Maar: "de menschen drongen zoo!"

Weldra was er voor stomp en stoot geen geschikte ruimte meer.

Men werd geknepen, en wie ten-gevolge van 'n laag zwaartecyfer minder

dan anderen aan 't aardsche gehecht was, rees van den grond. 'n

Allergekst excelsior! Wouter werd gedragen, en zag heen over mannen

die veel grooter waren dan hy.

--Loop jy op stelten, jongeheer? vroeg 'n dikke vrouw, die met haar

heup Wouter tegen de knie schopte. Loop jy op stelten? Nou, dat's er

óók een!

Dit "ook" heeft 'n geschiedenis en 'n pretensie. 't Beduidt,

ziehier 'n spikspelder nieuwe bydrage tot het bundeltje ana's die

ik verzamel. Deze kurioziteit hoort er in! Als je dit niet grappig,

vreemd en belangryk vindt...

't Gedrang werd sterker. Weldra zou de vrouw Wouter op schouder kunnen

nemen als 'n geweer. Ook begon-i kans te krygen daarop te-land te

komen in hoedanigheid van ruiter. Nog 'n beetje, en hy kon "aangegeven"

worden, zooals timmerluî elkaar 'n plank toereiken.

Naar de lichtjes werd niet meer gekeken. Men hield zich bezig met

dringen en gedrongen worden. Ook 'n uitspanning!

Neen... de kalverstraat moet niet verbreed, want wel beschouwd is dat

"dringen" 't prettigst van de zaak.

Och, wat zouden die vetvlammen spoedig vervelend worden, als men

ze alle tweehonderd veertig duizend--er waren er 'n paar uitgewaaid

sedert zoo-even--op z'n gemak had kunnen beschouwen in z'n eentje!

Onze kleine man lag op de schouders en hoofden van z'n

medemenschen. Als zekere troonveroveraars: il s'appuyait sur la

masse! Wie de geschiedenis van illuminatien en Volken bestudeerd heeft,

zal erkennen dat er steviger rustpunten bestaan. Zichzelf, byv.

Gut, onze Wouter was zoo verlegen met z'n drukkende pozitie! Telkens

liep hy gevaar zich vasttehouden, aan 'n oor of wenkbrauw. En dit

gedoogt de "massa" niet. Gedrukt wil ze wel worden--daar is ze

voor--maar wie zich aan haar wil vasthouden...

Krak!

Schrik niet, lezer! Wouter brak niet, maar de geperste menigte

had de dubbeldeur van 'n koffiehuis verkracht. De inbersting was

vreeselyk. Als berouwhebbende lava stroomde de massa naar binnen, en

vulde den krater waarin onze held--na 't beschryven van den bekenden

bruinvisch-parabool--vry geleidelyk en zonder zich te bezeeren te-land

kwam op 'n tafeltje...

--Woutertje Pieterse! riep 't verschrikt gezelschap dat er omheen zat.

--Heb je je zeer gedaan, Wouter?

Neen! Bezeerd had-i zich niet. Maar hy was lam van verbazing. Over z'n

verheffing eerst, daarna over z'n luchtreis, toen over 't neerkomen op

en onder allerlei glaswerk, en eindelyk--dit was 't minst verrassende

niet!--omdat-i zich op-eens in den kring bevond van de hem zoo goed

bekende familie Holsma.

't Was Sietske die met lieve belangstelling vroeg of hy gewond was.

"Gods vinger" had al de glazen en glaasjes gebroken, maar Wouter was

heel gebleven. Dit was 'n arglistigheid van dien vinger. De bedoeling

schynt geweest te zyn den patiënt nog heel anders heen-en-weer te

smyten. En als-i nu voortydig gebroken was op dien avend...

Oom Sybrand hielp hem, zoo goed en kwaad het ging, op de been. De zaak

had veel moeite in, want de volte was... nu ja, er kon ter-nauwernood

iemand by. Maar Wouter was smalletjes, en 't lukte. De kastelein--op

doordringen was geen kans--schreeuwde uit de verte, dat het gebrokene

moest betaald worden. Maar ook van andere plaatsen vernam men dergelyk

gerinkel. De man was wanhopig. Hy vervloekte alle Koningen... en de

massa's er by.

--Eén flesch wyn... drie limonade... zes glazen stuk! riep Holsma, als

om zich aansprakelyk te stellen voor Wouter's onwillekeurig vergryp.

En oom Sybrand hield 'n paar zeeuwen omhoog.

--O God, m'nheer, ik durf niet thuis komen, riep Wouter! Wie zal dat

betalen? Ik heb geen geld, m'nheer! En moeder...

In de drukte verstond Holsma hem niet. Maar Sietske wel.

--Sjt! fluisterde zy. Ik ben zeker dat papa 't betaalt, maar

anders... ik heb wel geld. En Willem ook. En Herman ook. Wees gerust...

Maar dit verstond Wouter weer niet. En toen-i eindelyk onder de hoede

der Holsma's weder op-straat stond, en 't gezelschap door 't inslaan

van 'n zyweg zich onttrokken had aan de "massa" verklaarde hy ronduit

dat hem de moed ontbrak z'n moeder en broer Stoffel onder de oogen

te zien, na zóó'n schandaal!

--'t Geld is niets, zei de goede Holsma. Daarvoor zal ik wel

zorgen. Maar je bent ontsteld, jongen. Kom even met ons mee naar de

kolveniersburgwal, ik zal je wat hofmansdruppels geven. Dan kan je

daar bekomen van den schrik.

De afstand van de kolveniersburgwal was niet groot genoeg om Wouter

tot bedaren te brengen voor 't gezelschap daar aankwam.

--M'n moeder zal boos zyn, als ik te laat thuis kom, klaagde hy.

Holsma stelde hem gerust. Er zou 'n boodschap naar z'n huis worden

gezonden, om z'n familie te doen weten waar-i was.

De dokter gaf hem iets te drinken, en bracht hem in 'n kamer naast

die waar de familie scheen plaats te nemen. Het voorschrift was dat

de patiënt daar wat heen-en-weer loopen zou, tot-i zich kalm voelde.

Maar dit vermoeide hem. Hy deed weldra juist wat 'm verboden was,

zette zich in den hoek van 'n sofa, en viel in slaap.

Of 't in het algemeen nuttig is, na 'n schrik in beweging te blyven,

kan ik niet beslissen. Zeker is het dat Wouter na hevige aandoeningen

altyd groote behoefte voelde aan slaap, en dan ook werkelyk door dit

middel--de natuur wees het hem aan--meermalen 't verbroken evenwicht

herstelde. Misschien ook was 't geen eigenlyk slapen dat hem by zulke

gelegenheden te-hulp kwam. Maar geheel wakend was-i niet. Hy droomde.

Er was weer de oude hoogheid in z'n droom. Maar met 'n schok viel-i

telkens neer.

En weder klom hy, en weer werd-i opgeheven, hoog, hoog tot in de

wolken, en weder maakten duizelingwekkende tuimelingen 'n eind aan

z'n zweven.

Daar namen sterke vuisten hem op, en staken hem boven de hoofden uit,

en de massa droeg hem, tot 'n man hem in de hand beet...

Hy schaafde namelyk zyn pols aan 'n ongedresseerd paardehaartje dat

bezig-was z'n dienst optezeggen by 't vulsel van de rustbank.

...tot 'n vrouw hem toesnauwde: dom? Niet dom? Wy, wy de

massa? Ziedaar!

En men smeet hem neer.

Gelukkig kwam z'n hoofd te-recht in Sietske's schoot, zonder 't

minste glaswerk.

En als ziedend water opkokend, golfde op-nieuw z'n ziel omhoog. Hy

voelde geen handen meer die hem droegen, geen tanden die hem beten,

hy rustte op donzige wolken. En hy overzag de menigte onder hem,

en was verheugd dat-i zoo hoog daarboven stond, maar wilde toch...

--Ik wil gaarne by u zyn, riep hy, maar maakt 'n plaatsjen open,

waar ik staan kan, staan op m'n eigen beenen! Ik zal waarlyk niemand

hinderen... gooit me niet! In die drukte kan ik niet denken. Ieder moet

handelen naar z'n overtuiging. De massa heeft geen overtuiging. Wie

kan denken als er geen plaats is om te staan?

Weer schuurde z'n hand langs 't weerspannig paardehaartje. Hy verzette

zich... en scheen niet geheel-en-al te slapen...

Daar klonk op-eens 'n stem...

Neen! Hy droomde door. Altyd van zweven en vallen. Daar was Femke...

Wel zeker, er moest in z'n droomen iets van Femke! Waar bleef ze

zoo lang?

't Was weer iets van de bleek. Maar pater Jansen was er ditmaal by. De

man was zonderling gekleed. Hy zweefde met Wouter omhoog, en vertoonde

aan de sterren z'n kostuum: 'n onderbroek... die door háár versteld

was! Orion en de groote beer vonden het ding mooi, maar Wouter niet.

--Heb je 't zelf gedaan, hoorde hy Sietske vragen in de kamer naast

hem. Jyzelf, of kon je 'r niet dóór?

--Neen, ik kon niet om de drukte. Maar ik heb 't den kruier opgedragen.

Wàt? In-godsnaam, wàt?

Wouter richtte zich op. Pater Jansen was weg. Orion en groote beer

ook. Ook de onderbroek, en de wolken, en de domme "massa" maar... die

stem?

Die stem klonk nog!

En ze klonk weer:

--Ik ken hem heel goed, o, zoo goed! 't Is 'n lief jongetje! Dàt

hoorde hy Femke zeggen!

Hy sprong op, trad haastig de kamer der Holsma's in, zag nog even

het driehoekje van 't gewaad eener vrouwspersoon die de deur uittrad

en sloot...

Hy had den moed niet--of wat ànders was daartoe noodig?--om te vragen:

--Heet dat dienstmeisje... Femke?

Komaan, in Satans naam, vraag of Femke de naam is van die... meid!

Op weg naar-huis had Wouter niet den minsten last van zweven. Hy

voelde zich redelyk laag, en had ditmaal volkomen gelyk.

Want... als die byna tusschen deur en post benepen jurk van zyde

geweest was...

Of... als-i dat driehoekjen elders ontdekt had, elders! Niet by de

Holsma's! Niet in gezelschap van Sietske die zooveel geld had in haar

spaarpot! Niet in dien allerfatsoenlyksten kring! Niet onder de oogen

van Willem die hem zoo plaagde met z'n hoogmoedig latyn...

