III.

Ik ben geboren te Elizondo, in het dal van Baztan, zoo vertelde hij.

Ik heet don José Lizarrabengoa en u kent Spanje genoeg, meneer, om uit

mijn naam dadelijk op te maken dat ik Baskiër ben en oud-christen.

Zoo ik mij _don_ noem, ik heb het recht daartoe en als ik te Elizondo

was, zou ik u mijn stamboom op perkament laten zien. Men wilde dat ik

priester zou worden en liet mij studeeren, maar ik maakte weinig

vorderingen. Ik hield te veel van het kaatsspel; dat was mijn verderf.

Wij Navarreezen vergeten alles wanneer wij aan het kaatsen zijn. Eens,

toen ik gewonnen had, zocht een jongen uit Alava twist met mij; wij

vochten met onze _maquilas_[14] en ook nu won ik het, maar dat

noodzaakte mij de streek te verlaten. Ik ontmoette dragonders en nam

dienst in het regiment van Almanza, bij de ruiterij. De mannen uit

onze bergen leeren vlug het militair beroep. Ik werd spoedig brigadier

en men beloofde mij tot wachtmeester te bevorderen, toen ik tot mijn

ongeluk de wacht kreeg bij de tabaksfabriek te Sevilla. Indien u te

Sevilla is geweest, heeft u zeker 't groote gebouw daar gezien, buiten

de wallen, bij de Guadalquivir. Ik verbeeld me nog de poort er van

te zien en het wachthuis er naast. Als zij dienst hebben spelen de

Spanjaarden kaart, of zij slapen; ik, als echte Navarrees, trachtte

altijd mij bezig te houden. Ik maakte een ketting van koperdraad, om

er mijn ruimnaald aan vast te maken. Opeens zeggen de kameraden: Daar

slaat de klok, de meisjes gaan weer aan het werk. U moet weten,

meneer, dat er wel vier- à vijf-honderd vrouwen in de fabriek werken.

Zij rollen de sigaren in een groote zaal waar geen mannen binnenkomen

zonder een vergunning van den _Vier-en-Twintig_[15], omdat zij het

zich gemakkelijk maken, de jongere vooral, als het warm is. Als de

werksters na het middagmaal naar de fabriek terugkeeren, komen tal van

jongelieden om haar te zien voorbijgaan en mooie praatjes met haar te

maken. Er zijn niet vele van die juffers die een mantille van taf

afslaan en de liefhebbers bij dit hengelen behoeven zich slechts

te bukken om te vangen. Terwijl de anderen keken, bleef ik op mijn

bank, bij de poort. Ik was nog jong toen; ik dacht altijd aan mijn

geboorteplaats en ik meende, dat er geen mooie meisjes waren zonder

blauwe jurken en vlechten die over de schouders hingen[16]. Trouwens

ik was bang voor de Andalusische meisjes; ik was nog niet op mijn

gemak met haar: ze maakten altijd grappen, spraken nooit een

verstandig woord. Ik keek dus op mijn ketting, toen ik eenige burgers

hoorde zeggen: Daar is de kleine gitana! Ik keek op en zag haar. Het

was een Vrijdag en ik zal het nooit vergeten. Ik zag die Carmen, die u

kent en bij wie ik u voor eenige maanden ontmoette.

Zij droeg een heel korten, rooden rok, waaruit wit zijden kousen met

meer dan een gat erin te voorschijn kwamen, en kleine schoentjes van

rood marokijn, vastgemaakt met vuurkleurige linten. Zij had haar

mantille losgemaakt om haar schouders te laten zien en een grooten

ruiker acacia-bloemen, die uit haar hemd stak. Zij had nog een bloem

in den hoek van den mond en liep heupwiegend als een veulen uit de

stoeterij van Cordova. In mijn land zouden de menschen het teeken des

kruises hebben gemaakt als ze een vrouw zóó gekleed zagen. Te Sevilla

richtte ieder een of ander losse aardigheid tot haar over haar

voorkomen; zij had voor ieder een antwoord, met de oogen half dicht,

de hand op de heup, onbeschaamd als een echte zigeunerin. Eerst beviel

ze mij niet en ik hervatte mijn werk; maar zij, naar den aard van

vrouwen en katten, die niet komen als men ze roept en komen als men ze

niet roept, bleef voor mij staan en sprak mij toe:

--Kameraad, zeide zij op de Andalusische manier, wil je me je ketting

geven om er de sleutels van mijn geldkist aan te hangen?

--Ik moet mijn ruimnaald er aan vastmaken, antwoordde ik.

--Je ruimnaald! riep ze lachend. Wel, wel, maakt meneer kant, dat hij

naalden noodig heeft!

Iedereen die er bij stond begon te lachen; en ik voelde dat ik een

kleur kreeg en bleef met den mond vol tanden zitten.

--Kom, mijn hart, hernam zij, maak mij zeven el zwarte kant voor een

mantille, schat die je bent!--En de bloem nemend die in haar mond

stak, wierp ze mij die met een beweging van den duim toe, vlak

tusschen de oogen. Het was alsof ik door een kogel werd getroffen,

meneer.... Ik wist niet waar mij te bergen en bleef roerloos als

een paal. Toen zij de fabriek was binnengegaan, zag ik de bloem die

tusschen mijn voeten was gevallen; ik weet niet wat mij bezielde, maar

ik raapte ze op zonder dat mijn kameraden het merkten en borg ze

voorzichtig in mijn buis. Eerste dwaasheid!

Twee of drie uur later dacht ik er nog aan, toen een portier hijgend

kwam aanloopen, met een ontsteld gelaat. Hij zeide dat er een vrouw

vermoord was in de groote sigaren-zaal en dat de wacht er heen moest.

De wachtmeester gelastte mij met twee man er heen te gaan. Ik neem

mijn mannen en ga naar de zaal. Stel u voor meneer, ik vond daar

vooreerst zoowat driehonderd vrouwen in haar hemd, allen schreeuwend,

brullend, met drukke gebaren een lawaai makend dat men 't niet zou

hebben hooren donderen. Aan den kant lag een vrouw achterover, met

bloed bedekt: op het gelaat was een × met twee messteken geteekend.

Tegenover de gewonde, die door de besten van de bende werd bijgestaan,

zie ik Carmen, die door vijf of zes kameraden werd vastgehouden. De

gewonde vrouw riep: Een priester, een priester, ik sterf! Carmen zeide

niets; zij perste de lippen op elkaar en rolde met de oogen als een

kameleon.

--Wat is er gebeurd? vroeg ik. Ik had groote moeite dat te weten te

komen, want al de vrouwen spraken tegelijk tot mij.

Naar het schijnt had de gewonde vrouw gepocht dat zij genoeg geld bij

zich had om een ezel te koopen op de markt te Triana.--Zoo, zeide

Carmen, die niet op haar mondje gevallen was, heb je dan niet genoeg

aan een bezem?--De andere, over het verwijt geraakt, misschien wel

omdat zij wist dat het bij haar niet pluis was op dat punt, antwoordde

dat zij geen verstand had van bezems, daar zij niet de eer had

zigeunerin of pleegkind van Satan te zijn, maar dat mademoiselle

Carmencita weldra kennis zou maken met haar ezel, als meneer de

corregidor haar op de wandeling zou meenemen, met twee lakeien achter

zich om de vliegen van haar af te jagen.--Nu, zeide Carmen, ik zal

drinkbakjes voor de vliegen op je gezicht maken en ik zal er een

dambord op schilderen[17].--Daarop, flap! begint ze met het mes

waarmee zij de punten der sigaren afsneed, haar St. Andries-kruisen op

het gezicht te teekenen.

Het geval was duidelijk: ik nam Carmen bij den arm:--Zusje, zeide ik

beleefd, u moet me volgen.--Zij wierp mij een blik toe alsof ze mij

herkende, maar zeide op gelaten toon:--Vooruit maar. Waar is mijn

mantille?--Zij deed die over het hoofd zoodat slechts een van haar

groote oogen te zien kwam en volgde mijn beide mannen, gedwee als

een lam. Toen wij in het wachthuis kwamen, zeide de wachtmeester dat

het een ernstig geval was en dat zij naar de gevangenis moest. Weer

was ik het, die haar moest geleiden. Ik plaatste haar tusschen twee

dragonders en liep achter haar zooals een brigadier bij zulk een

gelegenheid doen moet. Wij begaven ons naar de stad. In den beginne

bewaarde de zigeunerin het zwijgen, maar in de Slangenstraat--u

kent haar, zij verdient haar naam wel door de kronkelingen die zij

maakt--begon zij haar mantille op haar schouders te laten vallen,

om mij haar verleidelijk gezichtje te laten zien en, zich zooveel

mogelijk tot mij keerend, zeide zij:

--Waar voert u me heen, meneer de officier?

--Naar de gevangenis, arm kind, antwoordde ik zoo zacht ik kon, zooals

een goed soldaat tot een gevangene moet spreken, vooral tot een vrouw.

--Helaas, wat zal er van mij worden! Heb medelijden met mij, meneer

de officier. U is zoo jong, zoo lief!.... Toen, zachter: Laat mij

ontsnappen, zeide zij, ik zal u een stuk van de _bar lachi_ geven, dat

u door alle vrouwen zal doen beminnen.

De _bar lachi_, meneer, is de zeilsteen, waarmee men, volgens de

zigeuners, allerlei hekserijen doet, wanneer men zich er van weet te

bedienen. Laat een vrouw een glas witten wijn drinken waarin een

beetje van zulk een steen is geraspt en zij biedt niet langer

tegenstand. Ik antwoordde zoo ernstig ik kon:

--Wij zijn niet hier om malle praatjes te verkoopen; je moet naar de

gevangenis, dat is het parool en daaraan valt niets te veranderen.

