niet zoozeer, maar... ze veroorloofde zich zulke feitjes te beoogen
omdàt ze nu eenmaal 'n slecht schepsel was. Godsdienst, vochtmenging,
zittende levenswys, en 'n tal van dusdanige ziekten meer, zouden
kunnen worden aangevoerd ter verligting van schuld. Ik kan me zelfs
'n zéér hoog standpunt denken, vanwaar zou mogen worden gekonkludeerd
tot finale vryspraak.
Maar op dàt standpunt plaats ik me nu niet, heden niet! Ze was
inderdaad 'n slecht schepsel, en daarmee voor 't oogenblik: uit! Of
zou men misschien...
Ik beweer vandaag alleen dat ze ... niet zeer byzonder was. Niet zeer
buitengewoon. Niet zeer belangwekkend. Geen kunstenares van eersten,
noch zelfs van eenigen rang. Geen exploitatrice van ryk terrein. Geen
hóóggeplaatst ambtenaresje van den Duivel...
Och, in myn oog zou 't mensch zoo weinig kontritie behoeven om recht te
hebben op 'n goedig: "uw zonden zyn u vergeven, ga heen en... arbeid!"
Want, lezer, er zit veel luiheid onder de oorzaken van zulke
afdwalinkjes. Menigeen toont zich wat wulpscher dan noodig en behoorlyk
is, omdat-i te weinig te doen heeft, of te ... denken.
Misschien had juffrouw Laps de "deugd" van ons kereltje met rust
gelaten, wanneer men in-plaats van met God, Israël en hysterische
theologie, haar pover zieltje gevoed had met... gedachten. Wasschen,
schuren, boenen, is ook goed. Jazelfs, 't verstellen der onderbroeken
van 'n pastoor.
Wat Femke rein en gezond bleef by de bezigheid die skabreus zou hebben
toegeschenen aan besmette zieken!
Ziek, ziek ... ziedaar 't woord! Juffrouw Laps was ziek!
Hoe is 't mogelyk, dat ik zóó lang zoeken moest naar den waren naam
van haar kinderachtig slechtheidje! Dit was dom en verschoold van
me. De lezer bedenke dat ik veel boeken heb gelezen. Toch beloof
ik beterschap, en als blyk van berouw verbind ik my ter-zyner-tyd
ziekteverschynsels van erger soort te schetsen. Ik zal me die laten
leveren door Feith, dominee Hasebroek, en meer lui van dergelyk
allergodzaligst kaliber. Die voorbeelden zyn van 'n aard, dat men byna
achting zou gaan voelen voor juffrouw Laps. De lezer heeft immers
opgemerkt dat ze haar "God" wegliet by de zaak? Geschiedde dit uit
schaamte? Uit diskretie? Uit besef van overbodigheid? Uit vermoeienis
van 't gehuichel? Uit gebrek aan bedrevenheid in toonzetting, en vrees
alzoo voor--vermeenden--wanklank? Hoe dit zy, in al haar geknoei had
het schepsel de verdienste der Sancta Simplicitas. Ze theologizeerde er
niet by, en poogde niet Wouter in den waan te brengen dat-i dezen of
genen "Heer" 'n pleizier deed door 't uittrekken van z'n jasje. Dit,
of zooiets, trachten die andere verlokkers wèl! Blyvende erkennen dat
ons Lapsjen aan zeer ziekelyke aandoeningen leed, wordt het waarlyk
tyd eens voor-goed de symptomen te leeren kennen die den geneesheer
in-staat stellen lichte verkoudheden te onderscheiden van kwaden droes,
huiselyke namiddagkoortsjes van... pest!
Wouter, overigens... goed, of althans niet volstrekt ziek nog, zou
'r geen grein boozer om geworden zyn, al ware... de likeur van den
hoogstberoemden Nederlander Fockink nog 'n graad of wat sterker
geweest.
Hierom zeker veroorloofde zich de guitige Fancy te lachen. En ze wrong
zich nog altyd de handen in 't minst niet, zy die toch blyk gaf van
strengheid, door zich verstoord te toonen over Wouter's félonie van
den vorigen dag!
Fancy was, en is... liberaal!
Te liberaal?
Voyons!
Beste lezer--ik bedoel: gy die onder al m'n lezers de minst onoprechte
zyt--stel u eens op 'n plaats waar zeer veel menschen voorbygaan. En
houd boek!
Tel, weeg, meet en noteer de tranenstroomen die al dezen voorbygangers
langs wang en kleeren gudsen. Tel de jaren gewrongen handen, de
dozynen wanhopighedens, de duizenden gescheurde opperkleeren, de
legioenen opengereten boezems...
Verzamel eens al de asch die de voorbygaande dames en heeren zich
op 't hoofd strooiden sedert den misstap van de bekende soort, die
eenmaal voor elk hunner de traditioneele "eerste" was...
Komponeer vertwyfelings-hymnen uit al 't geween, 'n de profundis uit
het gekners der tanden...
Bevolk 'n zoölogisch muzeum met al de wurmen die 't gezelschap
inkommodeeren met hardnekkig knagende onsterfelykheid...
En dan...
Zeg eens, minst-onoprechte lezer, vertoont zich niet, by de
statistiek van al dien berouwjammer, onze aarde als 'n vóórhel? Als
'n pleisterplaats van verdoemden?
Toch kan en moet al die zoo zorgvuldig opgezamelde ellende slechts
gevolg zyn van nederlaagjes als die waarmee Wouter bedreigd werd,
van krizes als waaraan hy was blootgesteld.
Want... zulke krizes en zulke nederlagen bestaan! Ze liggen in den
aard der dingen, en laten zich zoomin vernietigen--'t kinderachtig
wègdenken helpt niet!--als 'n atoom of 'n zon. Zoomin loochenen als
wiskunstige waarheid.
Wie nu by zoodanige mensch-inspektie al de genoemde akeligheden niet
ontwaart, wie niet stuit op de sporen die "zonde" nalaat, op zùlke
sporen van zùlke zonden...
Want er zyn anderen wier hoogtreurige beteekenis ik niet ontkennen
mag, helaas!
Wèl, hy moet erkennen dat Fancy groot gelyk had de zaak luchtigjes
optenemen, en niet den minsten last te geven tot het ilico op-stapel
zetten van 'n goferhouten ark, van-binnen en van-buiten bepekt met pek.
Onder ons gezegd--en niet gebleven, naar ik hoop!--het komt me voor,
dat de god van Genesis VI zich kleingeestig aanstelde, en dat het
z'n eer niet te nà zou geweest zyn ter-school te gaan by Fancy.
Maar sterk wàs de likeur, dit is waar!
En dat Wouter er meer van dronk dan goed was--voor z'n maag vooral!--is
ook waar.
Hy verloor dan ook iets van z'n bedeesdheid, en antwoordde een-en-ander
op de praatjes van juffrouw Laps, die hiermee zeer in haar schik
was, al bleek er dan ook telkens dat zy en haar kleine gast niet uit
denzelfden sleutel zongen.
Dat zou straks wel beteren, hoopte ze.
Van-tyd tot-tyd dacht Wouter aan de eigenlyke reden van z'n komst,
of althans aan wat daarvoor was opgegeven. Z'n gastvrouw scheen
alle dieven en moordenaars glad uit het hoofd gezet te hebben, en
spreidde by Wouter's herinnering daaraan, 'n dapperheid ten-toon,
die hem alleraangenaamst was. Want... de zyne was geweken.
't Is de vraag of Fancy deze breuk in de logische kontinuïteit van z'n
aandoeningen even licht opnam als de gevaren van z'n slecht gezelschap.
--Ik zou ze... denk je dat ik bang ben voor 'n kerel? zei juffrouw
Laps. In 't geheel niet! Voor geen drie! Voor geen tien! Voor de
heele wereld niet! Ik zou ze...
Des-te-beter, vond Wouter. Dan hoefde hy niet te... zouwen.
Daar ritselde iets op den zolder. Wouter beefde. Hy was weer geheel
kind.
--Blyf jy hier, riep 't wyf, ik ga kyken, ik! Denk je dat ik jou wil
laten slaan of steken of vermoorden, m'n jongen ... dat nooit! Wie aan
jou komt, komt aan my ... aan my, hoorje, dàt zullen ze ondervinden!
En ze verwyderde zich, en nam de kaars mee om te onderzoeken waarom
ergens 'n plank gekraakt had. Ze liet Wouter lang genoeg in 't donker
alleen, om hem te doen verlangen naar hare terugkomst. De rollen waren
omgekeerd, en de ridderlykheid van onzen held begon en quenouille
te vallen. Een weinigje behendigheid nog, en de jongen zou schut en
wering zoeken onder haar voorschoot.
--Maar, juffrouw ...
--Zeg jy gerust Kristien... want zóó hiet ik. Jy mag gerust Kristien
tegen me zeggen.
Dit durfde Wouter nog altyd niet. Hy vermeed liever de heele vokatief.
--Maar... zou ik nu niet liever naar huis gaan?
--Wel neen! Je moeder is lang naar bed, dit begrypje wel. De-n-afspraak
was dat je hier zou blyven... ontbyten.
Ontbyten? Ach, lieve hemel, de jongen deed niet anders sedert 'n
uur! Moest dat tot den morgenstond worden voortgezet? Het was om
te rillen!
--Weet je wat je doet? Kleed jy je gerust uit. Ik zal 'n kermisbedje
voor je maken, daar ... in dien hoek! Want, zieje, als ik alleen
ben--ik, als vrouw, weetje--met al die dieven en moordenaars, dan
wordt ik zoo... griezelig.
Wouter durfde niet neen zeggen, en evenmin doen wat hem zoo streelend
gelast werd...
Hy weifelde...
Zy hield aan...
Hy begon...
Men bedenke dat het kind beneveld was!
O Fancy! Liberalismus is 'n goede zaak, en na de bemoedigende
statistiek van zoo-even erkennen wy dat de wereld niet vergaan
zou al...
Maar toch... franchement, Fancy, is 't niet jammer van den jongen?
Dit hoofdstuk is gekopieerd uit 'n oud Register der handelingen
en besluiten van zekere schutsgodin. Een brok grootwereld. (De
lezer kan staatmaken op meer.) 't Verhaal van Klaas Verlaan,
den "Amstelhavenknecht." Geleerde verhandeling over
voetzoekers. Juffrouw Laps wikt, Fancy beschikt.
Om van Fancy's spinsel en borduursel iets te leeren begrypen, is
't noodzakelyk eenige uren terug te gaan.
De lezer herinnert zich dat er dien middag ter uitspanning van
de hooge personaadjes die Amsterdam vereerden met 'n bezoek, 'n
hardzeilery zou worden gehouden op den Amstel Juffrouw Laps had reeds
de goedheid dit aan ons en de Pietersens meetedeelen, en tevens dat
de zaak mislukt was door 'n onhoffelyk gebrek aan wind. Ze had de
waarheid gezegd. Hopen wy dat deze uitspatting geen al te nadeelige
gevolgen moge gehad hebben voor 't evenwicht van haar ziel.
Het was dien dag inderdaad bladstil. De mannen van 't vak beweerden
"dat er geen zuchtjen aan de lucht was." Wie zich anders uitdrukte,
werd voor 'n landkrab gehouden.
Het plezier-roeien was nog niet in de mode--de mode had ongelyk,
want het is 'n flinke mannelyke oefening--doch al ware dit anders
geweest, Amstelboeiers zyn niet op roeien ingericht, en andere
geschikte vaartuigen waren niet by-de-hand, om nu niet te spreken van
't gebrek aan eelt in de handen van de liefhebbers.
