen. Maar nicht Claus zou haar zeker niet uit 'r handen hebben

gegeven. Ze had er te veel hart toe. En nu heeft Femke te veel hart,

om te betreuren dat ze maar 'n bleekmeisjen is.

--Ze is... intens trotsch! zei Willem, niet zeer ontevreden dat-i

dit mooie adverbium eens terdege plaatsen kon.

--Ja, ze is... heel trotsch, korrigeerde de moeder. Te trotsch om

iets anders te willen zyn dan ze-n-is. Ze zou niet willen ruilen met

'n prinses...

Ruilen? Neen! dacht Wouter. Maar ... zelf prinses wezen, koningin,

keizerin... en dat alles door hèm? Dat zou heel iets anders zyn! Hy

vond het onderscheid... intens! En wanneer al die zaken geheel-en-al

geregeld waren naar z'n zin, dan ... nu ja, dàn mocht prinses Femke

van pozitie ruilen met 'n bleekmeisje! Want... wat geeft ware liefde

om stand?

Zoo liet hy zich foppen door z'n nog altyd kinderachtigen en dus zeer

onvolkomen hoogmoed. En daarom noemde ik z'n liefde: zoogenaamd. Hy

moest nog veel groeien voor-i geheel-en-al de hoogte bereikte, waarop

voorbygaande aandoeningen hem voor 'n oogenblik plaatsten.

--En, vroeg Herman, we zullen in den bak zitten van-avend?

--Ja de loge is... onteigend, antwoordde mevrouw Holsma lachend. Dat

moet men over-hebben voor souvereinen. De heele Schouwburg-direktie

zakt van-avend naar 't parterre af, en misschien zelfs de burgemeester.

--Hy moet den Keizer ontvangen en binnenleiden...

--Ja, en wordt dan waarschynlyk uitgenoodigd, plaats te nemen in de

keizerlyke loge...

--Dan kan-i Z. M. het stuk uitleggen... den Floris! En Z. M. kan er

uit leeren wat de plichten zyn van Vorsten...

--En van Volkeren!

--En van dichters!

--En dat men nooit 'n souverein vermoorden mag!

--Deze maxime zal Z. M. heel aangenaam wezen! Ze is allergezondst

voor koningen en keizers.

--Als-i de zaak maar goed vat!

--We willen hopen dat de dichter gezorgd heeft voor 'n duidelyke

fransche vertaling!

--Als Z. M. maar weet by welke passages hy moet bedanken met 'n knikje.

--Onze burgemeester zal hem wel waarschuwen.

--Zeker! "Sire, pas-op, dat gaat jou aan!" En dan moet de Keizer zich

houden alsof hy wat van 't stuk verstaat. Wat 'n treurig métier!

--Wat moet-i wel denken van onze dichters!

--En van onze vaderlandsliefde!

--En van ons karakter!

--Och, zulke hooggeplaatste personen zyn aan laagheid gewoon. Wat

niet kruipt, komt niet tòt hen.

--'t Moet hun zeer moeielyk vallen, de mensheid te achten. Ze zien

er altyd het leelykste van, en zyn wel genoodzaakt de rest daarnaar

aftemeten.

--Zeker heeft men den Keizer wys-gemaakt dat die Bilderdyk 'n heele

kerel is!

--Natuurlyk! De nederlandsche gewone of huis-bard, de amsterdamsche

Ossian, de volksliereman by-uitnemendheid!

En de heele familie berstte in lachen uit. Willem verhaalde nu iets van

'n romeinschen keizer die 't menschelyk geslacht één kop toewenschte,

om het te kunnen onthoofden met één slag...

--'t Klinkt bar, zei Oom Sybrand, die binnentredende de laatste

woorden gehoord had. Maar als boutade is zoo'n uiting begrypelyk. De

tyd nadert dat de Volkeren 'n gelyk lot zullen toewenschen aan de

souvereinen, en met even weinig of even veel recht. Men kent elkaar

niet! Hovelingen en boekenmakers stoken misverstand.

--Gaat de Floris door?

