Ik had altijd vermoed, dat de geografen niet weten wat zij zeggen
wanneer zij het slagveld van Munda een plaats aanwijzen in het land
der Bastuli-Poeni, bij het moderne Monda, ongeveer twee mijl ten
noorden van Marbella. Naar mijn eigen conjecturen op den tekst van den
anoniemen schrijver van _Bellum Hispaniense_, en sommige inlichtingen
opgedaan in de voortreffelijke bibliotheek van den hertog van Ossuna,
meende ik in den omtrek van Montilla de gedenkwaardige plaats te
moeten zoeken, waar Caesar, voor de laatste maal, alles op éen kaart
zette tegen de aanhangers van de republiek. Toen ik mij in het begin
van den herfst van 1830 in Andalusië bevond, maakte ik een vrij lange
excursie om den twijfel die nog bij mij bestond op te helderen. Een
verhandeling, eerlang door mij uit te geven, zal, naar ik hoop, geen
onzekerheid meer laten bij alle archaeologen die te goeder trouw zijn.
In afwachting dat daardoor het aardrijkskundig probleem zal worden
opgelost dat geheel geleerd Euroop' in spanning houdt, wil ik u een
korte geschiedenis vertellen: zij staat geheel buiten de interessante
quaestie van de ligging van Munda.
Ik had te Cordova een gids en twee paarden gehuurd en was er op uit
getrokken met Caesar's _Commentaren_ en een paar hemden als eenige
bagage. Op zekeren dag dwalend in het hoogere gedeelte van de vlakte
van Cachena, uitgeput van vermoeidheid, versmachtend van den dorst,
geblakerd door een looden zon, verwenschte ik hartgrondig Caesar en
de zonen van Pompejus, toen ik, vrij ver van het pad dat ik volgde,
een kleine groene plek gewaar werd, hier en daar met biezen en riet.
Dat wees op de nabijheid van een beek. Inderdaad, toen ik naderbij
kwam, zag ik dat hetgeen een grasveldje leek, een stuk moerasland
was, waarin een beek uitliep, die, naar het scheen, kwam uit een
engte tusschen twee hooge rotsen van de Sierra de Cabra. Ik maakte
hieruit de gevolgtrekking, dat ik een beetje verderop frisscher
water zou vinden, minder bloedzuigers en kikkers, en misschien een
beetje schaduw te midden der rotsen. Aan den ingang der engte begon
mijn paard te hinniken en een ander paard, voor mij onzichtbaar,
beantwoordde dat aanstonds. Ik had nauwelijks honderd schreden
gedaan, of de engte verbreedde zich eensklaps en ik zag een soort van
natuurlijk circus, volkomen beschaduwd door de hoogte der omringende
steile hellingen. Onmogelijk een plek te vinden die den reiziger een
aangenamer pleisterplaats beloofde. Aan den voet van loodrechte rotsen
snelde de beek bruisend voort en stortte zich in 'n kleinen vijver met
sneeuwwit zand op den bodem. Vijf of zes mooie groene eiken, steeds
tegen den wind beschut en door het water verfrischt, rezen aan de
oevers op en wierpen er hun dichte schaduw over; en zacht, glanzend
gras beloofde een beter bed, dan men in eenige herberg op tien mijlen
in den omtrek had kunnen vinden.
Niet aan mij kwam de eer toe zulk een mooie plek te hebben ontdekt.