Dan... dan... o zeker!

Dàn!

Maar nu! Maar hier!

Hy was braaf genoeg om zich te schamen. Maar dit is ook 't eenige

wat ik in z'n voordeel zeggen kan.

Overigens...

Alas, poor mankind!

Wat beteekende de dolfyn-parabool op 't koffihuistafeltje, by

zóó'n val?

Hy had zich dezen keer werkelyk bezeerd!

Over de zedelyke strekking van 't kleerborstelen. Onridderlyke

verdichtselen des harten. Godenvingers en duivelsklauwen, tweede

editie. De eigenaardige kalmte van 'n kwaad geweten. Iets

over driehoeksmeting in 'n bedstee, en maagdeperen in den

Jodenhoek. Hm... zy weer!

Juffrouw Pieterse was in de wolken. Ze hoopte dat de kruier die de

boodschap had overgebracht, haar huis niet te spoedig mocht gevonden

hebben, en dat de man toch vooral hier-en-daar in de buurt te-vergeefs

gezocht had naar 't ware adres.

--Zeker is-i in de kommeny geweest, zei ze, want ze weten nooit waar

ze wezen moeten... zulke kruiers! En waarom zoud-i daar niet verteld

hebben dat de jongeheer--want "jongeheer" zeid-i--by dokter Holsma

leseerde, op den kolveniersburgwal? Want, zieje, zoo'n man praat

altyd. Die soort van menschen doen niets als praten.

Nu, ieder mag 't weten. 't Is maar om te zeggen dat de menschen altyd

zoo praten, en zulke kruiers...

Maar... zeg, Wouter, hoe kwam het toch dat je zoo opeens met de

familie meeging? 't Is nogal heel erg asterant van je. Je bent toch

'n asterante jongen... wat zeg jy er van, Stoffel?

Stoffel zette het bedenkelyk gezicht dat by zulke gelegenheden

dienst deed als: "ja nogal!" Of: "ik zal er me op beslapen." Of:

"daar zit meer achter dan sommige menschen wel weten!" Enz.

--Moeder antwoordde Wouter, ik... ontmoette de familie in de

kalverstraat.

Waar! Zeer waar! Allerwaarst! Hy had inderdaad de Holsma's in de

kalverstraat ontmoet, wat men mag noemen: ontmoet! De lezer kan 't

getuigen. Maar... waarom vertelde hy niets van den nogal byzonderen

modus quo?

Och!

--Wat kleeft die rug, klaagde Petrò die belast was met de zorg voor

het "lakensche goed."

De familie rook, en streek, en wreef, en tastte, en verklaarde

eenstemmig dat Wouter's rug zich had schuldig gemaakt aan 't inzuigen

van allerlei vloeistoffen.

--'t Ruikt zoowaar naar citroen ook, zei Trui.

--Het riekt, verbeterde de schoolmeester, en wy ruiken, Sertrude!

--Och kom... ruik, riek, weet ik het. Ik wil maar zeggen dat het

zoo...

--Dat het zoo naar lemoentjes... ruikt, zei de moeder.

--En naar wyn!

--En je kunt er de suiker afkrabben! Waar ben je toch geweest,

jongen? Schaam je je niet! By zulke fatsoenlyke menschen op vizite

te komen--ik mag wel zeggen: te leseeren, wat zeg jy, Stoffel?--en

je dan zóó aantestellen met suiker en citroen op je rug! 't Is 'n

ware schande!

--'t Was zoo erg vol op straat, moeder!

--Van de volte kryg je geen wyn op je rug! En geen citroen ook! En

geen suiker ook! Wat zeg jy, Trui?

De eenstemmigheid was kompleet. Schuw als altyd, durfde Wouter niet

voor-den-dag komen met de ware toedracht der zaak. En dit zou hem ook

niet gebaat hebben. Het begrip der Pietersens was als 'n verstopt

slot waarop geen enkele sleutel paste. Wouter wist dit by treurige

ondervinding, en liet moedeloos den storm over z'n hoofd waaien, die

toch niet kon bezworen worden. Jammer evenwel dat er ook in hemzelf

iets verstopt, en dus bedorven was. 't Hoog gevoel dat hem gewoonlyk

bezielde, was geknakt.

Hy had 'n laagheid begaan!

Zóó gevoelde hy. Geen dominee kon 't wegpreeken! Ja, God-zelf

niet! Noch de God van bliksem en donder uit de Schrift, noch de

andere...

Die andere!

Waar was-i toen Petrus struikelde? Waarom was hy zoo gierig op 'n

beetje staal in 't mengsel waaruit Wouter's ziel gegoten werd?

--Maar... als 't Gods schuld was, dacht-i, dan behoefde ik zoo

beschaamd niet te zyn! Dan kon ik zeggen: ja, Femke, 't is wel

waar dat ik 'n ellendeling ben, 'n brok massa, te dom en te laf om

verantwoordelyk te wezen voor m'n laffe domheid. Maar... zóó heeft

God me gemaakt, zieje! Hy is aansprakelyk.

Dit kan ik niet zeggen! Want... ieder moet handelen naar z'n

overtuiging.

Waartoe zou 'n overtuiging dienen, als men de schuld mocht gooien op

God? Dàn had mevrouw Holsma wel gezegd: "ieder moet handelen naar Gods

overtuiging!" En dit heeft ze juist niet gezegd! Waar zou dat heen!

Ik ben laag geweest, afschuwelyk laag, ik! God is er heelemaal buiten.

Misschien liet hy de zaak toe, om my te doen zien hoe gemeen ik was!

Een hond zou Femke gekust hebben, als-i haar weerzag na langen tyd. Ik

ben minder dan 'n hond!

Want... ze wàs het! Zeker, ze wàs het! Of...

O, die huichelaar... hy zocht naar ofjes!...

...of zou 't misschien 'n ander geweest zyn? 't Kan heel best 'n

ander geweest zyn! Hoe zou Femke dáár komen!

Neen, neen, neen, zy wàs het! Zei ze niet dat ze my zoo goed kende? Zei

ze dat niet met de stem die my 'n lieven jongen noemde toen ze my

dien kus gaf by 't brugje?

Ze heeft my gekust en 'n lieven jongen genoemd! Ze wist toen nog niet

dat ik 'n ellendige bloodaard ben, zonder hart!

O, zeker zou zy me niet verloochenen, miskennen, verraden! Zy zou gewis

overal en tegen ieder zeggen: "dat is Wouter, die m'n vrindje... was,

en dien ik eens 'n zoen gegeven heb omdat-i zich dapper toonde tegen

de jongens die steenen wierpen op m'n bleek!"

En ik... o God!

Neen, God blyft er heelemaal buiten. Ik ben lafhartig. Zóó kan ik

niet leven!

Hy dacht aan zelfmoord. En in deze stemming bracht-i den nacht

van donderdag op vrydag door. Zelfs overleefde z'n wanhoop de

duisternis. Hy stond dien vrydag op, met het vaste voornemen 'n eind

te maken aan z'n onwaardig bestaan.

Heel gelukkig evenwel werd-i terstond na 't ontbyt aan 'n bezigheid

gezet die allergeschiktst is om iemand met het leven te verzoenen.

Men had hem met algemeene stemmen veroordeeld tot het reinigen van z'n

jasje--een vonnis dat m'n volkomen goedkeuring wegdraagt--en hy spande

zich zóó in, dat-i na 'n uur arbeids met betrekkelyke tevredenheid

naar z'n moeder liep, en juichend uitriep:

--Kyk, moeder, er is niets meer van te zien!

't Onnoozel triumfjen over 'n kleine moeielykheid joeg de wolken voort,

die z'n gemoed beneveld hadden.

Men zou voor z'n plezier in limonade vallen, als men wist hoe weldadig

de inspanning werkt die noodig is tot het reinigen van 'n paletootje.

De ongelukkige die nooit z'n eigen kleeren borstelde, kent het

leven niet.

--Ik zal haar vergeving vragen, dacht Wouter.

En by dit... oneerlyk voornemen lei zich de storm die z'n gemoed

beroerd had, geheel neder.

"Oneerlyk" noemde ik dit omdat het ware berouw geen vergeving zoekt by

anderen, maar by zichzelf. Wie met 'n uitgesproken klank tevreden is,

wie z'n geweten meent te kunnen paaien met 'n kwitantie van schuld,

geteekend door 'n ander...

Ei zie, daar ben ik alweer op het terrein van schuldvergiffenis

en genade! Pas-op, lezer, juffrouw Laps is in de buurt! Wie haar

niet ontmoeten wil, moet dit hoofdstuk overslaan. En vooral dien

vrydagavend niet by de Pietersens komen. Want dáár zou ze optreden,

en wel ditmaal met haar wouterkundig: voilà Toulon!

Maar eerst moet ik nog iets zeggen over 't ellendig gehalte van

Wouter's schuldbesef. Zeker, hy zou vergiffenis vragen! En na 'n beetje

getob zou Femke zeggen--precies als in Kotzebue's Menschenhaat--"ik

verrrgeef het u!"

En dan zou de zaak zyn als niet gebeurd.

Hoe sneller hoe beter dan!

Een ondragelyken last werpt men terstond neer! Terstond!

Wouter's last bleek niet ondragelyk. Want hy besloot hem nog 'n tydje

te blyven dragen.

De oorzaak hiervan was deze. Om Femke te spreken moest-i naar de

Holsma's. En dit... durfde hy niet. Wat zouden die menschen 't

gek vinden!

Gáán zoud-i, o zeker! Maar... niet op dien vrydag!

't Kon immers best wachten tot-i eerst 'n paar dagen... "in den handel"

geweest was? Dit geeft houding, vond-i, en dàn zoud-i zeggen...

Nu ja, hy zou vergeving vragen, en Femke "heusch" verzekeren...

De uitvinding van dit "heusch" was zoo kwaad niet. By lamlendige

beroerdheid... frazen vóór! Van welken letterkundige had onze

misdadiger dit geleerd?

Hy zou haar verzekeren...

Wàt?

Dit, byv. dat de Weledele heeren Ouwetyd & Kopperlith in wier "handel"

hy nu was aangeland...

Ja, ja, hy zou iets vertellen van de Weledele heeren Ouwetyd &

Kopperlith en hun "handel."

