Ik bracht eenige dagen te Cordova door. Men had mij gewezen op
een manuscript in de bibliotheek der Dominikaners, waarin ik
belangwekkende inlichtingen zou vinden over het oude Munda. Zeer
heusch ontvangen door de goede paters, bracht ik de dagen in
hun klooster door en 's avonds wandelde ik door de stad. Tegen
zonsondergang zijn er te Cordova tal van leegloopers op de kade
langs den rechteroever der Guadalquivir. Daar ademt men de geuren
in, opstijgend uit een looierij, die de oude faam van de streek voor
leerbereiding ophoudt; daarentegen geniet men er een schouwspel, dat
stellig niet zonder waarde is. Eenige minuten vóór het _angelus_ komt
een groot aantal vrouwen bijeen aan den oever der rivier onder aan
de kade, die vrij hoog is. Geen man zou het wagen zich bij haar te
voegen. Zoodra het _angelus_ klinkt, wordt het geacht avond te zijn.
Bij den laatsten klokslag ontkleeden zich al die vrouwen en gaan zij
te water. Dan is 't een geschreeuw, een gelach, een helsch lawaai.
Boven, van de kade kijken de mannen naar de badenden, zetten groote
oogen op en zien niet veel. Intusschen brengen die blanke, onbestemde
vormen, afstekend tegen het donkerblauw van den stroom, de poëtische
gemoederen aan het werken, en met een beetje verbeelding is het niet
moeilijk zich Diana en haar nimfen badend voor te stellen, zonder dat
men het lot van Acteon behoeft te duchten. Men heeft mij verteld,
dat eenige ondeugende rakkers op zekeren dag overeenkwamen den
klokkeluider van de Kathedraal om te koopen, zoodat hij het _angelus_
twintig minuten vóor den wettigen tijd liet slaan. Hoewel het nog
klaar dag was aarzelden de nimfen van de Guadalquivir niet, en meer
vertrouwende op het _angelus_ dan op de zon, maakten zij in alle
gerustheid haar bad-toilet dat altijd hoogst eenvoudig is. Ik was
daar niet bij. In mijn tijd was de klokkenluider onomkoopbaar, de
schemering weinig licht en een kat alleen zou de oudste koopvrouw in
sinaasappels hebben kunnen onderscheiden van de mooiste grisette van
Cordova.
Op zekeren avond, op een uur dat men niets meer ziet, rookte ik
geleund tegen de borstwering van de kade, toen een vrouw, de trap
die naar de rivier leidt opkomend, dicht bij mij kwam zitten. Zij had
een grooten ruiker jasmijnen in het haar, waarvan de bloembladen 's
avonds een bedwelmenden geur verspreiden. Zij was eenvoudig, ja bijna
armoedig gekleed, heelemaal in het zwart, zooals de meeste grisettes
des avonds. De fatsoenlijke vrouwen dragen alleen 's morgens zwart, 's
avonds kleeden zij zich _à la francesa_. Toen zij bij mij kwam, liet
mijn baadster de mantille die haar hoofd bedekte op haar schouders
glijden en _à l'obscure clarté qui tombe des étoiles_,[6] zag ik,
dat zij klein was, jong, welgemaakt en dat zij zeer groote oogen had.
Ik wierp dadelijk mijn sigaar weg. Zij begreep deze echt Fransche
beleefdheid en haastte zich mij te zeggen, dat zij veel hield van
den reuk van tabak en dat zij zelfs rookte, wanneer zij heel zachte
_papelitos_ kon vinden. Bij geluk had ik die in mijn koker en ik
haastte mij haar die aan te bieden. Zij verwaardigde zich er een te
nemen en stak die met een stuk brandend touw aan, dat een kind ons
voor een stuiver bracht. Terwijl onze rookwolken zich vermengden,
praatten wij zóo lang, de schoone baadster en ik, dat wij nagenoeg
alleen bleven op de kade. Ik meende niet opdringerig te zijn met haar
aan te bieden ijs te gaan gebruiken in de _neveria_[7]. Na een lichte
aarzeling nam zij aan; maar alvorens een besluit te nemen, wenschte
zij te weten hoe laat het was. Ik liet mijn horloge slaan en dat
scheen haar zeer te verbazen.