Toen ik daar kwam, lag er reeds een man te rusten en vermoedelijk
sliep hij. Gewekt door het gehinnik, was hij opgestaan en zijn paard
genaderd, dat van den slaap van zijn meester gebruik had gemaakt
om zich te goed te doen aan het gras in de nabijheid. Het was een
jonge man, van middelbare lengte maar die er stevig uitzag, met
een somberen, trotschen blik. Zijn gelaatskleur was misschien mooi
geweest, maar door de zon donkerder geworden dan zijn haren. In de
eene hand hield hij den halster van zijn paard, in de andere 'n
koperen karabijn[2]. Ik wil wel bekennen, dat dit vuurwapen en het
woest voorkomen van hem die het droeg mij aanvankelijk een beetje
deden ontstellen; maar ik geloofde niet meer aan roovers, omdat ik er
altijd van had hooren spreken en er nooit een ontmoet had. Bovendien
had ik zoovele eerzame pachters zich tot de tanden zien wapenen
om naar de markt te gaan, dat het zien van een vuurwapen mij geen
recht gaf aan het fatsoen van den onbekende te twijfelen. Bovendien,
zeide ik bij me zelf, wat zou hij hebben aan mijn hemden en mijn
Elzevier-uitgave der _Commentaren_? Ik knikte dus den man met het
vuurwapen gemeenzaam toe en vroeg hem glimlachend of ik hem in zijn
slaap had gestoord. Zonder te antwoorden nam hij mij van top tot teen
op; toen, als scheen hij voldaan met zijn onderzoek, bekeek hij even
aandachtig mijn gids, die naderbij kwam. Ik zag dezen verbleeken
en staan blijven, blijkbaar was hij verschrikt. Een ongewenschte
ontmoeting, dacht ik. Voorzichtigheid echter ried mij aanstonds geen
ongerustheid te toonen. Ik steeg van mijn paard, gelastte den gids af
te tuigen en, aan den rand van den vijver knielend, dompelde ik hoofd
en handen daarin; toen dronk ik een fiksche teug, plat op mijn buik
liggend evenals de slechte soldaten van Gideon.
Maar inmiddels hield ik mijn gids en den onbekende in het oog.
Eerstgenoemde kwam zeer schoorvoetend nader, de ander scheen niets
kwaads in den zin tegen ons te hebben, want hij had zijn paard weer
vrij gelaten en het vuurwapen, dat hij eerst horizontaal had gehouden,
was nu naar den grond gericht.
Daar ik niet meende mij te moeten ergeren over de weinige attentie
mij betoond, ging ik op het gras liggen en ik vroeg op ongedwongen
toon den man met het geweer of hij niet een tondeldoos bij zich
had. Tegelijkertijd bracht ik mijn sigarenkoker te voorschijn. Nog
altijd zonder te spreken, tastte de onbekende in zijn zak, nam zijn
tondeldoos en haastte zich vuur voor mij te maken. Blijkbaar werd hij
toeschietelijker, want hij ging tegenover mij zitten, zonder evenwel
zijn wapen weg te leggen. Toen mijn sigaar was aangestoken, koos ik de
beste van de mij nog overblijvende sigaren en vroeg hem of hij rookte.
--Ja, mijnheer, antwoordde hij. Dat waren de eerste woorden die hij
deed hooren en ik merkte op, dat hij de s niet op zijn andalusisch
uitsprak[3], waaruit ik opmaakte, dat hij een reiziger was evenals ik,
maar minder archaeoloog.
--Deze zal u zeker wel bevallen, zeide ik, hem een echte regalia van
Havana aanbiedend.
Hij maakte een lichte buiging met het hoofd, stak zijn sigaar aan de
mijne aan, bedankte mij andermaal met een knik, en begon toen te
rooken, blijkbaar met groot genot.
--Ha! riep hij, terwijl hij de eerste rookwolk langzaam door mond en
neus liet glijden, wat is het lang geleden, dat ik rookte!