Wij Baskiërs hebben een accent, dat ons gemakkelijk door de

Spanjaarden doet herkennen: daarentegen is er niet een, die al was het

maar _baï, jaona_[18] kan leeren uitspreken. Het kostte dus Carmen

niet veel moeite te raden dat ik uit de Provincies kwam. U moet weten,

meneer, dat de zigeuners, die van geen enkel land zijn en altijd

reizen, alle talen spreken, en de meesten gevoelen zich thuis in

Portugal, in Frankrijk, in de Provincies, in Catalonië, overal; zelfs

met de Mooren en Engelschen kunnen zij zich verstaanbaar maken. Carmen

kende vrij goed Baskisch.

--_Laguna ene bihotsarena_, kameraad van mijn hart, zeide zij opeens,

zijt ge van het land?

Onze taal is zoo mooi, meneer, dat als we die in den vreemde hooren,

wij er van opspringen....

»Ik zou een biechtvader uit de Provincies willen hebben«, liet de

bandiet er zachter op volgen.

--Ik ben van Elizondo, antwoordde ik haar in het Baskisch, zeer

bewogen omdat ik haar mijn taal hoorde spreken.

--Ik ben van Etchalar, zeide ze.--Dat is vier uur van ons vandaan.--Ik

werd door zigeuners naar Sevilla meegenomen. Ik werkte daar in de

fabriek om genoeg te verdienen ten einde naar Navarra terug te keeren,

tot mijn arme moeder wier eenige steun ik ben, en die een kleine

_barratcea_[19] heeft, met twintig appelboomen om cider van te maken.

O, was ik maar thuis, voor den witten berg! Men heeft mij gehoond,

omdat ik niet van dit land ben van schobbejakken, van kooplui in

verrotte sinaasappels; en die wijven hebben zich allen tegen me

verklaard, omdat ik heb gezegd, dat al hun _jacques_[20] van Sevilla,

met hun messen geen vrees zouden aanjagen aan een van onze jongens met

zijn platte blauwe muts en zijn _maquila_. Kameraad, mijn vriend, zul

je niets doen voor een landsje?

Zij loog, meneer, zij heeft altijd gelogen. Ik weet niet of die vrouw

ooit in haar leven een waar woord heeft gesproken; maar als zij sprak

geloofde ik haar: het was mij te machtig. Zij radbraakte het Baskisch

en ik hield haar voor een Navarreesche; alleen haar oogen al en haar

mond en haar gelaatskleur bewezen dat zij een zigeunerin was. Ik was

gek, ik lette op niets meer. Ik dacht dat als Spanjaarden het in hun

hoofd hadden gekregen kwaad te spreken van mijn land, ik hun ook het

gezicht zou hebben gehavend, precies zooals zij zooeven met haar

kameraad had gedaan. Om kort te gaan, ik was als een dronken man; ik

begon dwaze dingen te zeggen, ik was rijp om ze te doen.

--Als ik je een duw gaf en als je viel, landsman, hernam ze in het

Baskisch, dan zouden die twee Castilliaansche lotelingen mij niet

tegenhouden....

Bij God, ik vergat het parool en al de rest en zei de tot haar:

--Welnu, vriendin, landsje, probeer het en Onze Lieve Vrouwe van den

Berg zij met u!--Op dat oogenblik gingen wij een van die nauwe stegen

voorbij, zooals er zoovele zijn te Sevilla. Opeens keert Carmen zich

om en geeft me een stomp voor de borst. Ik liet mij omgooien, met

opzet achterover. Met een sprong was zij over mij heen en begon te

loopen wat ze maar kon, hals over kop!.... Men zegt Baskische beenen:

de hare waren bijzonder, even vlug als welgevormd. Ik stond dadelijk

weer op, maar hield mijn lans[21] dwars, zoodat die de steeg

versperde, en de dragonders aanvankelijk werden opgehouden, toen zij

haar wilden achterna zetten. Toen begon ik zelf te loopen en de mannen

achter mij aan; maar er was geen sprake van haar in te halen, met onze

sporen, onze sabels en onze lansen! In minder tijd dan ik behoef om 't

u te vertellen, was de gevangene verdwenen. Trouwens, al de wijven uit

de buurt hielpen haar bij haar vlucht, lachten ons uit en wezen ons

den verkeerden weg. Na verscheiden malen heen en weer te hebben

gemarcheerd, moesten we naar het wachthuis terugkeeren zonder een

bewijs van den gouverneur van de gevangenis.

Om straf te ontgaan, zeiden mijn mannen dat Carmen in het Baskisch met

mij gesproken had en men vond het niet natuurlijk, om de waarheid te

zeggen, dat een stomp van een zoo klein persoontje zoo gemakkelijk

een sterken kerel als ik had neergeveld. Dat alles leek verdacht,

of liever al te duidelijk. Bij het van de wacht trekken, werd ik

gedegradeerd en voor een maand naar de gevangenis gezonden. Dat was

mijn eerste straf sedert ik in dienst was. Weg de wachtmeester-strepen

waarop ik al had gerekend!

Mijn eerste dagen als gevangene verliepen heel treurig. Toen ik

soldaat werd, had ik mij voorgesteld het op zijn minst tot officier te

brengen. Longa, Mina, mijn landgenooten, zijn wel kapitein-generaal;

Chapalangarra, die een zwarte is evenals Mina, en evenals hij in uw

land gevlucht, Chapalangarra was kolonel, en ik heb herhaaldelijk

gekaatst met zijn broeder, een armen drommel net als ik. Nu zeide ik

bij me zelf: Al de tijd dat je zonder straf hebt gediend, is verloren

tijd. Je bent nu slecht aangeschreven; om weer in een goed blaadje te

komen bij je chefs, zul je tien maal harder moeten werken dan toen je

als loteling bent gekomen! En waarvoor heb ik straf opgeloopen?

Voor een kwaje meid, een zigeunerin, die den draak met mij heeft

gestoken, en die nu in een of andere wijk van de stad aan het stelen

is. Toch kon ik niet nalaten aan haar te denken. U zult het niet

gelooven, meneer: haar zijden kousen met gaten, die ik duidelijk

zag toen zij op den loop ging, waren mij steeds voor oogen. Door de

tralies der gevangenis keek ik op straat en onder al de vrouwen die

voorbijgingen zag ik er geen die bij haar haalde. En dan, ondanks mij

zelf, rook ik de bloem, die zij mij had toegeworpen, en die, gedroogd,

nog altijd haar lekkeren geur behield.... Als er tooveressen zijn, dan

was die meid er zeker een!

Op zekeren dag kwam de cipier mij een Alcala-brood[22]

brengen.--Ziedaar, zeide hij, dat zendt je je nicht. Ik nam het brood

zeer verbaasd aan, want ik had geen nicht te Sevilla. Het is misschien

een vergissing, dacht ik, het brood bekijkend; maar het zag er zoo

smakelijk uit, het rook zoo lekker, dat ik, zonder mij te bekommeren

over de herkomst of over zijn bestemming, besloot het op te eten.

Toen ik het wilde aansnijden stiet mijn mes op iets hards. Ik keek

en vond een kleine Engelsche vijl, die men in het deeg had laten

glijden voordat het brood was gebakken. Verder was er in het brood een

goudstuk van twee piasters. Er viel niet aan te twijfelen: het was een

geschenk van Carmen. Voor menschen van haar ras is vrijheid alles en

zij zouden een stad in brand steken om een dag korter in de gevangenis

te zijn. Bovendien had de meid het goed overlegd en met zulk een brood

kon men de cipiers uitlachen. In een uur zaagde men met de kleine vijl

de dikste tralie door en met het goudstuk kon ik bij den eersten

uitdrager de beste mijn kapotjas ruilen voor een burgerjas. U begrijpt

wel dat iemand, die menigmaal in onze rotsen jonge arenden uit hun

nesten had gehaald, er niet veel in zag uit een raam nog geen dertig

voet hoog op straat te komen; maar ik wilde niet ontsnappen. Ik had

nog mijn eergevoel als soldaat en deserteeren leek mij een groote

misdaad. Toch was ik getroffen door dit bewijs dat zij aan mij dacht.

Als men in de gevangenis zit, vindt men het prettig te denken dat daar

buiten een vriend is die belang in je stelt. Met het goudstuk was ik

een beetje verlegen; ik had het wel willen teruggeven; maar waar kon

ik mijn schuldeischer vinden? Dat leek mij niet gemakkelijk.

Na de plechtigheid der degradatie, meende ik dat ik niets meer zou

behoeven te lijden; er bleef mij nog een vernedering te slikken: dat

was toen ik de gevangenis verliet en men mij gelastte als gewoon

soldaat op schildwacht te staan. U kunt u niet voorstellen wat iemand

die gevoel heeft bij een dergelijke gelegenheid ondervindt. Ik geloof

dat ik net zoo lief was doodgeschoten. Men loopt dan ten minste alleen

voor zijn peloton uit; men voelt zich iets te zijn, de menschen kijken

naar je.

Ik werd op schildwacht gezet bij den kolonel. Het was een rijke jonge

man, goedhartig, die van vermaak hield. Al de jonge officieren, vele

burgers kwamen bij hem aan huis, ook vrouwen, actrices naar men zeide.

Wat mij aangaat, het was mij alsof de geheele stad zich bij zijn deur

rendez-vous had gegeven om mij aan te kijken. Daar kwam het rijtuig

van den kolonel, met zijn kamerdienaar op den bok. Wie zie ik er

uit stappen?.... de gitanilla. Zij was ditmaal versierd als een

reliquieënkastje, opgeschikt, opgedrild met goud en linten. Een

japon met loovers, blauwe schoenen ook met loovers, overal bloemen

en galons. In de hand hield zij een tamboerijn. Zij had nog twee

zigeunerinnen bij zich, een jonge en een oude. Er gaat altijd een

oude mede. Verder een oude zigeuner met een gitaar om te spelen

en hen te laten dansen. U weet dat men dikwijls zigeunerinnen in

gezelschappen laat komen, om ze de _romalis_, dat is hun dans, te

laten dansen, en dikwijls nog heel wat anders.

Carmen herkende mij en wij wisselden een blik. Op dat oogenblik had

ik, geloof ik, wel honderd voet onder den grond willen zijn.--_Agur

laguna_[23], zeide zij. Je staat op wacht als een loteling, meneer de

officier! En voordat ik een woord had kunnen vinden was zij het huis

in.