In dit opzicht dan toch waren onze grootouders nog lamlendiger
fatsoenlyk dan wy. Ze dachten er zelfs niet aan, dat zoo'n matrozige
inspanning 'n vermaak wezen kon zonder de minste schade voor
deftigheid, en meenden al heel wat ferms uitterichten, wanneer ze
als halfleege meelzakken met den schoot in de hand in 'n stuurstoel
lagen te dutten. De wind moest by die gelegenheden al het werk doen,
en had dus eigenlyk alleen aanspraak op 't plezier.
Maar de wind deed nu eenmaal dien dag z'n werk niet. Hy scheen elders
bezig, en floot misschien onzen tegenvoeters 'n spotdeuntje voor,
op al de gefopte potentaten die tusschen Ouwerkerk en Amsterdam
heen-en-weer pauwden in stof en hitte.
Ja, 't was gloeiend heet. Koningen en prinsessen zweetten als
menschen. De joujoux de Normandie--'t speel- en groettuig der
beau-monde van dien tyd--klommen al trager en trager by hun koordjes
op. Nu, dit stond zoo kwaad niet, want de goede toon schreef voor,
dat ze zeer langzaam stegen, en zich aanstelden alsof ze moeite
hadden de hand te bereiken die ze had laten vallen. Dat, of zoo-iets,
heette: morbidezza. De beweging der vingers, die 't kleine rukje
moest meedeelen waardoor 't stygen werd te-weeg gebracht, behoorde
onmerkbaar te zyn. Dit gold voor gratie, bekwaamheid, verstand,
en zelfs by-mangel aan beter, voor genie.
Sommige kroniekschryvers beweren dat de oude puistige Paltsgravin
'n groot gedeelte van 't prestige in hofkringen, dat haar inderdaad
niet kon worden ontzegd, te danken had aan de handigheid waarmee
ze wist omtegaan met den joujou de Normandie. Volgens Stuart Mill
was zy de uitvindster van den zoo beroemden horizontaalworp, en
't is niet geheel-en-al onmogelyk dat zy ook in 't bezit was van
't geheim om 't belangwekkend speeltuig loodrecht omhoog te werpen,
en zeer langzaam te laten dalen langs de door 'n onnaspeurlyke oorzaak
gespannen koord. Maar deze byzonderheid vereischt bevestiging. Stuart
Mill heeft de wreedheid gehad te sterven voor-i den Hollanders heeft
voorgezegd wat ze hiervan te denken hebben, en alle kans op licht is
dus afgesneden.
Dat ook de zeer hooge geboorte van de Paltsgravin meewerkte aan
den invloed dien zy uitoefende op alle Europesche hoven--op één na,
want de edelste zaak heeft haar tegenstanders!--mag waar zyn, maar
toch... haar virtuoziteit op den joujou was en bleef hoofdzaak.
En ten-onrechte! Want men wordt geboren zonder dat men 't
helpen kan--dit was zelfs met de Paltsgravin eenigermate het geval
geweest--terwyl er tot het wel besturen van 'n paar palmhouten schyfjes
aan 'n koord, natuurgaaf en oefening noodig is. Vorsten en prinsen
weten dit wel, en maken er dikwyls gebruik van. Me dunkt ik hoor
'n koning zeggen:
Ma toute bonne, vous qui avez la main si légère, ne pourriez vous pas
me faire l'amitié de flanquer à la porte les trente mille hommes que
mon diable d'... allié vient de loger dans ma capitale?
Of:
Ach, du meine liebe Cousine, wie du göttlich chouchouirst! Auf und
nieder ... nieder und auf! Wenn du einmal unsern sehr verehrten Vetter
mit Usurpationsminen, Kaiserliche Majestät, so am Kördelchen hieltest
und chouchouirtest?
Nu spreekt 'n prinsje:
--Auf Ehre, Durchlaucht sind zum küssen adorable! Nur der Respekt
widerhält mich ... auf Ehre! Clotho, ich beehre mich Ihr Sclave
zu sein. Lachesis, Ihrer geschichtlenkenden Hand empfehle ich mein
Schicksal! Schaffe mir den Erbprinzen vom Halse, o Athropos! Schicke
den... unbescheiden-frühergeborenen nach Italien, ins Pfefferland, in
den Krieg, in... Cytherëischen Vergnügungen, womit eine so gescheute
Parke wie Durchlaucht, Lebenskördelchen abschneidet... zum Entzücken,
verehrungswürdigste Parke Durchlaucht!
Zoo spraken welopgevoede prinsjes van dien tyd. Laf was het, en
heel mythologisch, o ja! De mythologie is weg, maar de lafheid is
hier-en-daar gebleven. Er bestaan inderdaad tegenwoordig hooggeboren
personaadjes die niet de minste konversatie houden over schikgodinnen,
en toch de moeite van 't aanhooren niet waard zyn. Meer nog. Zelfs
sommige laaggeborenen veroorloven zich zoo'n leegte. Ik heb kooplieden
gekend jazelfs werkluî, die praten konden als 'n... prins nà den bloei
van de salon-mythologie. Maar we zyn nu met vorstjes bezig. Alzoo:
Een prinsesje spreekt:
--Liebe mütterliche Cousine... aber nein, so geschickt wie du... nie da
gewesen! Mit dèm Händchen könntest du mir ganz bequem ein halbdutzend
fette Provinzchen aus dem Deutschen Reichsmaraste zur Morgengabe
zusammen fischen, Cousine!
'n Sterveling van lager soort:
--Königlich-Kaiserliche Hoheit, ich sehe, staune und... schweige! Wenn
Königlich-Kaiserliche Hoheit nur beliebten... Gottes Erdreich wurde
sich pflichtsschuldigst freuen wenn Königlich-Kaiserliche Hoheit
geruhten es gnädiglich balanziren zu wollen auf Königlich-Kaiserliche
Hoheit's göttlichen Fingern! Ich schweige gehorsamst, doch... dass eine
Ober-geheim-küchen-ceremonienmeisterstelle vazirt, ist unterthänigste
Wahrheit.
Enz. Enz.
Al deze menschen logen 'n beetje. Maar hun praatjes waren minder dom
dan 'n oppervlakkige beoordeelaar meenen zou. Want ze bereikten dikwyls
hun doel. Die laatste aanbidder, byv. kreeg inderdaad 'n aanstelling by
'n königlich-kaiserliche hofkeuken. Wat wil men meer?
Overdreven verwondering over den invloed van de Prinses, zou 'n blyk
van onkunde wezen. Want al reike nu de historische kennis van den
lezer niet toe om hem te doen raden welke persoonlykheid ik bedoel--men
weet reeds dat ze roode puistjes in 't gezicht had, en ik voeg er nu
by dat ze gewoon was te slapen tusschen lakens van hollandsch linnen:
dit is iets!--welnu, al kent men haar niet, toch mag ik verwachten
dat ieder wete hoe macht, aanzien en invloed gewoonlyk gegrond zyn
op kleinigheden. Misschien zou er eenige verwondering te-pas gekomen
zyn wanneer ik m'n Paltsgravin had voorgesteld als verdienstelyk,
of als bekwaam in belangryker zaken dan 't op-en-neerwippen van
'n joujou. Haarzelf lieten zulke kwestien volkomen onverschillig.
Een ruiter naderde haar koets.
--Eh bieng, zjefalier, n'est-ze-pas qu'il fait affreussemang chaud
dang ze pays?
--Wie K. K. Hoheit befehlen.
--Ch'étouve!
--Zu dienen.
--Und wo steekt denn unsere kleine wilde Katze? Ist sie hinten? Ist
sie vor? Wo ist sie?
De "chevalier" werd door 'n toedringende volksmenigte van de koets
gescheiden. Dit beviel hem wel. Vooreerst was-i uit de oude school, en
hy durfde zich niet wagen aan 't duitsche hoffransch van de Palatine,
waaraan-i admirablemang wèl deed. Ten-tweede bezat-i te veel routine
van nieuwer school, om gaarne te antwoorden op de vraag naar de "wilde
kat." Dit katje namelyk was 'n zeer superlatief-K. K. Hoheit. De
halfbakken hoveling mocht dus niet te snel verstaan wie er bedoeld
werd, en durfde zich evenmin schuldig te maken aan niet-verstaan. Een
groep welwillende zangers kwam z'n verschrikte diplomatie te-hulp:
"Amour à la plus belle,
Honneur au plus vaillant...
Ja, ja, lezer, er is 'n tyd geweest, dat de kracht van hollandsche
jenever--amsterdamsche proef--zich openbaarde in fransche romances. Of
onze straatzangers dat refrein precies uitspraken en zongen naar de
bedoeling van den auteur, van de auteur, liever...
De Paltsgravin scheen dit te ontkennen. Met haar joujou riep zy 'n
zeer elegant jongmensch van 'n jaar of achttien tot zich; dien zy
in haar nabyheid ontdekte. De jonge ruiter groette ganz rittermässig
met z'n karwats terug, en drong door de menigte heen.
--Ecoutez, mein Prinz! Das Pöbel singt la changsong de la Reine! Oh,
mong Dié, quelle pronongziaziong!
--Vous avez l'oreille si délicate, ma Cousine!
--Ang férité! Aber, Prinz, sagen Sie mir 'nmal, wo ist denn Ihre
Prinzessin Schwester, mein Waldkätzchen?
--Ma foi il y a plus d'une heure que je ne l'ai vue! Elle s'amuse
peut-être là-bas, au village d'Awercric. Qui sait si elle n'a pas passé
l'eau. Vous savez, Palatine, qu'elle n'a pas l'habitude de se gêner...
Nu ja, dit wist de Paltsgravin. Dit wist ieder die ooit de eer had
het prinsesje van naby gade te slaan, en de lezer zal er ook iets
van te zien krygen, parole d'honneur!
Honneur au plus vaillant! schreeuwde nu weer 'n troep al te
opgetogen Nederlanders, en onze Paltsgravin reed op-nieuw 'n oogenblik
onverzeld. Van-tyd tot-tyd harkte zy met haar speeltuig dezen of genen
"kavalier" naar zich toe, en knoopte dan 'n gesprek aan, dat echter
telkens door de volte werd afgebroken.
Om de lokaalkleur te handhaven, gelieve de lezer by uitspraak van
't woord "kavalier" te rymen op: "duitsche manier" in welk geval 't
niet "ruiter" beteekent, maar 'n "heer van den hove" 'n hoffähiger
gentleman, ja misschien zelfs by-uitsluiting: 'n edelman. Niet zonder
deernis met de miskende rechten van de etymologie, moet ik betuigen
dat er by de zaak volstrekt geen paard noodig was, al zy 't dan dat in
dit geval de "kavaliere" werkelyk tevens ruiters waren. Nu ik toch aan
't uitleggen ben... 't woord: "harken" is van my. Ik nam de vryheid
daarmee alleraardigst te zinspelen op den befaamden horizontaalworp
met den joujou.
De koetsen reden nog altyd stapvoets en als in pantoffel-parade. Het
kon niet anders, om de volte.
Bovendien, de souvereinen verkeerden in 'n ziekelyke bui van
"Volksthümlichkeit." De mode van den dag bracht 'n misselyke
neerbuigings-manie mee, en de meeste rangmenschen overdreven
de mode, zooals gewoonlyk. Men droeg filantropie, gelyk wat
vroeger de hoepelrokken, en later crinolines, vryen-arbeid of
chignons. Rousseau--die beter wist, of althans beter weten kon--had
de afgezaagde theorie van "ce bon peuple" op frazen gezet, en wie
te arm was om gedachten te bezitten op z'n eigen hand, neuriede die
frazen na. Heel ryk nu, waren de meesten van die luidjes niet. En
dit is nòg zoo.
