Spanje is een van de landen waarin zich nog in grooten getale die
nomaden ophouden, die over geheel Europa verspreid zijn, en bekend
onder de namen _Bohémiens_, _Gitanos_, _Gypsies_, _Zigeuner_, enz.
De meeste hunner wonen, of liever leiden een zwervend leven in de
zuidelijke en oostelijke provincies, in Andalusië, Estramadura (in het
koninkrijk Murcia); velen zijn er in Catalonië. Deze laatsten komen
vaak naar Frankrijk. Men ontmoet hen op al onze kermissen in het
Zuiden. Gewoonlijk schacheren de mannen in paarden, dokteren zij het
vee en scheren zij de muilezels, zij krammen ook pannen en koperwerk,
om niet te spreken van smokkelen en andere ongeoorloofde praktijken.
De vrouwen zijn waarzegsters, bedelen en verkoopen allerlei
onschadelijke (of schadelijke) geneesmiddelen.
De physieke kenmerken der Zigeuners zijn gemakkelijker te
onderscheiden dan te beschrijven en wanneer men er éen heeft gezien
zou men onder duizend een individu van dat ras herkennen. Het gelaat,
de uitdrukking vooral scheidt hen van de volken die hetzelfde land
bewonen. Van daar de naam _Calé_, de zwarten, waarmede zij zichzelf
dikwijls aanduiden[52]. Hun merkbaar schuine, groote, zeer donkere
oogen zijn beschaduwd door lange en dikke oogharen. Hun blik laat
zich alleen vergelijken met die van een wild dier. Men leest er
tegelijkertijd stoutheid en beschroomdheid in en wat dat aangaat
verraden hun oogen vrijwel het karakter van het volk, slim,
stoutmoedig, maar _bang uit den aard der zaak voor slagen_, evenals
Panurge[53]. De mannen zijn over het algemeen flink uit de kluiten
gegroeid, slank en vlug; ik geloof niet dat ik er ooit een heb gezien
die zwaarlijvig was. In Duitschland zijn de vrouwen vaak heel schoon,
onder de Gitanas van Spanje is schoonheid uiterst zeldzaam. Als zij
heel jong zijn kunnen zij doorgaan voor aardige leelijkerds; maar als
ze eenmaal moeder zijn, worden zij afzichtelijk. Beide seksen zijn
ongelooflijk vuil en wie de haren van een Zigeuner-matrone niet heeft
gezien, kan zich moeilijk een denkbeeld daarvan maken, zelfs als hij
zich die nog zoo ruw, smerig en stoffig voorstelt. In sommige groote
steden van Andalusië besteden jonge meisjes, die er wat aardiger
uitzien dan de anderen, meer zorg aan hun uiterlijk. Zij laten zich
voor geld in dansen zien, die veel lijken op die welke bij ons op de
publieke bals van het carnaval verboden worden. De Engelsche zendeling
Borrow, schrijver van twee zeer interessante boeken over de Spaansche
Zigeuners, die hij had ondernomen te bekeeren op kosten van het
Bijbelgenootschap, verzekert dat het nooit voorkomt dat een Gitana
zich geeft aan een man die vreemd is aan haar ras. Het komt mij voor
dat er veel overdrijving is in den lof dien hij haar toezwaait om haar
kuischheid. In de eerste plaats verkeeren de meesten in het geval
van de leelijkerds van Ovidius: _casta quam nemo rogavit_[54]. Wat
de mooie onder haar aangaat, zij zijn zooals alle Spaansche vrouwen,
lastig in de keus van haar minnaars. Men moet haar behagen, verdienen.