--Neen, goddank! De souvereinen zullen onthaald worden op de Scylla

van Rotgans, met 'n Kloris en Roosjen achterna. Men zal hun vertellen

dat het treurspel geheel-en-al geschoeid is op de leest der fransche

"school." Dus zal 't wel goed wezen! En... de Kloris? Wel, dat's

'n idylle! 'n Arkadisch-laaglandsche bergerie! Virgilius in 't

amsterdamsch vertaald! O, Meliboee, deus nobis haec... Ekloge met

kuitgespen fecit! [9] In-plaats van den nieuwjaarswensch krygen we 'n

harangue. De elegante Thomasvaer zal God tot getuige roepen dat het

neerlandsch hart, vry van smart, de noodlotten tart, en op straat,

inderdaad, vurig slaat, voor elken vreemden potentaat. Geloof me,

jongens, die Caligula was zoo gek niet!

Wouter begreep niet alles wat er gesproken werd. Maar wel, dat-i

weer veel nieuws hoorde. En... Scylla. Zou dat 'n onechte dochter

wezen? Of was 't misschien de naam van de oude vrouw die in den

achter-naherfst van haar leven door de goedigheid van 'n schatryken

baron werd teruggebracht op 't pad der deugd? Zoo noemt men zulks.

Mevrouw Holsma gelastte de familie zich gereed te maken, om

papa niet te laten wachten als-i terugkeerde van z'n bezoek by de

Pietersens. Dit geschiedde, zoodat men ruim bytyds vertrekken kon naar

't gebouw waar "der kunsten god" in die dagen werd aangebeden met--zeer

amsterdamsche--geestdrift. Het was 'n waar Apollo's-welvaren, en dit

is nòg zoo.

Holsma verzekerde Wouter, dat de zaak met z'n moeder "geheel in orde"

was, en hy kon zich dus onbelemmerd overgeven aan 't hem wachtend

genot. De hoogst-onechte Scylla... in de komedie zitten ... morgen

zich te kunnen herinneren dat-i in de komedie gezeten hàd ... vreemde

zaken bywonen--heel wat ànders nog dan artisjokken!--en ... nu ja,

al die keizers en koningen wilde hy ook wel zien, maar de gehoopte

onechtheid van Scylla bleef hem 't voornaamste.

Vreemd, niet waar, dat-i by al de verwachte heerlykheden, zoo weinig

dacht aan de mogelykheid over eenige uren Femke in z'n nabyheid

te zien?

Droeg Willem daarvan de schuld, dien-i by 't instygen in een der

rytuigen had hooren mompelen:

--Wat my betreft, ik mag lyen dat ze wegblyft! Ik bedank er hartelyk

voor, door studenten te worden gezien naast 'n boeredeern. Als ik

groen word in September, zouden zy 't me inpeperen, dat is zeker!

Wouter begreep noch dat "groen-worden" noch de daarby behoorende

"peper." Maar ... boeredeern?

Hy wierp 't met z'n geweten op 'n akkoordje, door zich zoowel van

vrees te onthouden als van hoop. En hy trachtte het vurig verlangen

naar Scylla's onechtheid te gebruiken ter aanvulling van de leegte

die deze bestudeerde onverschilligheid openliet in z'n gemoed.

Helaas! Het was voor 't meisjen in Vrouw Gooremest's kroeg wel

de moeite waard geweest, de hand uittestrekken als 'n koningin,

om nu alweer verloochend te worden om-den-wille van ... van wàt

eigenlyk? Femke's kostuum was minder bespottelyk dan de mode-plaatjes

van den dag. Ware zy inderdaad gekleed geweest zooals boeredeerns

gewoon zyn, die zich nog zotter opschikken dan 'n parysche modiste

verzinnen kan... maar dit was 't geval niet. En hierin lag dan

ook geenszins de reden van Willem's nuffigheid. Femke's schuld was

zwaarder dan dit. Ze zag er uit als 'n meisje dat met haar handen

den kost verdient. Ziedaar den gruwel die alle studenten ergeren zou!

En--heel in 't voorbygaan, willen wy hopen--Wouter voelde

zich aangestoken door die kinderachtigheid. 't Was jammer,

't was verdrietig, 't was kleingeestig en ondichterlyk, maar--o,

Caligula!--we zyn zoo! En wie ieder 't hoofd wou afslaan, die zich

ooit schuldig maakte aan zoo'n... menschelykheid, zou veel te doen

hebben. By volslagen wilden, waar koningen hun eigen hout hakken,

vindt men weer andere fouten die even onpleizierig zyn.

Tekstverklaring van Ovidius, door Willem Holsma. Idem door

Rotgans en den auteur. Konflikt op 't Leidsche-Plein tusschen

twee potentaten: Napoleon I, en Minos van Kreta.