Het geheele gezelschap was in den _patio_ en ondanks het gedrang

zag ik door het hek[24] bijna alles wat er gebeurde. Ik hoorde de

castagnetten, de tamboerijn, het gelach en de bravo's; soms zag ik

haar hoofd als ze met haar tamboerijn sprong. Ook hoorde ik dat de

officieren dingen tot haar zeiden, waarvan ik een kleur kreeg. Wat

zij antwoordde weet ik niet. Van dien dag af, geloof ik, begon ik

haar werkelijk te beminnen; want drie of viermaal kwam het bij mij

op den _patio_ binnen te stappen en al die mooie meneeren, die haar

lievigheden zeiden, met mijn sabel toe te takelen. Mijn marteling

duurde ruim een uur; toen gingen de zigeuners heen en het rijtuig

bracht hen weg. In het voorbijgaan keek Carmen mij aan zooals zij dat

doen kan, en zeide heel zachtjes tot mij:

--Kameraad, als men van goeje gebakken visch houdt, gaat men die te

Triana eten, bij Lillas Pastia. Licht als een geitje sprong zij in het

rijtuig, de koetsier legde de zweep op de muilezels en de heele

vroolijke bende ging ik weet niet waar heen.

U begrijpt wel dat zoodra ik van de wacht trok, ik naar Triana ging;

maar eerst liet ik mij scheren en ik schuierde me als voor een

parade-dag. Zij was bij Lillas Pastia, een ouden handelaar in gebakken

visch, een zigeuner zwart als een Moor, bij wien vele burgers

gebakken visch kwamen eten, vooral, geloof ik, sedert Carmen daar haar

tenten had opgeslagen.

--Lillas, zeide zij, zoodra ze mij zag, ik voer vandaag niets meer

uit. Morgen is weer een dag[25]. Komaan kameraad, laat ons gaan

wandelen.

Zij hield haar mantille voor haar gezicht en we waren op straat,

zonder dat ik wist waar ik heenging.

--Mademoiselle, zeide ik, ik geloof dat ik u moet bedanken voor een

cadeau, dat u mij zondt toen ik in de gevangenis was. Het brood at ik;

de vijl zal mij dienen om er mijn lans aan te scherpen en bewaar ik

als een aandenken aan u; maar ziehier het geld.

--Kijk! hij heeft het geld bewaard, zeide zij, in lachen uitbarstend.

Nu, dat treft, want ik ben heelemaal niet bij kas; maar wat doet het

er toe? Een hond die zwerft, van honger niet sterft[26]. Komaan, we

zullen alles opmaken. Jij trakteert.

Wij waren weer op weg gegaan naar Sevilla. Aan den ingang van de

Slangenstraat kocht zij een dozijn sinaasappels die zij mij in mijn

zakdoek liet bergen. Een beetje verder kocht zij brood, worst, een

flesch manzanilla; ten slotte ging zij bij een banketbakker binnen.

Daar wierp zij op de toonbank het goudstuk, dat ik haar had

teruggegeven, nog een dat zij op zak had, met wat zilvergeld; toen

vroeg ze mij al wat ik bij me had. Ik had slechts een piécette en

eenige cuartos, die ik haar gaf, heel verlegen omdat ik niet meer had.

Ik dacht dat zij den heelen winkel wilde leegkoopen. Zij nam al wat

maar mooi en duur was, _yemas_[27], _turons_[28], geconfijte vruchten,

voor zoover het geld reikte. Dat alles moest ik in papieren zakken

dragen.

U kent misschien de Candilejo-straat, waar een borstbeeld is van

koning Don Pedro, den Handhaver van het Recht[29]. Het had mij

tot heilzaam nadenken moeten stemmen. Wij hielden in die straat

stil voor een oud huis. Zij ging de gang binnen en klopte bij de

benedenverdieping aan. Een zigeunerin, een waar satanswijf, deed de

deur open. Carmen sprak haar eenige woorden in _rommani_ toe. Eerst

mopperde zij. Om haar te bedaren gaf Carmen haar twee sinaasappels en

een handvol bonbons, en liet zij haar van den wijn proeven. Toen sloeg

zij de vrouw haar mantel om en bracht haar naar de deur, die zij met

den houten grendel sloot. Zoodra wij alleen waren, begon zij als een

dwaze te dansen en te lachen, terwijl zij zong:--Jij bent mijn _rom_,

ik ben je _romi_![30].--Ik stond midden in de kamer, beladen met

al wat zij had ingeslagen, niet wetend waar het te bergen. Zij

smeet alles op den grond en vloog mij om den hals, zeggend:--Ik

betaal mijn schulden, ik betaal mijn schulden! dat is de wet der

_Calés_![31]--Och, meneer, die dag! die dag!.... als ik er aan denk,

vergeet ik dien van morgen.

De bandiet zweeg een oogenblik; toen hervatte hij, na zijn sigaar weer

te hebben aangestoken, zijn verhaal.

Wij bleven den ganschen dag samen, eten, drinken, en de rest. Na

bonbons te hebben gegeten als een kind van zes jaren, stopte zij

handen vol in de waterkruik van de oude vrouw.--Dat is sorbet voor

haar, zeide zij. Zij wierp de _yemas_ stuk tegen den muur.--Opdat de

vliegen ons met rust laten, zeide zij... Er is geen grap of dwaasheid

die ze niet uithaalde. Ik zei, dat ik haar wilde zien dansen; maar hoe

aan castagnetten te komen? Ze nam aanstonds het eenige bord van de

oude, brak dat in stukken en ging de _romalis_ dansen, terwijl zij de

stukken aardewerk even handig deed klappen alsof zij castagnetten had

gehad van ebbenhout of ivoor. Ik verzeker u dat men zich met die meid

niet verveelde. De avond viel en ik hoorde de tamboers den taptoe

slaan.

--Ik moet naar de wacht voor het appèl, zeide ik.

--Naar de wacht? zeide zij op minachtenden toon; ben je dan een slaaf,

die aan een touwtje loopt. Je bent een echte kanarie naar uniform

en aard[32]. Ga, je bent een flauwerd.--Ik bleef, mij bij voorbaat

schikkend in de kamer van arrest. Den volgenden morgen was zij het die

het eerst sprak van scheiden.--Luister Joseito, zeide zij; heb ik mijn

schuld aan je afgedaan? Volgens onze wet was ik je niets schuldig

aangezien je een _payllo_ bent; maar je bent een mooie jongen en je

beviel me. Wij zijn kiet. Goejen dag.

Ik vroeg haar wanneer ik haar weer zou zien.

--Als je minder onnoozel zult zijn, antwoordde zij lachend. Toen, op

ernstiger toon: Weet je wel jongske, dat ik geloof dat ik een beetje

van je houd? Maar dat kan niet duren. Hond en wolf gaan niet lang goed

samen. Misschien, als je de wet van Egypte aannam, zou ik je _romi_

willen worden. Maar dat is malligheid, dat gaat niet. Ba! mijn jongen,

geloof me, je komt er goed af. Je hebt den duivel ontmoet, ja, den

duivel; hij is niet altijd zwart en hij heeft je den nek niet

omgedraaid. Ik ben in wol gekleed, maar geen schaap[33]. Ga een kaars

aansteken voor je _majari_[34]; ze heeft die wel verdiend. Nu,

nogmaals vaarwel. Denk niet meer aan Carmencita, of ze zou je een

weduwe met houten beenen tot vrouw bezorgen[35].

Dit zeggende trok zij den grendel van de deur weg en eenmaal op

straat, wikkelde zij zich in haar mantille en liet mij haar hielen

zien.

Wat zij had gezegd was juist. Het zou verstandiger van me zijn

geweest niet meer aan haar te denken; maar sedert dien dag in de

Candilejo-straat kon ik aan niets anders denken. Ik was den ganschen

dag op de been in de hoop haar te ontmoeten. Ik vroeg de oude vrouw en

den koopman in gebakken visch naar haar. Beiden antwoordden, dat zij

naar Laloro[36] was gegaan--zoo noemen zij Portugal.--Waarschijnlijk

deden ze dat op last van Carmen, maar weldra kwam ik te weten, dat zij

logen. Eenige weken na den dag in de Candilejo-straat, kreeg ik de

wacht bij een van de poorten van de stad. Op geringen afstand van die

poort, was in den wal een bres ontstaan; bij dag werkte men er aan en

's nachts werd daar een wacht gezet om de smokkelaars te weren. Bij

dag zag ik Lillas Pastia heen en weer loopen om het wachthuis en met

eenige van mijn kameraden praten; allen kenden hem en nog beter zijn

visch en zijn beignets. Hij kwam bij me en vroeg of ik berichten had

van Carmen.

--Neen, zeide ik.

--Nu, dan zul je die krijgen, kameraad.

Hij vergiste zich niet. Des nachts kreeg ik de wacht bij de bres.

Zoodra de brigadier was heengegaan, zag ik een vrouw op mij afkomen.

Mijn hart zeide mij dat het Carmen was. Toch riep ik: Uit den weg,

hier mag niemand door!

--Doe nou niet zoo boos, zeide zij, zich bekend makend.

--Wat ben jij het, Carmen!

--Ja, kameraad. Laten we weinig, maar op den man af praten. Wil je een

douro verdienen? Er zullen menschen komen die pakken dragen: laat hen

begaan.

--Neen, antwoordde ik. Ik moet hen tegenhouden; dat is het parool.

--Het parool, het parool! In de Candilejo-straat dacht je daar niet

aan.

--O! antwoordde ik, door de herinnering alleen geheel van streek, dat

was wel de moeite waard er het parool voor te vergeten, maar ik wil

geen geld hebben van smokkelaars.

--Goed; als je geen geld wilt, zullen we dan nog eens gaan eten bij de

oude Dorothea?

--Neen, zei ik, half stikkend van het geweld dat ik me aandeed. Ik kan

niet.