Dan hoefde hy niet zoo naakt voor-den-dag te komen met... dat andere.

Misschien zou z'n nieuwe chef hem pryzen over... z'n krulletters! Of

over z'n aardrykskunde! Of over z'n strabbische uitgeleerdheid! En

dan kon-i tegenover Femke z'n schande hullen in 'n wolkje van

allervereerendste byzaakjes. 't Meisje zou verbaasd staan over z'n

knapheid, en ten-slotte hèm vergeving vragen voor de vrypostigheid

dat ze zich had laten verloochenen door zóó'n handels-fenomeen!

Aldus redeneerde Wouter niet. En zelfs niet op deze wys werd hem z'n

onbewust gevoel kenbaar, doch... er was iets in hem--wat dan ook!--dat

voorwendsel en verschooning leverde voor 't niet doen van z'n plicht.

Bovendien... die plicht was zoo makkelyk niet!

Naar den kolveniersburgwal gaan? Goed.

Aanschellen? Goed.

Maar... wat dàn?

De deur zal geopend worden. Door wien? Juist immers door de dienstmaagd

uit Joh. XVIII, vs. 17, wier aanblik meer dan iets anders den

wankelmoedigen Petrus weerhouden zou van ridderlyke oprechtheid?

De zaak is dat onze Wouter zich niet waagde aan dokters Kaatje! Wat

zoud-i zeggen? Iets als:

"Vryster, ik moet Femke spreken, 't adjunkt-kindermeisje?"

Daar hoort wat toe, waarachtig!

En dàn?

In de gang... 'n knieval doen? Of zelfs--o gruwel!--in de keuken?

Om-godswil, lezer, wat zouden al de ridders uit z'n boeken daarvan

zeggen!

Welke Turk zou zich laten doodslaan door iemand die zich schuldig

maakte aan zoo'n dorperheid?

Die engelsche lord zou hem zeker geen hand geven--en de Afrikanen

geen kroon!--als-i...

Zou Ivanhoe 't gedaan

hebben? Neen! Ypsilanti? neen! Themistocles? Neen! De "Eduards" van

Lafontaine? Hm... dit kon-i niet zoo stellig ontkennen. In de werken

van dien schryver komen inderdaad huiselyke trekken van ridderlykheid

voor. Maar... ze staan in 'n boek, en de lezer kykt er naar, en zal

't weten dat er, zonder harnas, pluim of veldgeschrei dan, groote

daden geschieden in 'n hoekje. De auteur heeft gewaarschuwd: het

boekeheldje kampt onder de oogen van 'n publiek.

Zou ook dokters Kaatje gevoelig zyn voor 't grandioze van

de vernedering, als ze daar Wouter zag geknield liggen op de

vloermat? Zoo'n held in de boeken heeft makkelyk plichtdoen. Ieder

slaat acht op z'n prouesses, en weet ze te schatten.

--Welnu, dacht Wouter, ik zàl m'n plicht doen, o zeker, ik zàl! Maar

eerst "in den handel" en bovendien...

Een nieuw duiveltje bekroop z'n gemoed. Wie weet of Femke niet

spoedig de Holsma's verlaten zou, en terugkeeren naar 't huisje by

de aschpoort. Dáár... of in de buurt... of op de "paden"... of by 't

brugje, zou alles makkelyker gaan, dacht hy. Daar was geen nood van

Kaatje's fâcheuze tegenwoordigheid, noch van Willem's onmenschelyk

latyn. En ook Sietske die zoo majestueus sprak over drie-guldens...

De lezer gelieve optemerken dat er 'n leelyk deficit bestond in

Wouter's gemoed en dat de aanzuivering daarvan meer moeite kostte dan

't reinigen van 'n bemorst jasje.

Dat overigens 't verloop van z'n... liefde voor 't meisjen, 'n geheel

andere richting insloeg dan z'n onschuld...

Hier spreek ik van verloren onschuld, en ik meen te weten wat ik zeg!

...nu, dit spreekt vanzelf! Om lieftehebben, moet men goed zyn,

en Wouter was niet goed op dien vrydag!

Nu komt de "vinger Gods" die hem straffen zou. Dit goddelyk

lichaamsdeel lei 't zonderling aan.

De vrydag hield zich alsof-i voorby was. Wouter maakte zich gereed z'n

nauwe bedstee te beklimmen in opgeruimder stemming dan hem paste. Hy

had zelfs geen lust in 't kibbelen met Laurens, die altyd--zonder

pretentie op 't konstrueeren van 'n meetkunstig werkstuk--de diagonaal

beschreef.

Zeer eigenaardig nam ons Petrusje zich voor, z'n inslapen te doen

voorafgaan door 't overdenken van de voorvalletjes die gedurende den

afgeloopen dag aan de orde waren geweest.

Heel natuurlyk! Hy voelde geen lust zich bezig te houden met zichzelf,

wat anders z'n gewoonte was.

Zekere prins had geld onder 't volk gestrooid...

--Hé... als ik zoo'n prins was!

Nu, deze indruk was de leelykste niet. De meeste jongens denken in

zoo'n geval: hé, als ik mocht meegrabbelen!

De Paltsgravin van... hoe heet het land waar ze vàn was? Ik heb

geen lust den naam optezoeken dien ik haar gaf. 't Mensch was in

't Trippenhuis geweest, en daar--volgens de couranten--minzaam,

zeer minzaam...

--Dàt zou ik ook zyn, dacht Wouter, als ik... Paltsgravin was. Wat

is dat toch voor 'n betrekking?

De Koning had audiënties en 'n diner gegeven, en gezegd... och, de

gewone praatjes. Maar voor Wouter waren ze nieuw en belangryk. Het

welzyn van de Hoofdstad ging Z. M. byzonder ter-harte. Wouter ook. Dit

belette niet dat hy deze byzonderheid heel lief vond in den Koning. In

Afrika zoud-i precies hetzelfde doen! En zyn hoofdstad...

Neen, weg met Afrika!

Hy smeet z'n linkerkous onzacht weg, zoodat het ding zich om den

sport van 'n stoel slingerde als 'n stervende paling.

Weg met Afrika! Want...

Daar rees de schim van Femke op, en dreigde, en vroeg of zy haar

plaats verbeurd had op dien troon? En of ze...

Weg met Afrika!

Wat al zonderlinge vertellingen over prinses Erika! Men zei dat ze

huwen moest met 'n grootvorst, maar... geweigerd had.

Alle burgerlui vonden dit heel mooi, zonder nog te weten of 't niet

'n malle koppigheid was van prinses Erika.

Ze was zoo zonderling van gedrag en manieren, en kon zich niet schikken

in de hoogheid van haar stand...

Wouter trok z'n tweede kous uit, en keurde 't af dat prinses Erika

geen lust had in aanzienlykhedens. Hm... zou ze misschien willen

ruilen? Hy: prins Erik. En zy...

Zou ook zy 's nachts zoo'n leelyke muts opzetten? Wel neen, dacht

Wouter, prinsessen dragen mutsen van diamanten. 't Is waarlyk zonde

en jammer dat zoo'n schepsel haar geluk niet waardeert!

En dit scheen toch 't geval. Toen ze met de Paltsgravin uit het

Trippenhuis kwam--waar ze minzaam geweest was--had ze geweigerd

terstond mee terug te ryden naar 't paleis. Ze wou den "amsterdamschen

Jodenhoek" zien, en nam flinkweg 'n kamerheer onder den arm, die

haar den weg wyzen zou. De man kende dien zelf niet, en had alle

moeite haar te loodsen tot op Vlooienburg... in 't hartje! En zie, hy

droeg 'n korte broek--gelyk byna iedereen, in Wouter's tyd--en zyden

kousen. En die kousen werden bespat. En prinses Erika had er zoo om

gelachen. En nog meer onvorstelyke zonderlingheden van die soort...

Maar dit alles stond niet in de courant. De krant sprak alleen van

de minzaamheid.

Nu, ook op Vlooienburg was de prinses allerminzaamst geweest, of

zelfs meer dan minzaam. Ze had 'n heele kruiwagen vol maagdeperen leeg

gekocht, en de straatjeugd gebombardeerd met handenvol sappig genot.

Maar dit stond alweer niet in de krant. De redakteurs wisten niet

hoe ze dat voorvalletje salvâ reverentiâ zouden inkleeden, en

bepaalden zich dus maar tot de alom bekende minzaamheid. Toch had

ieder er van gehoord, al wist men dan niet of 't waar was. Duizenden

schiepen er stof uit tot drie vertellingen. Eerst: dat het geschiedde:

"wezenlyk!" Daarop dat het 'n verzonnen praatjen, niet geschied was:

"wat ik je zeg!" Eindelyk: dat het wel deze keer misschien niet

geschied was, maar dat, wel beschouwd, zoo-iets wel 'ns op 'n anderen

keer geschieden kon, en dat het zeer moeilyk was altyd precies te

weten wàt geschied was, en wat niet.

Dit vind ik ook.

Prinses Erika...

Wouter blies z'n kaarsjen uit, of wilde dit doen. Hy had peiling

genomen op een der twee scherpe driehoeken die Laurens hem te kiezen

had gegeven, en op-eens verneemt hy groote ontsteltenis in den huize

Pieterse: beroering!

't Is waar, er was drie, vier malen hevig gescheld, ja

gebengeld. Brand?

Hm! Zou 't misschien prinses Erika wezen, die komt ruilen?

Och neen, 't was juffrouw Laps.

Ruilen kwam ze niets.

Maar wat dàn, zoo laat op den avend?

Wouter trok z'n ééne been terug uit den tophoek, en luisterde.

Wy ook!

Zelfs juffrouw Laps zegt soms 'n waarheid die 't overdenken

en toepassen waard is. Dezelfde autoriteit in-zake:

menschenkennis. Don Quixote de la Mancha. Goden, duivels

en... Fancy.

Het vertrekje waar Wouter met Laurens in één bedstee sliep, was boven

de huiskamer. Ze deelden dat verblyf met twee van hun zusters, en

moesten uit kiesheid altyd 'n kwartiertje vroeger slaap voelen dan

die jonge-juffrouwen.

Ik ben niet geleerd genoeg om te weten hoeveel zuurstof vier

jonge menschen gedurende acht uren noodig hebben om net even niet

te stikken. Maar benauwd wàs 't in dat hokje! Soldaten zouden

"gereklameerd" hebben.

