Onze Ministers zyn belast met de uitvoering."

Zóó zegt de wet, myne heeren! En gy zoudt die wet, die heerlyke

onvolprezen wet afkeuren? Ge zoudt ... maar neen ... ik verwacht

iets anders van uwe vaderlandsliefde. Ik heb gesproken met

overtuiging. Mocht ik hier-of-daar, in 't vuur der improvisatie,

iemand hebben gekrenkt of beleedigd, ik vraag daarvoor verschooning,

myne heeren! Ik verzeker al de heeren in 't algemeen van m'n zeer

byzondere hoogachting, en hiermede ... ik heb gezegd!

Anders:

»Ik zou het woord niet hebben gevraagd, myne heeren, dewyl de

behandelde zaak geheel-en-al buiten myn werkkring ligt, wanneer ik my

niet verplicht voelde ernstig te protesteeren tegen de insinuatiën

die er misschien zouden kunnen gelegen hebben in de woorden van den

geachten spreker uit X., wiens doorwrochte redevoering ik niet heb

kunnen verstaan. De heilige zaak die ik op my nam--in onze sociëteit de

Gezelligheid--toen al de leden ... toen al de Kiezers my de belangen

opdroegen van ons distrikt, verbindt my tot de verklaring dat ik

niets toestem van wat er in die redevoering misschien stuitends of

onaangenaams mocht voorkomen voor de leden der ... voor de Kiezers

van myn distrikt. Ik behoud my 't recht voor, hierop terugtekomen,

zoodra ik wellicht te-eeniger-tyd zal mogen vernemen wat de spreker

uit X.--wien ik persoonlyk de meeste achting toedraag--eigenlyk

gezegd heeft.

En, myne heeren, wat de voorgestelde wet aangaat, met het oog op

de heilige afspraken die ik maakte met den kruienier op ons dorp,

verklaar ik plechtig, vóór die wet te zullen stemmen, zoodra de

Regeering kan goedvinden het getal der avatara's van onze geachte

runderen te bepalen op drie.

Myn geweten schryft me dit amendement gebiedend voor, en de

conciërge--voor wien ik persoonlyk de grootste achting heb--zal iets

in dien smaak deponeeren op 't bureau."

Anders:

»Het goede, myne heeren! By ons in den achterhoek--het zy gezegd

zonder den minsten blaam te willen werpen op andere hoeken--by ons

leven wy voor 't goede. De voorgestelde wet is door al m'n Kiezers,

wat de strekking aangaat, met genoegen vernomen. En ikzelf zou daarmede

instemmen, wanneer ik niet de eer had (hier moet de spreker buigen naar

de rechterzy, en naar de linkerzy, en naar 't midden) wanneer ik niet,

zoo als ik de eer had te zeggen, de eer had Lid te zyn van deze Kamer,

welker leden ik allen persoonlyk de meeste achting toedraag.

De zaak is deze, myne heeren!

Wat zegt de wet die ons wordt voorgelegd door den tegenwoordigen

minister, wien ik persoonlyk de meeste achting toedraag? Die wet zegt:

»gehoord enz.» »te bepalen dat alles goed zal zyn.»

En, myne heeren, de ministers moeten dat uitvoeren. Nog-eens, myne

heeren, al m'n Kiezers--en zelfs de kastelein van onze sociëteit,

'n man van zaken!--al m'n kiezers keuren de strekking van die wet

goed. Maar, myne heeren, ikzelf als lid van deze Kamer, welker leden

ik allen persoonlyk de meeste achting toedraag, ikzelf stem tegen de

redactie. Immers zoodra eens-voor-altyd al 't goede zal vastgesteld

wezen, zoodra eens-vooral de ministers zullen belast zyn met de

uitvoering van alles goeds, zullen er geen latere wetten meer noodig

zyn. En, myne heeren, met de hand op m'n mandaat, met het oog op den

zetel des voorzitters, met den mond geopend als tot het doen eener

vernietigende, verpletterende, tegen-zelfmoord-waarschuwende vraag,

voel ik me verplicht u voortehouden:

Waar blyven wy dan?