--Wat vindt men niet al uit bij u, heeren vreemdelingen! Van welk land
is u, meneer? U is zeker een Engelschman?[8]
--Franschman en uw onderdanige dienaar. En u mademoiselle of madame, u
is zeker van Cordova?
--Neen.
--U is toch een Andalusische. Aan uw zachte spraak zou ik dat zoo
zeggen.
--Indien u zoo goed let op het accent, moet u wel raden wat ik ben.
--U is, denk ik, van het land van Jezus, op twee pas van het paradijs.
(Ik had deze overdrachtelijke uitdrukking, waarmede Andalusië bedoeld
is, geleerd van mijn vriend Francisco Sevilla, een welbekend picador.)
--Kom, kom! Het paradijs.... de menschen hier zeggen, dat het voor ons
niet bestaat.
--Maar dan zoudt u een Moorsche zijn, of.... ik bleef steken, niet
durvend zeggen jodin.
--Kom, kom, u ziet wel dat ik een zigeunerin ben; zal ik u _la
baji_[9] zeggen? Heeft u wel eens hooren spreken van la Carmencita?
Die ben ik.
Ik was destijds zulk een onverlaat, dat is vijftien jaar geleden,
dat ik niet van schrik terugdeinsde omdat een tooveres naast mij
zat.--Komaan! zeide ik bij mezelf: verleden week soupeerde ik met een
struikroover, laat ons nu ijs gaan gebruiken met een dienares van den
duivel. Op reis moet men alles zien. Ik had nog een andere beweegreden
om deze kennismaking voort te zetten. Toen ik van de hoogeschool kwam,
ik beken het tot mijn schande, had ik eenigen tijd zoek gemaakt met
de studie der geheime wetenschappen en ik had zelfs meermalen beproefd
den geest der duisternis op te roepen. Sedert lang genezen van den
lust in dergelijke nasporingen, was er bij mij niettemin een zekere
nieuwsgierigheidsattractie overgebleven voor alle bijgeloof, en ik
maakte er mij een feest van te weten te komen hoever de tooverkunst
het gebracht had onder de zigeuners.
Al pratend waren wij de _neveria_ binnengegaan en we zetten ons aan
een kleine tafel, verlicht door een kandelaar, die in een glazen
ballon stak. Ik had toen al den tijd mijn _gitana_ op te nemen,
terwijl eenige brave menschen zich, onder het gebruiken van hun ijs,
verbaasden, mij in zulk goed gezelschap te zien.
Ik betwijfel sterk of mademoiselle Carmen van zuiver ras was; zij was
althans oneindig mooier dan alle vrouwen van haar natie, die ik ooit
heb ontmoet. Opdat een vrouw schoon zij, zeggen de Spanjaarden, moet
zij dertig _als_ in zich vereenigen, of, zoo men wil, moet men haar
kunnen beschrijven door tien bijvoegelijke naamwoorden voor telkens
drie deelen van haar persoon. Bijv. drie dingen aan haar moeten zwart
zijn: oogen, wenkbrauwen, oogharen; drie fijn: vingers, lippen, haren,
enz. Zie Brantôme over de rest. Mijn zigeunerin kon niet bogen op
zooveel volmaaktheden. Haar huid, wel is waar volkomen glad, was
bijkans koperkleurig. Haar oogen waren schuin, maar mooi en groot; de
lippen een beetje dik, maar wel besneden, lieten tanden zien witter
dan gepelde amandelen; de haren, een beetje grof misschien, waren
zwart met blauwen weerschijn als de vleugels van een raaf, lang en
glanzig. Om u niet met een al te uitvoerige beschrijving te vermoeien,
zal ik, om kort te gaan, zeggen, dat bij haar tegenover elk gebrek
een eigenschap stond, die misschien door het contrast te sterker
uitkwam. Het was een vreemde en woeste schoonheid, een gelaat dat
aanvankelijk verwondering wekte, maar dat men niet kon vergeten.