Verdienste van 't succes met geestdrift aangebeên,

Kweekt in 't armzalig koor, laaghartigheid alleen.

Onder-weg stelde zich Willem zooveel mogelyk op den voorgrond, door

het leveren eener toelichting van 't stuk dat men straks zou te zien

krygen. Dit kwam hem noodzakelyk voor: "omdat verzen zoo moeielyk

te begrypen zyn, als men niet vooruit weet wat de dichter heeft

willen zeggen." Ik ben zoo vry, deze eigenaardigheid van de "taal

der goden"--er ligt 'n Rotgans in kwarto voor me--kostbaar te noemen.

Maar ook de pedante Willem kende Scylla niet anders dan uit z'n

Ovidius--zonder onzen Vecht-zwaan zou ik 't mensch in 't geheel niet

kennen--en dit verschafte hem gewenschte aanleiding om z'n relaas

optesieren met citaten die wel eenige kans hadden begrepen te worden,

omdat men door 't hotsen van den wagen niet hooren kon dat-i latyn

sprak. Ziehier iets van z'n verhaal... vry overgezet.

Minos was Koning van Kreta, en boos op de Atheners omdat-i ze voor

medeplichtig hield aan den moord op z'n zoon Androgeos. Oorlog dus. Met

z'n leger op-weg naar den hoofdzetel des vyands, stuitte hy op 'n

stad die in één richting minstens driehonderd-en-zestig aardbolgraden

breed moet geweest zyn, want rechts en links was geen ruimte om voorby

te trekken. Ze moest dus belegerd worden. Sommigen betwyfelen die

uitgebreidheid, en beweren dat de krygskundige liefhebbery van die

dagen voorschreef met pyl en boog op de muren te schieten, al kon

men er langs. Dit verschafte veel krygsroem, en gaf tevens aan den

vyand gelegenheid ook van zyn kant 'n vesting te belegeren, waaruit de

heugelyke kans geboren werd, overwinningen te behalen aan twee zyden

tegelyk. De traditie dezer wyze van oorlogvoeren, waarby krygslieden

elkaar zoo lang mogelyk uit den weg loopen, is tot heden toe bewaard

gebleven. Slechts enkele botterikken--Napoleon I, byv.--hielden zich

niet met het beschieten van vestingen op, en de garnizoenen geven

zich in zoo'n geval--behoudens krygseer natuurlyk--ongedeerd over,

zonder andere heldendaden te hebben verricht dan 't beredeneeren der

mogelykheid, dat ze rotten en muizen zouden gegeten hebben... àls ze

belegerd waren geworden.

De stad met welker omsingeling koning Minos zich vermaakte, was

met-een 'n heel Ryk, heette Megara of Alkathoë, en werd geregeerd

door zekeren Nisus, 'n allerbraafst man die aan den dood van

Androgeos even weinig schuld had als de lezer en ik. Eigenlyk zou

Minos--vooral in hoedanigheid van aanstaand zielenrechter in de

Onderwereld--billykheidshalve verplicht geweest zyn, de zaak wat

grondiger te onderzoeken voor hy zoo onbesuisd het beleg sloeg voor

Alkathoë. Maar men is niet volmaakt.

Koning Nisus was in 't bezit van twee byzonderheden. Hy had 'n

indelikate dochter--de Scylla van 't stuk--en 'n purperen haartjen op

z'n hoofd, of één purperen haartje, of maar één haartjen, en dat was

purper van kleur. De lezer mag kiezen tusschen deze drie mogelykheden

die door Willem, Rotgans en Ovidius onbeslist worden gelaten. Wie

nu meenen wil dat deze vorst op dat eene haartje na, kaal was, heeft

er vryheid toe. Ook is 't geoorloofd zich den man voortestellen als

prykende met 'n dikken haarbos van gewone kleur--spierwit kleedt

antieke koningen het best--mits slechts dat eene haartje ... kortom

't was 'n uniek en zeer kostbaar exemplaar. Dit was den onderdanen

van koning Nisus--volgens de laatste volkstelling had hy er, hemzelf

meegerekend, drie dozyn--zeer wel bekend. Stad en Ryk waren trotsch

op dat haartje, meer dan trotsch: 't was 'n waarborg voor welvaart,

'n pand van de welwillendheid der goden, 'n palladium. Iets als onze

Kieswet alzoo.