(eenige poozen. Aandoening. Beweging. Onsteltenis en suikerwater.)

Vergeeft me, myne heeren, 't onwillekeurig afbreken myner rede. Men is

Lid van de Kamer, ja, maar men is ook mensch. Ik zal voortgaan. Ik zal

trachten m'n hartstochten te betoomen naar behooren. Ik zal gebruik

maken van 't voorschrift diens grooten meesters in de redeneerkunst,

die den redenaar tot eersten plicht maakt niet te schreien onder

't preeken, en ik zal u, zonder tranen, maar even bewogen als-óf ik

schreide, nogmaals vragen:

Waar blyven wy dan?

Ja, ik vraag u, Leden van deze Kamer, die ik allen persoonlyk zoo

byzonder hoogacht, wanneer eens-vooral het goede ... al het goede

... niets dan 't goede, ware vastgesteld by de wet ... ik vraag het

u in 's hemels naam:

Waar blyven wy dan?

(Indruk. Verpoozing. Rumoer. De spreker geeft 'n teeken aan de

»juffrouw" op de tribune, die hy 'n kaartje gaf onder verband van

flauwvallen. Ze valt flauw. Opschudding. De »juffrouw" is weggebracht

door twee knechts, voor wie ze persoonlyk de meeste achting heeft. De

spreker gaat voort met wat hols in de stem).

Waar blyven wy dan. Ik heb persoonlyk de meeste achting voor al de

leden, maar ik durf, ja, ik moet hun ernstig en plechtig--en dezen

keer zelfs kort en goed--afvragen: waar ze blyven zouden?

Gy, geacht medelid uit Z ... waar zoudt gy blyven? Zou men op uw dorp

genoegen scheppen in uw omgang, nadat ge hier finaal hebt afgeleerd

verstaanbaar te spreken?

Gy, even-geacht medelid uit Y ... denkt ge dat de opzieners uwer

fabriek u zouden verstaan, begrypen, gehoorzamen, nadat ge u in

deze eerbiedwaardige vergadering met zooveel succes hebt geoefend

in onbegrypelykheid?

En gy, nog geachter medelid uit X.--dit zy gezegd zonder de minste

bedoeling om mindere achting uittedrukken voor de andere leden,

die ik, ieder voor zich, nog meer acht dan ik al de andere te-zamen

acht--gy, boven alles geacht lid uit X., meent ge dat uwe vrouw, die

met PRUD'HOMME uwe verkiezing den eeresabel van haar hart noemde,

meent ge dat zy u by ongekozen terugkeer, zou tegenwalmen met de

vrouwenziel-kenmerkende juichtonen die geschreven staan in 't vrouwen

onderdanigheid-voorschryvende artikel des burgelyken wetboeks? Meent

ge dat de herboren onderdanigheid--herboren op den oogenblik uwer

roemryke apothéose in de Gezelligheid--meent ge dat die herboring

niet zou neêrvallen, in-eenzakken, vervliegen en verdampen, zoodra ze

in u omarmen moest een aan 't strand gespoeld, gebersten, bedorven,

gespleten, vergaan, geknakt, gescheurd, bemorst, kleurloos, vormloozig,

onbruikbaar stuk houts, dat deel maakte van 't verongelukte vaartuig

onzes dierbaren parlements, voor welks leden ik persoonlyk de meeste

achting gevoel?