In Spanje legt het geven en aannemen van een sigaar een band van
gastvrijheid, zooals in het Oosten het deelen van brood en zout. De
onbekende bleek spraakzamer dan ik had gehoopt. Voor het overige
scheen hij, hoewel hij zeide te wonen in het district Montilla,
de streek vrij slecht te kennen. Hij kende den naam niet van het
bekoorlijke dal waarin wij ons bevonden; hij kon geen naam noemen
van een der dorpen in den omtrek, en toen ik hem ten slotte vroeg
of hij niet in de buurt verwoeste muren, groote gebogen dakpannen,
gebeeldhouwde steenen had gezien, bekende hij nooit op zulke dingen
te hebben gelet. Daarentegen toonde hij zich ervaren op het stuk van
paarden. Hij critiseerde het mijne, wat niet moeilijk was, en vertelde
toen de afstamming van het zijne, dat uit de beroemde stoeterij van
Cordova kwam: inderdaad een nobel beest, zoo onvermoeid, volgens het
zeggen van zijn meester, dat hij eens dertig mijlen op één dag had
afgelegd, in galop of in sterken draf. Midden in zijn verhaal bleef de
onbekende plotseling steken, als verbaasd en geërgerd dat hij zich had
verpraat.
--Ziet u, ik had veel haast te Cordova te komen, hernam hij een beetje
verlegen. Ik moest de rechters voor een proces bewerken.... Onder het
spreken keek hij naar mijn gids Antonio, die de oogen neersloeg.
De schaduw en de beek deden mij zoo aangenaam aan, dat ik mij
herinnerde, dat mijn vrienden van Montilla in den knapzak van mijn
gids eenige sneden voortreffelijke ham hadden meegegeven. Ik liet
die brengen en noodigde den vreemdeling mee te doen aan het haastig
aangelegde maal. Zoo hij sinds lang niet had gerookt, het leek wel,
alsof hij in minstens acht en veertig uren niets had gebruikt. Hij at
haastig als een uitgehongerde wolf. Ik dacht, dat de voorzienigheid
den armen drommel had willen helpen door mij op zijn weg te brengen.
Mijn gids intusschen at weinig, dronk nog minder en praatte heelemaal
niet, hoewel hij zich van het begin van onze reis af had doen kennen
als een babbelkous van den eersten rang. De aanwezigheid van den gast
scheen hem te drukken en een zeker wantrouwen scheidde hen van
elkander, zonder dat ik met stelligheid de reden kon gissen.
Reeds was het laatste van het brood en de ham verdwenen; wij hadden
elk een tweede sigaar gerookt; ik gelastte den gids onze paarden te
zadelen en ik wilde van mijn nieuwen kennis afscheid nemen, toen hij
mij vroeg waar ik dacht den nacht door te brengen.
Nog vóor ik een teeken van mijn gids had opgemerkt, had ik geantwoord,
dat ik naar de herberg del Cuervo ging.
--Een slecht verblijf voor iemand als u, meneer..... Ik ga er heen en
als u het mij veroorlooft zullen wij samen gaan.
--Zeer gaarne, zeide ik te paard stijgend. Mijn gids, die den
stijgbeugel vast hield, gaf mij opnieuw een teeken met de oogen. Ik
antwoordde met een schouderophalen, als om hem te verzekeren, dat ik
volkomen gerust was en wij begaven ons op weg.
Antonio's geheimzinnige teekenen, zijn ongerustheid, sommige woorden
die den onbekende waren ontvallen, zijn rit van dertig mijlen vooral
en de weinig aannemelijke verklaring die hij daarvan had gegeven,
hadden mijn meening omtrent mijn reisgenoot reeds gevestigd. Ik
twijfelde er niet aan, dat ik te doen had met een smokkelaar,
misschien wel een dief; wat kon 't mij schelen? Ik kende het Spaansche
karakter genoeg om er volkomen zeker van te zijn, dat ik niets te
vreezen had van een man, die met mij had gerookt en gegeten. Zijn
tegenwoordigheid was zelfs een stellige bescherming tegen iedere
slechte ontmoeting. Bovendien vond ik het heel prettig te weten wat
een roover is. Men ziet dien niet dagelijks en er is een zekere
bekoring in de nabijheid te zijn van een gevaarlijk wezen, vooral als
men merkt dat hij zacht en getemd is.
