II.

Ik bracht eenige dagen te Cordova door. Men had mij gewezen op

een manuscript in de bibliotheek der Dominikaners, waarin ik

belangwekkende inlichtingen zou vinden over het oude Munda. Zeer

heusch ontvangen door de goede paters, bracht ik de dagen in

hun klooster door en 's avonds wandelde ik door de stad. Tegen

zonsondergang zijn er te Cordova tal van leegloopers op de kade

langs den rechteroever der Guadalquivir. Daar ademt men de geuren

in, opstijgend uit een looierij, die de oude faam van de streek voor

leerbereiding ophoudt; daarentegen geniet men er een schouwspel, dat

stellig niet zonder waarde is. Eenige minuten vóór het _angelus_ komt

een groot aantal vrouwen bijeen aan den oever der rivier onder aan

de kade, die vrij hoog is. Geen man zou het wagen zich bij haar te

voegen. Zoodra het _angelus_ klinkt, wordt het geacht avond te zijn.

Bij den laatsten klokslag ontkleeden zich al die vrouwen en gaan zij

te water. Dan is 't een geschreeuw, een gelach, een helsch lawaai.

Boven, van de kade kijken de mannen naar de badenden, zetten groote

oogen op en zien niet veel. Intusschen brengen die blanke, onbestemde

vormen, afstekend tegen het donkerblauw van den stroom, de poëtische

gemoederen aan het werken, en met een beetje verbeelding is het niet

moeilijk zich Diana en haar nimfen badend voor te stellen, zonder dat

men het lot van Acteon behoeft te duchten. Men heeft mij verteld,

dat eenige ondeugende rakkers op zekeren dag overeenkwamen den

klokkeluider van de Kathedraal om te koopen, zoodat hij het _angelus_

twintig minuten vóor den wettigen tijd liet slaan. Hoewel het nog

klaar dag was aarzelden de nimfen van de Guadalquivir niet, en meer

vertrouwende op het _angelus_ dan op de zon, maakten zij in alle

gerustheid haar bad-toilet dat altijd hoogst eenvoudig is. Ik was

daar niet bij. In mijn tijd was de klokkenluider onomkoopbaar, de

schemering weinig licht en een kat alleen zou de oudste koopvrouw in

sinaasappels hebben kunnen onderscheiden van de mooiste grisette van

Cordova.

Op zekeren avond, op een uur dat men niets meer ziet, rookte ik

geleund tegen de borstwering van de kade, toen een vrouw, de trap

die naar de rivier leidt opkomend, dicht bij mij kwam zitten. Zij had

een grooten ruiker jasmijnen in het haar, waarvan de bloembladen 's

avonds een bedwelmenden geur verspreiden. Zij was eenvoudig, ja bijna

armoedig gekleed, heelemaal in het zwart, zooals de meeste grisettes

des avonds. De fatsoenlijke vrouwen dragen alleen 's morgens zwart, 's

avonds kleeden zij zich _à la francesa_. Toen zij bij mij kwam, liet

mijn baadster de mantille die haar hoofd bedekte op haar schouders

glijden en _à l'obscure clarté qui tombe des étoiles_,[6] zag ik,

dat zij klein was, jong, welgemaakt en dat zij zeer groote oogen had.

Ik wierp dadelijk mijn sigaar weg. Zij begreep deze echt Fransche

beleefdheid en haastte zich mij te zeggen, dat zij veel hield van

den reuk van tabak en dat zij zelfs rookte, wanneer zij heel zachte

_papelitos_ kon vinden. Bij geluk had ik die in mijn koker en ik

haastte mij haar die aan te bieden. Zij verwaardigde zich er een te

nemen en stak die met een stuk brandend touw aan, dat een kind ons

voor een stuiver bracht. Terwijl onze rookwolken zich vermengden,

praatten wij zóo lang, de schoone baadster en ik, dat wij nagenoeg

alleen bleven op de kade. Ik meende niet opdringerig te zijn met haar

aan te bieden ijs te gaan gebruiken in de _neveria_[7]. Na een lichte

aarzeling nam zij aan; maar alvorens een besluit te nemen, wenschte

zij te weten hoe laat het was. Ik liet mijn horloge slaan en dat

scheen haar zeer te verbazen.