Meent gy geachte spreker uit X, dat de kinderen in uwe stad,

en de dochteren van de arbeiders uwer stokeryen, uwer spinneryen,

uwer bouwlanden en uwer branderyen: meent ge dat die allen u zullen

tegemoetstroomen met zoetgalmend gejuich? Meent ge dat de turfdragers

ten-uwent de paarden zullen afspannen van uw wagen, als ge ongekamerd

terugkeert? Denkt ge dat de notaris en de ontvanger u 'n feest zullen

aanbieden, 'n feest met schildpadsoep, met toasten en leve-de-konings,

alsof gyzelf de koning waart? Denkt ge dat één boer u zal toeroepen:

»gnavend samen» als-i weet dat ge door de thans voorgestelde wet

zyt veroordeeld tot overbodigheid? Meent ge dat de burgemeester u de

vuurtest zal reiken voor uw pyp, als die pyp in treurige kamerloosheid

niet meer branden mag tot heil van 't vaderland! Meent gy in 't eind

... doch wat behoef ik verder te vragen, geacht lid uit X ... ik

zie dat gy getroffen zyt. Ik zie dat m'n rede uit het hart is gegaan

tòt het hart, en ik zal de fyngevoeligheid der vergadering--welker

leden ik allen persoonlyk de meeste achting--de yselykheden sparen der

schildering van 't lot dat ons allen wacht ... wanneer de voorgestelde

wet mocht tot-stand komen.

Maar zeer geachte leden, het is niet de strekking dezer wet, het is de

gebrekkige redaktie die over ons al de ellende zou uitstrooien waarop

ik nu nog slechts ter-loops gewezen heb, doch die my stof geven zou

tot 'n redevoering, nog langer dan de andere ... die ge nooit kunt

vergeten omdat gy ze nooit hebt gehoord.

De redactie deugt niet, myne heeren! Al m'n kiezers zyn 't hierover

eens. En zelfs onze kastelein ... (onhoorbaar). Wel mocht al het goede

worden vastgesteld by de wet, maar, myne heeren zeer geachte medeleden,

dit moet niet geschieden by ééne wet!

Juicht, geachte medeleden uit X, uit Y, uit Z ... juicht! Schryft

aan uwe vrouwen, boeren, arbeiders, Kiezers en medeleden van alle

mogelyke Gezelligheden: al het »goede» zal worden vastgesteld by

de wet en tòch zal er altyd 'n parlement noodig zyn, tòch zal er,

altyd-door, behoefte wezen aan nieuwe wetten.

De aantooning hiervan, myne Heeren, zal me stof geven tot het tweede

deel myner redevoering.

(Verbazing en suikerwater).

Ja, al »het goede» zal worden bepaald, vastgesteld, geschapen door

de wet! Maar, zeer geachte leden, dit alles moet niet geschieden door

ééne wet.

De thans voorgestelde getuigt van eene onvergeeflyke, in bureau-mannen

onbegrypelyke--en, ik moet dit erkennen, zeer ongewone--kortheid. Ze

moet worden afgestemd, doch onder uitdrukkelyke verklaring dat de

kamer zich geheel-en-al vereenigt met het principe des Ministers,

voor wien de Leden der Kamer persoonlyk de meest mogelyke achting

koesteren. Vervolgens behooren wy dien Minister--ditmaal onder

betuiging onzer zeer byzondere achting--in overweging te geven, het

"goede" te verdeelen in zooveel onderdeelen als eenigszins mogelyk is,

om dan voor elk onderdeel een nieuwe op-zichzelf-staande wet ter-tafel

te brengen.

Ziedaar, geachte medeleden, de oplossing van het vraagstuk, hoe

wy al het "goede" kunnen vaststellen by de wet, en toch altyd-door

behoefte blyven houden aan nieuwe wetten, dat is: aan geachte leden

van dit parlement.

(Hier wenkt de spreker naar de tribune. Gejuich op de tribune.)

Wat my betreft, myne heeren zeer geachte medeleden, ik wil toonen

dat ik 'n man van zaken ben, 'n vyand van holle theoriën: en 'n vurig

aanhanger tevens van onze gezegende grondwet, het kostbaar instrument

dat aan 'n zeventigtal ingezetenen, die wellicht anders voor 'n groot

deel niets zouden wezen, den schyn waarborgt dat ze iets zyn.