De oogen vooral hadden een uitdrukking, tegelijk wulpsch en schuw,
zooals ik die sedert dien in geen menschelijken blik gevonden heb.
Zigeuneroog, wolvenoog: dat is een Spaansch gezegde, dat van scherp
opmerken getuigt. Indien ge geen tijd hebt naar den Plantentuin te
gaan om den blik van een wolf te bestudeeren, zie dan naar uw kat als
hij op een musch loert.
Het zou natuurlijk belachelijk zijn geweest mij in een koffiehuis te
laten waarzeggen. Ik vroeg dan ook de mooie tooveres verlof haar naar
huis te vergezellen; zij stemde gereedelijk toe, maar wilde nogeens
weten, hoe laat het was, en zij vroeg mij nog eens mijn horloge te
laten slaan.
Is het heusch van goud? zeide zij, het met bijzondere aandacht
bekijkend.
Toen wij weer op weg gingen, was het stikdonkere nacht; de meeste
winkels waren gesloten en de straten bijna verlaten. Wij gingen over
de brug van de Guadalquivir en aan het eind van de buitenwijk hielden
wij stil voor een huis, dat er alles behalve als een paleis uitzag.
Een kind deed de deur open. De zigeunerin sprak het eenige woorden toe
in een mij onbekende taal, waarvan ik later wist, dat het de _rommani_
of _chipe calli_, de taal der _gitanos_ was. Onmiddellijk daarop
verdween het kind en we bleven achter in een vrij ruime kamer, waarin
zich een kleine tafel, twee stoeltjes zonder leuning en een koffer
bevonden. Laat ik niet vergeten een waterkruik, een hoop sinaasappels
en een bos uien.
Zoodra we alleen waren, haalde de zigeunerin uit den koffer kaarten,
die al veel schenen te zijn gebruikt, een magneet, een uitgedroogd
kameleon en eenige andere voorwerpen, die ze voor haar kunst noodig
had. Toen heette zij mij in mijn linkerhand het teeken van het kruis
te maken met een geldstuk en de tooverplechtigheden namen een aanvang.
Onnoodig u haar voorspellingen mede te deelen, en wat haar manier van
werken aangaat, het was duidelijk dat zij niet ten halve tooveres was.
Jammer genoeg werden we gestoord. Eensklaps werd de deur driftig
opengedaan en een man, tot aan de oogen in een bruinen mantel
gewikkeld, trad de kamer binnen en sprak de zigeunerin weinig
vriendelijk toe. Ik hoorde niet wat hij zeide, maar de toon van zijn
stem verried, dat hij erg uit zijn humeur was. Bij zijn aanblik toonde
de gitana noch verbazing noch toorn; zij liep hem tegemoet en sprak
met buitengewone radheid eenige volzinnen tot hem in dezelfde taal,
waarvan zij zich reeds in mijn tegenwoordigheid had bediend. Het
eenige woord dat ik begreep, was het vaak herhaalde _payllo_.
Ik wist, dat de zigeuners aldus ieder man noemen, die vreemd is aan
hun ras. Onderstellend dat het mij gold, verwachtte ik een lastige
uiteenzetting, reeds had ik de hand gelegd op den voet van een der
stoeltjes en ik overlegde met mijzelf om het juiste oogenblik te
raden, waarop ik het naar het hoofd van den indringer zou moeten
werpen. Deze duwde de zigeunerin ruw van zich weg en kwam op mij af;
toen week hij een pas terug en zeide:
--O, meneer, is u het!
Ik keek hem aan en herkende mijn vriend don José. Op dat oogenblik
speet het mij een beetje, dat ik hem niet had laten ophangen.