Ik hoopte mijn onbekende gaandeweg tot vertrouwelijke mededeelingen te
brengen, en, ondanks de knipoogen van mijn gids, bracht ik het gesprek
op struikroovers. Er was destijds in Andalusië een berucht bandiet
José-Maria, van wiens bedrijven iedereen den mond vol had.--Als ik
eens José-Maria naast mij had? zeide ik bij mezelf.... Ik vertelde de
verhalen die ik van dezen held kende, trouwens alle tot zijn lof, en
gaf luide mijn bewondering te kennen voor zijn dapperheid en
edelmoedigheid.
--José-Maria is maar een schavuit, zeide de vreemdeling koeltjes.
--Laat hij zichzelf recht wedervaren, of is het overmaat van
bescheidenheid van zijn kant? vroeg ik mijzelf af; want door
mijn metgezel goed op te nemen, was ik er toe gekomen op hem het
signalement van José-Maria toe te passen, dat ik had gelezen op
aanplakbiljetten aan de poorten van menige stad in Andalusië.--Ja,
zeker, hij is het... Blond haar, blauwe oogen, groote mond, mooie
tanden, kleine handen; een fijn hemd, een fluweel wambuis met zilveren
knoopen, witleeren slobkousen, een bruin paard.... Er viel niet meer
aan te twijfelen. Maar laat ons zijn incognito eerbiedigen.
Wij kwamen in de herberg aan. Zij was zooals hij die mij had
beschreven, d. w. z. een van de armoedigste die ik nog had
aangetroffen. Een groot vertrek diende tot keuken, tot eetzaal en tot
slaapkamer. Op een platten steen brandde een vuur midden in de kamer
en de rook ging door een gat, in het dak aangebracht; of liever hij
bleef hangen, een wolk vormend eenige voeten boven den grond. Langs
de muren zag men vijf of zes oude dekken van muilezels op den grond
liggen: dat waren de bedden voor de reizigers. Op twintig pas van het
huis of liever van het eenige vertrek dat ik zooeven beschreef, stond
een soort schuur, die tot stal diende. In dit bekoorlijk verblijf
waren geen andere menschelijke wezens, althans voor het oogenblik, dan
een oude vrouw en een klein meisje van tien tot twaalf jaar, beiden
roetkleurig en in afschuwelijke lompen gekleed.--Ziedaar alles wat
over is, zeide ik tot mezelf, van de bevolking van het oude Munda
Boetica! O, Caesar! O, Sextus Pompejus! hoe verbaasd zoudt ge zijn
als gij weer op de wereld kwaamt!
Toen de oude vrouw mijn metgezel zag, liet zij zich een uitroep van
verbazing ontvallen.
--Ha, senor don José! riep zij uit.
Don José fronste het voorhoofd en hief met een gebaar van gezag de
hand op, wat de oude onmiddellijk tot zwijgen bracht. Ik keerde
mij tot mijn gids en bracht hem met een onmerkbaar teeken aan het
verstand, dat hij mij niets behoefde te vertellen over den man, met
wien ik den nacht zou doorbrengen. Het avondeten was beter dan ik had
verwacht. Op een kleine tafel, een voet hoog, zette men ons een ouden
haan voor, met rijst en veel specerijen gestoofd, vervolgens Spaansche
peper met olie toebereid, en ten slotte een gekruide sla: _gaspacho_.
Drie aldus gekruide gerechten noodzaakten ons vaak te grijpen naar
een leeren zak met Montilla-wijn, die heerlijk bleek te zijn. Na te
hebben gegeten, een mandoline ziende, die aan den muur hing--men vindt
in Spanje overal mandolines--vroeg ik het kleine meisje, dat ons
bediende, of zij er op kon spelen.
--Neen, antwoordde zij; maar don José speelt er zoo mooi op!
--Wees zoo goed, zeide ik tot hem, mij iets voor te zingen; ik ben
verzot op uw nationale muziek.