In 'n ander lokaaltje had 'n soortgelyke verdeeling van engte plaats,

en ook daar werd het oogenblik van slaperig worden geregeld en bepaald

door gelyke wetten van kiesheid.

Met 'n weinig administratief genie zal nu de lezer kunnen berekenen wat

de oorzaak was dat 'n gedeelte van den grooten staf der Pietersens--en

wel het deel dat tot de klasse der vrouwspersonen behoorde--nog

altyd in de huiskamer by-een zat, op 't oogenblik toen Wouter zich

voordroomde dat die gekke prinses Erika wel 'ns in 't hoofd kon krygen

met hem te komen ruilen van pozitie.

In-plaats dáárvan echter, hoorde hy de stem van juffrouw Laps, die

als 'n razende de trap scheen opgevlogen, en schreeuwend, snikkend

en huilend het huisvertrek binnenstormde.

De gewone tusschenwerpsels van: "mensch, wat is er?" en: "goeie god,

wat is er gebeurd?" waren afgeloopen. Wouter kon waarnemen dat het

traditioneele glas water was aangeboden en leeggedronken, en tevens

hoe men de blykbaar allerdiepst-ongelukige vriendelyk uitnoodigde om

"te bedaren." Een zonderling voorstel altyd.

Juffrouw Laps begon met de zeer verstaanbaar geartikuleerde verzekering

dat het haar onmogelyk was 'n woord uittebrengen.

De zaak scheen dus belangryk. Wouter trok z'n eene kous weer aan om

beter te kunnen luisteren.

--Ik zweer je by God allemachtig, juffrouw Pieterse, dat ik niet

spreken kan van schrik en alteraasie.

--Gut, mensch!

--Waar zyn je kinderen... allemaal? Al naar bed? Toch nog niet naar

bed, wil ik hopen! Ik kan waarachtig niet spreken! Nog 'n glas water,

Trui! Hoor 'ns hoe ik bibber... 'n mensch klappertandt van schrik,

niet waar? Dankje, Trui, en waar is... Stoffel?

--Wel, mensch, die kleedt 'm uit. Hy gaat me vóór, my en Petró.

Want... Mine schopt zoo, weetje, en Trui moet by de jongens wezen...

anders vechten ze. En daarom slaap ik met Petrò, weetje. En daarom

kleedt Stoffel 'm uit, en dan sluit-i z'n gordyntje, weetje, als-i

ons op de trap hoort. Maar, mensch, wat scheelt er an?

--Ja juist... wat me scheelt, niet waar? Ik ben geschrokken, erg,

heel erg! En is... Laurens ook al naar bed?

--Gut ja, mensch, al lang! Want-i moet vroeg op z'n drukkery

wezen. Maar...

--Allemaal al naar bed! En ik...ik loop als 'n ongeluk langs de straat,

als 'n mal mensch--van schrik, weetje!--en weet niet waar ik belanden

zal. Zóó? Is hier... iedereen al... naar... bed...

--Maar wat is er dan toch gebeurd?

--Ik zal 't je zeggen, juffrouw Pieterse... och, als je wist hoe ik

geschrokken ben! Verbeelje...

Wouter trok uit 'n akoustisch beginsel z'n tweede kous aan.

--Je weet, juffrouw Pieterse, dat er tegenwoordig veel gestolen wordt?

--O ja, maar...

--En ingebroken? En gemoord? En dat de politie er maar niet achter

komen kan wie dat telkens gedaan heeft? De moord van de oude Mevrouw

en haar dienstmeid, in de Lommerstraat...

--Maar mensch, daarvoor zitten er drie in de gevangenis! Wat wil

je meer?

--'t Mocht wat! De moordenaars loopen vry rond, wat ik je zeg! Dat

gevangen-zetten van die drie kerels is maar om ons 'n doekie voor de

oogen te binden, en dat de menschen niet vragen zullen: waarvoor dient

de jistiessie, zieje! De luî die 't gedaan hebben, willen wel zoo, en

hebben al den tyd om op 'r gemak hun boeltjen opteknappen. Want weetje

wat ik altyd zeg... ik zeg dat 'n gemeene kerel die 'n moord doet,

en veel geld steelt, z'n bebloede kleeren niet kan verdonkeremanen. En

al dat geld ook niet!

Want, zeg ik, hy is niet gewend met zooveel geld omtegaan. Al z'n

buren kennen z'n buizen en broeken van-buiten. 'n Kast waarin-i

wat kan wegstoppen, heeft zoo'n man niet. Verstand van effekten

of obbeligaassies ook niet! En den weg naar 't buitenland weet-i

ook niet! En vrinden die hem den weg wyzen om van z'n boeltjen

aftekomen, heeft-i ook niet! Zoodat ik maar zeggen wil dat... 'n

moord of 'n diefstal, of... zoowat... als ze den moordenaar niet

terstond pakken... nu, juffrouw Pieterse, dan zeg ik dat het door

'n fatsoenlyk man gedaan is, die meer rokken en kasten en kemsoossies

heeft dan alleman weet, en... ongeteld linnengoed, zieje! En vrinden

onder bankiers, zieje, die 'm afhelpen van z'n obbeligaassies. 'n

Gemeene vent zou honderdduizend gulden in z'n broodkast leggen,

en daar vinden 't de kinderen als ze boter snoepen. Wat zeg jy, Trui?

Trui had nooit nagedacht over dezen wel-eens uit het oog verloren

grondregel van kriminalistiek. Althans Wouter vernam geen antwoord,

schoon de nieuwsgierigheid hem noopte z'n broek aantetrekken.

--Maar, hoorde hy op-nieuw z'n moeder vragen, wat is er dan toch met

je gebeurd?

--Wat er gebeurd is? Ik ben geschrokken... kyk, hoe ik bibber! De

stad is vol moordenaars, juffrouw Pieterse!

--Lieve-god, mensch, wat kan ik daaraan doen?

--Niks, juffrouw Pieterse, heelmaal niks! Maar ik ben geschrokken,

en kom je-n-om raad vragen. En... gaan Stoffel, en... Laurens,

en... iedereen hier altyd zoo vroeg naar bed? Kyk, hoe ik nog

bibber. Zou je wel gelooven dat ik niet naar m'n huis durf te gaan?

--Maar waaròm dan niet? Denk je dat ze je vermoorden zullen?

--Ja, juffrouw Pieterse, dàt denk ik! De moordenaars van die

ouwe Mevrouw en haar dienstmeid loopen nog altyd rond--gister by

de ullemenatie hebben ze god weet hoeveel horlogies gerold!--en de

policie... weet je wat de policie doet? Ze kykt of iemand 'n vloerkleed

uitklopt na tienen 's morgens... dàt doet de policie! Maar al die

moordenaars laat ze loopen. Dat zeg ik!

--Maar wat weet je dan van die moordenaars? Geef ze-n-aan, als je ze

kent! Dat 's je plicht, mensch!

Wouter trok z'n vest aan, en deed 'n dasjen om.

--Wat ik er van weet! Ze belagen me-n-in m'n eigen huis! Is 't erg of

niet? Ik ben van middag uit geweest, om 't hardzeilen op den Amstel

te zien. Maar er was niets te kyk, omdat er geen wind was. En 't was

heel vol op den weg, en by den Amstel ook, tot Ouwerkerk toe. Al die

koningen waren er, en die vreemde prinsen en prinsessen, weetje,

en de menschen keken naar de koetsen, en ik ook. Niet dat ik om

'n koning geef, gut né! Want hy is 'n wurm in Gods hand, net als

jy en ik, en als de Heer hem niet steunt... och al 't aardsche is

maar gekheid. Stof en asch... geloof dàt maar! Maar ik keek naar de

koetsen, weetje, en naar de paarden, en naar al 't volk... dat er naar

keek. En ik dacht zoo by mezelf, als ik vanavend thuis kom, zal ik m'n

aardappelen opbakken, want... die had ik over van van-middag, en als ik

aardappelen over heb, bak ik ze 's avends altyd op, weetje. En er was

groot gedrang by den Amstel, en 't speet ieder zoo dat er geen wind

was, want de menschen zyn dol op plezier, en slaan geen acht op wat

des Heeren is. Wereldsch waren die prinsen en prinsessen... kyk! Ja

dacht ik, 't wondert me volstrekt niet dat er zoo erg gemoord wordt,

en gestolen, want ze verzoeken God. En: de Heer zal jeluî wel krygen,

dacht ik, maar Hy wacht z'n uur af. Want, juffrouw Pieterse, dàt

doet-i altyd. Eén dame--'t mensch had roode puisten in 't gezicht,

en was nog ouder dan jy, juffrouw Pieterse!--wat denk je dat ze-n-op

't hoofd had? 'n Tulleband, mensch! En ze zat in 'n koets met vier

paarden. Is dat den Heer tergen of niet? Dat vraag ik maar! En ze

speelde met 'n soesoe, en toen er 'n prins te-paard naast haar koets

kwam, stak ze d'r hand uit het portier, en liet 'r soesoe driemaal

op-en-neer gaan. En dat deed die prins ook. Waren ze mal of niet? En

wat moet de Heer daarvan zeggen. Als er geen pestilentie komt...

--Maar... wat is je dan toch overkomen?

--Ja juist... wat me-n-overkomen is? Dàt zal ik je zeggen... maar

ik beef nog zoo. Ik had m'n aardappelen aan schyfjes gesneden, en

op 'n schoteltjen in de kast gezet. Want, dacht ik, als ik thuis

kom, kan ik terstond aan 't bakken gaan, want ik hecht niet aan

wereldsche dingen--want ik heb de genade, weetje--want ik dacht zoo

by mezelf, dat ik niet lang onder al die menschen blyven wou... gut,

juffrouw Pieterse, je moest... Stoffel roepen. Dan kan-i hooren wat

me-n-overkomen is.

Stoffel was reeds in aantocht, en dit deed Wouter genoegen. Hy had

geruisch in de kamer naast zich gehoord, en grondde op Stoffel's

opstaan de hoop dat ook hyzelf weer voor-den-dag zou mogen komen, om 't

spannend verhaal wat meer op z'n gemak aantehooren dan door de porien

van z'n kamervloer. Intusschen had hy zich geheel gekleed, omdat-i

niet door juffrouw Laps wou gezien worden in z'n nachtpon. Hy nam nu

waar dat Stoffel de, huiskamer binnentrad, en dat de bezoekster, na

den gewonen groet en de plechtige verzekering dat ze nog altyd van 't

bibberen niet spreken kon, de vraag deed: waar toch... Laurens bleef?