't Spreekt vanzelf dat dit instemmen met den deun van den dag,
gewoonlyk ver van oprecht was. Binnen de wanden der staatsie-koetsen
heette dat "goede Volk" zeer dikwyls doodeenvoudig: la canaille,
'n kwalificatie die wel niet geheel juist was, maar toch niet verder
van de waarheid afweek dan de zoetemelks-praatjes van Rousseau. [3]
Wat den twyfel aan de welgemeendheid van koninklyke Volksliefde
betreft, vergeten we nooit dat ook "ce bon peuple" geen grein oprechter
is dan de meest geveinsde Machiavel. Al wat men van 't Volk zeggen
kan, is dat het evenmin pozitief valsch is. Het schreeuwt "vivat!" en
denkt... niet juist altyd het tegendeel, maar gemakshalve niemendal.
By de zeer byzondere gelegenheid die ik bezig ben te vereeuwigen met
m'n mozaïktroffel, maakten de vergaderde vorsten zich schuldig aan
'n verzuim dat hen in de oogen des volks zeer benadeelde. Niemand
strooide geld uit het portier, zelfs geen zilver. En onze Paltsgravin
was de laatste die op 't denkbeeld komen zou--'t was zoo warm!--dat
deze speciaal-vorstelyke manifestatie aan de feestelykheid ontbrak.
Ze werd hieraan evenwel herinnerd door Prins Erik, den jonkman van
zoo-even die op-nieuw haar rytuig naderde, ditmaal gevolgd door
'n lakei op 'n bezweet paard. Hy kwam vertellen dat z'n zuster--'t
Waldkätzchen?--hem 'n boodschap had gezonden uit "Awercric." En:
--Palatine, auriez-vous par hasard quelques douzaines de frédérics
à me prêter? vroeg hy.
--Che parie que z'est pour elle!
--Si!
--Elle fait donc angcore l'angrachée, che pangse!
--C'est possible! Mais en tout cas, il ne faut pas la laisser dans
l'embarras. Dieu sait dans quel gâchis elle vient de se faufiler. Je
n'ai qu'une bagatelle sur moi... ainsi, donnez, donnez!
Prins Erik en zyn zuster gingen de Palatine nog wel driekwart-graad
te-boven in K. K. Hoogheid. En 't "boschkatje" was de verloofde van 'n
Grootvorst die volgens alle menschelyke berekening keizers tot lakeien
hebben zou. De Paltsgravin--"Oh, mong Dié! Oh, mong Dié!"--was dus wel
genoodzaakt haar eeredame te gelasten aan Prins Erik 'n goudbeursjen
overtereiken. Deze gaf 't den lakei, die 'r mee wegreed zoo snel de
volte gedoogde.
Prins Erik's zuster had inderdaad geld noodig. Ze speelde
Voorzienigheidje. Wat zy eigenlyk met de geleende som uitvoerde, weet
ik niet, maar zeker is 't dat de dankbaarheid--d. i. de betuiging
van die aandoening--haar wat druk werd. Ook drongen er zeer veel
menschenvrienden toe, die haar ruimer gelegenheid wilden verschaffen
tot het voortzetten van haar liefhebbery, dan goudbeursjen en gezond
verstand toelieten.
We zullen maar aannemen dat er den vorigen dag te Ouwerkerk 'n
zware brand was geweest--men assureerde niet in die dagen--of... 'n
landman had al z'n koeien verloren aan de veepest--Thorbecke was nog
niet geboren om die onaangenaamheid uitteroeien--of... 'n ongehuwde
kraamvrouw kon geen plaatsje krygen om uitterusten van haar zondige
verlossing--de zedekundige lezer weet misschien dat de "deugd" dit
niet gedoogde in Wouter's tyd--of...
Hoe 't zy, Prinses Erika had de een-of-andere weldadige gekheid
uitgericht, 'n soort van débauche waaraan ze zich zeer dikwyls
tebuiten ging. Goed was 't zeker niet, maar er zyn erger ondeugden,
en ik ken velen die 't recht niet hebben zulke karakterfouten te
laken. Voorloopig hebben de moralisten dringender arbeid dan 't
waarschuwen tegen fouten als die welke den hoofdtrek uitmaakten in
't karakter van prinses Erika.
By deze gelegenheid dan had ze haar koets verlaten, en was van haar
gevolg afgeraakt. Om de menigte te ontwyken, die--juichend, dankend
en... vooral lastig--op haar toedrong, was zy in 'n roeischuitje
gesprongen, dat aan 'n steiger lag, en waarin 'n man zat te
slapen of nagenoeg. 't Was zoo warm! Het was Klaas Verlaan, de
"Amstelhavenknecht."
De bons van den sprong deed hem ontwaken, en al de toeschouwers
berstten in lachen uit om 't malle gezicht dat-i zette.
Er was waarlyk reden toe! Prinses Erika droeg 'n vuurrood satynen kleed
met 'n langen sleep dien zy echter--zoo-even reeds by den brand zeker,
of by de kraamvrouw, of by de koeien--had opgeg...
--Opgegeid, noemde 't Klaas Verlaan vele jaren daarna, als-i de
historie vertelde aan z'n kleinkinderen.
't Was de pièce de résistance van z'n ondervinding. Nu, sommigen
hebben minder beleefd!
--Se sag er uit as 'n fonk, zeid-i, en ik doch werachtich dat er
'n ster in m'n jol was gefalle, so flamde ze!
Komaan, we zullen Klaas Verlaan 't woord geven, maar ik heb geen lust
z'n spelling te volgen. De lezer zal wel ongeveer weten hoe de man
moet gesproken hebben.
--Zóó vlamde ze! Aan de armen droeg ze witte leeren handschoenen
tot den schouder toe. Eén er van ligt nog altyd in 'n doosje by de
Staten-overzetting. 't Lykt wel 'n kinderkousje. Want haar vingers
waren klein, maar ... kracht had ze daarin, kyk! En op 't hoofd 'n
toren van poeier ... net 'n grooten sneeuwbal! Maar 't gezichtje was
lief, dat moet ik zeggen!
En ik was 'n beetje... bedonderd, omdat ze zoo glom. Ik wist
waarachtig niet wat ik in m'n schuit had, en of ik moest vloeken of
siveplé-spelen. Maar ze wachtte daar niet op, en voor ik recht wist
hoe ik 't had, pakt ze me-n-'n-riem, en zet m' flink tegen den wal, en
zet af. Ik dacht dat ze buitelen zou by 't uithalen, want het ding zat
wel half-blads in den modder, en 't zóóg als de bliks... lager. Maar ze
liet 'm steken, en viel op den doft neer, en lachte. En daar dreven we!
Maar ik was kwaad as 'n spin, en zei--met 'n vloek, want ik vloekte
nog in dien tyd--dat ik baas op m'n jol was. Ja, dat zei ik.
--Ich rudern! riep ze. Want, kinderen, haar hollandsch was
miserabel. En ze greep naar m'n anderen riem. Maar dáár was ik als
de kippen by!
--Houd je gemak! riep ik. Ken je wrikken?
Dit verstond ze weer niet. En ze wou me den riem uit de handen nemen,
maar weetje wat ik zei? Ik zei: m'n vader is geen breeuwer, zei ik,
en ik hou m'n riem!
Want ik bedankte-n-er voor, om daar op den Amste! te liggen draaien
als 'n tol! Alle menschen keken er naar. Ze liet den riem los, en
grabbelde-n-in haar tasch--'n fluweelen ding met gouden knip, dat met
'n haak in haar middel zat--en ze haalde-n-er 'n stuk geld uit, en
wees het me. Toen gaf ik haar den riem... om 't geld, weetje, dat ze
me wees, want, dacht ik, wat kan 't my schelen of de menschen lachen
aan-wal? 't Kon m'n dag nog goedmaken, als ik dat geld kreeg. 't Zag
er uit als 'n dukaat, maar 't ding was meer waard. Dat heb ik later
gemerkt toen ik 't wisselde op den Vygendam... met al de anderen,
want ik kreeg er meer. Dat zal jelui hooren.
Ja, niet waar, wat zou ik doen? Aan zeilen kon niet meer gedacht
worden, en aan roeien ook niet, en aan fooien ook niet. Dus... ik
liet haar begaan, maar zei dat ze wrikken moest.
--Rücken? riep ze.
--Wrikken, riep ik. Kyk... zóó!
En ik wou 't haar wyzen.
Maar 't ging niet. Want... dit weet jelui ook wel, er zyn altyd tien
roeiers te krygen tegen één wrikker.
Ik wees haar hoe ze d'r beenen moest zetten. Ze had wit-satynen
schoentjes aan, en voetjes niet grooter dan 'n vuist, maar ze liep
er goed op. Dat heb ik later gezien. Ze was als 'n kievit zoo vlug.
Maar wrikken kon ze niet! Ik was beschaamd voor den wal, want ieder
kende de jol van de Jachthaven, dat begryp jelui wel. En als ik m'n
hand aan den riem sloeg, werd ze kwaad, en wou me wegdringen. Gut,
op vechten af!
Waar ze-n-eigenlyk heen wou, begreep ik niet. Als ik 't vroeg, riep ze:
"rücken, rücken!"
Ja, dacht ik, ruuken, ruuken, dat geeft wat! 'n Mensch moet toch
weten waar-i heen wil!
We sukkelden stroom-af--meest gatje-voor!--en naderden de
Jachthaven. Goddank, dacht ik, straks kryg ik m'n dukaat, en de grap
is uit. Maar jawèl!
Op-eens houdt ze met wrikken op--'t zweet liep haar by droppels van 't
gezicht!--en leî den riem op den doften. Toen wou ik 't ding grypen,
omdat ik 'n eind aan de zaak maken wou. Maar dat verkoos ze-n-ook
alweer niet. Wat ze dan eigenlyk wèl wou, kon ik eerst niet begrypen
... ik zal 't jelui maar zeggen, ze wou te-water!
Ik schrok er van! 't Mensch was dóór en dóór van zweet. Maar... ze
wou! Er was niets aan te doen. En ze hield weer zoo'n moffendukaat in
de hoogte. Op den Vygendam by Everts kreeg ik drie ryers voor 't stuk,
en de man zei, als ik er meer had, kon ik altyd by 'm te-recht. Dáárvan
is 't zilver beslag op de Staten-Overzetting. Jelui ziet dat ik de
waarheid vertel. Ook 't gouden ooryzer van m'n oudje--dat nu jeluî
Grietje-meu draagt--is van dien tyd.
Zoodat ik zei, ga jy je gang! Als je dan asseluut ziek worden wilt,
of sterven, of rimmetiek krygen...
Ze trok 'r schoentjes uit, en 'r satynen kleed, en meer nog. Maar ze
hield wat ondergoed aan, dat moet ik zeggen. En ze gooide haar pruik
af, en dit mocht wel want ze had eigen haar genoeg, en ze schudde-n-'t
hoofd als 'n paard dat de wei ruikt. En ze sprong... kyk! ik had
nog nooit zoo-iets gezien... van 'n vrouwmensch, weet jelui? Flink
koppie-over!
Eerst was ik bang voor 'n ongeluk. Want, dacht ik, zwemmen kan ik niet,
en als 't mensch koppie-onder gaat... wat zal ik doen? Maar 't hoefde
niet, want zy zwom wel. Als 'n eend! Of liever als 'n paling, want
ze kronkelde-n-onder m'n jol door, en schoot weer op aan de-n-andere
zy... als 'n dobber hoor! 't Speet me toch evel dat ik niet ook zoo
thuis was in 't water, maar jelui weet, dat is by ons in Holland zoo
de gewoonte niet. Zy was zeker uit 'n land waar de menschen niet zoo
zindelyk zyn als by ons, en daarom alle dagen te-water moeten gaan.