--Wat, zijt gij het, ouwe jongen! riep ik uit, zoo ongedwongen
mogelijk lachend; ge hebt mademoiselle gestoord juist toen zij mij
uiterst interessante dingen voorspelde.
--Altijd dezelfde! Daar zal 'n eind aan komen, mompelde hij, terwijl
hij haar woest aankeek.
Intusschen bleef de zigeunerin hem in haar taal toespreken. Zij werd
gaandeweg heftiger. Haar oogen werden met bloed beloopen en dreigend,
haar gezicht vertrok, zij stampvoette. Het scheen mij toe, dat zij er
sterk op aandrong, dat hij iets zou doen, waar hij tegen opzag. Wat
het was, ik meende het maar al te goed te begrijpen terwijl ik haar
kleine hand vlug heen en weer zag gaan onder haar kin. Ik was geneigd
te gelooven, dat er sprake was van het afsnijden van een keel en ik
had een vaag vermoeden, dat die keel de mijne was.
Op dien vloed van welsprekendheid antwoordde Don José slechts met twee
of drie woorden, zeer kortaf. De zigeunerin wierp hem daarop een blik
toe van diepe minachting; toen ging zij op haar hurken zitten in een
hoek van het vertrek, zij nam een sinaasappel, dien ze schilde en
begon te eten.
Don José nam mij bij den arm, deed de deur open en bracht mij op
straat. Wij liepen in het diepste zwijgen een paar honderd schreden,
toen stak hij de hand uit en zeide:
--Nu altijd maar rechtuit, dan komt u aan de brug.
Onmiddellijk daarop keerde hij mij den rug toe en verwijderde zich
snel. Een beetje uit het veld geslagen en tamelijk knorrig kwam ik in
mijn herberg terug. Het ergste was, dat ik bij het ontkleeden merkte,
dat mijn horloge zoek was.
Verschillende overwegingen weerhielden mij er van het den volgenden
dag te gaan opeischen, of mijnheer den corregidor[10] te verzoeken
het te doen opsporen. Ik voltooide mijn werk over het manuscript der
Dominikaners en vertrok naar Sevilla.
Na verscheiden maanden in Andalusië te hebben rondgedoold, wilde ik
naar Madrid terugkeeren en ik moest de reis maken over Cordova. Ik was
niet van plan daar lang te blijven, want ik had het land gekregen aan
die mooie stad en de baadsters van de Guadalquivir. Maar ik moest,
om eenige vrienden te bezoeken en eenige boodschappen te doen, mij
minstens drie of vier dagen in de oude hoofdstad der mohammedaansche
vorsten ophouden.
Zoodra ik mij weer vertoonde in het klooster van de Dominikaners,
ontving een der paters, die mij steeds groote belangstelling had
betoond, mij met open armen en hij riep:
--Geloofd zij de naam des Heeren! Wees welkom, waarde vriend. Wij
waanden u allen dood, en ik voor mij heb heel wat _paters_ en _aves_
voor uw zieleheil opgezegd--wat ik niet betreur. Dus u is niet
vermoord, want wij weten dat u bestolen is.
--Hoe zoo? vroeg ik hem een beetje verbaasd.
--Och, u weet wel, dat mooie repetitie-horloge dat u in de bibliotheek
liet slaan als we u zeiden dat het tijd was naar het koor te gaan.
Welnu, het is weergevonden, men zal het u teruggeven.
--Dat wil zeggen, viel ik hem een beetje verlegen in de rede, ik had
het verloren....
--De rekel is achter slot, en daar men wist, dat hij de man er naar
was een geweer te lossen op een christenmensch om hem een piécette[11]
af te nemen, waren we doodsbang, dat hij u had gedood. Ik zal met u
naar den corregidor gaan en we zullen zorgen dat u uw mooi horloge
terug krijgt. Zeg nu nog, als ge weer in uw land zijt, dat de
justitie in Spanje haar ambt niet verstaat!