Laurens? Wèl, hy sliep, en leverde door z'n neusgaten de demonstratie

van 't pythagoreïsch vraagstuk, waarin hyzelf de hypothenuze zoo

aanschouwelyk voorstelde.

Dit zou juffrouw Laps volkomen onverschillig geweest zyn, als ze

't geweten had. Ze wist alleen--en 't hinderde haar erg, naar 't

scheen--dat... Laurens zich niet bevond onder haar gehoor.

Was dit misschien de reden dat ze zoo talmde met de katastroof? Moest

juist... Laurens getuige wezen van de ontwikkeling en de

uitbersting? Waarom toch?

--Zeg jyzelf nu eens, Stoffel, of de stad niet vol moordenaars en

dieven is?

Stoffel zoog z'n bovenlip naar binnen, en trachtte met de andere de

punt van z'n neus te bereiken. De lezer wordt uitgenoodigd dezen

mondgreep natebootsen, en hy zal, volgens de door my meegedeelde

methode van ziel-ontdekking, nagenoeg weten hoe en wat Stoffel niet

antwoordde op deze vraag.

Juffrouw Laps hield zich of ze "ja!" verstond, omdat het zoo in haar

kraam te-pas kwam. En dus:

--Zie je wel, Stoffel zegt het ook! De stad is vol dieven en

moordenaars, en... 'n fatsoenlyk mensch durft niet meer in z'n eentje

naar bed gaan. Dat zeg ik!

--Maar... juffrouw...

--De policie? Gekheid! Wat helpt de policie, als je niet

op God vertrouwt? Dàt 's 't ware! En wie dàt niet doet, is

verloren. Menschelyke hulp... ik kan me niet begrypen dat... Laurens

altyd zoo vroeg slapen gaat. Weet jelui wel, dat het niet gezond is

zoo veel te slapen! Wat zegt de Schrift? Waak en bid! Maar... ieder

z'n sinnigheid! Ik kan je voor God verklaren dat ik niet alleen naar

huis durf, en...

Hier vertoonde zich weer 'n "vinger!" Wouter's nieuwsgierigheid was

ten hoogste gespannen. Om beter te kunnen verstaan stond-i in gebukte

houding, en leunde met één hand op den rug van 'n stoel. Z'n steunpunt

kantelde, de stoel gleed uit, knerste over den grond, bereikte 'n

ander meubel...

--Heere-jesis-kristis, wat 's dàt nu weer? kryschte de moeder. Ben jy

't, Laurens?

Wouter piepte verlegen terug, dat het: "ik" was. Uit deze stoornis

vloeide voort dat-i zich wist overteplaatsen in den kring waar zulke

belangwekkende dingen werden verhandeld.

Z'n entrée de salon had plaats onder de allerongunstigste

omstandigheden. Hy werd hevig berispt omdat-i "nog" niet uitgekleed

was, en...

--Zet jy je bakker op, voor je je kleeren uittrekt?" riep de moeder.

Zoo waar, de jongen had vergeten zich te ontdoen van z'n slaapmuts! Hy

meende van schaamte te verzinken. Liever had-i àl 't andere gemist,

dan dat eene te hebben!

--En... wat heb je dáár?

Helaas! Ons heldje was belachelyker nog dan men in-staat is zich te

maken met 'n pluimmuts alleen. Er bleek dat-i zich gewapend had met

den yzeren staaf die in voorhistorische dagen door z'n vader gebruikt

werd tot recht-afsnyden van leêr. Gedurende 't begin van 't lapsisch

verhaal dat zoo slecht vlotte, meende hy, dacht-i, hoopte hy...

Nu ja, hy verstond iets van 't oude: "waar blyft Wouter?" Uit den mond

der spreekster niet, o neen--'t waren immers juist de woorden die

ze by-voorkeur niet uitsprak!--maar... hy meende ze toch te hooren,

al kwamen ze tot hem van geheel anderen kant.

Wel was-i dien vrydag laag en slecht geweest, onridderlyk en infaam,

maar... hy bleef nog altyd Wouter!

Moordenaars? Dieven? Een vrouw in nood, 'n dame--ze heette Laps,

godbetert!--wat anders kon daarop volgen, dan:

--Ce sera moi, Nassau!

en..:

--God laat die moordenaars maar begaan... ik niet! Ik, Wouter! Ivanhoe

was-i gewis dien dag niet geweest... helaas! Doch er was toch nog

altyd genoeg in hem van zichzelf, om niet lager te staan dan de

slechtaard Brian de Bois-Guilbert, die toch ook niet wegliep voor

gevaar, al was dan z'n gedrag jegens Rebekka hoogst-indelikaat.

Slecht? Het zy zoo! Maar lafhartig ook? Dat zou te veel zyn.

In zóó'n stemming had Wouter--hy scheen niet te weten dat ook z'n eigen

felonie voortkwam uit lafheid!--tusschen z'n tweede kous en z'n broek

in, den leder-lineaal gegrepen. En dat ding hield-i nog altyd in de

hand, toen er door zoo'n zonderlingen samenloop van omstandigheden

'n welgelukt beroep werd gedaan op z'n moed.

O, eerbiedwaardige, korrekte, maar dikwyls laaghartige, toch

altyd onschuldige, kansverevening, waarom moest ge dat onïngetogen

ridderzwaard in-handen geven van iemand die vergeten had zich te

ontdoen van z'n slaapmuts? Waarom niet die twee belachelykheden in

billykheid over Stoffel en den held verdeeld? Waarom niet aan ieder

wat? Den een de muts, den ander 't wapen? Of, beter nog, waarom niet

Stoffel den hellebaard in de hand gedrukt, en den slapenden Laurens

by uitsluiting belast met het torschen van den gepluimden diadeem? Wat

kon het hèm schelen hoe hy er uitzag in z'n bed!

Maar... 'n held, 'n ridder? En dat onder de oogen van de dame die hy

beschermen zal!

Arme Rebekka, wanneer Ivanhoe ware te-voorschyn gekomen met zóó'n helm!

Wouter was woedend.

En... ik ook! Op die kansverevening namelyk, en niet zoozeer om de

boosaardige kombinatie van muts en degen. Zy is niet te vermyden,

en de Don Ouixotten schikken zich. Weldra zien ze die pluimmuts voor

'n stalen helm aan, en hun hemd voor 'n schubbejak.

Niet dáárom alzoo ben ik boos. Ik zou waarlyk te veel te doen hebben,

indien ik toegaf in de neiging tot zùlke verstoordheid. Maar om 'n

andere samenvoeging die bedroevender is, en waarin 'n braaf ridder

zich niet màg leeren schikken.

Wouter was lafhartig geweest, toen-i Femke had behooren te kennen en

te èrkennen. En... z'n gevloden ridderlykheid kwam tevoorschyn op 'n

roep uit den mond van juffrouw Laps! Dit is erger dan belachelykheid!

Tegenover reinheid had-i zich stug betoond, en arm aan ziel. De rykdom

van z'n gemoed berstte weelderig uit, zoodra ze werd opgevorderd door

't gemeene. Is 't niet treurig?

Dat de Don Quixotten weldra de onheraldische beteekenis van

hun pluimmutsen over 't hoofd zien--lafaards wachten zich wel

voor zulke gekheid!--is begrypelyk, en te vergeven. Maar wie--en

op-den-duur--genoegen nemen zou met de verkrachting van zedelyke

logika, met het tragisch-heterogeene...

't Huwelyk van rapier en muts was maar komisch!

... wie op-den-duur zich tevreden stelt met... dat andere, hy is

verloren! Hoogstens kan er 'n rykworder uit hem groeien, 'n schoonzoon

van Kappelman, of zoo-iets.

Goddank, Wouter zou 't leeren inzien. De zeer intelligente lezer

begrypt immers dat-i anders geen geschiedenis hebben zou? Maar hy

was nog in lang zoo ver niet, en meende al veel gedaan te hebben

tot herstel van de zoo sarkastisch bedorven tooneelzetting, toen-i

met driftig gebaar z'n wapen kletterend op den grond smeet, en z'n

muts--flap!--op de tafel.

Niemand had ooit geweten dat het manneke zoo driftig worden kon. Z'n

moeder vroeg dan ook met de gewone belangstelling in 't welzyn van

z'n zieltje: "of-i dan in gods-heeren-naam heelemaal bezeten was?" 't

Had er veel van.

De "vinger" van zoo-even zal wel weer de klauw van 'n duivel geweest

zyn, of... van den Duivel, naar verkiezing van den lezer.

--Ik zeg dat jelui 't kind niet zoo moet versagrineeren, zei de

bibberende bezoekster.

--Oogenblikkelyk naar je bed! riep de moeder.

--Och, laat het kind zitten! Maar... wat ik je zeggen wou, juffrouw

Pieterse, van m'n aardappelen...

Wouter blééf. Dat-i dit kon, had hy te danken aan de algemeene

nieuwsgierigheid. Heel gelukkig waarlyk, want ik heb z'n blyven

hoognoodig voor de ekonomie van m'n vertelling.

...verbeelje toen ik thuis kwam, zoo tegen half-elf... want ik kòn niet

eer, om de drukte, weetje--anders... ik houd niet van remoerigheid,

dat weetje wel--nu, toen ik thuis kwam--de stad is vol moordenaars

en dieven, dit moet je wèl in 't oog houden!--toen waren m'n

aardappelen... waar denk ie dat m'n aardappelen waren? Ze waren... weg!

--Weg?

--Weg!

--Heelemaal weg?

--Heelemaal... wèg!

--Je aardappelen weg?

--M'n aardappelen... heeeeelemaal... wèg!

--Maar...

--En ik zeg: dat hebben de dieven en moordenaars gedaan! Wie anders? Er

zyn moordenaars op m'n zolder, en nu wou ik je vragen... want ik durf

niet alleen thuiskomen...

Wouter's oogen flikkerden.

...ik wou je vragen of misschien... je zoon Stoffel...

Stoffel zette 'n allerzonderlingst gezicht, dat zeker alle moordenaars

uitmuntend zou bevallen hebben, omdat het 'n geruststelling bevatte

voor de toekomst van 't métier.