Maar dat tot dááraan toe! De jol dreef tegen de jachthaven, en zy
was er ook. Ik hielp haar op den steiger, en er stond veel volk te
kyken. Dit beviel haar niet. Ze greep m'n pyjekker die in de jol lag,
en sloeg zich 't ding om de schouders. Toen keek ze-n-even rond, zag
'n open deur van een der jachthuisjes, en vloog er in. Net'n wilde kat.
Ik pakte haar spullen by-elkaar, en wou haar die brengen. Maar
ik durfde niet binnengaan, omdat het 't huisje was van m'nheer
Kopperlith op de Keizersgracht, weet jelui? Die zou 't heel kwalyk
hebben genomen dat ik met zoo'n vreemd schepsel in z'n jacht-huisje
gekomen was. Want, dacht ik, dat je nu met my zoo familjaar omgaat,
dat kàn--om den dukaat, weetje--maar... m'nheer Kopperlith woont op de
Keizersgracht. Dàt scheen ze niet eens te weten. Hoor eens, kinderen,
wat opvoeding en fatsoen aangaat ... geen land boven Holland, dat's
maar zeker!
Maar ... binnen wàs ze! En ik durfde-n-'t bruggetje niet over,
met haar satynen japon op den arm, en al de andere japonnen, en die
fluweelen tasch, en haar schoentjes, en haar witte pruik.
En daar stond ik!
De menschen van de brug riepen: "dat is 't huisje van m'nheer
Kopperlith, denk er om!"
Ja, dacht ik, daar denk ik wèl om, maar wat zal ik doen? Juist begon
ik me te bezinnen om de policie te roepen, toen m'n dochter Geert
kwam aanloopen, jelui Geertje-meu, weetje, die ook al dood is...
Maar toen was ze-n-'n knappe jonge meid van zoowat achttien. En ze zei:
--Vader, laat 'r in òns huuske! Daar kan ze zich klaren.
Hieraan had ik ook wel gedacht, maar ik was bang voor de Direktie
van de Jachthaven. 't Kon my m'n ontslag kosten als ik rare dingen
deed. Want de heeren houden niet van vreemdigheid in de huisjes.
Terwyl ik hierover zoo nadenk, krygt onze bruinvisch die me-n-al lang
had staan wenken om haar kleeren, onze Geertje-meu in 't oog. Ze vliegt
't huisjen uit, pakt Geert by den arm, en loopt met 'r heen.
Ik achterna met de plunje, dat begryp je! Onze Geert bracht haar by
moeder, en ik dacht: in godsnaam! Ja, wat zou ik doen, niet waar?
Maar... 'n rare dag wàs het! O, ik ben nog lang niet klaar! Weet
jelui wat ik altyd zeg? Ik zeg altyd: niemand weet of z'n dag goed is,
voor bedtyd!
Zoo eindigde Solon Verlaan 't eerste hoofdstuk van z'n verhaal. Het
tweede en laatste zal ik vertellen, of vanzelf laten spreken. We laten
dus 't boschkatje voor 't oogenblik onder de hoede van de aanstaande
Geertje-meu die op zich genomen had haar, of de zaak, te "klaren". Nu,
dit deed ze. Sint Maarten was er niets by.
Op den ryweg langs den Amstel joelde 't Volk maar altyd
voort. Van-lieverlede verdwenen de koetsen van de hooge
heerschappen. Ook de ruiters verveelden zich, en zochten vryer
plaats dan die buurt op dat oogenblik kon aanbieden. De menigte
drong, zong, schreeuwde en dronk. Om zich schadeloos te stellen voor
't mislukte hardzeilen, begon men hier-en-daar zich te vermaken met
het afsteken van vuurpylen, die den volgenden dag in de couranten
tot getuigen werden geroepen van de ontzaggelyke liefde des Volks
voor alle mogelyke prinsen en prinsessen.
Dit was onjuist. Het Volk houdt van vuurpylen omdat ze blazen en
proesten en sissen en glinsteren.
Ook zwermers--de Amsterdammers noemen ze "voetzoekers." Wie kan me
zeggen: waarom?--ook zwermers werden aangevoerd als bewyzen voor de
zeer byzondere gehechtheid des Volks aan alle Souvereinen...
De Paltsgravin gelóófde het. Heusch!
Maar ze had ongelyk, precies als die kranten.
Want, lezer, de menigte houdt van voetzoekers, omdat ze sissen,
en vuur spuwen, en 'n harden klap geven. Dàt is de zaak! Men kan
er gerust alle grieksche wysgeeren op nalezen, op Solon Verlaan na,
die z'n heele wysheid heeft opgemaakt aan 't bedenken der diepzinnige
spreuk van zoo-even.
Ook de zevenklappers... klapten. Ze spraken en getuigden van dynastieke
opwinding, en alle Souvereinen zaten met zevenvoudige gerustheid op
hun tronen...
Maar de Souvereinen waren wat voorbarig in die gerustheid. Want 'n
zevenklapper maakt wel veel geraas, maar bewyst niemendal. Het volk
steekt ze niet af om trouw te zweren, maar omdat die dingen zoo grappig
heen-en-weer springen, en by elken sprong zoo'n knetterend geluid
geven. Al zeggen nu hierover de grieksche wysgeeren geen woord--zeker
omdat ook zy nu uitgeput zyn na de inspanning hunner denkvermogens
over de ware beteekenis van 'n voetzoeker--toch is het zoo!
Veracht me niet te zeer, lezer, als ik u betuig dat de ware vreugd
die er uit vuurwerk te halen is, in 't afsteken--zèlf afsteken!--van
zevenklappers en voetzoekers bestaat. Een "groot vuurwerk" is 'n
ellendig ding, 'n menschonteerende foppery. Eigenlyk 'n schimp,
'n beleediging, 'n laesio dignitatis generis humani! [4]
Om dit intezien, behoeft men zich maar 'n oogenblik te verbeelden
zoo'n vertooning bytewonen...
In eenzaamheid! Want als u iemand betrapt in de autopsie die ik
voorsla, zyt ge in zyn opinie 'n reddeloos verloren mensch. Uw vrouw
kon echtscheiding aanvragen, en zeker zou ze 't proces winnen voor
elken rechter die verstand heeft van menschenwaarde.
Verbeeld u dan dat gy, in uw binnenkamer en alleen, zoo'n vuurwerk
aanschouwt. Roep, zeg, mompel of fluister--ingodsnaam zóó zacht dat
gyzelf uw eenige hoorder zyt--fluister 't onvermydelyke: hè...è...è...
En houd u 'n spiegeltje voor!
Dan, lezer--al waart gy de verfoeielykste atheïst--ontsnapt u de
verontwaardigd-religieuze verzuchting: God, myn God ... hebt ge my
dáártoe geschapen?
En by zoo'n gelegenheid voelt men--tenzy men onvatbaar werd voor
èlke gewaarwording--yverzucht op de intelligentie van z'n paraplui
of laarzentrekker!
Maar ... voetzoekers, zevenklappers! Men staat er niet by met den open
mond die by elke teekenoefening den leerling wordt aangeprezen als
de uitsluitende vertegenwoordiger van wèl geopenbaarde bêtise! Men
is handig by 't aansteken. Er is gevaar als ze haperen. Men werpt
ze! En... snel, snel ... één sekonde te laat, ze bersten in de
hand! Allergevaarlykst!
Eens namelyk heeft de traditioneele "iemand" die de hoofdpersoon is
van alle volks-akeligheden, zich door het te lang tusschen de vingers
houden van 'n zwermer, 't even traditioneele "groot ongeluk" op den
... hals gehaald, dat ... enz.
Och, hoe prettig is die angst. Hoe allerakeligst vermakelyk!
Helaas, pret en vermaak zyn afgeschaft! De stedelyke Regeeringen
verbieden zulke ruwe vermaken ... om 't brandgevaar, sedert alle huizen
met pannen gedekt zyn. In den tyd der stroodaken kon die vreeselyke
losbandigheid oogluikend worden geduld. Maar nu?
En de andere gevaarplezieren! Hoe menige juffer kwam thuis--byna
zelfs kwam ze niet thuis--met 'n verbrande jurk! Gilde ze niet van de
pret? En 'n jongen--altyd "de jongen die ook overal met z'n neus by
moet wezen"--had-i niet eens--byna, alweer--'n volle lading in 't
gezicht gekregen? Was er niet gevaar geweest--nogeens: byna--dat
z'n oogen 't gelag te betalen kregen van die onbescheiden neus?
En... 't mikken met zoo'n aangestoken voetzoeker! Dàt is wat ànders
dan 'n joujou de Normandie!
Ik weet--en betreur het van-harte!--dat er nog altyd hier-en-daar
menschen worden gevonden, die meenen zich te vermaken met
schyfschieten, 't ouwevrouwigste plezier dat men kan uitdenken, 'n
naaischoolige parodie op ridderlyke wapenoefening. 't Is waarachtig
niet dáármee, dat men op Scyros zou hebben uitgemaakt of Achilles
'n jongetje was, en of-i z'n opvoeding ontving in 't pensionaat
van Chiron!
Zündnadels, Beaumonts, Chassepots zyn verachtelyke voorwerpen. Ze
spreken niet mee. De kogel die zich zoo onnoozel laat voortdryven
uit de buis van die dingen, is eigenlyk te dwaas om in z'n eentje de
parabool te beschryven die de artilleristen van hem vorderen. Men
zegt dat er projektilen geweest zyn die hun weg vergaten, en zoo
slaafs zich hielden aan de routine die ze meenamen uit den loop ...
Sakkerloot, ziedaar 't geheim opgelost van de verregaande
ongekwetstheid en welvarendheid der geslagen legers! Die menschlievende
kogels zyn op-reis in den... aether, en willen aërolith spelen op
deze of gene planeet, waar men nog dom genoeg is aan "aërolithen" en
"aether" te gelooven.
De voetzoeker--hoeden af, lezer!--geeft den drommel van zoo'n bekrompen
loops-opvatting. Hy heeft karakter, en volgt z'n eigen senie... zou
juffrouw Pieterse zeggen. Hy leeft, en kiest z'n weg. Hy spuwt
vuur, en deinst voor 't recul van z'n eigen strydlust. Hy kampt om
't verloren terrein te herwinnen, en wisselt van zwaartepunt, en
wendt z'n grilligen loop, en kronkelt als 'n vliegende lintwurm. Hy
schryft z'n naam in gloeiende krullen, en vecht tegen den luchtdruk, en
sliert al duiklend voort, en braakt arebesken. En waar-i was, keert-i
weer, als iemand die nog wat te zeggen heeft. En waar-i niet was,
komt-i aanrollen, blazend, blakend, brandend, schroeiend, sissend,
schetterend ... altyd verrassend door nieuw-uitgedachte huppeling,
altyd verschrikkend door vreemdluimigen sprong, altyd boodschapper van
't onverwachte, maar altyd de drager ook van 'n herhaalde opwekking
tot gillend plezier.
En de zevenklappers! 't Is waar, ze vuurden niet zoo prettig, en
gingen aanvankelyk bedaarder hun weg. Maar men was zekerder van
z'n worp! En ... éénmaal 'n openstaand venster ingekeild, werden
ze wakker en roerig. Dan klapten zy, en sloegen, en sprongen als
toornige duiveltjes, voltigeerden links-rechts op-en-neer door de
kamer, kris-kras-kruis op de tafel, tegen den spiegel, achter de
schilderyen, tusschen de stoelen, onder bed en sofa. Ja, soms dansten
ze--sarkastische demonen!--de kaars uit...