--Wat vindt men niet al uit bij u, heeren vreemdelingen! Van welk land

is u, meneer? U is zeker een Engelschman?[8]

--Franschman en uw onderdanige dienaar. En u mademoiselle of madame, u

is zeker van Cordova?

--Neen.

--U is toch een Andalusische. Aan uw zachte spraak zou ik dat zoo

zeggen.

--Indien u zoo goed let op het accent, moet u wel raden wat ik ben.

--U is, denk ik, van het land van Jezus, op twee pas van het paradijs.

(Ik had deze overdrachtelijke uitdrukking, waarmede Andalusië bedoeld

is, geleerd van mijn vriend Francisco Sevilla, een welbekend picador.)

--Kom, kom! Het paradijs.... de menschen hier zeggen, dat het voor ons

niet bestaat.

--Maar dan zoudt u een Moorsche zijn, of.... ik bleef steken, niet

durvend zeggen jodin.

--Kom, kom, u ziet wel dat ik een zigeunerin ben; zal ik u _la

baji_[9] zeggen? Heeft u wel eens hooren spreken van la Carmencita?

Die ben ik.

Ik was destijds zulk een onverlaat, dat is vijftien jaar geleden,

dat ik niet van schrik terugdeinsde omdat een tooveres naast mij

zat.--Komaan! zeide ik bij mezelf: verleden week soupeerde ik met een

struikroover, laat ons nu ijs gaan gebruiken met een dienares van den

duivel. Op reis moet men alles zien. Ik had nog een andere beweegreden

om deze kennismaking voort te zetten. Toen ik van de hoogeschool kwam,

ik beken het tot mijn schande, had ik eenigen tijd zoek gemaakt met

de studie der geheime wetenschappen en ik had zelfs meermalen beproefd

den geest der duisternis op te roepen. Sedert lang genezen van den

lust in dergelijke nasporingen, was er bij mij niettemin een zekere

nieuwsgierigheidsattractie overgebleven voor alle bijgeloof, en ik

maakte er mij een feest van te weten te komen hoever de tooverkunst

het gebracht had onder de zigeuners.

Al pratend waren wij de _neveria_ binnengegaan en we zetten ons aan

een kleine tafel, verlicht door een kandelaar, die in een glazen

ballon stak. Ik had toen al den tijd mijn _gitana_ op te nemen,

terwijl eenige brave menschen zich, onder het gebruiken van hun ijs,

verbaasden, mij in zulk goed gezelschap te zien.

Ik betwijfel sterk of mademoiselle Carmen van zuiver ras was; zij was

althans oneindig mooier dan alle vrouwen van haar natie, die ik ooit

heb ontmoet. Opdat een vrouw schoon zij, zeggen de Spanjaarden, moet

zij dertig _als_ in zich vereenigen, of, zoo men wil, moet men haar

kunnen beschrijven door tien bijvoegelijke naamwoorden voor telkens

drie deelen van haar persoon. Bijv. drie dingen aan haar moeten zwart

zijn: oogen, wenkbrauwen, oogharen; drie fijn: vingers, lippen, haren,

enz. Zie Brantôme over de rest. Mijn zigeunerin kon niet bogen op

zooveel volmaaktheden. Haar huid, wel is waar volkomen glad, was

bijkans koperkleurig. Haar oogen waren schuin, maar mooi en groot; de

lippen een beetje dik, maar wel besneden, lieten tanden zien witter

dan gepelde amandelen; de haren, een beetje grof misschien, waren

zwart met blauwen weerschijn als de vleugels van een raaf, lang en

glanzig. Om u niet met een al te uitvoerige beschrijving te vermoeien,

zal ik, om kort te gaan, zeggen, dat bij haar tegenover elk gebrek

een eigenschap stond, die misschien door het contrast te sterker

uitkwam. Het was een vreemde en woeste schoonheid, een gelaat dat

aanvankelijk verwondering wekte, maar dat men niet kon vergeten.