De heer Borrow voert als staaltje van haar deugd een feit aan, dat
voor de zijne pleit, vooral voor zijn naïeveteit. Een onzedelijke
kennis van hem, zoo vertelt hij, bood een mooie Gitana te vergeefs
eenige onsen goud aan. Een Andalusiër, wien ik deze anecdote
overbracht, beweerde dat de man meer succes zou hebben gehad wanneer
hij eenige piasters had laten zien en dat aan een Zigeunerin
goudstukken aanbieden een even slecht middel van overreding was als
een paar millioen beloven aan een meid uit een herberg.--Hoe dit zij,
het staat vast dat de Gitanas voor haar mannen een buitengewone
toewijding aan den dag leggen. Er is geen gevaar of ellende die zij
niet trotseeren om hen in hun nood bij te staan. Een der namen, die de
Zigeuners zich geven, _romé_ (echtgenooten), getuigt, dunkt mij, van
den eerbied van het ras voor den gehuwden staat. In het algemeen kan
men zeggen dat hun hoofddeugd vaderlandsliefde is, indien men aldus
noemen kan hun trouw in de betrekkingen met individuen van dezelfde
afkomst, hun bereidvaardigheid elkander te helpen, de onverbreekbare
geheimhouding die zij elkander bewaren in compromitteerende zaken.
Trouwens men merkt iets dergelijks op bij alle geheimzinnige
vereenigingen die buiten de wet staan.
Eenige maanden geleden bezocht ik een Zigeunerbende in de Vogezen. In
de tent van een oude vrouw, de oudste van haar stam, was een Zigeuner,
die niet tot haar familie behoorde, door een doodelijke ziekte
aangetast. Deze man had een hospitaal, waar hij goed werd verzorgd,
verlaten, om te midden van zijn landgenooten te sterven. Reeds dertien
weken was hij bedlegerig en hij werd veel beter behandeld dan de zonen
en schoonzonen van hetzelfde gezin. Hij had een goed bed van stroo en
mos met vrij zindelijke lakens, terwijl de overigen, ten getale van
elf, sliepen op planken van drie voet lengte. Dit wat betreft hun
gastvrijheid. Dezelfde oude, die zoo goed was voor haar gast, zeide
mij in tegenwoordigheid van den zieke: _Singo, singo, homte hi mulo_:
weldra, weldra, moet hij sterven. Trouwens, die menschen hebben zulk
een ellendig leven, dat de dood niets schrikwekkends voor hen heeft.
Een merkwaardige karaktertrek van de Zigeuners is hun
onverschilligheid in godsdienstige zaken. Niet dat zij vrijdenkers of
sceptisch zijn. Nooit hebben zij zich voor godloochenaars uitgegeven.
Integendeel: zij hebben den godsdienst van het land dat zij bewonen,
maar met de verandering van land nemen zij ook een anderen godsdienst
aan. Ook de bijgeloovigheden die bij ruwe volken in de plaats komen
van godsdienstige gevoelens zijn hun vreemd. Hoe zouden ook menschen
bijgeloovig kunnen zijn, die meestal leven van de lichtgeloovigheid
van anderen. Toch heb ik bij de Spaansche Zigeuners een eigenaardigen
afschuw opgemerkt voor de aanraking van een lijk. Weinigen zouden voor
geld een doode naar het kerkhof willen brengen.
Ik zeide dat de meeste Zigeunerinnen aan waarzeggen doen. Zij
doen dat zeer goed. Maar winstgevend is voor hen vooral de verkoop
van toovermiddelen en minnedranken. Niet alleen bewaren zij pooten
van padden om onbestendige harten vast te houden, of poeder van
zeilsteen om bij onverschilligen liefde te wekken; zij doen, zoo
noodig, machtige bezweringen om den duivel te dwingen haar hulp te
verleenen. Verleden jaar vertelde een Spaansche dame mij de volgende
geschiedenis. Zij ging op zekeren dag door de Alcala-straat, zeer
treurig en in gedachten. Een Zigeunerin, op het voetpad neergehurkt,
riep haar toe: Schoone dame, uw minnaar heeft u bedrogen.--Het was de
waarheid.--Zal ik hem weer tot u doen terugkeeren? Men begrijpt met
welke vreugde het voorstel werd aangenomen en welk vertrouwen iemand
moest inboezemen, die aldus met éen oogopslag hartsgeheimen raadde.