--Heel goed. Als je zoo onhandelbaar bent dan weet ik wel tot wien ik

me wenden zal. Ik zal je officier voorstellen bij Dorothea te komen.

Hij ziet er goedig uit en hij zal een schildwacht zetten, die alleen

maar zien zal wat hij moet zien. Dag, kanarie. Wat zal ik lachen als

het parool is je op te hangen!

Ik was zwak genoeg haar terug te roepen en beloofde de heele

zigeunerbende te laten doorgaan als het moest, mits ik de eenige

belooning kreeg die ik wenschte. Zij zwoer me daarop den volgenden dag

woord te houden, en ging haar vrienden verwittigen die in de buurt

wachtten. Het waren er vijf, waaronder Pastia, allen zwaar beladen

met Engelsche koopwaar. Carmen hield de wacht. Zij moest met haar

castagnetten waarschuwen zoodra zij de patrouille zag komen. Maar dat

was niet noodig: de smokkelaars waren in een oogwenk klaar.

Den volgenden dag ging ik naar de Candilejo-straat. Carmen liet op

zich wachten en toen zij kwam was zij vrij slecht gemutst.--Ik houd

niet van menschen die zich laten bidden, zeide zij. Den eersten keer

heb je me een veel grooter dienst bewezen, zonder te weten of je er

iets bij winnen zou. Gisteren heb je met mij gemarchandeerd. Ik weet

niet waarom ik gekomen ben, want ik houd niet meer van je. Daar, ga

heen, hier is een douro voor je moeite.--Het scheelde niet veel of ik

had haar het geldstuk naar het hoofd gesmeten en ik moest mij zelf

geducht geweld aandoen om haar niet te slaan. Na een uur samen te

hebben getwist, ging ik woedend heen. Ik dwaalde eenigen tijd door de

stad heen en weer, als een gek; ten slotte trad ik een kerk binnen,

ging in den donkersten hoek staan en stortte heete tranen. Opeens

hoor ik een stem:--Dragondertranen! daar wil ik een minnedrank van

maken.--Ik sla de oogen op; Carmen stond voor me.--Nu, kameraad, zeide

zij, ben je nog boos? Ik moet toch ondanks alles wel van je houden,

want sedert je weg ging, voel ik me zoo raar. Kom, nu ben ik het die

vraagt of je mee wilt naar de Candilejo-straat.

Wij sloten dus vrede, maar het humeur van Carmen was als het weer bij

ons. Nooit is in onze bergen een onweer zoo nabij dan wanneer de zon

het helderst schijnt. Zij had mij beloofd nog eens met mij samen te

komen bij Dorothea en zij kwam niet. En Dorothea zeide wederom dat zij

naar Laloro was gegaan voor zaken van Egypte.

Door de ondervinding wetend waaraan mij hieromtrent te houden, zocht

ik Carmen overal waar ik dacht dat zij zijn kon, en twintigmaal

per dag ging ik door de Candilejo-straat. Op een avond was ik bij

Dorothea, die ik bijna gedwee had gemaakt door haar nu en dan op een

glaasje anisette te trakteeren, toen Carmen binnen kwam, gevolgd door

een jongen man, luitenant bij ons regiment.

--Ga heen, zeide ze haastig tot mij in het Baskisch.--Ik bleef

verstomd staan, met woede in het hart.--Wat doe je hier? zeide de

luitenant tot mij. Ruk in, vooruit!--Ik kon geen stap doen, ik was

als verlamd. De officier, ziende dat ik niet heen ging en zelfs mijn

politiemuts niet had afgenomen, werd boos, pakte mij bij den kraag en

schudde mij ruw heen en weer. Ik weet niet wat ik tot hem zeide. Hij

trok zijn degen en ik mijn sabel. De oude pakte mij bij den arm en

de luitenant gaf me een slag op het voorhoofd, waarvan ik nu nog het

litteeken draag. Ik week terug en wierp Dorothea met een stomp van den

elleboog omver; en toen de luitenant mij achterna zette hield ik hem

de punt van mijn sabel voor, zoodat hij er in bleef steken. Carmen

draaide daarop de lamp uit en heette in haar taal Dorothea er van door

te gaan. Ik zelf vluchtte op straat en begon te rennen zonder te weten

waarheen. Toen ik tot bezinning kwam, bleek het dat Carmen mij niet

had verlaten.--Uilskuiken, kanarie! zeide zij, je doet niks dan

stommiteiten. Ik heb je wel gezegd dat ik je ongeluk zou aanbrengen.

Komaan, er is een middel voor alles wanneer men een Vlaamsche van

Rome[37] tot vriendin heeft. Begin met dezen doek om je hoofd te doen

en gooi je koppel weg. Wacht mij daar in de laan, ik ben over twee

minuten terug.--Zij verdween en bracht mij weldra een gestreepten

mantel, dien zij ik weet niet waar vandaan had gehaald. Zij deed

mij mijn uniform uittrekken en den mantel over mijn hemd slaan.

Aldus toegetakeld, met den zakdoek waarmede zij mijn hoofdwond had

verbonden, had ik wel iets van een boer uit Valencia, zooals men die

te Sevilla aantreft, die hun _chufas_[38]--orgeade komen verkoopen.

Toen bracht ze mij in een huis vrij wel als dat van Dorothea achter in

een steegje. Zij en een andere zigeunerin waschten mij, verbonden mij

beter dan een chirurgijn-majoor het had kunnen doen, gaven mij ik weet

niet wat te drinken, waarna zij mij op een matras legden, en ik sliep

in.

Waarschijnlijk hadden die vrouwen in den drank slaapwekkende kruiden

gemengd, haar alleen bekend, want ik werd den volgenden dag eerst heel

laat wakker. Ik had zware hoofdpijn en een beetje koorts. Eerst na een

poosje keerde bij mij de herinnering weer aan de vreeselijke scène,

waaraan ik den dag te voren had deelgenomen. Na mijn wond te hebben

verbonden, wisselden Carmen en haar vriendin, beiden neergehurkt

bij mijn matras, eenige woorden in _chipe calli_, vermoedelijk een

medische consultatie. Toen verzekerden beiden mij dat ik weldra beter

zou zijn, maar dat ik zoo gauw mogelijk Sevilla moest verlaten; want

als men mij pakte, dan werd ik onmiddellijk doodgeschoten.--Mijn

jongen, zeide Carmen, je moet iets beginnen; nu de koning je geen

rijst en stokvisch[39] meer geeft, moet je er aan denken je kost

te verdienen. Je bent te dom om te spelen _à pastesas_[40]; maar je

bent vlug en sterk: als je moed hebt, ga dan naar de kust en word

smokkelaar. Heb ik je niet beloofd dat ik je zou laten ophangen? Dat

is beter dan te worden doodgeschoten. Bovendien, als je het goed

aanlegt, zul je als een vorst leven, zoo lang de _minons_[41] en de

kustwachters je niet bij den kraag pakken.

Het was op deze verlokkende manier, dat deze duivelsche meid mij de

nieuwe loopbaan afschilderde die zij mij toedacht, de eenige trouwens

die mij overbleef, nu ik tot de doodstraf was vervallen. Zal ik u de

waarheid zeggen, meneer? 't Kostte haar niet veel moeite mij daartoe

te doen besluiten. Het kwam mij voor dat ik mij inniger met haar

verbond door dit leven van avonturen en rebellie. Voortaan achtte ik

mij zeker van haar liefde. Ik had dikwijls hooren spreken van sommige

smokkelaars die door Andalusië trokken, een goed paard berijdend, de

karabijn in de vuist, hun maîtres achter zich. Ik zag mij zelf reeds

aldus met de aardige zigeunerin over bergen en dalen draven. Toen ik

haar daarvan sprak, hield zij zich de zijden vast van het lachen, en

zeide zij, dat er niets gaat boven een nacht in het bivak als elke

_rom_ zich met zijn _romi_ afzondert onder zijn kleine tent, gevormd

door drie hoepels met een deken er over.

--Als ik ooit in het gebergte ben, zeide ik tot haar, dan zal ik zeker

van je zijn! Daar is geen luitenant om je aan mij te betwisten.

--Ha, ha, je bent jaloersch, antwoordde zij. Des te erger voor je. Hoe

kun je zoo dom zijn? Merk je niet dat ik van je houd, daar ik je nooit

om geld vroeg?

Als zij zoo sprak had ik lust haar te worgen.

Om het kort te maken, meneer: Carmen bezorgde mij een burgerpak,

waarin ik Sevilla verliet zonder te worden herkend. Ik ging naar

Jerez met een brief van Pastia voor een koopman in anisette, bij wien

smokkelaars bijeenkwamen. Men stelde mij aan die lieden voor, wier

hoofd, bijgenaamd de Dancaïre, mij in zijn troep opnam. Wij vertrokken

naar Gaucin en ik vond er Carmen weer, die mij daar rendez-vous had

gegeven. Bij tochten diende zij onzen troep tot spion en nooit vond

men er een betere. Zij kwam terug van Gibraltar en zij had reeds

met een koopvaardijkapitein het laden op zijn schip afgesproken van

Engelsche waren, die wij aan de kust in ontvangst zouden nemen. Wij

gingen ze bij Estepona opwachten en verborgen er een deel van in het

gebergte; met de rest beladen begaven we ons naar Ronda. Carmen was

ons daarheen vóór gegaan. Zij was het ook, die ons het oogenblik

aangaf, waarop we in de stad zouden komen. Deze eerste reis en nog

een paar andere reizen waren prettig. Het smokkelaarsleven beviel mij

beter dan het soldatenleven; ik gaf Carmen geschenken, ik had geld en

een maîtres; ik had geen wroeging, want, zooals de zigeuners zeggen:

schurft met plezier jeukt niet[42]. We werden overal goed ontvangen;

mijn makkers behandelden mij goed, ja zij betoonden mij ontzag. De

reden was dat ik een man had gedood en onder hen waren er die zulk een

bedrijf niet op hun geweten hadden. Maar wat mij in mijn nieuw leven

nog meer waard was is, dat ik Carmen dikwijls zag. Zij betoonde mij

meer vriendschap dan ooit; in tegenwoordigheid der anderen echter

liet zij niet merken dat zij mijn maîtres was: ja, ze had mij onder

allerlei eeden laten zweren dat ik niets van haar zou vertellen.