--Maar, juffrouw Laps, vroeg-i heb je dan geen kat in huis?

--Een kat? Ben je mal? 'n Kat tegen moordenaars?

--Né, juffrouw, niet tegen moordenaars. Maar 'n kat die misschien je

aardappels heeft opgegeten?

--Ik weet van geen kat! Ik weet dat de stad vol gemeen volk is, dat

de menschen vermoordt zonder dat er 'n haan na kraait! Niet dat ik om

m'n leven geef, gut neen, niet... zie zóóveel! Als de Heer me roept,

zal ik zeggen: laat je dienstmaagd gaan in vrede. M'n oogen hebben

je heerlykheid gezien! En dan...

--Maar, mensch, waarom heb je niet op je zolder gezocht, of onder

je bed?

--Dat mòcht ik niet, juffrouw Pieterse! Wien God bewaart, is

wèlbewaard, maar... men mag den Heer niet verzoeken! Op m'n zolder

ga ik niet, en onder m'n bed kyk ik niet, voor alle wereldsch

goed niet! Want dáár zit-i zeker! En juist daarom wou ik je vragen

of... je zoon... Stoffel... of--als Stoffel geen senie heeft--byv. je

zoon... Laurens, of...

--Maar... waarom heeft uwe niet liever de buren er by geroepen,

juffrouw?

Aldus sprak Stoffel.

--De buren? Nou, je moet ze kennen, die buren! De man onder me durft

geen schoothondjen aan, laat staan, 'n moordenaar! En naast me woont

er een die... wat zal ik je zeggen, 't is 'n jonkman, en je weet dat

ik me niet graag in opspraak breng. Want... 'n mensch moet zorgen

voor z'n fatsoen, en nooit ergernis geven, dat weet je-n-ook wel.

Niemand kwam op de gedachte, haar te vragen wie of wat Stoffel dan

voor 'n wezen was? Géén jonkman? Zoud-i misschien "door z'n school"

boven wereldsche verdenking verheven zyn?

--En bovendien, ging de verlokster voort, meen je dat al die mannen

kerasie hebben? Ik zeg neen! Ze zyn zoo bang voor 'n dief, als de

dood. Verleje week stond er 'n brittale bedelkerel in 't pertaal,

en de vent wou niet weg. Denk je dat ze 'm aandurfden? Maar ik,

ik pakte hem flink beet, en...

Ze versprak zich, en bemerkte het:

... nu ja, dat zou ik gedaan hebben als ik niet 'n vrouw was

geweest. Want vrouwen moeten zich nooit inlaten met ruwigheid. Dat

stáát niet... wat zeg jy, Trui? Ik liep weg, en sloot m'n kamer,

zieje! Neen, kerasie hebben al die manlui niet!

"Al die manlui!"

Wouter voelde zich beleedigd, en beefde van ingehouden strydlust,

of althans van begeerte om te toonen dat hy niet behoorde onder zùlke

"manluî." Juffrouw Laps merkte 't wel.

--Nu, als Stoffel 't niet graag doet...

--Om je de waarheid te zeggen, ik...

... en als Laurens al slaapt. En als... niemand er senie in heeft...

Ze stond op.

... nu, dan zal ik, op God vertrouwend, in m'n eentje... maar griezelig

is 't voor 'n vrouw alleen!

Ze zag allen beurtelings aan, behalve juist den eenen tot wien ze

sprak. Wouter moest zich vergeten voelen, over 't hoofd gezien, en

daardoor geprikkeld tot den eisch om beschreven te worden onder de

ridderschap van den huize.

... als dan hier niemand is, die durft...

--Ik durf, juffrouw!

Allen stonden verbaasd, behalve onze menschenkenster die niets anders

verwacht had, maar toch geraden vond zich even verbaasd te houden

als de rest.

--Jy?

--Jy, Wouter?

--Jongen, ben je gek? Jy?

--Ja, ik! Ik durf, al waren er tien op je zolder, juffrouw, en duizend

onder je bed!

Hm, zoo'n kleine Luther! Maar er was verschil. Luther had 'n

God, waarop-i meende te kunnen rekenen... met behulp van 'n paar

keurvorsten... nu ja, die behoefte hadden aan troebel water. Onze

Wouter--zònder keurvorsten!--trok als 't ware ten-stryde tégen den

god, die toegelaten had dat er duizend en eenige moordenaars onder

't dak en bed van juffrouw Laps konden zitten.

--Maar, jongen!

--Ik durf!

--Och, laat hem begaan, juffrouw Pieterse! Je begrypt... het is

altyd 'n gezelligheid voor me, zoo'n kind by me te hebben! Zieje,

dan griezelt het me minder, als er misschien 'n moordenaar op zolder

zit. 'n Mensch wil aanspraak hebben, niet waar?

Ze bereikte haar doel: onze Wouter werd haar meegegeven. Met z'n

nachtpon en bakkersmuts in 'n pakjen onder den arm, verliet hy

't huis. De yzeren staaf werd achtergelaten, omdat juffrouw Laps

verzekerde dat zy 'n wel gevuld tuighuis had van gereedschappen

waarmee men zooveel moordenaars kon doodslaan als men verkoos.

De oorzaak dat de Pietersens zoo gemakkelyk toestemden in Wouter's

benoeming tot slotvoogd, lag voornamelyk in ydelheid. Eigenlyk keurde

het geen der leden van 't koncilie goed, dat de jongen meeging met

juffrouw Laps, maar de familie was groots op z'n moed. De zaak zou

bekend raken, oververteld worden, en juffrouw Pieterse zou wel zorgen

dat er bygevoegd werd:

--'t Is dezelfde jonge-heer, weetje, die laast geleseerd heeft by

dokter Holsma op den Kolveniers-burgwal.

"Ja, ja, er zit wel wat in die kinderen van diezelfde Juffrouw

Pieterse!" zou dan deze of gene de goedheid hebben te antwoorden.

En zoo-iets hoort men graag.

Dáárom kreeg juffrouw Laps ditmaal haar zin.

Maar... Fancy?

Preutsch was ze niet!

Dat verloochenen van Femke vond zy èrger!

Doch ook dáártegen zou ze raad weten, zy die alles was, alles wist,

alles kon, tot het regelen van de kans-verevening inkluis.

Niet tevreden--o neen!--maar kalm toch, en geenszins wanhopend, ging

ze met haren arbeid voort. Er was meer spot dan smart in haar gelaat,

toen ze Wouter dien avend den weg zag inslaan naar de woning der

oefenaarster. Ze toonde hierdoor hooger te staan dan de engel die door

Moritz Retsch tot droefgeestige getuige wordt gemaakt van de nederlaag

des jongelings die op 't schaakbord z'n ziel aan den duivel verspeelt.

Hm... in één party?

Moet dan het behoud der ziel afhangen van één veronachtzaamd: gardez

la Reine?

Waarachtig niet!

Men zou wenschen geen ziel te hebben, als ze zóó snel kon verloren

gaan!

Eilieve, dan immers stond de party tusschen God en Duivel niet gelyk?

Hoe! Eén misstap, ééne dwaling, één vergissing, zou naar de hel kunnen

voeren, en na 'n lang leven vol moeite, arbeid, onthouding en stryd,

is er nog 'n byzondere genade noodig om in den hemel te komen?

Dit moet 'n dwaling zyn! Maar... 'n dwaling die 't verklaart, waarom

de galerie zoo gaarne voor den Duivel parieert! En waarom er zooveel

speciaal-kunsten worden uitgevonden om God 'n beetje te helpen in

z'n ál te ongelyke kans.

Dit hoeft niet!

Fancy zal zich weten te redden. Zich, en... hem dien ze aanraakte

met haar vleugel.

Ze laat hem begaan, en doet--als ik!--haar werk. En:

... doet, als ik, haar werk!

En spint den vlok tot draad, en weeft den draad

Tot doek, waarop zy, eindloos voortbordurend,

Den loop van al wat is, te aanschouwen geeft.

En wie 't verband ontkent, is schuldig blind,

Ter nauwernood onschuldig wie 't niet kent!

Van dit alles wist Wouter niets. Z'n onkunde mag wel een der oorzaken

geweest zyn van de rilling die hem bekroop, toen-i met juffrouw Laps

de trap van haar woning opging.

't Eerste wat ze hem aanbood, bestond natuurlyk in de gebakken

aardappelen die opgegeten waren door al die gulzige moordenaars.

Hu! Wouter verbeeldde zich dat-i zou hebben raad geweten met

Schinderhannes in hoogsteigen persoon. En al blyft het nu de vraag,

of z'n--ongeoefende!--moed niet op 't beslissend oogenblik in de

schoenen zou gezakt zyn, hy méénde toch dat-i durfde. En hy was dan

toch begonnen met Schinderhannes inderdaad optezoeken...

Maar... alleen te wezen met die gebakken aardappelen, en met die

walgelyke vrindelykheid--wat ranser was wist-i niet!--daar hoort

méér toe!

Hy voelde berouw over z'n veronderstelden moed, en begreep niet

hoe hy z'n heldentocht had kunnen aanvangen zonder te letten op de

onvermydelyke byzaken.

Wèl beschouwd, was-i toch maar liever in een der driehoekjes gekropen,

die Laurens gewoon was zoo grootmoedig ter zyner beschikking te

stellen.

De lezer maakt kennis met een der meestberoemde Nederlanders

van deze eeuw. "En de Heere zeide tot Satan: zie, al wat myn

knecht Job heeft, zy in uw hand! Alleen strek uw hand niet aan

hem uit." Hoe juffrouw Laps door vuur van de straat verhinderd

werd deze voorwaarde te breken. Een-en-ander over de kalmte van

beschermengelen.

--Tast jy maar gerust toe, m'n jongen, en seneer je niet! Of wil je

misschien eerst je jasjen uittrekken, want daar je nu toch van-nacht

hier blyft, zieje, om op me te passen...

Wouter hield z'n jasje voorloopig aan.

En... 'n lekker likeurtje heb ik ook voor je... 't is beste! Van

Fockink, weetje, die z'n fabriek heeft in... die nauwe straat, je

weet wel. Je moet nooit door die straat gaan, want daar wonen gemeene

vrouwluî, en die staan aan de deur, zieje, en dat 's niet goed voor

'n jonkman als jy.