De oogen vooral hadden een uitdrukking, tegelijk wulpsch en schuw,

zooals ik die sedert dien in geen menschelijken blik gevonden heb.

Zigeuneroog, wolvenoog: dat is een Spaansch gezegde, dat van scherp

opmerken getuigt. Indien ge geen tijd hebt naar den Plantentuin te

gaan om den blik van een wolf te bestudeeren, zie dan naar uw kat als

hij op een musch loert.

Het zou natuurlijk belachelijk zijn geweest mij in een koffiehuis te

laten waarzeggen. Ik vroeg dan ook de mooie tooveres verlof haar naar

huis te vergezellen; zij stemde gereedelijk toe, maar wilde nogeens

weten, hoe laat het was, en zij vroeg mij nog eens mijn horloge te

laten slaan.

Is het heusch van goud? zeide zij, het met bijzondere aandacht

bekijkend.

Toen wij weer op weg gingen, was het stikdonkere nacht; de meeste

winkels waren gesloten en de straten bijna verlaten. Wij gingen over

de brug van de Guadalquivir en aan het eind van de buitenwijk hielden

wij stil voor een huis, dat er alles behalve als een paleis uitzag.

Een kind deed de deur open. De zigeunerin sprak het eenige woorden toe

in een mij onbekende taal, waarvan ik later wist, dat het de _rommani_

of _chipe calli_, de taal der _gitanos_ was. Onmiddellijk daarop

verdween het kind en we bleven achter in een vrij ruime kamer, waarin

zich een kleine tafel, twee stoeltjes zonder leuning en een koffer

bevonden. Laat ik niet vergeten een waterkruik, een hoop sinaasappels

en een bos uien.

Zoodra we alleen waren, haalde de zigeunerin uit den koffer kaarten,

die al veel schenen te zijn gebruikt, een magneet, een uitgedroogd

kameleon en eenige andere voorwerpen, die ze voor haar kunst noodig

had. Toen heette zij mij in mijn linkerhand het teeken van het kruis

te maken met een geldstuk en de tooverplechtigheden namen een aanvang.

Onnoodig u haar voorspellingen mede te deelen, en wat haar manier van

werken aangaat, het was duidelijk dat zij niet ten halve tooveres was.

Jammer genoeg werden we gestoord. Eensklaps werd de deur driftig

opengedaan en een man, tot aan de oogen in een bruinen mantel

gewikkeld, trad de kamer binnen en sprak de zigeunerin weinig

vriendelijk toe. Ik hoorde niet wat hij zeide, maar de toon van zijn

stem verried, dat hij erg uit zijn humeur was. Bij zijn aanblik toonde

de gitana noch verbazing noch toorn; zij liep hem tegemoet en sprak

met buitengewone radheid eenige volzinnen tot hem in dezelfde taal,

waarvan zij zich reeds in mijn tegenwoordigheid had bediend. Het

eenige woord dat ik begreep, was het vaak herhaalde _payllo_.

Ik wist, dat de zigeuners aldus ieder man noemen, die vreemd is aan

hun ras. Onderstellend dat het mij gold, verwachtte ik een lastige

uiteenzetting, reeds had ik de hand gelegd op den voet van een der

stoeltjes en ik overlegde met mijzelf om het juiste oogenblik te

raden, waarop ik het naar het hoofd van den indringer zou moeten

werpen. Deze duwde de zigeunerin ruw van zich weg en kwam op mij af;

toen week hij een pas terug en zeide:

--O, meneer, is u het!

Ik keek hem aan en herkende mijn vriend don José. Op dat oogenblik

speet het mij een beetje, dat ik hem niet had laten ophangen.