De Archimedes die de evolutien van 'n rechtgeaarden zevenklapper
weet te berekenen, moet nog geboren worden. Dit spyt me niet erg,
omdat ik voor ditmaal aan 't zeer byzonder effekt van 'n eerste
uitbersting genoeg heb. Ze had plaats naby Wouter's linkerwang, juist
op 't oogenblik toen juffrouw Laps hem daarop een kus wilde geven:
haar Rubicon!
Heel aangenaam zou 't Wouter nog altyd niet geweest zyn wanneer 't haar
gelukt was die omineuze rivier overtesteken, maar 't blyft de vraag
of-i daarna kracht, besef of afkeer genoeg zou hebben overgehouden
om zich te verzetten tegen finale verovering.
De geestige zevenklapper won hem den gevaarlyken tweestryd uit. Wat
die prinses Erika mikken kon!
Juffrouw Laps had haar zondige lip gebrand, en riep:
--Heere Krrristis, wat's dàt?
Heel veel anders viel er dan ook by die malle gelegenheid niet
te vragen.
Wat het wàs?
Wèl... 'n brokstuk uit het "Register der Handelingen en Besluiten"
van Fancy. Ze hield zich bezig met het verevenen van kansrekening, en
de lezer wordt uitgenoodigd, als by 'n vuurwerk, te blazen: hè...è...è!
De leer der doeleinden duidelyk gemaakt door 't
achterste-voor zetten van omdatten en opdatten. Hossen! Arme,
arme, arme, Laps! Mysterieus standbeeld in de "Gekroonde
Jeneverbes." Republikeinen in konflikt met de Keizersgracht. Wouter
krygt 'n zusje.
Fancy is groot, en wy beginnen haar eenigszins te begrypen. Dit heeft
ze op sommige andere godheden voor, want onbegrepen grootheid baat
niet veel, en kon eigenlyk zonder schade gemist worden.
Ja, ze was groot, en ... praktisch!
O, verrukkelyke teleologie van den romanschryver ... juffrouw Laps
mocht haar "sinnigheid" niet krygen!
En dáárom was 't zoo warm, dien dag! En dáárom had ze haar venster
moeten opschuiven, wat anders 'n fatsoenlyk nederlandsch mensch--liever
stikken!--niet doet. Dáárom bleef de hardzeilery in den steek! Dáárom
verveelde zich Prinses Erika! Dáárom beging ze weldadighedens tot
tydverdryf! Dáárom kreeg ze lust in baden! Dáárom joelde al dat
volk--en zy mee!--met voetzoekers en sissers de stad in, Weesper-
en Amstelstraten door, naar de Botermarkt...
Want op dat plein woonde de Caesarine Laps die 'n zevenklapper in 't
gezicht moest krygen juist toen ze bezig was met haar alleraardigst
venit, tetigi, en... "heere-krrristis wat is dat?"
Wat dit is, juffrouw Laps? Wèl, 't is fantastische doeleindenleer. Al
die koningen, prinsen, prinsessen--en zelfs de Paltsgravin met haar
puistjes, joujou en hooge geboorte--zyn op dien warmen dag door 'n
hooger Wezen in de stad gezonden om u in de wielen te ryden. Het is
uw plicht dit te gelooven... o, geloofster!
Ze geloofde het niet! En ze kòn het niet gelooven, want ze wist er
nog minder van, dan van al de andere dingen die ze voorgaf zonder
bezwaar te slikken. Het onweer op Sinaï was door den "Heer" beschikt
om de Joden aan 'n behoorlyke reglement van policie te helpen, maar
die nydige zevenklapper...
Ze vloog naar 't venster. Wouter ook. Er bleek nu dat de bedoeling
van den haar en hem onbekenden artillerist niet boos geweest was,
want niemand lette op de nieuwe toeschouwers. Bovendien, ook andere
vensters raakten gaandeweg open en bezet, waardoor de aandacht van
't straatpubliek verdeeld werd. Er bleek uit niets dat men zich
om juffrouw Laps of haar gast meer bekommerde dan om elk ander
die toekeek. Zonder erg werd er rechts en links gebombardeerd,
en onze beide heldjes konden in alle kalmte waarnemen wat er op de
straat voorviel. Juffrouw Laps kwam de zeer gewenschte vergetenheid
nog te-hulp, door 't licht uitteblazen--'n voorzorg die door
den overigens zoo byzonder intelligenten zevenklapper schandelyk
verzuimd was--en Wouter vermaakte zich kinderlyk by 't aanzien van
de pret. Hy vergat z'n buurvrouw en haar opdringende vriendelykheid,
om naar 't gewoel der menigte te kyken. Het meedeelen van de hieruit
voortvloeiende opmerkingen werkte op hem ontnuchterend, en ook zy vond
er onwillekeurig aanleiding in om zich wat eenvoudiger voortedoen dan
ze gewoon was. Ze praatte ditmaal zonder "Heer" en liet de "genade"
wat rusten. Zelfs scheen ze--voor 'n oogenblikje maar, denk ik--haar
plannetjen optegeven. De nacht was nog lang, dacht ze misschien. [5]
--Gut, hoe gek toch, dat al die menschen daar zoo heen-en-weer dringen,
zonder zelf te weten waarom, zeide hy.
--Och, ze hebben plezier in 't zingen en joelen, en in de voetzoekers
... kyk, daar vliegt er weer een, paf!
Klik-klik! antwoordde hierop 'n zevenklapper die z'n domicilie koos
tusschen 'n troep meisjes. Het gezelschap vloog met vermakelyken
schrik uit elkaar. Wel zeker, voor wat anders waren die meiskes daar?
--Al dat volk is dronken, zei juffrouw Laps, en ik wou dat ze
naar-huis gingen. Ik begin slaap te krygen... 't is twee uur in den
nacht, weetje!
--Och, nog 'n oogenblikje! verzocht Wouter. Ik heb geen
slaap. Volstrekt niet! heusch niet!
Hy begon weer angstig te worden voor haar vriendschap, en hoopte
onwillekeurig dat uitstel hem de bondgenootschap van 't onverwachte
brengen zou.
--Ik ben maar zoo bang, m'n lieveling, dat je kou vat aan 't
venster. Dàt is het maar! Want de nachtlucht, zieje, na zoo'n
heeten dag...
Volgt: al de bekende burgerluîs-praatjes over nachtlucht, verkoudheid,
rhumatiek en subietelyk doodgaan. Ze hadden nu evenwel dit goede
gevolg, dat Wouter z'n jasje weer aankreeg, 'n verbetering van pozitie
die hem straks zou te-pas komen. O, die voorzienige Fancy!
--En zet ook je petjen op, m'n beste jongen. Ik wou voor alle
wereldsch goed niet, dat de nachtlucht je-n-in 't hoofd sloeg,
want... dat doet-i soms. Kyk, daar vliegt er weer een!
"Amour à la plus belle,
Honneur au plus vaillant...
--Waarom zingen ze niet liever hollandsch! Wat hebben wy aan dat
vreemde geseur? Begryp jy er wat van?
Wouter wist iets van de historie, en vertelde wat-i kon van den
"schoonen Dunois" die zoo byzonder veel Saraceenen doodsloeg, en ter
belooning trouwen mocht met de dochter van: "le comte son seigneur!"
Dat was toch plezierig in ouden tyd! Maar hoe beloonde men de ridders
die al eenmaal beloond waren? En kregen ze in die dagen nog ander
traktement dan 'n bruid? En hoe maakten 't de seigneurs die geen
dochter te begeven hadden? Welke seigneursdochter moest genoegen
nemen met 'n ridder die maar 't meest Saraceenen had doodgeslagen,
op één na?
Wat al moeielyke vragen!
Juist begon hy z'n gastvrouw om wat inlichting over dit alles te
verzoeken, toen beider aandacht werd getrokken door zeker roepen,
schreeuwen en schelden dat van andere stemming getuigde dan de
in-eensmeltende geluiden van 't gejoel. Er was "ruzie." In een der
groepen werd niet meer gehost, maar gevochten. Men verstond duidelyk
de by zulke gelegenheden gebruikelyke vloeken en verwenschingen.
Een verwarde kluw menschen, dichter op-elkaar gepakt dan de overigen,
schoof en seulde heen-en-weer al naarmate een der beide partyen
aan de winnende hand was. Vreedzame hossers golfden zingend voorby
de plek waar gevochten werd. De deelnemers aan den stryd werden van
liever-lede ter-zy gedrongen, en wel in de richting van een der vele
kroegen die de buurt zoo aantrekkelyk maakten voor 'n publiek dat
z'n verdriet over de mislukking der hardzeilery wou verzetten.
De twistenden, zelf gedrongen, drongen op hun beurt anderen. Men hoorde
hier-en-daar gillen en om hulp roepen. De nooit ontbrekende zwangere
vrouwen, en moeders met zuigelingen lieten haar angst niet onbetuigd.
Het gedrang werd nu byzonder sterk in zekeren hoek, waar drie stroomen
dood-liepen en 'n vreeselyke botsing te-weeg brachten. Daar namelyk
lag 'n zeer populaire herberg, die 't doelwit scheen van 'n hossende
volksverhuizing uit de Amstelstraat. De tweede stroom vloeide uit de
Utrechtsche straat op dezelfde kroeg toe. En de sterkste persing ging
uit van den vechtenden troep die, op-zy geschoven door voorbytrekkende
benden, almede in dezelfde engte gedreven werd.
By ondervinding van zeer jongen datum wist Wouter wat het beteekende
zich in zoo'n gedrang te bevinden. Wie op den grond raakte, werd
vertreden. Wel was de kans hierop zoo byzonder gevaarlyk niet in de
kern der samenpakking--'t vallen was onmogelyk--maar des te grooter
aan den rand, waar kelders en holen zich gapend gereed toonden alles
inteslikken, wat hun in de kaken werd gedrongen. Dáár kon men hals en
beenen breken of liggend vertrapt worden, in 't midden slechts staande
gesmoord. O zeker, die opstopping naby de herberg was gevaarlyker
nog dan die van den vorigen avend in de Kalverstraat! Bovendien,
daar was maar drukte, er werd niet gevochten. En hier ...
--Krrristenzielen, riep juffrouw Laps, ik word er puur akelig van!
Dit scheen ook met Wouter 't geval. Op-eens greep hy haar arm, en
meende iets te zien, dat... iemand, die...
--Heel goed, m'n jongen, houd jy me maar vast! 't Is daar, zoo zondig
als ik hier sta--'t eedsformulier was zoo gek niet--'t is daar moord
en doodslag in dien hoek!
Wouter sprak niet. Ook had-i geen besef zich te verzetten tegen de
overweldiging van z'n ... verleidster, of hoe moet het heeten? 't
Scheen nu wel of Afrika voor 't caesarinnetjen openlag...
--Is 't niet of ze dol zyn? Houd jy je maar goed aan me vast, en denk
maar dat ik jouw eigen Kristien ben, heelemaal van jou!
Och, hy had juist wat anders te denken gekregen dan aan z'n "eigen
Kristien!" Juffrouw Laps was eenige graden minder gelukkig dan ze zich
verbeeldde. Ze streelde hem, en hy liet haar begaan, o ja, maar toch...
--Wees jy maar gerust ... och, lieve jesis, 't kind is er zoo ontsteld
van! Aan jou zullen ze niet raken zoolang je hier bent ... by my,
weetje!
Hy kneep haar boven z'n kracht in den arm, en geen ander blyk van
leven gevende, stond-i overigens als versteend. En altyd die ééne
onverzettelyke blik, dat schynbaar wezenloos staren op één punt...