De "jonkman" Wouter keek heel vreemd op, maar ik zou jokken als ik zei

dat-i boos was. Juffrouw Laps had met aanbiddenswaardige handigheid

hem 'n paar tweede-luitenants epauletten op schouder gespykerd... z'n

eersten rang! En welke jongen neemt dit kwalyk? De verheffing tot

jonkman was streelender nog dan 't "in den handel" zyn.

Maar toch, er bleek dat-i verlegen was met z'n nieuwbakken

hoogheid. Althans juffrouw Laps vond goed zich te houden alsof ze

verstond dat-i toelichting wachtte. De dozis vleiery moest onverkort

worden toegemeten.

--Wel wis en zeker, Wouter, je bent 'n jonkman, wist je dat niet? 't

Komt omdat ze je thuis altyd zoo kinderachtig behandelen. Ik zeg dat

je-n-'n jonkman bent, zoo goed als de beste! Denk je, byv. dat ik

zooveel van... Stoffel houd als van jou? Waarachtig niet! Volstrekt

niet! In 't geheel niet! Ik houd veel meer van jou. Wil je-n-'n pyp

rooken? Je bent er mans genoeg toe. Wel zeker, waarom zou je niet

'n pypie rooken, net als andere mannen?

"Mannen!"

Help, Fancy!

Wouter antwoordde dat-i "nog niet" rooken kon. 't Kostte hem moeite

dit te zeggen. Hy was beschaamd over zooveel kinderachtigheid, maar

hy moest wel oprecht zyn omdat 'n eerste poging om Stoffel natedoen

in deze uiting van mannelykheid, zoo byzonder ziekelyk was afgeloopen

dat het voorstel tot herhaling hem schrik aanjoeg.

--Zóó? Rook je niet...

Ze liet het, "nog" weg.

...rook je niet! Heel goed! Eigenlyk is 't 'n verkeerde gewoonte

van de mannen. Dat eeuwige gerook! Ik ken meer jongelui die niet

rooken. Daar heb je, byv. Piet Hammel--hy is zoo oud als jy, maar

wat kleiner, en vryt met 'n nichtje van me--die rookt ook niet.

Iemand zoo oud als hy, maar kleiner, en die al aan "vryen" deed:

help, Fancy!

--Ja, ze willen trouwen, zoo tegen... ik weet niet

wanneer. Maar... trouwen willen ze! Zoodat ik maar zeggen wil dat

je-n-'n effetieve jonkman bent. 't Is heel mal dat ze je-n-altyd

behandelen als 'n kind! Dàt heb ik wel al honderdmaal aan je

moeder gezegd. Daar heb je nu, byv. om 'reis te noemen... zooeven

op-straat. Ik was bang, niet waar? Omdat ik maar 'n zwakke vrouw ben,

weetje? En 't was nacht, niet waar? Denk je dat ik nog bang was, toen

jy naast me liep? Geen zier! En waarom niet? Wèl, omdat ieder zien kon

dat ik 'n manspersoon by me had. Ik had je best 'n arm kunnen geven--je

bent heusch grooter dan ik--maar ik deed het niet, omdat je-n-'n pakje

droeg. En, bovendien... de menschen praten zoo! Want, zieje, de wacht

had het kunnen zien, en dan in de buurt overal rondvertellen dat ik

's nachts met 'n heer liep.

"Met 'n heer!"

Fancy!

--Want 'n mensch moet altyd zorgen voor z'n fatsoen! Hier

binnen'skamers is 't wat ànders, heel wat anders! Gut, ik weet wel

dat jy geen kwaad van me vertellen zult. Wie 'n vrouw bekladt, is

geen ware man, dit weet je-n-ook wel.

Ja, dit wist Wouter, al was er meer diepte in z'n besef van loyauteit,

dan helderheid in 't begrip van: "bekladden." Hy vertaalde juffrouw

Laps' maxime in z'n boekentermen, en las voor: "vrouw" en: "man"

de hem gemeenzamer uitdrukkingen: dame en: ridder.

't Mensch werd dus ditmaal beter begrepen dan zyzelf verwachten

of weten kon. Gesteld eens dat Wouter ontevreden ware geweest

over de likeur--par impossible, want ze was van Fockink--of dat

de olie waarmee ze haar aardappelen bakte, naar bejaardheid had

gesmaakt--onmogelyk alweer, want ze bakte met boter, die niet eens veel

slechter was dan de gewoonte der hollandsche vervalschings-industrie

meebrengt--jazelfs al had-i grond gevonden tot het maken van

gewichtiger aanmerkingen... meent men dat ridder Wouter dame Laps

zou hebben geschandvlekt? Nooit... "by m'n zwaard!"

De menschkunde van juffrouw Laps ging niet ver genoeg om dit intezien,

of althans om hierop zonder de minste voorzorg te vertrouwen. Voor

iemand die maar zoowat beunhaasde in menschenkennis, was 't

inderdaad al bekwaam genoeg dat ze zoo korrekt de loopgraven trok om

de belegerde vesting. Had ze inderdaad menschkunde bezeten, ze zou

geweten hebben dat ze kon stormloopen in alle gerustheid. Maar... dan

had ze tevens--door geestelyke oefening veredeld!--geen lust gevoeld in

zulke krygstochtjes en dus 't heele vestinkje met vrede gelaten. Zooals

nu de zaken stonden, sukkelde zy, zoo goed en kwaad het gaan wilde,

maar voort met de kleine middeltjes die leiden moesten naar 'n

mikroskopisch doeltje.

Wat drommel, men kan toch niet meer doen dan roeien met de riemen

die men hééft! Brave hoogstrevende lezer, wees niet boozer

op de goeie juffrouw Laps dan u past, en vooral... minacht de

wetenschappelyke laagte niet van haar taktiekje. Ik ken menigen

dokter in allerbespiegelendste wysbegeerte, die niet in-staat zou

geweest zyn het mensch voorby- of natestreven op 't zielkundig

terrein dat ze hier betrad, en dat toch, wel beschouwd, niet eens

't hare was. Want--wie zal dit begrypen?--haar scherpzinnigheid was

minder wysgeerig dan sexueel. Nooit immers zou 'n man--overigens gelyk

begaafd--uit de sobere gegevens die hààr tendienste stonden, een zóó

praktisch operatie-plan tegen Wouter hebben kunnen samenknutselen. En,

omgekeerd, zy zou minder bekwaamheid hebben aan den dag gelegd,

wanneer niet haar kinderachtig plannetjen in-verband had gestaan met

verwrongen geslachtsdrift.

Wie billyk oordeelt vindt haar strategische wendingen om te

kussen! Wouter had waarlyk behoefte aan voorlichting van 'n paar

gepensioneerde generaals, om uittemaken of er tegen zùlken vyand

verdediging mogelyk was?

En... Fancy? Wendde ze treurig 't hoofd af? Meesmuilde zy? Begon ze

te schreien? Brak zy in jammerklacht uit?

Teekent haar de artist--die m'n werken illustreeren... zou, als ik

't geluk had geen Hollander te zyn--wordt ze hier door den schilder

voorgesteld in gebogen houding, handenwringend?

Vlucht ze heen?

Wat toch doet hier onze Fancy?

Komaan, artisten--die m'n werken niet illustreert, omdat ik maar

'n Hollander ben, in-plaats van 'n zevende-klas buitenlandsche

beroemdheid!--komaan, ik zal u helpen. Weg met die tranen op Fancy's

wangen...

Een geest weent niet om zoo weinig...

Weg met die geknakte gestalte...

Geesten bukken niet onder zoo geringen last!

Ze weende niet, en boog niet, en vluchtte niet. Ze deed niets van

dit alles!

Kalm en ernstig--'n glimlach misstond er niet by!--zette zy haar

kans-verevening aan den arbeid. Geschiedde daar op die bovenkamer

iets te véél... welnu, er zou méér geschieden, elders of hier!

Aventuur op aventuur, storm op storm, spanning op spanning...

Halt! roepen wy menschjes by zulke gelegenheid. We vreezen dat de

natuur der dingen, die slechts in feiten spreken kan, taal zal te-kort

komen omdat haar feiten òpraken.

Aventuur op aventuur! Is 't u te veel? Ei, ziedaar... 'n nieuwen schok!

Spanning op spanning? Te sterk, meent ge? Welaan... dàn 'n nieuwen

takel aan de koord geslagen... ze kan méér dragen, méér heffen,

en knappen zal ze niet!

Storm op storm! Te hevig, meent ge? De sterke Fancy geneest uw angst

met 'n orkaan!

En ze glimlacht!

Want, ziet ge... gy, A, zy is niet A! Want, ziet ge, B... zy is niet

B! En ook C is ze niet! En D niet! En de rest niet!

Zy is Fancy, de groote, de ryke, de machtige, de majestueuze.

Zy is de Natuur, die alles in voorraad heeft, en ryker wordt, al

gevende. Zy is er geen tiphon armer om, al heeft ze gister nieuwe

vastlanden opgestormd uit den oceaan, al heeft ze zooeven met den

adem van haar mond melkwegen gezuiverd van nevelvlekken.

De lezer begrypt dus dat en waarom ze zich niet zeer angstig toonde

voor 't gelukken der menschenkennige kunstjes van juffrouw Laps. En

ik verzoek hem uit-bestwil, z'n deel te nemen van die kalmte.

Neen, dit begrypen sommige lezers nog altyd niet. Dus meer daarvan!

Wie verzekert ons dat Fancy die kunstjes vreezen zou, ook al was

't slagen zéker?

Voorwaar, voorwaar, daar is steviger bodem voor 't goede dan de

verleidbaarheid van 'n halfwassen jongeling, al zy het dan dat de

zoetigheid van Fockink's likeurtjes, en de nog zoeter drang van

gekittelde ydelheid mee-oprukken als bondgenooten van het booze!

Ook zelfs by zekerheid van den aanstaanden "val"--och, arm!--blyft

het misschien de vraag, of 't Fancy de moeite waard wezen zou de

wapens aantegorden in 'n stryd van zoo weinig belang? Dat... "booze"

was maar ordinair.

Wanneer ze 't doet, geschiedt het waarschynlyk uit luim

alleen. Want... luimig is ze. Luimig als 't spel, als 't weder,

als de wereldgeschiedenis, als alles wat òns luimig toeschynt omdat

ze dom zyn, beginnertjes maar in de moeielyke studie van 't rerum

cognoscere causas! [1]

En àls nu eens onze Fancy--uit zoogenaamden luim dan!--mocht blyven

versmaden 't belaagd jongetje by-tyds de hand te reiken, àls...