--Wat, zijt gij het, ouwe jongen! riep ik uit, zoo ongedwongen

mogelijk lachend; ge hebt mademoiselle gestoord juist toen zij mij

uiterst interessante dingen voorspelde.

--Altijd dezelfde! Daar zal 'n eind aan komen, mompelde hij, terwijl

hij haar woest aankeek.

Intusschen bleef de zigeunerin hem in haar taal toespreken. Zij werd

gaandeweg heftiger. Haar oogen werden met bloed beloopen en dreigend,

haar gezicht vertrok, zij stampvoette. Het scheen mij toe, dat zij er

sterk op aandrong, dat hij iets zou doen, waar hij tegen opzag. Wat

het was, ik meende het maar al te goed te begrijpen terwijl ik haar

kleine hand vlug heen en weer zag gaan onder haar kin. Ik was geneigd

te gelooven, dat er sprake was van het afsnijden van een keel en ik

had een vaag vermoeden, dat die keel de mijne was.

Op dien vloed van welsprekendheid antwoordde Don José slechts met twee

of drie woorden, zeer kortaf. De zigeunerin wierp hem daarop een blik

toe van diepe minachting; toen ging zij op haar hurken zitten in een

hoek van het vertrek, zij nam een sinaasappel, dien ze schilde en

begon te eten.

Don José nam mij bij den arm, deed de deur open en bracht mij op

straat. Wij liepen in het diepste zwijgen een paar honderd schreden,

toen stak hij de hand uit en zeide:

--Nu altijd maar rechtuit, dan komt u aan de brug.

Onmiddellijk daarop keerde hij mij den rug toe en verwijderde zich

snel. Een beetje uit het veld geslagen en tamelijk knorrig kwam ik in

mijn herberg terug. Het ergste was, dat ik bij het ontkleeden merkte,

dat mijn horloge zoek was.

Verschillende overwegingen weerhielden mij er van het den volgenden

dag te gaan opeischen, of mijnheer den corregidor[10] te verzoeken

het te doen opsporen. Ik voltooide mijn werk over het manuscript der

Dominikaners en vertrok naar Sevilla.

Na verscheiden maanden in Andalusië te hebben rondgedoold, wilde ik

naar Madrid terugkeeren en ik moest de reis maken over Cordova. Ik was

niet van plan daar lang te blijven, want ik had het land gekregen aan

die mooie stad en de baadsters van de Guadalquivir. Maar ik moest,

om eenige vrienden te bezoeken en eenige boodschappen te doen, mij

minstens drie of vier dagen in de oude hoofdstad der mohammedaansche

vorsten ophouden.

Zoodra ik mij weer vertoonde in het klooster van de Dominikaners,

ontving een der paters, die mij steeds groote belangstelling had

betoond, mij met open armen en hij riep:

--Geloofd zij de naam des Heeren! Wees welkom, waarde vriend. Wij

waanden u allen dood, en ik voor mij heb heel wat _paters_ en _aves_

voor uw zieleheil opgezegd--wat ik niet betreur. Dus u is niet

vermoord, want wij weten dat u bestolen is.

--Hoe zoo? vroeg ik hem een beetje verbaasd.

--Och, u weet wel, dat mooie repetitie-horloge dat u in de bibliotheek

liet slaan als we u zeiden dat het tijd was naar het koor te gaan.

Welnu, het is weergevonden, men zal het u teruggeven.

--Dat wil zeggen, viel ik hem een beetje verlegen in de rede, ik had

het verloren....

--De rekel is achter slot, en daar men wist, dat hij de man er naar

was een geweer te lossen op een christenmensch om hem een piécette[11]

af te nemen, waren we doodsbang, dat hij u had gedood. Ik zal met u

naar den corregidor gaan en we zullen zorgen dat u uw mooi horloge

terug krijgt. Zeg nu nog, als ge weer in uw land zijt, dat de

justitie in Spanje haar ambt niet verstaat!