Daar het onmogelijk zou zijn geweest bezweringen te doen in de
drukste straat van Madrid, werd er voor den volgenden dag een
afspraak gemaakt.--Niets is gemakkelijker dan den ontrouwe weer aan
uw voeten te brengen, zeide de gitana. Heeft u bij geval een zakdoek,
een sjerp, een mantille, die hij u gaf?--De dame gaf haar een zijden
halsdoekje.--Naai nu met roode zijde een piaster in een hoek van het
doekje. In een anderen hoek een halven piaster; hier een piécette,
daar een stuk van twee realen. Nu in het midden een goudstuk; het
bestzou zijn een dubloen.--De dubloen en de rest worden in het doekje
genaaid.--Geef mij nu het doekje, ik zal het klokslag van middernacht
naar het Campo Santo brengen. Gaat u met mij mee, als u mooi wilt zien
heksen. Ik beloof u dat u al morgen den ontrouwe zult weerzien.--De
Zigeunerin ging alleen naar het Campo Santo, want de dame was te bang
voor heksen om haar te vergezellen. Ik laat het aan u over te raden
of de arme verlaten minnares haar halsdoekje en haar ontrouwe heeft
teruggezien.
Ondanks hun armoede en een zekeren weerzin dien zij inboezemen,
staan de Zigeuners bij de weinig ontwikkelde menschen een beetje
in aanzien en zij zijn daar zeer trotsch op. Zij gevoelen zich de
meerderen in verstand en verachten innig het volk dat hun gastvrijheid
verleent.--De Vreemdelingen zijn zoo dom, zeide mij een Zigeunerin uit
de Vogezen, dat er heelemaal geen verdienste in steekt hen beet te
nemen. Onlangs werd ik op straat door een boerin aangeroepen. Ik treed
haar woning binnen. Haar kachel rookte en zij vroeg mij een bezwering
om die te doen trekken. Ik begin met mij eerst een goed stuk spek te
laten geven. Daarna prevel ik eenige woorden in _rommani_. Je bent
dom, zeide ik, je bent dom geboren, dom zul je sterven.... Toen
ik dicht bij de deur was, zeide ik in goed Duitsch tot haar: Het
onfeilbaar middel om te voorkomen dat je kachel rookt, is die niet
aan te maken. En ik zette het op een loopen.
De geschiedenis der Zigeuners is nog een vraagstuk. Men weet wel is
waar dat hun eerste, zeer weinig talrijke benden zich in het oosten
van Europa vertoonden tegen het begin van de vijftiende eeuw; maar
men kan niet zeggen waar ze vandaan komen, of waarom zij naar Europa
kwamen, en, wat merkwaardiger is, men weet niet hoe zij zich in korten
tijd zoo verbazend vermenigvuldigd hebben in verschillende, ver van
elkander verwijderde staten. De Zigeuners zelf hebben geen tradities
bewaard over hun oorsprong en zoo de meesten onder elkaar van Egypte
spreken als van hun primitief vaderland, dan is het omdat zij een zeer
lang geleden over hun verspreid verhaal hebben aanvaard.
