Voornaam bezoek. Koningen en oliekoeken. De gesprekken van de
"massa." Catapultische inspatting van de "massa." Où peut-on être
mieux? Zweven en vallen. Helaas! De auteur is beschaamd over z'n
held, en bevreesd dat dit wel 'ns meer zal gebeuren.
Gedurende den loop der week die Wouters tweede plaatsing "in den
handel" vooraf ging, werd-i door 'n drie- viertal ontmoetingen zoo
vreemd heen-en-weer geslingerd, dat-i zich byna suf voelde, en veel
moeite had om z'n hoofdje heel te houden.
En z'n hart ook!
't Was donderdag. Stoffel kwam thuis met 'n belangryk bericht. De
Koning--ik weet weer niet welke koning--was onverwachts in stad
gekomen, en zou den volgenden avend of 'n dag later den Schouwburg
bezoeken. Alles was in rep en roer, want in republikeinsche landen
hecht men veel waarde aan titels, pronk en geboorte.
Meer nog dan naar gewoonte was de nieuwsgierigheid des Volks
ditmaal gespannen, omdat veel buitenlandsche vorsten--waaronder
zelfs 'n Keizer--Z.M. waren komen bezoeken. En van uit z'n
residentie--Utrecht? 's-Gravenhage? Haarlem?--zouden die aanzienlyke
vreemdelingen 't Hof naar Amsterdam volgen. 't Was dus deze keer
'n praal mit Umstände, met 'n sleep.
Het republikeinsche Volk zou niet alleen 't aangezicht te zien
krygen--of 'n slip van den rok--des tirans, maar tevens aangezichten
en rokspanden van veel andere tirannen, om nu niet te spreken van
tiranninnen.
De vrouwtjes die gewoon waren oliekoeken te verkoopen op den dam--'n
pleintje dat de stedelyke regeering zich veroorloofde te verhuren
als markt--dreigden de stad met 'n proces.
't Was dan ook zeer hard, dag-in dag-uit huurgeld voor plaatsen
open-luchtgebruik te betalen voor de kans om 'n paar oliekoeken te
slyten aan de straatjeugd, en nu op-eens verjaagd te worden omdat
Z. M. zich aan "het Volk" zou vertoonen op 't balkon van het gewezen
stadhuis.
Mocht hy die vrouwtjes niet zien? Moest de oliekoek-industrie 'n
geheim blyven? Vreesde men voor namaak, voor onvorstelyke konkurrentie?
Of mochten die olievrouwtjes en haar koeken den Koning niet zien? Was
ook hy misschien bevreesd voor onedel nabaksel van z'n majesteit? Dit
zouden noch de vrouwtjes noch de oliebollen gedaan hebben.
Hoe dit zy, de kraampjes werden weggeruimd, en de verjaagde
industrieelen behielden alleen het recht zich privatim onder de
menigte te dringen, die straks roepen zou: "leve... dit of dat!" naar
den eisch van 't oogenblik. Ze mochten meeschreeuwen ook.
't Is eigenlyk heel vreemd dat vorsten sterven. Al die vivat's schynen
niets uittewerken.
De drukte in de stad was ditmaal ongewoon groot, door en om al de
vreemde Hoog- en Doorluchtigheden die den tiran by deze gelegenheid
vergezelden.
Daar was--naar men uit de couranten vernam--de prins van Caramanie,
die aanspraak had op de byzondere sympathie des Volks, wyl men
had uitgerekend dat een van z'n voorouders kapitein was geweest
in Staatschen dienst, en dus... z'n bloed had vergoten voor de
Nederlandsche vryheid.
Dit bloed--en misschien ook de vryheid--was 'n krantenverzinsel. Maar
dat onze prins 'n groenen rok droeg met dikke gouden nestels, was
waar. En op z'n hoofd had-i 'n byzonder grooten steek. Men kon dus
by de eerste gelegenheid zeer gevoegelyk roepen:
Leve de prins van Caramanie!
Onder de hooggeboren persoonlykheden bevond zich ook zekere Hertog
die uit z'n land was gejaagd wegens z'n deugden. De man was spaarzaam
en huishoudelyk. Nooit had-i zichzelf te-kort gedaan. Toch was-i door
't dom gepeupel onttroond, en met 'n schepel diamanten over de grenzen
gezet. Van deze diamanten zoud-i nu in Amsterdam 'n paar dozyn laten
zien, en wel in hoedanigheid van roksknoopen en rottingknoppen. De
couranten vermaanden dus 't Volk tot den allerwelstgemeenden roep:
Leve de Hertog met z'n diamanten!
Prinses Erika was 'n nicht van den Koning, en bestemd voor den
troonopvolger van 'n groot Ryk dat te Zaandam timmeren geleerd, en dus
aan Nederland z'n carriere te danken had. Dat Ryk zou de Nederlandsche
staatsschuld betalen--zoo verzekerden eenstemmig de kranten--als men
nu maar braaf schreeuwde:
Leve prinses Erika!
De oude Paltsgravin van Aetolie stamde rechtstreeks af van zekeren
ridder die z'n stalknechts liet bedienen door Lusignans. De couranten
betoogden dat het den waren republikein paste, in dit byzonder geval
bewys te geven van heraldische ontwikkeling, door met byzonderen
nadruk aantedringen op de levensverlenging van die hoogheid. Men
moest dus roepen:
Leve de Paltsgravin van Aetolie!
De Groothertog van Ysland was de welgeslaagde kleinzoon
van 'n kroeghouder. Z'n verdiensten waren drie krantkolommen
lang... brevier-letter, en nauw gezet. 't Volk moest dus even nauwgezet
wezen in 't waardeeren. De man was meester op kling en bâton, en kon
zelfs--met 'n beetje inspanning, nu ja--hy kon z'n naam zetten. Langs
'n oceaan van afgronden--zoo zei de krant--had-i zich vervolmaakt
tot zwager van 'n halfgod. Ook was-i gewoon zich te kleeden als 'n
koorddanser. Wie dus 't belang des Vaderlands op 't onbesmet harte
droeg--zoo zei de krant--kon niet laten uit zeer onbeklemde borst
meeteschreeuwen:
Leve de Groothertog van Ysland!
Er waren nog meer potentaten en potentaatgenooten die Amsterdam
vereerden met 'n bezoek. Ze hadden gehoord dat die stad eigenlyk:
"la Venise du Nord" heette, en... interessant was, zeer interessant!
En de hollandsche haring! Delicieus! Maar... de Hollanders weten er
niet mee omtegaan: ze moet gebakken zyn.