Ik was zoo zwak tegenover deze vrouw, dat ik aan al haar luimen

gehoorzaamde. Het was bovendien voor het eerst dat zij zich aan mij

toonde met de ingetogenheid van een fatsoenlijke vrouw en ik was

onnoozel genoeg om te gelooven dat zij zich werkelijk gebeterd had.

Onze troep, die uit acht tot tien man bestond, kwam slechts in de

beslissende oogenblikken bijeen en gewoonlijk waren we bij groepjes

van twee of drie over de steden en dorpen verspreid. Ieder van

ons gaf voor een beroep te hebben: de een was ketellapper, de ander

paardenkooper; ik was kramer, maar ik vertoonde mij niet in groote

plaatsen, met het oog op dat kwade zaakje te Sevilla. Op zekeren dag,

of liever, avond, was ons rendez-vous beneden Véger. De Dancaïre en

ik waren er vóor de anderen. Hij scheen zeer vroolijk. Wij krijgen

een kameraad er bij, zeide hij. Carmen heeft een van haar knapste

streken uitgehaald. Zij heeft haar _rom_ doen ontsnappen, die in den

_presidio_ te Tarifa was.--Ik begon reeds de taal der Zigeuners te

verstaan, die bijna al de anderen spraken, en het woord _rom_ deed

mij ontstellen.--Hoe zoo! haar man, is zij dan getrouwd? vroeg ik den

kapitein.

--Ja, antwoordde hij, met Garcia, die één oog heeft: een zigeuner even

uitgeslapen als zij. De arme kerel was in de galeien. Carmen heeft

den chirurg van den _presidio_ zoo weten in te palmen, dat zij de

vrijheid van haar _rom_ heeft bewerkt. O, die meid is haar gewicht aan

goud waard. Al twee jaar deed ze haar best hem te doen ontsnappen:

niets gelukte, totdat er een andere majoor kwam. Met dezen schijnt

zij het spoedig eens te zijn geworden.--U begrijpt hoeveel genoegen

mij deze tijding deed. Ik zag weldra Garcia met het eene oog; het

was zeker wel het leelijkste monster dat onder de zigeuners was

opgegroeid: zwart van huid en zwart van ziel, was hij de grootste

schurk dien ik in mijn leven heb ontmoet. Carmen kwam met hem en toen

zij hem in mijn bijzijn haar _rom_ noemde, hadt u de blikken moeten

zien die ze mij toewierp en de gezichten die zij trok als Garcia het

hoofd omkeerde. Ik was verontwaardigd en sprak den ganschen avond geen

woord tot haar. Den volgenden morgen hadden wij onze pakken gemaakt

en wij waren reeds op weg, toen we merkten dat een dozijn ruiters ons

achterna zetten. De pochende Andalusiërs, die altijd den mond vol

hebben van moord en doodslag, trokken dadelijk erbarmelijke gezichten.

Allen zochten een goed heenkomen. De Dancaïre, Garcia, een mooie

jongen uit Ecija, die de Remendado heette, en Carmen verloren hun

bezinning niet. De overigen hadden hun muilezels achtergelaten en in

de ravijnen de wijk genomen, waar de paarden hen niet konden volgen.

Wij konden onze beesten niet bij ons houden en haastten ons het beste

van onzen buit los te maken en op onze schouders te laden en toen

trachtten we over de rotsen heen te vluchten langs de steilste

hellingen. Wij wierpen onze pakken voor ons uit en volgden die zoo

goed mogelijk, op de hielen glijdend. Inmiddels schoot de vijand op

ons; het was voor het eerst dat ik kogels hoorde fluiten en het liet

me vrij koud. Als er een vrouw bij is, steekt er geen verdienste in

met den dood te spotten. Wij ontkwamen, met uitzondering van den armen

Remendado, die een schot kreeg in de lendenen. Ik wierp mijn pak neer

en trachtte hem te grijpen.--Ezel! riep Garcia mij toe, wat hebben we

met een kreng van doen. Maak hem af en verlies de katoenen kousen

niet.--Gooi hem neer! riep Carmen mij toe.--Door vermoeidheid moest

ik hem een oogenblik neerleggen, beschut door een rots. Garcia kwam

nader en schoot hem met zijn karabijn door het hoofd.--Die hem nu zou

herkennen is knap, zeide hij, het gezicht ziende dat door twaalf

kogels was verbrijzeld.--Ziedaar, meneer, het mooie leven dat ik heb

geleid. 's Avonds bevonden wij ons in een kreupelbosch, uitgeput door

vermoeienis, met niets te eten en door het verlies van onze muilezels

geruïneerd. Wat deed die duivelsche Garcia? Hij haalde een pak kaarten

uit zijn zak en begon met den Dancaïre te spelen bij 't schijnsel van

een vuur dat zij aanstaken. Inmiddels had ik mij op den grond

uitgestrekt en ik keek naar de sterren, denkend aan den Remendado en

ik zeide tot mij zelf, dat ik wel zoo lief in zijn plaats had willen

zijn. Carmen hurkte naast mij neer en van tijd tot tijd liet zij al

neuriënd haar castagnetten rinkelen. Toen dichter bij komend, quasi

om mij iets in het oor te zeggen, omhelsde zij mij twee of driemaal,

bijna tegen mijn wil.--Je bent een duivelskind, zeide ik.--Ja,

antwoordde zij.

Na eenige uren rust, ging zij naar Gaucin en den volgenden morgen

kwam een kleine geitenherder ons brood brengen. Wij bleven daar den

ganschen dag en 's avonds kwamen wij dichter bij Gaucin. Wij wachtten

berichten van Carmen. Er kwam niets.

Toen het weer dag was, zagen wij een ezeldrijver die een goed

gekleede vrouw met een parasol geleidde, en een meisje, dat haar

bediende scheen te zijn. Garcia zeide tot ons:--Daar zendt St.

Nikolaas ons twee muilezels en twee vrouwen; ik had liever vier

muilezels; maar het doet er niet toe; ik neem ze voor mijn

rekening!--Hij nam zijn karabijn en daalde het pad af, zich in de

struiken verbergend. De Dancaïre en ik volgden hem op korten afstand.

Toen wij dicht genoeg waren genaderd, vertoonden wij ons en riepen den

ezeldrijver »halt« toe. Toen de vrouw ons zag, schrikte zij niet--ons

toilet alleen was genoeg om van te schrikken--maar schaterde zij het

uit.--O, de _lillipendi_ die mij voor een _erani_ houden![43]--Het was

Carmen, maar zoo goed verkleed, dat, als zij een andere taal had

gesproken, ik haar niet zou hebben herkend. Zij sprong van haar

muilezel en praatte een poosje zachtjes met den Dancaïre en Garcia;

toen zeide ze tot mij: Kanarie, we zien elkaar nog vóor dat je

opgehangen wordt. Ik ga naar Gibraltar voor zaken van Egypte. Je zult

weldra van me hooren.--Wij gingen van elkaar nadat zij ons een plaats

had aangewezen, waar wij voor eenige dagen een schuilplaats zouden

kunnen vinden. Die meid was de voorzienigheid van onzen troep. Wij

kregen weldra een beetje geld, dat zij ons toezond en een bericht dat

ons nog meer waard was, namelijk dat op die en die dag twee Engelsche

milords langs die en die weg van Gibraltar naar Grenada zouden gaan.

Dat was genoeg voor goede verstaanders. Zij hadden overvloed van

guinjes bij zich. Garcia wilde hen dooden, maar de Dancaïre en ik

verzetten ons er tegen. Wij namen alleen hun geld en hun horloges, en

verder hun hemden, waaraan wij dringend behoefte hadden.

Men wordt slecht meneer, zonder er bij te denken. Een mooie meid

brengt ons het hoofd op hol, men vecht om haar, er gebeurt een

ongeluk, men moet in het gebergte leven, en van smokkelaar wordt men

dief vóor men het weet. Wij achtten het voor ons niet pluis in de

omstreken van Gibraltar na de ontmoeting met de milords, en drongen

dieper in het gebergte van Ronda.--U heeft mij van José-Maria

gesproken: welnu daar heb ik kennis met hem gemaakt. Hij nam zijn

maîtres mee op zijn tochten. Het was een mooie meid, fatsoenlijk,

zedig, met goede manieren, nooit een ruw woord en een toewijding!....

Hij daarentegen maakte haar heel ongelukkig. Hij liep altijd de

meisjes achterna, behandelde haar slecht en soms deed hij alsof hij

jaloersch was. Eens gaf hij haar een steek met een mes. Welnu, hij was

haar er nog te liever om. De vrouwen zijn zoo, de Andalusische vooral.

Deze was trotsch op het litteeken dat zij op den arm had en liet dat

zien, alsof het 't mooiste op de wereld was. En José-Maria was

bovendien een heel slecht kameraad!.... Op een tocht dien we maakten,

wist hij het zoo aan te leggen dat al de winst aan hem bleef, aan ons

de slagen en de moeilijkheden.