De meeste orientalisten die de taal der Zigeuners hebben bestudeerd,
houden het er voor dat zij uit Indië afkomstig zijn. Inderdaad
schijnen een groot aantal stammen en vele grammaticale vormen van
het _rommani_ te worden teruggevonden in talen, afgeleid van het
Sanskriet. Men begrijpt dat de Zigeuners op hun lange zwerftochten
vele vreemde woorden hebben overgenomen. In alle dialecten van het
_rommani_ vindt men een aantal Grieksche woorden: bijv.: _cocal_,
been, van [Grieks: kokkalon]; _petalli_, hoefijzer van [Grieks:
petalon]; _cafi_, spijker, van [Grieks: karphi], etc. Thans hebben de
Zigeuners bijna evenveel verschillende dialecten als er benden van hun
ras gescheiden van elkander bestaan. Overal spreken zij de taal van
het land dat zij bewonen gemakkelijker dan hun eigen, waarvan zij zich
slechts bedienen om zich in het bijzijn van vreemdelingen vrij met
elkaar te kunnen onderhouden. Vergelijkt men het dialect der Zigeuners
in Duitschland met dat van de Spaansche Zigeuners, sedert eeuwen
niet met elkaar in verbinding, dan vindt men een zeer groot aantal
gemeenschappelijke woorden; maar de oorspronkelijke taal is overal,
hoewel in verschillende mate, aanmerkelijk gewijzigd door de aanraking
met meer ontwikkelde talen, waarvan deze nomaden gedwongen waren zich
te bedienen. Het Duitsch aan den eenen kant, het Spaansch aan den
andere, hebben het wezen van het _rommani_ zoodanig veranderd, dat het
voor een Zigeuner van het Zwarte Woud onmogelijk zou zijn een gesprek
te voeren met een van zijn broeders in Andalusië, hoewel zij slechts
eenige zinnen behoeven te wisselen om te begrijpen, dat beiden
een dialect spreken afgeleid van dezelfde taal. Sommige zeer veel
gebruikte woorden zijn, geloof ik, aan alle dialecten gemeen; zoo
beteekent in alle woordenboeken die ik heb kunnen vinden: _pani_
water, _manro_ brood, _mâs_ vleesch, _lon_ zout.
De telwoorden zijn bijna overal dezelfden. Het Duitsche dialect
lijktmij veel zuiverder dan het Spaansche, want het heeft een
aantalprimitieve grammaticale vormen behouden, terwijl de Gitanas
die van het Castiliaansch hebben aangenomen. Er zijn intusschen
enkele uitzonderingen die getuigen van de vroegere overeenkomst der
talen.--De verledene tijden van het Duitsche dialect worden gevormd
door _ium_ te voegen bij de gebiedende wijs, die altijd de stam van
het werkwoord is. In het Spaansche _rommani_ worden alle werkwoorden
vervoegd als de Castiliaansche werkwoorden van de eerste vervoeging.
Van de infinitief _jamar_, eten, zou men geregeld moeten maken
_jamé_, ik heb gegeten; van _lillar_, nemen, _lillé_, ik heb genomen.
Intusschen zeggen sommige oude Zigeuners bij uitzondering: _jayon_,
_lillon_. Ik ken geen andere werkwoorden die dezen antieken vorm
hebben behouden.
Nu ik aldus pronk met mijn povere kennis van het _rommani_ moet ik
enkele woorden van het Fransche argot noemen die onze dieven aan de
Zigeuners hebben ontleend. _Les Mystères de Paris_[55] hebben aan
de fatsoenlijke menschen geleerd dat _chourin_ mes beteekent. Dat
is zuiver _rommani_; _tchouri_ is een van die woorden, die allen
dialecten gemeen zijn. Meneer Vidocq noemt een paard _grès_; ook dat
is een Zigeunerwoord _gras_, _gre_, _graste_, _gris_. Dan is er nog
het woord _romamichel_ dat in Parijsch argot Zigeuner beteekent;
het is de verbastering van _rommané tchavé_, Zigeuner jongens. Maar
een woordafleiding waarop ik trotsch ben, is die van _frimousse_,
gelaat, gezicht, woord dat alle studenten gebruiken of in mijn tijd
gebruikten. Vooraf zij opgemerkt dat Oudin, in zijn merkwaardig
woordenboek, in 1640 _firlimouse_ schreef. Nu beteekent _firla_,
_fila_ in het _rommani_ gelaat, _mui_ wil hetzelfde zeggen: het is
precies het Latijnsche _os_. De combinatie _firlamui_ is onmiddellijk
begrepen door een Zigeuner-purist en ik houd die voor overeenkomstig
met den geest van zijn taal.
Dit is, dunkt mij, meer dan genoeg, om den lezers van _Carmen_ een
gunstige meening te geven van mijn studies in het _rommani_. Ik
besluit met een spreekwoord dat hier van pas is: _En retudi panda
nasti abela macha_: Tusschen gesloten lippen, kan een vlieg niet
glippen.