--Ik beken, zeide ik, dat ik liever mijn horloge kwijt zou zijn, dan
voor het gerecht te getuigen om een armen drommel te doen ophangen,
vooral omdat.... omdat....
--O, wees zonder zorg, hij komt niet meer los en men kan hem niet
tweemaal ophangen. Als ik zeg ophangen, dan druk ik me verkeerd
uit. Die dief van u is een hidalgo; hij zal dus overmorgen worden
geworgd[12], zonder genade. U ziet dat een diefstal meer of minder
voor hem geen verschil zal maken. Gave God, dat hij alleen gestolen
had! maar hij heeft verscheidene moorden gepleegd, de een al
vreeselijker dan de andere.
--Hoe heet hij?
--Hij is in het land bekend onder den naam José Navarro; maar hij
heeft nog een anderen Baskischen naam, dien u of ik nooit zou kunnen
uitspreken. Kijk, het is een man dien het de moeite waard is te zien
en u, die gaarne het bijzondere van het land leert kennen, moet niet
verzuimen te weten te komen hoe de schurken in Spanje uit deze wereld
gaan. Hij is in de bidkapel en pater Martinez zal u er heen brengen.
De Dominikaner drong er zoo op aan, dat ik de toebereidselen zou zien
tot de _petit pendement pien choli_[13], dat ik moest toegeven. Ik
ging den gevangene bezoeken, voorzien van een pakje sigaren, dat hem,
naar ik hoopte, mijn onbescheidenheid zou doen vergeven.
Men bracht mij bij don José, op het oogenblik dat hij zijn maal
gebruikte. Hij knikte mij vrij koel met het hoofd toe en bedankte mij
beleefd voor het geschenk dat ik hem bracht. Na de sigaren van het
pakje, dat ik hem in handen had gegeven, te hebben geteld, nam hij er
eenige uit en gaf mij de overige terug, zeggend dat hij niet meer
noodig had.
Ik vroeg hem of ik met behulp van een beetje geld, of door den invloed
van mijn vrienden, niet eenige verzachting in zijn lot zou kunnen
bewerken. Eerst haalde hij de schouders op, droevig glimlachend; toen,
zich bezinnend, verzocht hij mij een mis te laten lezen voor het heil
van zijn ziel.
--Zoudt u, voegde hij er bedeesd bij, er nog een willen laten lezen
voor iemand die u kwaad heeft gedaan?
--Welzeker, mijn waarde, zeide ik; maar voor zoover ik weet heeft
niemand mij in dit land kwaad gedaan.
Hij nam mijn hand en drukte die met een ernstig gezicht. Na een
oogenblik stilte, hernam hij:
--Zou ik nog een dienst van u mogen vragen?... Wanneer u naar uw land
terugkeert, zult u misschien over Navarra gaan: u zult tenminste gaan
over Vittoria, dat er niet heel ver van af is.
--Ja, zeide ik, ik zal zeker over Vittoria gaan, maar het is niet
onmogelijk dat ik een omweg maak om Pampeluna te zien, en om uwentwil
zou ik dien omweg gaarne maken.
--Welnu, als u naar Pampeluna gaat, zult u daar veel zien dat u zal
interesseeren.... Het is een mooie stad.... Ik zal u deze medaille
geven (hij liet mij een kleine medaille zien die hij om den hals
droeg), u zult die in papier wikkelen.... hij zweeg een oogenblik
om zijn aandoening meester te worden.... en u zult die ter hand
stellen, of doen ter hand stellen aan een vrouwtje wier adres ik u
zal geven.--U zult zeggen, dat ik gestorven ben, maar niet hoe.
Ik beloofde zijn boodschap te doen. Ik zag hem den volgenden morgen
weer en bracht een deel van den dag bij hem door. Het is uit zijn mond
dat ik de volgende treurige avonturen vernam.