Maar laat ik tot mijn verhaal terugkeeren. Wij hoorden niets meer van

Carmen. De Dancaïre zeide:--Een van ons moet naar Gibraltar gaan, om

wat van haar te weten te komen; zij heeft zeker iets op touw gezet. Ik

zou wel gaan, maar ik ben te Gibraltar te veel bekend.--De eenoogige

zeide:--Ook mij kent men er; ik heb er zooveel grappen met de Kreeften

uitgehaald.[44] En daar ik slechts één oog heb, ben ik moeilijk te

vermommen.--Ik moet er dus heen? zeide ik daarop, verrukt alleen bij

de gedachte Carmen weer te zien; zeg, wat moet ik doen?--De anderen

zeiden:--Doe je best je in te schepen te Saint-Roc of daarlangs te

gaan, zooals je dat het liefst is, en als je te Gibraltar bent, vraag

dan aan de haven naar een koopvrouw in chocolade, Rollona geheeten;

als je haar hebt gevonden, zul je van haar te weten komen wat er aan

de hand is.--Wij kwamen overeen alle drie naar het gebergte van Gaucin

te gaan; ik zou daar de twee anderen achterlaten en mij naar Gibraltar

begeven als koopman in vruchten. Te Ronda had een man, die op onze

hand was, mij een pas bezorgd; te Gaucin gaf men mij een ezel; ik

belaadde dien met sinaasappelen en meloenen en ging op weg. Toen ik te

Gibraltar aankwam, bleek mij dat men daar Rollona wel kende, maar zij

was gestorven of gegaan naar _finibus terrae_[45] en haar verdwijnen

verklaarde, naar het mij voorkwam, dat wij de gelegenheid met Carmen

in betrekking te blijven hadden verloren. Ik zette mijn ezel op stal

en ging met mijn sinaasappelen door de stad, quasi om ze te verkoopen,

maar in werkelijkheid om te zien of ik niet een of anderen bekende zou

ontmoeten. Er is daar heel wat gespuis uit alle landen der wereld en

het is er de toren van Babel, want men kan geen tien stappen in een

straat doen zonder evenveel talen te hooren spreken.

Ik zag heel wat lui van Egypte, maar durfde hen niet te vertrouwen;

wij bekeken elkaar, wij merkten wel dat we schavuiten waren, maar het

kwam er op aan te weten of wij tot dezelfde bende behoorden. Na twee

dagen vergeefs zoeken had ik niets vernomen omtrent Rollona of Carmen,

en ik dacht er over tot mijn kameraden terug te keeren na eenige

inkoopen te hebben gedaan, toen ik, bij zonsondergang door een

straat wandelend, een vrouwenstem hoorde die mij uit een raam

toeriep:--Koopman! Ik kijk op en zie op een balkon Carmen, steunend op

haar elleboog, naast een officier in het rood, met gouden epauletten,

krullend haar en het voorkomen van een rijken milord. Wat haar

aangaat, zij was schitterend gekleed, een sjaal over de schouders,

een gouden kam in het haar, heelemaal in zijde en, altijd dezelfde,

lachte de dame dat zij zich de zijden vasthield. De Engelschman,

het Spaansch radbrakend, riep mij toe dat ik boven zou komen, dat

madame sinaasappels wilde hebben; en Carmen zeide tot mij in het

Baskisch:--Kom boven en verbaas je over niets.--Niets inderdaad

behoorde mij van haar te verbazen. Ik weet niet of ik meer vreugde

dan verdriet had dat ik haar terugvond. Aan de deur was een groote

gepoederde Engelsche lakei, die mij bracht naar een prachtigen

salon. Carmen zeide dadelijk tot mij in het Baskisch:--Je kent

geen woord Spaansch, je kent me niet.--Toen, zich keerend tot den

Engelschman:--Ik zei het u wel; ik herkende hem dadelijk voor een

Baskiër; u zult hooren wat een rare taal. Wat ziet hij er dom uit,

niet waar? Men zou zeggen een kat gesnapt in een etenskast.--En

jij, zei ik in mijn taal, je ziet er uit als een onbeschaamde prij

en ik heb wel lust je voor de oogen van je minnaar het gelaat te

teekenen.--Mijn minnaar! zeide zij, kijk, kijk, heb je dat alleen

bedacht? En je bent jaloersch op dien ezel? Je bent nog onnoozeler dan

vóór onze avonden in de Candilejo-straat. Begrijp je niet, dwaas die

je bent, dat ik op dit oogenblik zaken doe van Egypte, en nog wel op

de schitterendste manier. Dit huis behoort mij, de guinjes van den

Kreeft zullen mij behooren; ik doe met hem wat ik wil; ik zal hem

brengen waar hij nooit vandaan komt.

--En ik, als je voortgaat op die wijze zaken van Egypte te doen, zal

wel zorgen, dat je niet weer begint, zeide ik.

--Zoo! Welzeker! Ben je mijn _rom_, dat je mij beveelt? De Eenoog

vindt het goed, wat heb jij er mee te maken? Je moest al heel tevreden

zijn dat jij de eenige bent die zeggen kan dat hij mijn

_minchorrò_[46] is.

--Wat zegt hij? vroeg de Engelschman.

--Hij zegt dat hij dorst heeft en dat hij wel wat zou willen drinken,

antwoordde Carmen. En ze liet zich op een canapé vallen, schaterend om

haar vertaling.

Meneer, als die meid lachte, was het niet mogelijk een verstandig

woord te spreken. Iedereen moest mee lachen. Die groote Engelschman

begon ook te lachen, als een dwaas die hij was, en gelastte dat men

mij wat te drinken zou geven.

Terwijl ik dronk, zeide zij:--Zie je die ring, die hij aan de vinger

draagt? Als je wilt zal ik je hem geven.

Ik antwoordde:--Ik zou een vinger geven om je milord in het gebergte

tegenover mij te hebben, elk met een _maquila_ in de vuist.

--Wat wil dat zeggen, _maquila_? vroeg de Engelschman.

--_Maquila_, zeide Carmen steeds lachend, wil zeggen sinaasappel. Is

dat niet een gek woord voor sinaasappel? Hij zegt dat hij u er van

wilde laten proeven.

--Zoo? zeide de Engelschman. Nu, laat hem dan morgen weer _maquilas_

brengen.--Terwijl wij praatten kwam de lakei zeggen dat het maal

gereed was. Toen stond de Engelschman op, gaf mij een piaster en bood

Carmen den arm, alsof zij niet alleen kon loopen. Steeds lachend zeide

Carmen tot mij:--Ik kan je niet ten eten noodigen, mijn jongen; maar

kom morgen hier met sinaasappels zoodra je trommelen hoort voor de

parade. Je zult een beter gemeubelde kamer vinden dan die van de

Candilejo-straat en je zult zien of ik nog altijd je kleine Carmen

ben. En dan zullen we over de zaken van Egypte spreken.--Ik antwoordde

niets en toen ik op straat was riep de Engelschman me na: Breng morgen

_maquilas_! en ik hoorde Carmen schateren.

Ik ging, niet wetend wat ik zou doen, ik deed geen oog dicht en was 's

morgens zoo woedend op de trouwelooze, dat ik besloten was Gibraltar

te verlaten, zonder haar weer te zien; maar bij 't eerste tromgeroffel

ontzonk mij alle moed: ik nam mijn mat met sinaasappels en snelde naar

Carmen. Haar jaloezie was half open en ik zag haar groote zwarte oogen

naar mij gluren. De gepoederde lakei bracht mij dadelijk naar binnen;

Carmen gaf hem een boodschap en zoodra wij alleen waren, schoot zij in

een van haar krokodillen-lachbuien en vloog mij om den hals. Ik had

haar nooit zoo mooi gezien. Getooid als een madonna, geparfumeerd....

meubels met zijde, geborduurde gordijnen.... en ik zag er uit als de

roover die ik was.--_Minchorrò!_ zeide Carmen, ik heb lust hier alles

kort en klein te slaan, het huis in brand te steken en het gebergte

in te vluchten.--En zij liefkoosde mij.... en lachte dan weer!....

en zij danste en verscheurde haar volants: nooit maakte een aap meer

sprongen, grimassen en gekheden. Toen zij weer ernstig was geworden,

zeide zij:--Luister, het is over Egypte. Ik wil dat hij mij naar Ronda

zal brengen waar ik 'n zuster heb die non is.... (Hier schaterde zij

't weer uit). Wij zullen ergens langs gaan, dat zal ik je laten weten.

Je overvalt hem en schudt hem naakt uit. Het beste zou zijn hem dood

te slaan; maar, aldus liet zij er op volgen met een duivelschen

glimlach dien zij op zekere oogenblikken had--en niemand had dan

lust het haar na te doen--weet je wat je doen moest? Laat den Eenoog

vóórgaan. Blijf een beetje achter; de Kreeft is dapper en handig; hij

heeft goeje pistolen.... Begrijp je?.... Zij onderbrak zichzelf weer

met een schaterlach die mij deed rillen.

--Neen, zeide ik tot haar: ik haat Garcia, maar hij is mijn kameraad.

Eens misschien zal ik je van hem verlossen, maar wij zullen samen

afrekenen naar de wijze van mijn land. Ik ben slechts bij toeval

Egyptenaar en in sommige opzichten zal ik altijd een echte Navarrees

blijven, zooals het spreekwoord zegt[47].

Zij antwoordde:--Je bent een ezel, een domkop, een echte _payllo_. Je

bent als de dwerg die zich voor groot houdt als hij ver heeft kunnen

spuwen[48]. Je hebt me niet lief, ga heen.

Als zij me zeide: Ga heen, dan kon ik niet heengaan. Ik beloofde

te zullen vertrekken, tot mijn kameraden terug te keeren en den

Engelschman op te wachten; van haar kant beloofde ze mij zich ziek te

houden tot op het oogenblik dat zij van Gibraltar naar Ronda vertrok.

Ik bleef nog twee dagen te Gibraltar. Vermomd waagde zij het mij in

mijn herberg te bezoeken. Ik vertrok; ook ik had mijn plan bedacht. Ik

keerde terug naar ons rendez-vous, de plek kennend die de Engelschman

en Carmen moesten voorbijgaan en het uur waarop. Ik vond den Dancaïre

en Garcia die mij wachtten. Wij brachten den nacht door in een bosch

bij een vuur van denneappels, dat heerlijk brandde. Ik stelde Garcia

voor kaart te spelen. Hij nam dat aan. Bij de tweede partij zeide ik

dat hij valsch speelde; hij begon te lachen. Ik smeet hem de kaarten

in het gezicht. Hij wilde zijn karabijn nemen; ik zette er den voet

op en zeide tot hem:--Men zegt dat je het mes hanteert als de beste

vechter van Malaga; wil je het eens met mij probeeren?--De Dancaïre

wilde ons scheiden. Ik had Garcia een paar vuistslagen gegeven, toorn

had hem dapper gemaakt, hij had zijn mes getrokken, ik het mijne.