--Ik kan niets weigeren aan een zoo beleefd heer, die mij zulke
heerlijke sigaren geeft, riep don José goedgeluimd uit; hij liet zich
de mandoline brengen en begon te zingen, zich zelf begeleidend. Zijn
stem was grof maar toch aangenaam, wat hij zong melancholiek en
vreemd; wat den tekst aangaat, ik begreep er geen woord van.
--Als ik mij niet vergis, zeide ik hem, is het geen Spaansche wijs,
die u daar gezongen hebt. Ze lijkt op de _zorzicos_,[4] die ik heb
gehoord in de _Provincies_[5], en de tekst moet Baskisch zijn.
--Ja, antwoordde don José somber. Hij legde de mandoline neer en met
de armen over elkaar, begon hij naar het uitdoovend vuur te kijken,
met een wonderlijke uitdrukking van treurigheid op het gelaat, dat,
beschenen door een lamp op de kleine tafel gezet, nobel en woest
tegelijk, mij deed denken aan den Satan van Milton. Misschien dacht
mijn metgezel evenals deze aan het verblijf, dat hij had verlaten, aan
de ballingschap het gevolg van een misstap. Ik trachtte het gesprek
weer aan den gang te brengen, maar verdiept als hij was in zijn
treurige gedachten, antwoordde hij niet. De oude had zich reeds ter
ruste begeven in een hoek van het vertrek, afgeschoten door een deken
met gaten, die over een touw gespannen was. Het kleine meisje was haar
gevolgd in deze voor de schoone sekse bestemde wijkplaats. Mijn gids
stond nu op en verzocht mij hem naar den stal te volgen; maar dit
hoorend, vroeg don José als iemand die wakker is geschrikt, hem norsch
waar hij heen ging.
--Naar den stal, antwoordde de gids.
--Waartoe? De paarden hebben voeder. Slaap hier, meneer zal dat wel
goed vinden.
--Ik vrees dat het paard van meneer ziek is; ik zou wel willen dat
meneer het zag; misschien weet hij, wat er aan gedaan moet worden.
Blijkbaar wilde Antonio mij onder vier oogen spreken; maar ik had niet
veel lust bij don José argwaan te wekken, en zooals de zaken tusschen
ons stonden leek het mij het verstandigst het grootst vertrouwen te
toonen. Ik zeide dan ook tot Antonio, dat ik heelemaal geen verstand
had van paarden en dat ik lust had te slapen. Don José volgde hem naar
den stal, waaruit hij weldra alleen terug kwam. Hij zeide mij, dat
het paard niets mankeerde, maar dat mijn gids het zulk een kostbaar
beest vond, dat hij het met zijn buis wreef om het aan het zweeten te
krijgen, en dat hij den nacht met deze aangename bezigheid dacht door
te brengen. Ik had mij inmiddels uitgestrekt op de muilezeldekken, na
mij met zorg in mijn mantel te hebben gewikkeld om er niet mee in
aanraking te komen. Nadat hij mij verschooning had gevraagd voor de
vrijheid die hij nam, naast mij te gaan rusten, legde don José zich
voor de deur neer; te voren had hij de lont vernieuwd op zijn geweer,
dat hij onder den knapzak stak, die hem tot oorkussen diende. Vijf
minuten nadat wij elkander goeden nacht hadden gewenscht, waren wij
beiden in diepe rust.
Ik meende vermoeid genoeg te zijn om in zulk een verblijf te kunnen
slapen; maar na een uur werd ik door zeer onaangename jeukingen uit
mijn eersten slaap gewekt. Zoodra ik begreep waarmee ik te doen had,
stond ik op, overtuigd dat het beter was het overige van den nacht
onder den blooten hemel door te brengen dan onder dit ongastvrij dak.