--Ik beken, zeide ik, dat ik liever mijn horloge kwijt zou zijn, dan

voor het gerecht te getuigen om een armen drommel te doen ophangen,

vooral omdat.... omdat....

--O, wees zonder zorg, hij komt niet meer los en men kan hem niet

tweemaal ophangen. Als ik zeg ophangen, dan druk ik me verkeerd

uit. Die dief van u is een hidalgo; hij zal dus overmorgen worden

geworgd[12], zonder genade. U ziet dat een diefstal meer of minder

voor hem geen verschil zal maken. Gave God, dat hij alleen gestolen

had! maar hij heeft verscheidene moorden gepleegd, de een al

vreeselijker dan de andere.

--Hoe heet hij?

--Hij is in het land bekend onder den naam José Navarro; maar hij

heeft nog een anderen Baskischen naam, dien u of ik nooit zou kunnen

uitspreken. Kijk, het is een man dien het de moeite waard is te zien

en u, die gaarne het bijzondere van het land leert kennen, moet niet

verzuimen te weten te komen hoe de schurken in Spanje uit deze wereld

gaan. Hij is in de bidkapel en pater Martinez zal u er heen brengen.

De Dominikaner drong er zoo op aan, dat ik de toebereidselen zou zien

tot de _petit pendement pien choli_[13], dat ik moest toegeven. Ik

ging den gevangene bezoeken, voorzien van een pakje sigaren, dat hem,

naar ik hoopte, mijn onbescheidenheid zou doen vergeven.

Men bracht mij bij don José, op het oogenblik dat hij zijn maal

gebruikte. Hij knikte mij vrij koel met het hoofd toe en bedankte mij

beleefd voor het geschenk dat ik hem bracht. Na de sigaren van het

pakje, dat ik hem in handen had gegeven, te hebben geteld, nam hij er

eenige uit en gaf mij de overige terug, zeggend dat hij niet meer

noodig had.

Ik vroeg hem of ik met behulp van een beetje geld, of door den invloed

van mijn vrienden, niet eenige verzachting in zijn lot zou kunnen

bewerken. Eerst haalde hij de schouders op, droevig glimlachend; toen,

zich bezinnend, verzocht hij mij een mis te laten lezen voor het heil

van zijn ziel.

--Zoudt u, voegde hij er bedeesd bij, er nog een willen laten lezen

voor iemand die u kwaad heeft gedaan?

--Welzeker, mijn waarde, zeide ik; maar voor zoover ik weet heeft

niemand mij in dit land kwaad gedaan.

Hij nam mijn hand en drukte die met een ernstig gezicht. Na een

oogenblik stilte, hernam hij:

--Zou ik nog een dienst van u mogen vragen?... Wanneer u naar uw land

terugkeert, zult u misschien over Navarra gaan: u zult tenminste gaan

over Vittoria, dat er niet heel ver van af is.

--Ja, zeide ik, ik zal zeker over Vittoria gaan, maar het is niet

onmogelijk dat ik een omweg maak om Pampeluna te zien, en om uwentwil

zou ik dien omweg gaarne maken.

--Welnu, als u naar Pampeluna gaat, zult u daar veel zien dat u zal

interesseeren.... Het is een mooie stad.... Ik zal u deze medaille

geven (hij liet mij een kleine medaille zien die hij om den hals

droeg), u zult die in papier wikkelen.... hij zweeg een oogenblik

om zijn aandoening meester te worden.... en u zult die ter hand

stellen, of doen ter hand stellen aan een vrouwtje wier adres ik u

zal geven.--U zult zeggen, dat ik gestorven ben, maar niet hoe.

Ik beloofde zijn boodschap te doen. Ik zag hem den volgenden morgen

weer en bracht een deel van den dag bij hem door. Het is uit zijn mond

dat ik de volgende treurige avonturen vernam.

Carmen(#34643) · 第 7 / 10 题