Maar ... die indelikate dochter! Niemand was bedreven genoeg in

verdorvenheid, om de verregaande ondeugd van haar gemoed te begrypen,

laat staan te voorzien. Eilieve, wat baat 'n purperen Kieswet, als

dochters die zich lieten geboren worden op de trappen van den troon

... maar laat ons Willem's verhaal niet vooruit loopen.

Het haartje zou de stad beschermen. Dit hadden de goden beloofd,

en goden liegen niet. Heel oppervlakkig geoordeeld, zou dus onze

Nisus geen leger noodig gehad hebben, tegen welken vyand ook. Een

flinke schildwacht op de kruin van z'n hoofd, moest voldoende geweest

zyn. Maar dit scheen weer te stryden tegen aloude beginselen van

krygskunde. Wel stond het vertrouwen dat de goden den Staat zouden

beschermen, onwrikbaar vast, maar ... men mocht de goden te-hulp

komen met militie, schuttery, landstorm, torpedo's, krygsliederen

en naaldgeweren. Als ik 'n heidensche god was geweest, zou ik dit

wantrouwen in de kracht van m'n bescherming heel kwalyk genomen hebben,

en ik had ieder in den steek gelaten, die my 't werk uit de hand

nemen wou. Ook in dit opzicht alzoo heeft het christendom weldadige

vruchten gedragen. In alle landen waar men door 'n waar Geloof 't recht

verkreeg op God te vertrouwen, is de krygsdienst finaal afgeschaft en

de begrooting van "Oorlog" begrepen in 't budget van "Eeredienst." Dit

is zuinig en rationeel. Maar Nisus was 'n heiden, en had dus verkeerde

begrippen over 't gebruik van theologie in krygskunde. De onnoozele

stumpert zette z'n heele leger achter de wallen van z'n ... Ryk, om

zich daar te verschuilen voor de pylen van Minos en al die Kretenzers.

De ondeugende Scylla nu was niet afkeerig van das Militär, en

wandelde parmantig op den muur. Nog proëminenter vertoonde zich van

zyn kant koning Minos, en wel zóó dat de jonge prinses smoorlyk op

hem verliefd werd. Niets natuurlyker. Z'n eerbiedwaardige ouderdom,

z'n gebukte houding, z'n lange gryze baard, en misschien ook z'n

aanstaande verheffing in de onderwereld--onze Scylla kende haar

mythologie op 'r duimpje!--dit alles was wel in-staat het hart van

'n treurspelmaagd in gloed te zetten. Zoo waren de tooneelmeisjes in

dien tyd. Men kon nooit te bejaard, te krom of te krygskundig wezen,

als ze maar zeker waren dat haar liefde eenmaal zou noodig zyn tot

het samenflansen van verzen of echt-vaderlandsche treurspelen.

Zielkundig gesproken, er bestond voor Scylla nòg 'n reden om den ouden

Minos byzonder interessant te vinden. Venus' dartel wicht heeft veel

koorden op z'n boog. Ze had medelyden met hem. En hier was reden toe.

Met 'n heelen stoet soldaten--men telde in dien tyd duizend krygslieden

op één onderdaan: 'n byzonderheid die 't regelen van de konskriptie

tot 'n moeilyk vak maakte!--met 'n groot leger dan, was de man van

heel ver gekomen. Hy gaf zich de moeite Akathoë te belegeren volgens

alle regels van de kunst, en 't was háár bekend dat-i het strand

ploegde... om dat purperen haartje! Arme Minos!

Hy scheen alweer verzuimd te hebben, vóór z'n oorlogsverklaring

nauwkeurig te onderzoeken wie en wat er zou te bestryden wezen. Het

schynt dat men in oude tyden vry los over de toebereidselen tot

'n oorlog heenliep. Volgens Ovidius was Minos-zelf zoo byzonder

slordig niet, maar de goden hadden hem gestraft met 'n minister die

op allerzonderlingste manier omhoog was gevallen, en den Louvois

spelen wilde om te worden aangezien voor iets wezenlyks. Hierom dan

ook had-i alle onderzoek naar de voorgewende medeplichtigheid van

Nisus aan Androgeos' dood, weten te verydelen. De casus belli die

hy zoo hoognoodig had voor de zeer partikuliere industrie van z'n

ministerschap, mocht eens niet bestaan, wat toch jammer zou geweest

zyn. Het zedelyk krygsbeginsel in die onbeschaafde dagen schynt

voorgeschreven te hebben: eerst vechten, en dan vragen waarom? Zoo-iets

zou thans niet kunnen gebeuren, omdat onze parlementen rekenschap

van oorlogsverklaringen vragen, en ook bovendien niet dulden zouden

dat de res publica beheerd werd door zulk soort van ministers.