Wij zeiden beiden tot den Dancaïre, dat hij ons ruim baan zou maken

en vrij spel laten. Hij zag dat hij ons niet kon tegenhouden en

verwijderde zich. Garcia was reeds gekromd als een kat, die gereed

staat zich op een muis te werpen. Hij hield den hoed in de linkerhand

om te pareeren, het mes naar voren. Dat is de Andalusische manier zich

te dekken. Ik zette mij op de Navarreesche wijze in postuur, recht

tegenover hem, den linkerarm omhoog, het linkerbeen vooruit, het mes

langs de rechterdij. Ik voelde mij sterker dan een reus. Hij wierp

zich pijlsnel op mij; ik draaide op den linkervoet om en hij vond

niets meer tegenover zich; maar ik raakte hem aan den hals en het mes

drong zoo diep door dat mijn hand tot onder zijn kin kwam. Ik keerde

het lemmer krachtig om zoodat het brak. Het was uit. Het lemmer werd

uit de wond geworpen door een gulp bloed, dik als een arm. Hij viel op

zijn neus stijf als een paal.

Wat heb je gedaan? zeide de Dancaïre.--Hoor eens, zeide ik, we konden

niet samen leven. Ik heb Carmen lief en ik wil de eenige zijn.

Bovendien, Garcia was een schurk en ik herinner mij wat hij met

den armen Remendado deed. Wij zijn nu nog maar met ons tweeën, maar

we zijn goeje kerels. Komaan, wil je mij tot vriend, op leven en

dood?--De Dancaïre reikte mij de hand. Het was een man van vijftig

jaar.--Die verdoemde verliefdheid! riep hij. Als je hem hadt gevraagd

jou Carmen af te staan, zou hij je haar voor een piaster hebben

verkocht. Nu zijn we slechts met ons beiden; wat zullen we morgen

beginnen?--Laat mij maar alleen begaan, antwoordde ik. Nu kan de heele

wereld me niet meer schelen.

Wij begroeven Garcia en gingen twee honderd pas verder kampeeren. Den

volgenden dag gingen Carmen en haar Engelschman voorbij, met twee

ezeldrijvers en een bediende. Ik zei tot den Dancaïre: Ik neem den

Engelschman voor mijn rekening, jaag de anderen schrik aan, zij zijn

niet gewapend. De Engelschman was moedig; als Carmen geen duw aan zijn

arm had gegeven zou hij mij hebben gedood. Om kort te gaan, ik kreeg

Carmen dien dag terug en ik haastte mij haar te zeggen dat zij weduwe

was. Toen zij vernam hoe dat in zijn werk was gegaan, zeide zij tot

mij:--Je zult ten eeuwigen dage een _lillipendi_ zijn! Garcia had je

moeten dooden. Je pareeren op zijn Navarreesch is allemaal onzin en

hij heeft handiger kerels dan jou om zeep gebracht. Maar zijn tijd was

gekomen. De jouwe komt ook.--En de jouwe, antwoordde ik, als je niet

een echte _romi_ voor me bent!--Nu goed, zeide zij, ik heb meer dan

eens uit het koffiedik gelezen, dat we tegelijk zouden sterven. Ba!

het ga zoo het wil! En zij liet haar castagnetten rinkelen, wat ze

altijd deed als zij een onaangename gedachte wilde verjagen.

* * * * *

Men laat zich gaan als men van zich zelf spreekt. Al die

bijzonderheden vervelen u zeker, maar ik ben gauw klaar. Het leven

dat wij leidden duurde vrij lang. De Dancaïre en ik hadden ons eenige

makkers toegevoegd, betrouwbaarder dan de vroegere, en wij leefden van

smokkelen; soms ook, ik moet het wel bekennen, hielden wij reizigers

op den grooten weg aan, maar alleen in het uiterste geval en als we

niet anders konden. Bovendien, wij mishandelden de reizigers niet

en bepaalden ons er toe hen hun geld af te nemen. Gedurende eenige

maanden was ik tevreden over Carmen; zij bleef ons van dienst voor

onze operaties door ons te waarschuwen wanneer er een goede slag viel

te slaan. Zij hield zich op te Malaga, te Cordova, of te Grenada;

maar zoodra ik maar kikte, liet zij alles in den steek en kwam zij

mij opzoeken in een eenzame herberg, of zelfs in het bivak. Eenmaal

slechts, dat was te Malaga, maakte ze mij een beetje ongerust. Ik

wist dat zij het oog had geslagen op een heel rijk koopman, met wien

zij vermoedelijk van plan was het grapje van Gibraltar opnieuw te

beginnen. Ondanks alles wat de Dancaïre zeide om mij tegen te houden,

vertrok ik en op klaarlichten dag kwam ik te Malaga. Ik zocht Carmen

en nam haar dadelijk mee. Het kwam tot een heftige woordenwisseling

tusschen ons.--Weet je wel, zeide zij, dat sedert je voor goed mijn

_rom_ bent, ik veel minder van je houd dan toen je mijn _minchorrò_

waart? Ik wil niet lastig gevallen en vooral niet gecommandeerd

worden. Wat ik wil is vrij zijn en doen wat mij bevalt. Pas op dat je

mij niet tot het uiterste drijft. Als je me gaat vervelen, zal ik een

of anderen goejen kerel vinden die met jou doet zooals jij deedt met

den Eenoog.--De Dancaïre herstelde den vrede tusschen ons; maar we

hadden elkaar dingen gezegd, die we niet konden verkroppen, en we

waren niet met elkaar zooals te voren. Kort daarna hadden we een

ongeluk. Soldaten overvielen ons, de Dancaïre werd gedood met twee der

kameraden, twee andere werden gevat. Ik werd zwaar gewond en zonder

mijn goed ros zou ik in handen der soldaten zijn gebleven. Uitgeput

van vermoeidheid, met een kogel in het lijf, ging ik me in een bosch

verstoppen met den eenigen metgezel die mij nog was overgebleven.

Toen ik van het paard stapte viel ik flauw en ik meende in de struiken

te zullen crepeeren, als een haas die een schot in den buik heeft.

Mijn metgezel bracht mij naar een ons bekende spelonk en ging toen

Carmen halen. Zij was te Grenada en kwam dadelijk toesnellen. Vijftien

dagen lang week zij geen oogenblik van mijn zijde. Zij deed geen oog

dicht en verzorgde mij met een handigheid en met voorkomendheden,

zooals geen vrouw die ooit had voor den meest geliefden man. Zoodra ik

op mijn beenen kon staan, bracht ze mij zoo heimelijk mogelijk naar

Grenada. Heidinnen vinden overal veilige schuilplaatsen en ik bracht

meer dan zes weken door in een huis vlak bij dat van den corrigedor,

die naar mij zocht. Meer dan eens, als ik van achter een luik keek,

zag ik hem voorbijgaan. Eindelijk was ik hersteld; maar op mijn

ziekbed had ik heel wat overpeinsd en ik was van plan van leven te

veranderen. Ik stelde Carmen voor Spanje te verlaten en te trachten

op fatsoenlijke wijze in de Nieuwe Wereld aan den kost te komen. Zij

stak den draak met mij.--Wij zijn niet geboren om kool te planten,

zeide zij, ons lot is te leven op kosten van de _payllos_. Ik heb

juist een zaakje afgesproken met Nathan ben Joseph van Gibraltar.

Hij heeft katoentjes, die slechts op jou wachten, om ze verder te

zenden. Hij weet dat je in leven bent en rekent op je. Wat zouden

onze correspondenten van Gibraltar zeggen, als jij je woord niet

hieldt?--Ik liet mij meesleepen en hervatte mijn leelijk bedrijf.

Terwijl ik mij te Grenada schuil hield, waren er stierengevechten en

Carmen ging er heen. Toen ze terug kwam had zij het druk over een zeer

handig picador, Lucas genaamd. Zij wist hoe zijn paard heette en

hoeveel zijn geborduurd buis hem kostte.

Ik sloeg daar geen acht op. Eenige dagen daarna zeide mij Juanito, de

kameraad die nog bij mij was gebleven, dat hij Carmen met Lucas had

gezien bij een koopman van den Zacatin. Dat begon mij te verontrusten.

Ik vroeg Carmen hoe en waarom zij met den picador kennis had

gemaakt.--Het is een kerel, zeide zij mij, met wie wat te beginnen

valt. Een rivier die geraas maakt heeft water of keien[49]. Hij heeft

1200 realen gewonnen bij de gevechten. Een van beiden: of we moeten

dat geld hebben, of, daar hij een goed ruiter is en een moedige kerel,

zou men hem bij onzen troep kunnen inlijven. Die en die zijn dood, je

moet hen vervangen. Neem hem bij je.

--Ik wil noch zijn geld, noch hem zelf, antwoordde ik, en ik verbied

je met hem te spreken.--Pas op, zeide zij, als men mij verbiedt iets

te doen, is het ras geschied!

Gelukkig vertrok de picador naar Malaga, en ik maakte mij op om de

katoentjes van den jood binnen te smokkelen. Die tocht gaf mij veel

werk, aan Carmen ook en ik vergat Lucas; misschien vergat zij hem ook,

ten minste voor het oogenblik. Omstreeks dien tijd, meneer, was het

dat ik u ontmoette, eerst bij Montilla, later te Cordova. Ik zal u

niet van ons laatste onderhoud spreken. U weet er misschien meer van

dan ik. Carmen stal uw horloge; zij wilde ook uw geld, en vooral

den ring daar aan uw vinger, volgens haar een tooverring, dien zij

volstrekt wilde hebben. Wij hadden een hevigen twist en ik sloeg haar.

Zij verbleekte en schreide. Dat was de eerste keer dat ik haar zag

schreien en het deed me geweldig aan. Ik vroeg haar vergiffenis,

maar zij bleef den geheelen dag mokken en toen ik weer naar Montilla

vertrok, wilde zij mij niet omhelzen.--Ik was zeer verdrietig.