Op mijn teenen loopend, bereikte ik de deur, stapte over de rustplaats
van don José, die den slaap des rechtvaardigen sliep, en ik slaagde er
in uit het huis te komen, zonder dat hij wakker werd. Bij de deur was
een groote houten bank; ik strekte mij daarop uit en richtte mij zoo
goed het ging in om den nacht verder door te brengen. Ik was op het
punt voor den tweeden keer de oogen te sluiten, toen ik voor mij
meende te zien voorbijgaan de schaduw van een man en die van een
paard, die beiden liepen zonder het minste gedruisch te maken. Ik ging
rechtop zitten en meende Antonio te herkennen. Verbaasd hem op zulk
een uur buiten den stal te zien, stond ik op en ging hem tegemoet. Hij
was stil blijven staan, daar hij mij aanstonds had opgemerkt.
--Waar is hij? vroeg mij Antonio met zachte stem.
--In de herberg; hij slaapt; hij is niet bang voor luizen. Waarom neem
je dit paard mee?
Ik merkte toen, dat om geen gedruisch te maken bij het verlaten van de
schuur, Antonio de pooten van het paard zorgvuldig met stukken van een
oud dek had omwikkeld.
--Spreek zachter, zeide Antonio, in 's hemelsnaam. U weet niet wie die
man is. Het is José Navarro, de bekendste bandiet van Andalusië. Den
heelen dag gaf ik u teekens, die u niet wilde begrijpen.
--Bandiet of niet, wat doet het er toe? antwoordde ik. Hij heeft ons
niet bestolen en ik wil wedden dat hij daaraan niet denkt.
--Dat kan wel; maar er zijn tweehonderd dukaten uitgeloofd voor hem
die den man aangeeft. Ik weet dat er een wachtpost is anderhalve mijl
van hier, en vóor het dag is, zal ik eenige flinke kerels meebrengen.
Ik zou zijn paard wel hebben genomen, maar dat is zoo lastig, dat
alleen Navarro het naderen kan.
--De duivel hale je! zeide ik. Wat voor kwaad heeft die arme kerel je
gedaan, om hem aan te geven? En dan, ben je wel zeker, dat hij de
roover is, van wien je spreekt?
--Volkomen zeker; straks was hij mij in den stal gevolgd en toen zei
hij: »Je schijnt mij te kennen; als je dien goejen heer zegt wie ik
ben, jaag ik je een kogel door het hoofd.« Blijft u bij hem, meneer;
u heeft niets te vreezen. Zoolang hij weet dat u er is, zal hij geen
wantrouwen koesteren.
Al sprekend waren wij al zoo ver van de herberg gekomen, dat men de
hoefslagen van het paard niet had kunnen hooren. Antonio had in een
oogwenk de pooten uit de vodden losgewikkeld; hij maakte zich gereed
op te stijgen. Ik trachtte hem tegen te houden met verzoeken en
bedreigingen.
--Ik ben een arme drommel, meneer, zeide hij; tweehonderd dukaten zijn
niet te versmaden, vooral wanneer het geldt het land van zulk gespuis
te bevrijden. Maar wees op uw hoede; als Navarro wakker wordt zal hij
naar zijn wapen grijpen en pas dan op! Ik ben te ver gegaan om terug
te keeren, u moet maar zien wat u doet.
De rekel was in het zadel, hij gaf zijn paard de sporen en weldra had
ik hem in de duisternis uit het oog verloren.
Ik was zeer boos op mijn gids en tamelijk bezorgd. Na een oogenblik
te hebben nagedacht, nam ik een besluit en ging terug naar de herberg.
Don José sliep nog, zeker aldus bekomend van de vermoeienissen en
nachtwaken van verscheidene gevaarvolle etmalen. Ik was genoodzaakt
hem met kracht te schudden om hem wakker te krijgen. Nooit zal ik zijn
woesten blik vergeten en de beweging die hij maakte om naar zijn wapen
te grijpen, dat ik, bij wijze van voorzorg, op eenigen afstand van
zijn rustplaats had gelegd.
--Meneer, zeide ik, ik vraag u verschooning, dat ik u wakker maakte;
maar ik heb u een dwaze vraag te doen: Zoudt u het heel prettig vinden
als een half dozijn lansiers hier kwamen?