Juffrouw Laps was 'n slecht wyf. O, zeker! Maar, geloof me,

lezer, het doelwitje van haar begeerte beteekende veel minder dan

volgens boeken-traditie geloofd wordt. De schuld dezer dwaling

ligt aan de vermeende eischen van 't boekmakers-ambacht. Sedert

onheugelyke tyden gebruiken de heeren van 't métier, dergelyke

zaakjes als hoofd-katastroof. 't Afgezaagd: "en ze viel!" is de

lievelings-kataklysme tot opbeurende kitteling van arme lezende zielen.

Ze, ja, ze! Want in-verband met de duurte der voedingsmiddelen, en de

daaruit voortspruitende behoefte aan 'n "fatsoenlyk huwelyk"--ik erken

volmondig die behoefte, doch alleen: "omdat uwe harten boos zyn"--is

't vallend voorwerp gewoonlyk 'n stumperige "zy."

Welnu, die "zy" begaat 'n fout als ze valt. Men moet niet vallen. Al

vinden de lezers--die de zaak hardschreeuwend afkeuren!--zoo'n "val"

allerplezierigst, en 't onmisbaar element in 'n "mooi" boek: men moet

niet vallen!

En wanneer by uitzondering de valler 'n "hy" is ...

Minder pikant, omdat de maatschappelyke pozitie daardoor niet aan 't

wankelen wordt gebracht. Wouter, byv. zou geen haarbreed ongeschikter

voor den "handel" geworden zyn wanneer-i z'n jasje had uitgetrokken,

en z'n... vestjen er by!

... als er 'n "hy" valt...

Wèl, dan heeft-i 'n fout begaan, 'n Mensch moet niet vallen. Hy heeft

beter dingen te doen.

Doch--"hy" of "zy" dan--leugen is 't, zulke nietigheidjes voortestellen

als uitgangspunten van wel-gekonditionneerde verdoemenis!

Dààrtegen protesteeren Jezus en ik.

Neen, heeren predikers van kakangélien, zóó makkelyk komt men niet in

de hel! Zóó ligt is de taak van den Satan niet! Dat mocht-i willen,

de oude stumpert!

Leugenachtig dus is die triumfelyke voorstelling van 't kwade. Zoo

overdryven kwakzalvers 't gevaar van 'n lichte ongesteldheid, om hun

poeiertjes aan-den-man te brengen.

En leugen is 't ook uit 'n aesthetisch oogpunt, als men van zulke

armzalige gegeventjes alleen, 't zedelyk schoon of de leelykheid

eener figuur wil laten afhangen.

Byna zou ik lust gevoelen, juffrouw Laps 'n handje te helpen in

haar plannetjes--'t staat aan my!--om te doen in 't oog springen

dat m'n heldje, zóó gevallen, nog altyd redelyk wel tot stáán kan

worden gebracht. Maar ik heb 't recht niet, m'n Fancy vóórtegrypen,

die wel weten zal wat er te doen is. En hierop reken ik dan ook,

dat zy me wel gelegenheid verschaffen zal ter-zyner-tyd aantetoonen

dat zulke valgeschiedenissen...

Met... dàt, kan men goed zyn, of goed worden.

En velen zyn afschuwelyk, zònder... dat!

Vlek is vlek, bezoedeling is bezoedeling: geen genade voor de minste

afwyking van de wetten der zedelyke logika...

Zóó immers wordt "deugd" by denkers genoemd?

Maar die zedelyke logika zou verkracht worden door de ongerymde

machtsverheffing van 'n zweertje tot kanker.

't Is lasteren van de deugd, haar by-uitsluiting te zoeken in 't

vermyden van zulke mis... greepjes.

En we doen aan de ondeugd te veel eer, als we haar vervloeken pour

si peu!

Goddank, er zyn--'t geringe niet minachtend--verhevener dingen

te bejagen!

Goddank, er zyn--zonder de minste vergoelyking van

pekelzondjes--vreeselyker zaken te vermyden!

De te grypen eerekroon in 't strydperk der Mensheid, hangt hóóger. En

wel is 't jammer dat zooveel mislukte gladiatoren krom groeiden door

de opgedrongen hebbelykheid om steeds te bukken naar den lagen prys

dien ze deelen met 'n eunuuk.

Excelsior, heeren schryvers en lezers en deugdwetgevers en

onthoudingpreekers, en verdere gladiatoren in miniatuur!

Komaan, moralisten, al hàd nu eens onze Fancy geslapen dien nacht,

of al wàre ze 's morgens ontmoedigd weggeklept naar 't hof van

Wouter's moeder, om daar de treurmare te brengen dat prins Upsilon

gestruikeld was...

Zou ze niet met 'n strenge vermaning zyn teruggezonden naar 't

zoo ontydig verlaten strydperk? Liep ze niet gevaar--zyzelf nu, de

wachtster!--veranderd te worden in 'n zandkorrel, wegens al te grove

miskenning van haar plicht?

Er hoorde moed toe--krankzinnigheid liever!--dáár aantekomen met

de boodschap:

Scheur u het starrengewaad, o gy arme gebiedster der geesten:

't Hemelsche Ryk heeft 'n eind ... maak voor uw meerdere plaats!

Laps sloeg ons prinsje te-pletter, my, u, ons allen, godbetert,

Met 'n compositum mixtum. [2] van vleipraat en Fockink's likeur!

Wat de geesten zouden gelachen hebben!

Wanneer Fancy aldus gesproken had, zou zy inderdaad één element

van bederf dat den vyand ten-dienste stond, hebben overgeslagen. De

fleemery met het verrassend jonkmanschap miste niet allen grond. Wouter

was inderdaad opweg om 'n jonkman te worden. Misschien wàs-i 't

al. Wie hem dit kwalyk neemt, moet ook afkeuren dat z'n bovenlip

begon te roepen om... den barbier wel niet, maar om de schaar toch.

--Zoodat ik maar zeggen wil, dat je nooit die steeg moet passeeren. Als

je-n-'n kind was, zou 't geen kwaad kunnen, want 'n kind heeft geen

erg. Maar jy!

Zeker, hy moest "erg" hebben! En z'n jeugdig kneveltje was er volstrekt

niet tegen om "erg" te krygen. "Al wat van zelven wast, behoeft men

niet te zaaien!" zei Kamphuizen. Onze hovenierster liet het daarop

niet aankomen, en zaaide zoo hard ze kon. Zelfs was ze niet afkeerig

van 't begieten.

--Laat my je nu reis inschenken...

Wouter dronk.

En ... Fancy?

Ze glimlachte!

Allerlichtzinnigst voor 'n hofdame uit het gebied der geesten?

Toch niet!

--Hoe vind je nu dàt likeurtje?

Wouter erkende...

Fancy, Fancy!

Wouter erkende dat-i smaak vond in de parfait-amour uit de steeg

die-n-i niet passeeren mocht omdat-i te groot geworden was om zich

welstaanshalve te onthouden van "erg".

En 't winkelmeisje van Satan schonk hem nog eens in. De glaasjes waren

zoo klein, zei ze, ware notendoppen! Nu ja... doppen van zeer groote

noten dan.

--En, je moest er wat by eten ook, m'n allerbeste jongen--gut, ik

heb altyd zooveel van je gehouden--dat 's zoo gezond by 'n likeurtje!

God-vergeef-'m-de-zonde, Wouter begon te eten ook! Nog 'n oogenblik,

en hy zal zich thuis voelen, àl te thuis!

Fancy, ben je blind?

--En trek jy gerust je jasjen uit, m'n lieveling! Je moet denken,

we zyn hier onder ons beidjes.

Een koninkryk voor 'n nieuwen vloek, o goden: onze Wouter trok

waarachtig z'n jasjen uit!

Fancy!

--Heelemaal met ons beidjes, zieje!

Fancy, ben je doof?

--En ik heb lust, dicht naast je te zitten, omdat je zoo'n lieve

beste jongen bent...

Fancy... deern!

Wouter schikte by.

Wie dáár niet wanhoopt, moet geen hoop te verliezen hebben!

Och neen!

Ik zeg juist andersom: wie dáár wanhoopt, had nooit behoorlyken grond

voor z'n hoop!

"Maar, eilieve... dat is de ware echte oude: zal-i,

zal-i-niet-litteratuur!"

Ja, lezer! In stipt-letterlyken zin, ja! Maar overigens?

Meent ge dat ik Wouter in den hemel helpen kan, zonder hem te leiden

langs àlle paden die men moet doorworstelen om daar aantelanden?

Dacht ge dat hy ooit den rang die hem by geboorterecht toekomt, weder

zou kunnen innemen zonder in 't leger der Menschheid als rekruut te

hebben dienst gedaan van de patroontasch af?

Mocht iemand, in-weerwil hiervan, aanmerking maken op Fancy's leiding,

dan ligt de schuld aan hem. Het lage bestààt. Wie 't loochent,

liegt even misdadig als de miskenner van 't hoogere, van 't goede,

want zonder laagheid is er geen hoogte denkbaar.

Niet in de schildering van dat lage ligt de fout, de fout ligt in

't sierlyk aankleeden van 't gemeene, en vooral in 't belangryk maken

van onnoozele lapsische platheid.

Hoort ge nog altyd niet, hoe Fancy schatert van lachen over 't

veldtochtje van haar stumperige vyandin?

De nietigheid van zulke zaakjes rechtvaardigt zoo'n wyf niet. En ook

onze kleine man liep gevaar... schuldiger te worden dan geoorloofd was,

zelfs aan de nuchterheid van 'n kind.

Want ieder moet geoordeeld worden naar den maatstaf dien-i omdraagt

in z'n eigen gemoed, en Wouter voelde heel goed dat-i zich bevond

op... onfatsoenlyk terrein. Zóó ongeveer zoud-i de zaak gekwalificeerd

hebben, als-i genoopt ware geworden z'n indruk te vertolken in

'n woord.

Maar... dit zeer betrekkelyk schuldbesef verheft de zaak, als zoodanig,

niet tot 'n wereldberoerende kalamiteit, tot 'n casus diluvii! Och, wat

zouden we weinig droge jaren hebben als er 'n god was die regenplassend

toornde over zùlke ... kostschooljongensvergrypen!

De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 2 Uit de 'ideen' verzameld · 第 10 / 19 题