Ja, myne heeren, dit wil ik u toonen. Ofschoon ik eigenlyk kapitalist

van beroep, en dus niet gewoon ben my intelaten met het oplossen

van moeielyke vraagstukken, heb ik den weinigen tyd dien myn

bedryvige werkkring my overlaat, benuttigd om 'n twintigtal wetten

uittedenken, die allen het "goede" bevorderen, wat zeg ik, die het

"goede" vaststellen. 't Spreekt vanzelf, myne heeren, dat er nog meer

te maken zyn ... dit is 't voornaamste! Schryft gerust naar huis,

dat het onderwerp niet Kamer-vernietigend uitgeput is. Volstrekt

niet! Onze kastelein ...

(Hier behoort de spreker te hoesten. Hy haalt 'n rol uit den zak

en leest:)

Eerste wet. Alle jonge dochters zullen, te beginnen met ... gy begrypt

toch myne heeren, dat de tyd van ingang afhangt van 't oogenblik waarop

de wet behandeld wordt? Ook verzoek ik verschoond te mogen blyven van

de herhaling der clausule dat de Ministers zullen zorg-dragen voor de

uitvoering. Eens-voor-altyd, de ministers voeren alles uit. Alle jonge

dochters dan, zullen voortaan zachtmoedig zyn, geduldig, inschikkelyk,

tevreden en schoon.

Nota van toelichting. Ik heb er niet tegen, deze wet te splitsen

in zooveel deelen als er deugden kunnen bedacht worden. Mocht men

overigens nog bovendien verkiezen afzonderlyke wetten te maken voor

de blonde, voor de bruine, voor de onzekerharige, 't is my wel. Nog 'n

andere, zeer nuttige splitsing is mogelyk. Men kan de meisjes verdeelen

naar provinciën, naar steden, dorpen, gehuchten, huisgezinnen, naar

geboorte-dagen of uren, naar hebbelykheden of godsdienstige en andere

meeningen, jazelfs men zou elke jonkvrouw tot het onderwerp kunnen

maken van zooveel wetten als er hoedanigheden bestaan. Ik gis, maar

hiervan ben ik niet zeker, dat die hoedanigheden, nog zouden kunnen

worden gesplitst in onder-hoedanigheden. Hoe dit zy, men ziet dat myn

denkbeeld over de verdeeling van "het goede" onuitputtelyk vruchtbaar

is. Ik verzoek de heeren dit naar huis te schryven.

Tweede wet. Er zal geen hagel vallen zoolang 't gewas op het veld

staat.

Nota van toelichting. Men kan hiervan 'n boekweitwet maken, 'n

tarwewet, 'n roggewet, 'n haverwet, enz. En, na 't aangegeven idee

over de splitsing van de jonkvrouwelyke deugden, vermeen ik hier,

even als by de volgende wetten, eens-vooral de opmerking te mogen

achterwege laten, hoeveel duizende wetten er te maken vallen uit elke

wet die ik voorstel.

Derde wet. Niemand zal z'n been breken.

Vierde wet. Bankroeten zyn afgeschaft.

Vyfde wet. Al de leden van de Tweede Kamer zullen bekwaam zyn, en

verstaanbaar spreken.

Zesde wet. Alle verkeerde begrippen worden ingetrokken.

Zevende wet. Ieder inwoner van den Staat zal behoorlyk gevoed worden.

Achtste wet. Er zal geen inbraak plaats hebben by diefstal.

Negende wet. Alle landeryen worden vergroot.

Tiende wet. Elke ingezetene zal voortaan juist zoo denken als de

Ministers die den Staat regeeren.

Elfde wet. Een gouverneur-generaal in Indië, zal Engelsch verstaan

om Pope te kunnen lezen.

Twaalfde wet. Kostschoolkinderen, militairen en

gouvernements-arbeidslui zullen zich ontdoen van alle begeerte naar

voedsel.

Dertiende wet. Er wordt voortaan niet geonweêrd voor twaalf uren in

den nacht, (middelbare tyd.)