Hij sprong op en vroeg met een geweldige stem:
--Wie heeft u dat gezegd?
--Het doet er weinig toe van wien de waarschuwing komt, als ze maar
goed is.
--Uw gids heeft mij verraden. Ik zal het hem betaald zetten. Waar is
hij?
--Dat weet ik niet.... Ik denk in den stal.... maar iemand heeft mij
gezegd....
--Wie heeft u gezegd?.... Het kan niet de oude vrouw zijn....
--Iemand dien ik niet ken.... Maar genoeg gepraat: heeft u al dan niet
redenen om de soldaten liever niet af te wachten? Zoo ja, verlies dan
geen tijd; zoo neen, dan goeden nacht en neem het mij niet kwalijk u
in uw slaap te hebben gestoord.
--O, die gids van u, die gids van u! Ik had hem al dadelijk niet
vertrouwd.... maar.... ik zal hem wel krijgen!.... Vaarwel, meneer,
God vergelde u den dienst dien u mij bewijst. Ik ben niet zoo slecht
als waarvoor u me houdt.... ja, er is nog iets in mij dat het
medelijden van een fatsoenlijk man verdient..... Vaarwel, meneer,....
het spijt me maar, dat ik het u niet kan vergelden.
--Beloof mij, don José, als belooning voor den dienst dien ik u
bewezen heb, niemand te verdenken en niet op wraak te zinnen. Ziehier
sigaren voor onderweg; goede reis! En ik reikte hem de hand.
Hij drukte die zonder te antwoorden, nam wapen en knapzak en na in een
taaltje dat ik niet kon verstaan eenige woorden tot de oude vrouw te
hebben gesproken, liep hij naar de schuur. Eenige oogenblikken later
hoorde ik hem buiten galoppeeren.
Wat mij aangaat, ik ging weer op mijn bank liggen, maar ik sliep
niet weer in. Ik vroeg mijzelf af, of ik wel had gedaan met een
dief, misschien wel een moordenaar van de galg te redden, en alleen
omdat ik ham en rijst »à la valencienne« met hem had gegeten. Had
ik niet mijn gids verraden die voor de wet opkwam, had ik hem niet
blootgesteld aan de wraak van een booswicht? Maar de plichten der
gastvrijheid!.... Vooroordeel van een wilde, zeide ik tot mezelf;
ik zal de verantwoording dragen voor alle misdrijven die de bandiet
zal begaan.... Maar is 't wel een vooroordeel, dat instinct van het
geweten, dat met alle redeneering spot? Misschien was de moeilijke
toestand waarin ik mij bevond wel een, waaruit ik me niet zonder
wroeging kon redden. Nog verkeerde ik in de grootste onzekerheid
aangaande het rechtmatige van hetgeen ik had gedaan, toen ik een half
dozijn ruiters zag verschijnen met Antonio, die zich voorzichtig op
den achtergrond hield. Ik ging hun tegemoet en verwittigde hen, dat de
bandiet al meer dan twee uur op de vlucht was gegaan. De oude vrouw
antwoordde op de vragen van den brigadier, dat zij Navarro kende, maar
dat zij, alleen wonend, nooit haar leven had durven wagen door hem
aan te geven. Zij voegde er bij, dat, als hij bij haar kwam, het zijn
gewoonte was midden in den nacht te vertrekken. Wat mij betreft, ik
moest eenige mijlen verder mijn pas laten zien en een verklaring
teekenen voor een schout, waarna men mij toestond mijn archaeologische
nasporingen voort te zetten. Antonio bleef mokken tegen me; hij
verdacht mij hem te hebben belet de tweehonderd dukaten op te
strijken. We gingen intusschen te Cordova in goede verstandhouding
van elkaar; daar gaf ik hem een fooi zoo groot als de staat mijner
financiën het maar toeliet.
.. .. .. .. .. .. .. .. .. ..