--Trek 't je niet zoo aan, m'n lieveling! Maar... akelig is 't! Zie je
daar die meid wel, met 'r noordhollandsche kap? Ik wou niet graag in
'r plaats wezen! En jy?
--Zy is het ... Femke! O God, o God, het is Femke!
En, Laps van zich afslingerend, die hem weerhouden wilde, vloog hy
de trap af, en stond weinig oogenblikken daarna in den diksten drom
vlak voor de herberg.
Hoe hy zoo spoedig dáár kwàm? Ei? En Fancy dan, zyn ... fancy?
Had ze niet ook gezorgd dat-i by-tyds z'n jasjen aanhad? Wat 'n gekke
historie immers, als-i dat had achtergelaten by juffrouw Laps! Hoe
zoud-i zoo'n onhuishoudelykheid hebben verantwoord by z'n moeder?
De zaak is dat-i lichaamskracht borgend van z'n gemoed--en was zy
dit niet?--zich als 'n razende door de menigte wist heenteslaan.
Maar de plek bereikende die hy bereiken wilde, zag-i Femke niet! Wel
den man met den bonten muts en 't schippersbuis, die hem vanboven
gezien had toegeschenen haar begeleider te wezen. Althans hy meende
bemerkt te hebben dat ze met dien man gearmd uit de Amstelstraat
gekomen was. En dit was ook zoo, maar:
--Is hier geen meisje met 'n noordhollandsche kap? vroeg hy zoo
duidelyk de vreeselyke drukte toeliet.
De man, stuwend, vechtend, stompend tegen iedereen--dit deed "iedereen"
ook, en Wouter moest wel meedoen: 't was 'n gezelschap Kaïns op
groote schaal!--de man kon niet antwoorden. Maar Wouter bemerkte
dat-i zich moeite gaf de herberg te bereiken, en maakte hieruit op
dat z'n dame daarin gevlucht, of althans, met of tegen haar wil dan,
daar binnengestuwd was.
Hy raadde juist. En, zich niet meer bekommerende om de slagen en
stompen die hy ontving, deelde hy daarvan juist genoeg uit om weldra
't jeneverzaaltje te bereiken, waar de volte wel niet minder was dan
buiten, maar er werd niet gevochten. Dit was iets!
Ziedaar, lezer, 't waar en onvervalscht relaas van de oorzaken die
Wouter heel in 't begin van z'n loopbaan maakten tot 'n kroeg-
en koffihuislooper. Gister in "Polen", heden in "de gekroonde
Jeneverbes"... daar gesmeten, hier vechtend, in beiden door 't
een-of-ander geperst... 't is te veel!
Maar hy wàs er nu eenmaal, en keek rond naar Femke.
Hy meende haar te ontdekken heel achter in 't niet groote vertrek,
op 'n tafeltje dat in 'n hoek stond. Zwygend, met styftoegeknepen
lippen, de armen over elkaar geslagen, en met iets als uittarting in
haar trekken, zag 't meisjen op de menigte neer. De kant van haar kap
hing haar aan flarden in den nek--zy, zoo net altyd!--en, erger nog,
Wouter meende te bespeuren dat haar gezicht bebloed was, het lieve,
lieve, lieve gezicht van Femke!
Uitgeput, had-i de kracht niet meer, tot haar te gaan. En dit behoefde
ook niet. Ze stond daar ongemoeid en veilig op haar tafeltje. Hy riep,
maar ze hoorde niet.
Met onderzoekende scherpte liet ze haar blikken dwalen over de
aanwezenden. Toen haar oog dat van Wouter ontmoette, kromp hy in-een:
ze wilde hem niet kennen!
--O God, o God, ze veracht me, snikte hy. Dàt heb ik verdiend voor
m'n lafheid by de Holsma's!
--Jongetje, gehuild wordt hier niet, zei de waardin. Als je huilen
wilt, ga dan na je moeder!
Makkelyker gezegd dan gedaan. Wouter kon in die volte geen voet
verzetten. De aandrang by 't buvet waar-i stond, klemde hem tegen
de jenever-toonbank. Het gelukte hem niet eens, Femke gedurig in
't oog te houden, schoon ze boven allen bleef uitsteken. Tranen van
wrevel en smart vloeiden hem over de wangen.
--Wat doe ie dan in de drukte, zei 't jeneverwyf, as je d'r niet
tegen ken? Heb je je bezeerd? Grienen wordt hier niet getapt. Zet 'r
'n borrel op, jongen, of ga heen!
Lust of niet, hy had heel graag 'n "borrel" besteld om z'n plaats te
betalen. Maar--"daar-i thuis altyd alles kreeg wat-i noodig had"--hy
bezat geen duit, en liep nu gevaar de deur te worden uitgeworpen
wegens overmaat van matigheid. Doch ook dit kon niet, want de persing
aan de deur bleef nog altyd even groot. Bovendien werd de aandacht
der waardin afgeleid door de drukte van 't gevecht, dat al nader en
nader kwam, en weldra dreigde de kroeg te kiezen tot "operatie-bazis"
zooals dit in 't jargon der krygskunde genoemd wordt. De ware reden
was dat elk der strydenden in 't byzonder zich aan de slagen van z'n
tegenparty wou onttrekken door in de kroeg te vluchten. De meeste
"krygskundige evolutien" hebben van ouds-her geen anderen grond.
Nog altyd stond het meisje met gekruiste armen op die tafel. En nog
altyd lag er dat spottende op haar gelaat; alsof ze zeggen wilde:
wie durft?
Maar hierop sloeg Wouter geen acht, of liever hy zag daarin niets dan
'n verwyt aan hèm. Femke wilde hem niet kennen. Meer of iets anders
voelde hy niet!
Och, hoe gaarne had hy in 't bywezen van al die menschen de zolen
van haar schoeisel gekust, om iets te verdienen van de vergiffenis,
waarop-i wel geen aanspraak had--naar-i meende--maar zonder welke hy
niet leven kon!--
--Femke! riep hy, als 't roepen heeten mocht, want het geschiedde zoo
zacht dat z'n stem onmogelyk tot het meisje kon doordringen. Immers,
er mocht eens blyken dat ze hem niet wilde hooren ook, zy die
zoo... wreed--nu ja, maar rechtvaardig toch--had blyk gegeven van haar
tegenzin om hem te zien! Hy durfde de proef niet nemen, en nogeens
riep hy, maar 't was weer fluisterend:
--Femke! Femke!
Daar vertoonde zich de man met den bonten muts en 't schippersbuis
aan de deur. Hoewel-i aanvankelyk niet behoorde tot de strydvoerende
mogendheden, bleek er toch uit den gehavenden toestand van z'n
kleeren, dat-i ruimschoots gedeeld had in de bekende voorrechten der
neutraliteit: hy was geranseld door beide partyen tegelyk.
Of ook hy tot eigen lyfsbehoud zich trachtte te bergen in de kroeg,
dan wel of-i zich zedelyk verplicht achtte, z'n dame die vóór hem
dat heiligdom bereikt had, niet in den steek te laten, was Wouter
niet duidelyk. Er bestond 'n tertium dat hy niet raden kon, maar
dat volkomen bekend is aan den alwetenden schryver die zich bereid
verklaart straks den lezer deelgenoot te maken van 't geheim.
Hoe dit zy, de man wilde volstrekt binnen wezen, en verwaarloosde
zelfs 't verevenen van de hem toegebrachte stooten en stompen, om
zich vastteklemmen aan den deurpost. Twee, driemaal werd-i van z'n
steunpunt afgerukt, want waar velen 't zelfde begeeren, is 't verkrygen
moeielyk. Toch bleek zyn wil sterker dan die van de anderen, omdat zy
slechts betrekkelyke veiligheid zochten--en jenever misschien--terwyl
hy werd aangespoord door... nu ja, 't nog altyd onbekende tertium.
Wouter hoopte hartelyk dat de man slagen mocht. Dan immers, dacht-i,
zou Femke niet zoo geheel alleen staan temidden van dien razenden
troep. Want... hy, hyzelf, wat kon-i doen? En al ware hy sterker
geweest, wat hielp het: zy verachtte hem! Zou ze hem niet wegschoppen,
zooals ze daar straks den dronken kwajongen gedaan had, die de hand
durfde slaan aan haar vries-bont voorschoot?
Op 'n oogenblik dat de schippersgezel zich weer vertoonde voor
de geopende deurruimte, scheen het meisje haar redder in 't oog te
krygen. Als om den man moed intespreken, knikte ze hem vriendelyk toe,
Misschien ook wilde ze hem dank-zeggen voor z'n pogingen om tot haar
doortedringen. Ook kon haar lachje worden opgevat als 'n verzekering
dat ze ongedeerd was, en niet bevreesd. Inderdaad, ze stond daar als
'n godin der kalmte, of althans als 'n standbeeld dat vastberadenheid
kon voorstellen. Die gekruiste armen getuigden van de meening dat er
geen byzondere behoefte was aan voorbereiding tot het uitdeelen van
den oorveeg dien haar saamgeknepen lippen beloofden aan ieder die
haar te na mocht komen.
En die glimlach! Over Wouter's hoofd heen had de wreedaard z'n weg
genomen naar de deur, en daar den gelukkigen schipper bereikt. Want
de man knikte terug...
--Hy heeft haar zeker nooit verloochend, dacht ons Petrusje. 't Is
toch wel wezenlyk waar, dat God rechtvaardig is en alle zonden straft.
Op dit oogenblik kreeg 't wyf dat de kroeg hield, den worstelenden
schipper in 't oog. Er bleek dat-i 'n goede bekende was, want ze
schreeuwde van achter de toonbank:
--Zoo Klaas, ben jy daar ook? Geen wind, hè?
En met huisheerlyk gezag gebood zy, hem binnen te laten. Toen men
niet spoedig genoeg gehoorzaamde, waagde zy zich 'n paar stappen
buiten haar cel, smeet eenige struikelblokken op-zy, en maakte plaats
voor... Klaas Verlaan, den Amstelhavenknecht, die nu niet ver van
Wouter, in de nabyheid van 't buvet te staan kwam.
--Nou, man, ze hebben je mooi beet gehad!
't Was de waarheid! Wel mocht onze brakwater-filozoof zeggen
dat niemand zeker van z'n dag is voor bedtyd! Dit had ook Wouter
ondervonden, en niet minder zy die daar nog altyd op haar tafeltjen
in den hoek geblokkeerd stond.
--Hebje-n-'n goeien dag gehad, vroeg 't wyf. Met de zeilery was
't miesserabel, hè?
Klaas lei den vinger op den mond, en scheen haar iets te willen
toefluisteren dat de omstanders niet hooren mochten, iets zeer
byzonders.
--'n Glas klare?
Dit voorstel kon eigenlyk niet dan met verkrachting van alle
gezonde systeembegrippen gerangschikt worden in de klasse der
zeer byzondere. 't Wyf had dan ook terdeeg misgeraden, en was niet
gelukkiger toen ze 't onderzoek naar Verlaan's wenschen voortzette:
--Skille?
Ook niet!
--Rooie dan?
Klaas scheen dien nacht byzonder kieskeurig in 't bepalen van de
soort der verversching die hy noodig had. Gedurig schudde hy 't hoofd,
en deed moeite om met de waardin in vertrouwelyker gesprek te komen
dan de drukte toeliet.
"Amour à la plus belle!" galmde het buiten de deur, en eenige heesche
keelen binnen de kroeg trachtten meetezingen.
--Weg met die moffeliedjes! schreeuwde een der gasten. We
benne-n-ommers hier allemaal Hollanders onder mekaar!