Doch zelfs deze onvolkomenheid in de ouwerwetsche manier van regeeren,

werkte Scylla's al te gevoelig hart ten-kwade mee. O goden, zuchtte zy,

zou ik den man niet beminnen, die op z'n ouden dag zóó'n minister te

torschen heeft? En zonder Parlement nogal!

Het schepsel preekte zich voor, dat haar verliefdheid 'n ware deugd

was. Zoo waren de meisjes in die dagen.

Ovidius knoopt aan dit alles eenige niet onbelangryke beschouwingen

over liefde en artillerie, en wel bepaaldelyk over de vorderingen die

't gebruik van schietwapenen in onze dagen gemaakt heeft. Misschien

ook, zegt-i, zou men genoodzaakt zyn, zekeren evenredigen achteruitgang

te konstateeren, òf in de beminnelykheid van ouweheeren, òf in de

ontvlambaarheid van 't vrouwelyk geslacht. Ziehier de gronden waarop

hy, redelyk scherpzinnig voor 'n heiden--Ovidius was Hollander noch

Christen--z'n stellingen bouwt. Er blykt uit het feit der zaak-zelf,

dat Minos door Scylla kon gezien worden van naby genoeg om haar

verliefd te maken, en tevens dat ze niet gedood of gewond werd door

'n kretenser pyl. Ook de voor Scylla zichtbare Minos werd niet

geraakt door de scherpschutters uit de stad. Wat volgt hieruit? Dat

in die dagen de schootvèrheid der liefde, die van 'n pyl uit den

boog teboven ging. Welke grysaard, welke man, welke jongeling, zou

heden-ten-dage kans zien 't hart van 'n maagd te treffen op meer

dan chassepot-afstand?

Aan 'n beslissing waagt zich Ovidius niet. Hy stipt slechts aan, en

laat den lezer kiezen. Ook den laaghartigen oorlog met Atjin gaat-i

stilzwygend voorby, en zegt alleen dat Scylla doodeenvoudig besloot

haar lieveling Minos krachtdadig te-hulp te komen, en wel door haar

vaderstad te onttrekken aan de bescherming der goden. Om dit doel

te bereiken, sluipt zy op de teenen in de slaapkamer van haar vader,

en plukt hem--heu facinus: o gruwel ... ja, 't wàs gemeen!--dat ééne

kostbare haartjen uit, en progressa porta per medios hostes, komt ze by

Minos aan: pervenit ad regem, juist waar ze wezen wou met dat haartje.

Vorst Minos was 'n kreuzbraver Kerl die o.a. zelf kinderen

had. Waarschynlyk dacht-i tevens aan z'n eigen haren, en aan 't malle

figuur dat-i eenmaal maken zou als onkreukbaar zielenrechter, wanneer-i

nu die ondeugende dochter styfde in haar verkeerdheid. Misschien ook

vond-i haar niet mooi. Hoe dit zy, principiis obsta: hy noemde haar

kort en goed 'n monster, en gebood...

--Wy zyn er, riep mevrouw Holsma. Wat 'n drukte! Ik wou dat ik al

weer goed en wel thuis zat by m'n kleinen Erik!

Sietske vertelde dat ze zoo benieuwd was naar 't uittrekken van

dat eene haartje, en of men uit de verte zou kunnen zien dat het

purper was?

--'t Staat er zoo, kind! Crinis purpureus. Stap uit, en hou je jurk

wat by-een, om 't wagensmeer... puelletje!

De familie nam de plaatsen in, die dezen avend achter in 't

parterre bestemd waren voor de leden van den stedelyken raad, en hun

gezinnen. Ze kwam nagenoeg te zitten onder den rand der loge waarin

ze anders gewoon was de voorstellingen bytewonen.

Die loge was nog altyd leeg. De hooge, hoogere, hoogste, en

byna-allerhoogste personen die haar dezen avend vullen zouden, waren

nog niet verschenen, en Wouter had dus ruim tyd om te bekomen van

den indruk dien de Schouwburgzaal op hem gemaakt had: dit was alzoo

de Komedie, de ware!

De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 2 Uit de 'ideen' verzameld · 第 12 / 19 题