Veertiende wet. Alle ziekten die onaangenaam zyn voor de patiënten

worden ingetrokken.

Vyftiende wet. Geen jeugdig Nederlander zal onbekwaam en lummelig zyn.

Zestiende wet. Geen bejaard Nederlander zal onbekwaam wezen, en saai.

Zeventiende wet. Er zullen dertien witte boonen groeien in één snyboon.

Achttiende wet. Men zal voor weinig geld zich even veel gemakken

aanschaffen, als voor veel geld.

Negentiende wet. Alle visch uit de Indische zee zal in Holland te

verkrygen zyn om-niet.

Nota van toelichting. Deze wet heb ik van 'n vriend die hoogleeraar

is in de protéïne.

Twintigste wet. De Javaan zal arbeiden uit vryen wil.

Maar dit is domheid, dwaasheid, onzin, krankzinnigheid en nonsens!

Juist, dat is NONSENS.

Wat te bewyzen was alweer ... geachte hoorders!

Vrywillige arbeid is wenschelyk.

Het is even ongerymd te redeneeren, te discussieeren, te parlementeeren

over--onverschillig vóór of tegen--zulk 'n wet. (Duitenplatery).

Ik meen u gebracht te hebben tot de erkentenis van deze waarheden,

en alweder moet ik u verzoeken dit eens vooral te mogen constateeren,

opdat ik dáárop althans niet zal moeten terugkomen.

Om verschooning te verdienen, of juister om u te doen inzien

dàt ik verschooning verdien voor de soort van bewysvoering door

my toegepast op de stellingen, die ik alzoo de vryheid neem met

dagbladschryvers-lankdradigheid vooroptestellen, voel ik my verplicht,

vóór ik mag overgaan tot het derde deel dezer verhandeling, u 'n

kleine geschiedenis te verhalen, die nooit gebeurd is.

In zeker land heerschte beweging, onrust, tweespalt... agitatie. Er

bestond 'n verschil van gevoelen, dat zeer diep ingreep in alle

mogelyke "eerste beginselen". Vaders haatten en onterfden hun

zoons. Vrouwen verlieten hun echtgenooten. Winkeliers, hun toonbank

en geldlâ... neen, zóóver ging de agitatie niet, maar ze ging toch

héél ver.

Omdat deze agitatie nadeelig werkte op den loop der zaken--zoo-als

alle agitatiën--werden er zeventig wyze lieden benoemd--septuaginta, 'n

omineus getal!--zeventig wyzen alzoo, met witte haren en overvloeiende

van persoonlyke geachtheid om de zaak die 't volk zoo agiteerde,

tot klaarheid te brengen.

Die wyzen dachten diep na, en spraken veel. Zy spraken veel, en dachten

soms zeer diep na. Eenigen hunner spraken veel, zonder zoo heel diep

natedenken. Ook waren er die spraken zonder nadenken in 't geheel.

En onder hen die spraken, waren er die verstaan werden van-tyd tot-tyd.

Maar onder de sprekers die verstaan werden, werd er geen enkele

begrepen.

Ik laat nu daar, of ze niet wilden begrepen worden, d.i. of men zich in

't land waarvan ik spreek, toelegde op duitenplatery. Maar zeker is

't dat het volk, na lang getwist, na veel gespreks, even wys bleef

als te-voren.

Vaders hielden zich onophoudelyk bezig met onterven hunner

zoons. Vrouwen gingen voort haar mannen te verlaten. Winkeliers

... neen, zóóver ging de agitatie niet, maar toch altyd-door, heel ver.

En de wyzen werden hoe langer hoe witter van haren. En hunne

persoonlyke achtenswaardigheid werd gedurig achtenswaardiger en

persoonlyker. En ze spraken ... ze spraken ... Maar de agitatie duurde

voort. Het volk werd niet wyzer. De vaders ... ge weet de rest.

De deftigheid der septuaginta klom tot hoogen ernst.

Hun ernst werd plechtig.

De plechtigheid ging over in 't aandoenlyke.

