Er waren nog meer dingen in Holland byzonder goed, gelyk met
neerbuigende vriendelykheid door al die hoogheden werd erkend.
--Il paraît qu'un certain Wondèle a écrit des choses, des
choses... mais des choses... passablement bien!
En de dyken! De Katwyksche sluis...
Lezer, géén kronologie, wat ik u bidden mag!
...die sluis: gigantesque! De hollandsche natie houdt zich in
de snipperuren die 'r overblyven na 't haringkaken en kaasmaken,
by-voorkeur bezig met het breidelen van elementen. Dit was met
schaatsryden en harddraven 't meest geliefd--geliefkoosd, zeiden
de kranten--volksvermaak.
Nu reeds kan ik den lezer verzekeren dat het voorname gezelschap met
minzame tevredenheid ons land weder verlaten heeft.
De eenige persoon die 'n gansch anderen--doch daarom geenszins
tegenovergestelden--indruk meenam... neen, zóó ver mag ik m'n Wouter
niet vooruitspringen. Ook 'n schryver heeft z'n plichten.
Den eersten avend zou er geïllumineerd worden. Tweehonderd
vyftig duizend vetvlammen zouden de geestdrift van het Volk
verkondigen. Geestdrift, voor wàt eigenlyk? Tweehonderd vyftig duizend
vurige tongen zouden roepen: hosiannah! Gezegend wie komt in den
naam... in den naam van wàt eigenlyk? Hosiannah voor wien, voor wàt?
Nu, dit is 'n Volk onverschillig. Er was praal, pracht en pronk. Er
was drukte. 't Volk heeft iets van kinderen die zich verheugen in
'n verhuisboel, in 'n sterfgeval, in 'n brand, in alles wat hurry en
bereddering veroorzaakt.
Wouter had verlof bekomen de illuminatie te gaan zien. Hy getroostte
zich het domme gezicht te zetten, dat by zulke gelegenheden gebruikelyk
is, en hoorde de praatjes van de menschen die hem omstuwden, zonder
acht te slaan op de leegte van die praatjes.
--Nou, dat 's me 'n ook 'n ulleminatie! Negen pitjes voor zoo'n
groot huis!
--Twaalf! riep 'n ander.
--Né, negen!
--Twaalf!
--Negen!
--Drie... drie... drie, en... kyk dáár: drie! Dat's twaalf, of ik heb
't mis!
--Né, die drie hooren er niet by. Dat's van de verdieping, weetje? Want
de verdieping is verhuurd. Dat wéét ik.
--O, als je zóó meent! Ik wil maar zeggen dat viermaal drie, twaalf
is. Wat zeg jij, Hannes?
Hannes vond het ook. Enz.
--Tot hoe lang zouden die pitjes branden?
--Wel tot... één uur.
--Dat geloof ik niet.
--Ik wel!
--Ik niet! Enz.
--Heb je-n-al gekeken op de Sukkelgracht?
--Och, 't is er niet mooi.
--Nou, mooier als hier!
--Ja.
--Neen. Enz.
--Zeg, dring zoo niet!
--Ik kan 't niet helpen. Ze dringen my ook.
--De menschen lyken wel mal. Altyd dringen ze zoo.
--Ja, niet waar? Altyd dringen ze. Weet je wat ik zeg? Ik zeg dat de
kalverstraat eens zoo breed wezen moest.
--Ja, eens zoo breed. Want... weetje, wat het is? Hy is te smal. Dat
is het!
--Ja, hy is te smal.
--En daarom dringen de menschen zoo, weetje! Enz.
Wouter's eigen rykdom was hem te onbewust dan dat hy zich kon ergeren
aan de walgelyke armoed van geest, die by zulke gelegenheden zich alom
vertoont. De tyd was nog niet aangebroken dat-i rilde by 't áánzien
van geestelyke naaktheid. Hoogstens zoud-i bedroefd geweest zyn als
z'n blik gerust had op slechtgevoede lichamen, op 'n bedelfamilie in
lompen gekleed.
Heel veel moralisten, romanschryvers en vooral staathuishoudkundigen,
zyn heden-ten-dage nog niet veel verder dan onze kleine jongen in den
tyd der vetpitjes. Zou misschien hiervan de oorzaak zyn dat stoffelyke
armoed zich makkelyker laat schilderen? En... genezen?
Zulke gesprekken zyn toch zoo diepzinnig niet. Ieder kan ze
schryven. Ieder lezer kan ze vermeerderen tot het oneindige toe. Aan
modellen van geestelyke nietigheid is waarlyk geen gebrek.
Inderdaad, de kalverstraat was wat smal, en... "de menschen drongen
zoo!"
Wouter werd meegedrongen, en voelde iets als schaamte. Zeker! Was-i
niet: "massa" op dit oogenblik? Dat-i stompen en stooten kreeg,
hinderde hem minder. Kleinzeerig was-i niet.