"Wel ja, we benne Hollanders...
"En al is ons Prinssie...
"Sjt!"
--Ik verkies nu te zingen: al is ons Prinssie! En wie niet mee-doet...
De prinsman sloeg op z'n vry ongekleede borst. Zóó, denk ik, zoud-i
ieder slaan die niet meezong: "al is ons prinssie."
Misschien volgens de theorie van 't onbewuste meegaan--Wouter
maakte weer bespiegelingen over "massa"--de meerderheid werd op
eenmaal hollands- en zelfs prinsgezind. Met het verschil tusschen
patriottery en keezigheid, nam men 't nu zoo nauw niet. Hoofdzaak
scheen dat men zich op eenmaal Hollander voelde, of goedvond zich
zoo aantestellen. Het "Prinssie" liep behoorlyk van stapel. Een
der gasten ging verder, en stelde 'n soort van toost in, op de zeer
vervroegde en buitengewoon langdurige ongelukzaligheid van "al die
fransche flikkers!" Met andere woorden, hy wenschte ze zonder uitstel
de bekende "eeuwige verdommenis" toe.
"Hoerah!"
--Ja, zieje, toen we nog Hollanders waren ...
"Ja, toen we nog Hollanders waren!"
--En onder de Republiek ...
"Leve de Republiek!"
--Toen had je-n-'ns 'n hardzeilery moeten zien! Maar nou!
"Al is ons Prinssie!" en: "Leve de Republiek!"
--Onder de Republiek waren alle menschen gelyk!
"Allemaal gelyk!"
--Zoo'n koning, zoo'n prins, al die tirannen...
"Weg met die tirannen!"
--Ze benne geen haar beter als wy!
"Dat's waar! Ze benne geen haar beter!"
--En ze zuigen 't arme Volk uit!
"Ja, ze zuigen 't Volk uit!"
--En weetje waarom? Omdat jeluî--om nou 'reis de gulle waarheid te
zeggen--allemaal lamme... enz. bent!
"Ja, ze benne-n-allemaal lamme... enz."
--Jelui buigt je nek onder 't juk...
"Juist! "Ze" buigen den nek onder 't juk!"
--Als 'r 'n koning komt, of 'n keizer, of 'n prins, dan slaat
de-n-angst jelui in de buik als seneblade!"
"Ja, de-n-angst slaat ze-n-in de buik as seneblade!"
--En, als jelui kerels was...
"Precies, as "ze" kerels wasse...
--Dan zou jelui...
"Ja, dan zouwen "ze"...
--'n Mensch is vry gebore...
"We benne vry gebore!"
--En 't hollandsch hart... wàt zeg je daar, vrouw Gooremest? Wàt? 'n
dochter van... m'nheer...
Een allervreeselykst woord scheen den volksredenaar op de lippen te
besterven. Hy werd bleek.
--'n Dochter van... m'nheer...
--Wel zeker! Vraag jy 't maar aan Verlaan.
De ontstelde jenever-Gracchus wendde zich vragend tot den
schipper. Deze knikte toestemmend.
--Is 't waarachtig waar, Klaas? Wis en waarachtig? En waarom heeft
ze zich dan zoo... angekleed als 'n gemeene meid?
--Och, 't benne de spulle van m'n dochter Geert, zieje. 't Is 'n
rykeluîs grap...
--Ah! Jongens... er uit, er uit! Moeder Gooremest wil slapen,
'n Mensch is niet van steen of yzer. Er uit, allemaal!
"Weg met de tirannen!" "'n Mensch is vry geboren!" "Alle menschen
zyn gelyk!" "Het hollandsch hart"... enz.
--Sjt! Er uit, zeg ik je, er uit! Die... jongejuffrouw...
"Wàt? Die meid? Wat zou ze?"
"Sjt! Ze is de dochter van--maar mondje toe,
hoorje!--van... m'nheer--ja, hoe donder is 't mogelyk, niet waar?--de
dochter van m'nheer... Kopperlith!"
"Op...de...kei...zers...gracht? Man, wat zeg je? Van
m'nheer... Kop...per...lith? Op de kei... zersgracht?"
--Ja, wis en bliksems! Er uit! Er uit!
"Z'n... eigen dochter?"
Alsof 'n behuwd-hoedanigheid de zaak minder verpletterend gemaakt had!
--Z'n bloed-eigen dochter, zeg ik je! Maar... mondje toe, dit begryp
jelui! Er uit, er uit!
De hollandsche harten, onbuigzame republikeinen, onkreukbare karakters,
vrygeboren menschen met nooit gebogen nekken ... slopen als geranselde
honden de kroeg uit.
De uitvinding om z'n beschermeling te verheffen tot 'n bewoonster
van de Keizersgracht, bracht Klaas Verlaan meer "moffedukaten" op,
dan-i liefst aan z'n kleinkinderen verantwoordde. En tevens komt ze
den lezer te-hulp by 't zoeken naar zeker tertium, naar de oorzaak die
den Amstelhavenknecht zoo koppig maakte in 't bestormen van die kroeg.
Wouter begreep minder van de zaak dan ieder ander, juist omdat hy in
den waan verkeerde zooveel meer dan anderen te weten van 't meisje
dat daar op tafel stond. Toen-i den... gladgeschuurden duit zag,
dien Verlaan in de hand der kroeghoudster gedrukt had, en later
'n dergelyke manoeuvre met den Republikein...
Kopperlith? Kopperlith? Op de Keizersgracht? Femke op de
Keizersgracht? Maar juist by dien hoogen heer Kopperlith immers zou
hy overmorgen...
Z'n hoofd dreigde te bersten. Als-i op dàt oogenblik...
Neen, denken kon-i niet. Misschien bleef hem nog eenig besef dat
hyzelf Woutertje Pieterse was, maar heel zeker is 't niet. Voor-i
hieromtrent tot 'n onherroepelyk eindbesluit was gekomen, werd hy in
één greep met 'n paar anderen de deur uitgeworpen door Klaas Verlaan
en den hollandschen Republikein.
Wel zeker! Hy was niet beter dan andere stervelingen, en moest dus
plaats-maken voor de "bloed-eigen" dochter van m'nheer Kopperlith op
de Keizersgracht.
De volte op straat was zeer gedund. Wouter bleef in de buurt van
de herberg die hem tot 'n tempel was geworden, om te zien waar z'n
godinnetje belanden zou. De braking was aan 't bedaren. Nog altyd
evenwel werd er van-tyd tot-tyd iemand buiten de deur gezet die,
belust op de vreemdheid van 't geval, nog zoo graag 'n beetje had
willen blyven om 't wonder te zien. Men krygt niet elken dag 'n
"bloed-eigen" dochter van m'nheer Kopperlith te aanschouwen.
Sommigen dan wilden zich aansluiten by 't driemanschap Verlaan,
Republikein & Gooremest, om mee-opgenomen te worden in aanspraak op
de baten der veelbelovende ruwaardy. Maar ons trium-viraat voelde
zich sterk genoeg, en vond geen reden om 't aantal deelhebbers in de
vermoedelyke vruchten van den arbeid, grooter te maken dan noodig
was. Menigeen die mee-schreeuwde: "er uit! er uit!" ontving zelf
'n handtastelyke vermaning om 't voorbeeld by de les te voegen.
Eindelyk hield het uitwerpen van overbodige getuigen geheel op. Juist
toen Wouter zich verstouten wilde om door 'n spleet te gluren van de
gordyn aan de glasdeur, werd deze geopend, en de Republikein trad er
uit. Hy hoorde hoe Verlaan hem nariep:
--Dáár ergens op 'n hoek in de Paardenstraat, weetje! Kyk nu maar
eens niet op 'n daaldertje... en klop ze maar flink op, en zeg aan
den sleeper ...
Het woord: "sleeper"--een nu verouderd amsterdamismus voor
wagenverhuurder of huurkoetsier--gaf Wouter 'n licht van betwistbare
helderheid. Dat de Republikein 'n rytuig bestellen moest, was duidelyk,
maar... Femke in 'n koets of brommer? Of ... al was 't maar in 'n
sleê... zy?
Hy wachtte. Op bespieden van het inwendige der kroeg, was geen kans
meer. Vrouw Gooremest had de blinden gesloten. Zou er nu 'n bruikbaar
licht over deze zaak opgaan uit die Paardenstraat?
Na lang wachten kwam er 'n rytuig aanrollen. De Republikein sprong
er uit. De deur van de kroeg werd geopend, en Klaas Verlaan vertoonde
zich met z'n vermeende juffer Kopperlith op den dorpel...
--Femke, ik ben hier! riep Wouter, wild toeschietend, ik ben hier! O
God, o God, Femke, ga niet mee met die vreemde mannen!
--Wat bliksem is er dàt nou weer voor een! schreeuwde Verlaan, die
Wouter by den kraag pakte en naar binnen trok. Wat mot jy? Wat ben
jy? Wat wil jy?
--Femke, ga niet mee met die vreemde mannen. Ik zal je thuis brengen,
ik, Wouter!
--Die jongen is niet wys, zei Vrouw Gooremest, laat 'm los. Hy heeft
hier al den heelen avend staan huilebalken als 'n kalf, en geen duit
verteerd. Nou dáárom niet... ik wil maar zeggen dat-i niet wys is.
Wouter trachtte de hand van 't meisje te vatten, en bemerkte nu dat
ze allerzonderlingst was toegetakeld. Van gelaat, hoofd, schouders
en gestalte, was niets te zien. Waarschynlyk had de gastvrye Vrouw
Gooremest haar familie-mantel voor dit doel afgestaan. Men doet zoo
veel voor 'n bloed-eigen dochter van m'nheer Kopperlith! Toch was de
edelmoedigheid van de ekonomische jeneverprinses niet zóó ver gegaan,
dat ze meer dan één kaarsje had aangelaten, na 't sluiten van de
eigenlyke nering. Dat armzalige nachtpitje had juist even genoeg licht
verspreid, om niet dezen of genen aan den misgreep bloottestellen
'n tafel of stoel in-plaats van overtollige gasten buiten de deur te
werpen. En nu...
Nu vlamde het zoo zonderling, en zoo onwillig, en zoo fantastisch! En
ook zyzelf stond daar zoo vreemd! En zoo spookachtig trilden de
omtrekken van die gestalte...
--Bist du es, Erich?
--Femke, Femke, ik smeek je-n-om-godswil, ga niet met die vreemde
mannen mee!
En, zich losworstelend uit den greep van Verlaan, wierp hy zich voor
haar neder, rukte den mantel open, greep hare hand, en bedekte die
met tranen en kussen...
--Wat ik je zei, riep Vrouw Gooremest, de jongen is stapelgek!
--Femke, nooit zal ik je weer verloochenen! Schop me, trap me, dood
me, maar... ga niet mee met die vreemde mannen!
--Licht! riep 't meisjen op zeer gebiedenden toon, en met vreemden
tongval.
De Republikein nam 't smeerkaarsje van de toonbank, en hield het by
de groep, zoodat de knielende gestalte van Wouter nagenoeg zichtbaar
werd. Het meisje staarde door 'n spleet van haar mantelkap op hem neer,
en zweeg, en verroerde zich niet, en scheen natedenken, en trok de
hand niet terug, die Wouter aan z'n lippen geklemd hield...
Verlaan maakte een beweging als om den indringer wegterukken...
Maar zy, den vryen arm uitstrekkend boven Wouter's hoofd, wees den
schipper terug, en zeide:
--Mein Bruder!
--Ook alweer 'n bloed-eigen zoon dus van m'nheer Kopperlith, mompelde
de republikein. Wat die jongelui 'n rare manier hebben om hun nachten
doortebrengen!