Drie dagen later kwam ze mij opzoeken, met een lachend gezicht en

vroolijk als een vink. Alles was vergeten en we leken verliefden van

eergisteren. Toen wij van elkaar gingen, zeide zij:--Er is een feest

te Cordova; ik zal het bijwonen en te weten komen wie er met geld

vandaan gaan en dan zal ik je waarschuwen.--Ik liet haar vertrekken.

Toen ik alleen was dacht ik over dat feest en over de veranderde

stemming van Carmen. Zij heeft zich zeker reeds gewroken, zeide ik

tot mij zelf, daar zij het eerst is bijgedraaid.--Van een boer hoor

ik dat er stieren zijn te Cordova. Mijn bloed gaat koken, als een

krankzinnige vertrek ik snel naar het plein. Men wijst mij Lucas en

op de bank tegen het hek herkende ik Carmen. Ik behoefde haar slechts

een oogenblik te zien om zeker te zijn van mijn zaak. Bij het eerste

gevecht deed Lucas galant zooals ik had verwacht. Hij rukte de

cocarde[50] van den stier en bracht die aan Carmen, die ze

onmiddellijk in haar haren stak. De stier belastte zich met mijn

wraak. Lucas werd met zijn paard omvergeworpen, het paard op hem en de

stier ging over beiden heen.

Mijn blik zocht Carmen, maar ze was er niet meer. Het was mij

niet mogelijk mijn plaats te verlaten en ik moest het eind der

stierengevechten afwachten. Toen ging ik naar het u bekende huis en

hield mij daar stil den ganschen avond en een deel van den nacht.

Tegen twee uur in den morgen kwam Carmen terug; zij was een beetje

verbaasd mij te zien.--Kom met mij mee, zeide ik tot haar.--Nu goed!

zeide zij, laat ons gaan!--Ik ging mijn paard halen, zette haar er

op achter mij en we reden de rest van den nacht zonder een woord te

spreken. Toen het dag was hielden wij stil bij een afgelegen herberg,

vrij dicht bij een klein kluizenaarsverblijf. Daar zeide ik tot

Carmen:

--Luister, ik wil alles vergeten, ik zal je niets verwijten, maar

zweer mij een ding en dat is, dat je mij naar Amerika zult volgen en

je daar rustig houden.

--Neen, sprak zij mokkend, ik wil niet naar Amerika. Het bevalt me

hier goed.

--Omdat Lucas in de buurt is; maar bedenk wel, als hij beter wordt,

dan zal hij het toch niet lang meer maken. Trouwens, waarom zou ik het

op hem verhalen? Ik heb er genoeg van al je minnaars te dooden; jou

zal ik dooden.

Zij keek mij met haar woesten blik strak aan en zeide:

--Ik heb altijd wel gedacht dat je mij zoudt dooden. Toen ik je voor

het eerst zag, had ik pas een priester ontmoet bij de deur van mijn

woning. En toen we dezen nacht Cordova verlieten, zag je toen niets?

Een haas stak den weg over tusschen de voeten van je paard. Het staat

geschreven.

--Carmencita, vroeg ik, heb je me niet meer lief?

Zij antwoordde niet. Zij zat met gekruiste beenen op een mat en maakte

met een vinger teekens in den grond.

--Laat ons een ander leven leiden, zeide ik op smeekenden toon. Laat

ons ergens gaan wonen waar wij nimmer gescheiden zullen zijn. Je weet,

niet ver van hier onder een eik liggen honderd twintig goudstukken van

ons begraven.... En er staat nog geld van ons bij den jood Nathan ben

Joseph.

Zij begon te glimlachen en zeide:

--Eerst ik, dan jij. Ik weet wel dat het zoo zal gebeuren.

--Bedenk je goed, hernam ik; mijn geduld en mijn moed zijn ten einde;

schik je er in of ik ga mijn gang.

Ik verliet haar en ging in de buurt van den kluizenaar wandelen. Ik

vond hem in gebed geknield. Ik wachtte tot dat hij klaar was; ik had

wel willen bidden, maar ik kon niet. Toen hij opstond, ging ik tot

hem.--Vader, zeide ik, wilt u bidden voor iemand die in groot gevaar

verkeert?

--Ik bid voor alle bedrukten, zeide hij.

--Kunt u een mis lezen voor een ziel, die misschien voor haar Schepper

zal verschijnen?

--Ja, antwoordde hij mij strak aanziende. En daar er iets vreemds was

in mijn blik wilde hij mij uithooren.

--Ik meen u vroeger gezien te hebben, zeide hij.

Ik legde een piaster op zijn bank.--Wanneer leest u de mis? vroeg ik.

--Over een half uur. De zoon van den herbergier van daar ginds zal

mij bijstaan. Zeg mij, jonge man, hebt ge niets op het geweten dat

u kwelt, wilt ge naar de raadgevingen van een Christen luisteren?

Ik voelde dat de tranen in aantocht waren; ik zeide dat ik zou

terugkomen en liep weg. Ik ging op het gras liggen, tot dat ik de klok

hoorde. Toen kwam ik nader, maar bleef buiten de kapel. Toen de mis

gelezen was, keerde ik naar de herberg terug. Ik hoopte bijna dat

Carmen zou zijn ontvlucht, zij had mijn paard kunnen nemen en er mee

van door gaan.... maar zij was er nog. Zij wilde niet dat men kon

zeggen dat ik haar vrees had aangejaagd. Terwijl ik weg was, had zij

den zoom van haar rok losgemaakt om het lood er uit te halen. Zij

stond nu voor een tafel en keek in een kom vol water naar het lood,

dat zij er in gegooid had en had laten smelten. Zij ging zoo op in

haar tooverkunst dat zij eerst mijn terugkomst niet gewaar werd. Nu

eens nam zij 'n stuk lood dat zij met een treurig gezicht naar alle

kanten keerde, dan weer zong zij een van die tooverliedjes, waarin

Maria Padilla, de maîtres van don Pedro, wordt ingeroepen; zij was,

zegt men, de _Bari Crallisa_, of de groote koningin der zigeuners[51].

--Carmen, zeide ik, wil je meegaan?

Zij stond op, wierp haar houten nap weg en deed haar mantille over het

hoofd ten teeken dat zij bereid was te vertrekken. Men bracht mij mijn

paard, zij steeg achter mij op en wij reden weg.

--Je wilt me dus wel volgen, Carmen lief? zeide ik na een poosje.

--Ik volg je in den dood, ja wel, maar ik zal niet meer met je leven.

Wij waren in een eenzame bergengte. Ik liet mijn paard stil

houden.--Is het hier? zeide zij en met een sprong was zij van 't

paard.--Zij deed haar mantille af, wierp die aan haar voeten en bleef

onbeweeglijk, een vuist op de heup, mij strak aanziende.

--Je wilt me dooden, dat zie ik wel, zeide zij; het staat geschreven,

maar je zult me niet doen zwichten.

--Ik bid je, zeide ik, wees verstandig. Luister naar me, het verleden

is geheel vergeten. Toch weet je dat jij mij in het verderf hebt

gestort; om jou ben ik een dief en een moordenaar geworden. Carmen,

Carmen lief, laat ik jou redden en mij met jou!

--José, antwoordde zij, je verlangt het onmogelijke. Ik houd niet meer

van je; jij hebt me nog lief en daarom wil je mij dooden. Ik zou je

nog wel iets op de mouw kunnen spelden, maar ik wil mij de moeite niet

geven. Tusschen ons is alles afgedaan. Als mijn _rom_ heb je het recht

je _romi_ te dooden, maar Carmen zal altijd vrij zijn. Zij is _calli_

geboren, zij zal _calli_ sterven.

--Je hebt dus Lucas lief? vroeg ik.

--Ja, ik heb hem bemind evenals jou, een poosje, minder dan jou

misschien. Nu heb ik niets meer lief en ik haat mezelf, omdat ik van

jou gehouden heb.

Ik wierp mij aan haar voeten, ik nam haar handen en bevochtigde die

met tranen. Ik herinnerde haar aan al de gelukkige tijden die wij

samen hadden doorgebracht. Ik bood haar aan roover te blijven om haar

te behagen. Alles meneer, bood ik haar aan, als ze mij nog maar wilde

liefhebben!

--Je nog liefhebben, zeide zij, dat is onmogelijk. Met je leven wil ik

niet.--Woede maakte zich van mij meester. Ik trok mijn mes. Ik wilde

dat zij bang werd en mij om genade smeekte, maar die vrouw was een

demon.

--Voor de laatste maal, riep ik, wil je bij me blijven?

--Neen, neen, neen! zeide zij stampvoetend, en zij rukte van haar

vinger een ring dien ik haar had gegeven en wierp dien in de struiken.

Ik stak haar tweemaal met het mes van den Eenoog, dat ik had

meegenomen, daar het mijne was gebroken. Bij den tweeden stoot viel

ze, zonder een kreet. Ik zie nog haar groote zwarte oogen mij strak

aanzien, toen betrekken en zich sluiten. Meer dan een uur bleef ik als

verwezen bij het lijk. Toen herinnerde ik mij dat Carmen vaak had

gezegd, dat zij gaarne in een bosch zou willen begraven zijn. Ik

maakte een kuil met mijn mes en legde haar er in. Ik zocht lang naar

haar ring en vond hem ten slotte. Ik legde hem in den kuil naast haar,

met een klein kruis. Misschien deed ik verkeerd. Vervolgens steeg ik

te paard, galoppeerde naar Cordova en gaf mij bij de eerste hoofdwacht

aan. Ik zeide dat ik Carmen had gedood, maar wilde niet zeggen waar

haar lijk was. De kluizenaar was een heilig man. Hij heeft voor haar

gebeden! Hij heeft een mis voor haar ziel gelezen.... Arme meid! De

_Calé_ zijn de schuldigen, omdat zij haar aldus groot brachten.

Carmen(#34643) · 第 8 / 10 题