't Volk was dan ook aangedaan. Maar het was dit door de zeer

onprettige gewaarwording die men agitatie noemt, en geenszins door

de meer gewenschte aandoening der erkentelykheid voor bekomen licht

in de duisternis.

En de vaders... ja, dit weet gy al.

Met verfoeielyke tuchteloosheid heb ik verzuimd u meetedeelen,

waarin dan toch het verschilpunt gelegen was. Ziehier. De vraag die

't volk agiteerde, die de zoons onterfde, die de vrouwen afdreef

van de mannen, die de winkeliers ... neen, de winkeliers niet. De

vraag die de septuaginta zoo bezighield--met behoud van persoonlyke

achting--de vraag was deze:

"heeft de heilige Dionysius, na z'n dood, gewandeld met z'n

hoofd onder den rechter-arm of onder den linker-arm?

Toen kwam er 'n eenvoudig man in 't land, die geen witte haren had,

en persoonlyk volstrekt niet geacht was, waaruit men met het oog op

't gehalte van al die andere achting, zou mogen besluiten... nu, dit

doet er niet toe. Hy zeide tot het volk: "Lieve menschen, Dionysius

heeft na z'n dood niet gewandeld. Hy heeft z'n hoofd niet onder den

arm genomen, noch onder den linker-arm, noch onder den rechterarm. [76]

Het volk gooide dien man met vuil. Dit spreekt vanzelf. Ook de onterfde

zonen gooiden meê. Ze hadden dit niet moeten doen, zy voóral niet. En

ziet, de verzoeking om met vuil te werpen, werd zelfs den winkeliers

te sterk. Ditmaal verlieten ze voor 'n oogenblik geldlâ en toonbank.

Maar de man die niet persoonlyk geacht was en geen witte haren

had, bedacht een middel om een eind te maken aan de nuttelooze

agitatie van 't volk, en aan de even nuttelooze--onverstane en

onbegrepen--deftigheid der septuaginta. Hy nam een stoel ging er op

staan, en sprak:

"Hoort, burgers, hoort het woord dat tot u gesproken wordt over, en wel

dóór den heiligen Dionysius. Hy is my verschenen in den droom, en heeft

me verzocht u allen te groeten. Hy laat u zeer bedanken voor uwen yver

in de rechter-linkerkwestie. Doch die goede heilige wil niet dat gy te

ver zoudt gaan in uw vurig streven naar waarheid, en dat ge 't offer

worden zoudt van uw onleschbaren dorst naar gerechtigheid. Daarom,

o edele vaders, onterfde zonen, weggeloopen vrouwen, en wat dies

meer zy, hoort wat de heilige man my gezegd heeft, en maakt terstond

'n eind aan uw agitatie:

Ter voorkoming van na-yver tusschen zyne beide armen, heeft de

onvolprezen Dionysius na z'n onthoofding, z'n lichaam tusschen de

tanden genomen, en zóó is-i voortgewandeld!"

't Volk juichte. De redenaar werd bekranst. Ieder was tevreden. Ieder

... behalve de Septuaginters die ietwat verloren hadden van hun

gewicht, hun aanzien en hunne persoonlyke geachtheid ...

Of gy nu, zeer geachte hoorders, juichen zult, en my bekransen,

nadat ik u in de twee eerste deelen myner rede het bespottelyke heb

onder 't oog gebracht van uw rechter-linkerkwestie, weet ik niet. Ik

twyfel daaraan omdat ik weinig reden heb staat te maken op uwe

rechtvaardigheid. De vertelling over Dionysius had geenszins ten-doel

u toejuiching of kransen aftelokken voor zotternyen, nadat ge my die

toejuiching hadt ontzegd voor al den ernst dien ik u gaf. Ik wapen

me slechts tegen de beschuldiging dat ik m'n toon zoek ...

Minnebrieven; Over Vrijen-Arbeid in Nederlandsch Indië; Indrukken van den dag · 第 113 / 125 题