De lezer begrypt dat-i deze oneerbiedige woorden niet luid worden
liet. Al z'n hoorders wisten waar de "bloed-eigen" vader van die twee
vagebondjes woonde, en dus: mondje-toe voor de Keizersgracht! Men
had al byzonder ongemanierd moeten wezen--of geen republikeinsche
Amsterdammer--om dit niet te begrypen.
Toen Wouter weer tot bezinning kwam, stond-i op straat. De brommer was
weggereden, met of zonder haar. Met of zonder die beide mannen. Dit
wist-i niet. Maar 't bekommerde hem nu minder ... Zy had hem haar
broeder genoemd, ernstig, plechtig, boekerig, kerksch... dit was
hem genoeg!
--O, myn God, ik dank u, riep hy. Gy zyt goed en genadig en
vergevensgezind... o myn God, ik dank u!
en:
--Gut, ik wist niet dat Femke zóó spreken kon! Ze moet het wel heel
innig gemeend hebben... anders zou ze "broêr" hebben gezegd, zooals
we gewoon zyn.
En hy beloofde zichzelf, overmorgen schatryk te worden "in den
handel." Schatryk, en... Koning alweer, om meer nog, véél meer nog,
van Femke te worden, dan haar broer...
Juffrouw Laps had eer van de les! Maar dit wist Wouter zelf niet,
al voelde hy geheel anders dan gister nog.
Voor 't oogenblik was-i opgetogen met z'n nieuwen titel. Hoe toch
kwam zy aan zoo'n schoon woord? Zoo verheven? Zoo Bybelsch? Zoo
voornaam? Zy, zoo eenvoudig anders!
--Ik ben Femke's broeder! juichte z'n hart, en--hoe vermoeid ook--hy
liep als op stelten, en verwonderde zich dat-i 't hoofd niet stootte
aan de wolken.
Een hoofdstuk zonder aventuren, dat gerust kan worden overgeslagen
door elken lezer dien 't om voortzetting van de geschiedenis
te doen is. Alleen op 't slot wordt de eentonigheid eenigszins
afgebroken door 't zonderling lotgeval van 'n kruiwagen en 'n
onbillyken droom, 't eenige wat de uitgeputte auteur ditmaal
leveren kan.
Sedert eeuwen vernemen wy uit de boeken, dat we den morgenstond
zoo byzonder schoon vinden. Een fransche verzenmaker gaat zelfs
zóó ver, dat-i de opgetogenheid over 't opgaan der zon, aanbeveelt
als graadmeter van de "deugd." Wouter kende dit axioma niet, en
veroorloofde zich dus met begrypelyke verdorvenheid van heel andere
vingers te droomen, dan de "roosverwige" van Aurora. Hy dacht aan
de hand die hy gekust had, en... menschelyk gesproken, z'n "deugd"
was er niet minder om.
Het gevoel dat hem doorstroomde, onttoog hem aan z'n omgeving. De
volheid van zyn gemoed belette hem acht-te-slaan op de leegte der
straten, iets dat hem anders byzonder had moeten treffen, zoowel door
't verschil met al de woeligheid van weinige oogenblikken geleden,
als omdat-i nog nooit op dat uur buitenshuis geweest was. Egoïst
als alle gelukkigen, kwam 't hem heel natuurlyk voor, dat al wat
het leven had zich verborg en opsloot, om ruimte te maken voor zyn
geestdrift. In zulke stemmingen bestaan er in 't Heelal slechts twee
dingen: niemendal en... ik! De gansche schepping verliest, als 'n
trouwende vrouw, haar naam by 't huwelyk met die ééne gewaarwording,
met dat ééne gevoel: ze gaat er in op.
Wouter's oogen dwaalden langs uithangborden, en naambordjes op de
hoeken der straten. Z'n onverschillige blik las: "Botermarkt" en:
"hier gaat men uit porren." Ook kon-i te weten komen waar kousen
te-koop waren, of wagens te-huur, en wie 'n smid was, of 'n timmerman,
of... "in" 't een-of-ander...
Lieve god, wat doet er dat alles toe? Hy had Femke's hand
gekust! Welk verstandig wezen kon 't in z'n hoofd krygen dat er,
na dàt evenement, iets aan gelegen lag of men op die markt boter
verkocht, of schoensmeer? Of die man "uit porren" ging, of "in"
effekten was? Hoe mal toch, dat duizenden e|n duizenden op de wereld
zich bleven aanstellen alsof er niets byzonders gebeurd was! Zelfs
de straatsteenen lagen daar precies als naar gewoonte, en toch--wáár
was het!--hy had Femke's vingertoppen gekust, en zy had hem "broeder"
genoemd!
't Is wel jammer dat de wereld niet verging in dien
zomernacht. Horatius had er 'n aardige illustratie by gewonnen voor
z'n fractus illabitur orbis. Ik geloof waarlyk dat Wouter by zoo'n
kataklysme zou overeind gebleven zyn, en--voor 't byna ondenkbaar
geval dat-i notitie van de zaak had genomen--hoogstens gevraagd hebben:
of zy zich bezeerd had?
Het kan den lezer die eenigszins op de hoogte van z'n tyd is, bekend
zyn dat de wereld niet verging, en dat er op dien vrydag-nacht naar
oude gewoonte 'n zaterdag volgde, die ook alweer niet de laatste van
z'n soort is gebleven.
Wouter vergaf aan de zon dat zy opging, aan de Botermarkt dat ze
Botermarkt heette, aan den porder dat-i porde, aan den effektenman
dat-i "in" effekten was, hy vergaf alles aan allen omdat hy zich zoo
gelukkig voelde.
Toch kostte het hem eenige moeite, overtuigd te blyven dat het
gebeurde geen droom was. Dit noopte hem zich de geschiedenis van
de vyf laatste uren herhaaldelyk, voortezeggen, om verzekerd te
zyn dat nergens 'n gaping was, zooals die welke men gewoonlyk in
gewrochten der verbeelding aantreft. De slotsom was bevredigend,
maar toch... hoe jammer, niet waar, dat-i niet een van die vingers
had kunnen meenemen--de pink was genoeg geweest, die lieve pink!--als
tastbaar getuigenis van 't gebeurde. Femke mocht oppassen, als-i ooit
weer haar hand aan z'n lippen voelde!
Doch neen, ook zonder zoo'n verslindende zorg voor 't bewaren van
'n tastbaar blyk... 't was wáár! Hy had haar hand gekust, zy had hem
"broeder" genoemd. Geen onverschilligheid van zon, straatsteenen,
porders of effectenlui, kon daaraan iets veranderen.
Ga je gang, zon! Rys of daal naar verkiezing, als je dan onvatbaar
bent voor den triumf van 't allerheerlykste. Die ongevoeligheid zal
niets veranderen aan het feit...
Maar... mocht-i dan eigenlyk dat feitje wel voor zoo héél belangryk
houden? En waarom toch! Had niet, lang geleden reeds, diezelfde Femke
hèm 'n kus gegeven, en toen geheel uit eigen beweging? En... die nieuwe
broerschap? Eilieve, waarom zou dit nu op-eenmaal meer beduiden dan
de oude betrekking van "vrindje" waarop hy altyd zoo had aangedrongen,
en die hem nooit geweigerd was?
Hy begon te vreezen dat-i zich tevredener gevoeld had, dan-i
redeneerender-wyze kon verantwoorden. Hierop rekende hy zich de
kreditposten van z'n geluk voor--men bedenke dat-i "in den handel"
geweest was, en er overmorgen wéér in gaan zou--en trachtte hoog
gewicht te hechten aan de erlangde vergiffenis voor 't verloochenen.
Nu ja, geen zwarigheidzoeker of dwarsdryver kon ontkennen dat-i sedert
gister op dit punt 'n wyde schrede was vooruitgegaan, en zelfs sedert
z'n indringen in de kroeg van Vrouw Gooremest. Nog geen vol uur geleden
dreigde z'n gemoed te bezwyken onder Femke's verachting, en nu... nu...
Toch begon hy zich te kwellen met de vrees dat er eigenlyk weinig
geschied was dat hem reden gaf tot de opgetogenheid die hy niet van
zich zetten wilde. De onnoozele knaap wantrouwde z'n geluk, omdat hy
't niet begrypen kon.
De oorzaak zal wel hierin gelegen hebben dat-i slechts wist wat er
geschied was, en verzuimde zich rekenschap te geven van den samenhang,
zoowel der gebeurtenissen, als van z'n aandoeningen. Hy was als iemand
die den oogenblikkelyken barometerstand waarneemt, en daarby vergeet
het voorafgaande in rekening te brengen. Een door styging bereikt
standpunt heeft 'n andere meteorologische beteekenis, dan datzelfde
standpunt als rezultaat van daling. Gebeurtenissen, aandoeningen,
en zelfs zedelykheid, zyn onderworpen aan de algemeene wet der
traagheid. Wie zich toelegt op genezing van 'n fout, en ten-halve
geslaagd is, staat hooger dan 'n ander die in gelyksoortige fout
verviel en daarin afdaalde tot hetzelfde peil. Wat by dezen gegronde
reden geeft tot bezorgdheid, kan in den ander gelden als hoopvolle
verbetering. Iets dergelyks bepaalt den graad van geluk en tegenspoed,
of althans den indruk daarvan. En slechts met dien indruk hebben wy
te doen. 't Was karakteristiek van Wouter, dat-i--niet tevreden met
z'n veronderstelden rykdom--zich zooveel moeite gaf z'n kapitaal
natetellen.
En de uitslag was niet volstrekt geruststellend. Hy wist de
by-omstandigheden niet aan elkaar te knoopen, die hem gelukkiger
maakten dan hy-zelf verklaren kon, doch welker invloed duidelyk
kan gemaakt worden voor ieder die niet zoo van naby in 't gebeurde
betrokken is. Men ziet zichzelf niet, en geeft zich maar zeer gebrekkig
rekenschap van den samenhang der gebeurtenissen en aandoeningen die
ons buitengewoon gevoelig maken voor zekere indrukken. In elk ander
tydsgewricht van z'n leven, na àndere voorbereiding, op 'n àndere
plaats, en te-midden van àndere omgeving, zou 't nachttooneeltjen
in die vuile herberg, waarby Wouter 'n hoofdrol speelde, hem veel
minder sterk hebben aangegrepen. Tot zelfs de nawerking van Fockink's
likeur--zoo ontzenuwend anders!--verhoogde het schynbaar of wezenlyk
gewicht der zaak. Juist de uitputting die op zuike opwekkingen volgt,
had hem tot buitengewone krachtsinspanning gedwongen, toen-i zyn Femke
in gevaar meende te zien. En op-nieuw voelde hy zich vernietigd na
't ondergaan der blyken van haar verachting. Wie dáár niet bezweek,
moest zéér veel veerkracht ontwikkelen, en deze ontwikkeling zelf was
'n oefening in kracht. Na Fockink, het dringen door de menigte! Na
die inspanning weer, haar... glimlach aan 'n ander, haar verachting
voor hèm! Toen had-i geschreid als 'n kinderachtig jongetje. En, nà
deze reeks van Rückschläge en défaillances--ik zoek 'n goed hollandsch
woord voor de hier bedoelde moed-smoorende ontkrachting--na dit alles
hield z'n gebogen ziel spankracht genoeg over, om hem wegteslingeren
uit z'n donkeren schuilhoek en, neervallend voor Femke's voeten, haar
te bezweren: "Femke, Femke, ik ben hier... ik Wouter! Om-godswil,
ga met die vreemde mannen niet mee!"