«Vervloekt dat verontwaardiging en droefheid zoo vaak zich kleeden
in 't lappenpak van de satire! Vervloekt dat 'n traan, om begrepen
te worden, moet verzeld gaan van gegryns! Of is 't de schuld myner
onbedrevenheid, dat ik geen woorden vind om de diepte te peilen van
de wonde die er kankert aan ons staatsbestuur, zonder m'n styl te
zoeken by Figaro of Polichinel?
Styl... Ja! Daar liggen stukken vóór my, waarin styl is. Styl die
aantoonde dat er 'n mensch in de buurt was, een mensch wien 't de
moeite waard geweest ware de hand te reiken. En wat heeft die styl
den armen Havelaar gebaat? Hy vertaalde z'n tranen niet in gegryns,
hy spotte niet, hy zocht niet te treffen door bontheid van kleur,
of door grappen van den uitroeper voor de kermistent. En wat heeft
het hem gebaat?
.......................................................................
.......................................................................
.......................................................................
.......................................................................
Weg met gemoedelyke taal! Weg met zachtheid, rondborstigheid,
duidelykheid, eenvoud, gevoel! Weg met al wat herinnert aan Horatius,
justum ac tenacem! Trompetten hier, en scherp gekletter van bekkenslag,
en gesis van vuurpylen, gekras van valsche snaren, en hier-en-daar
'n waar woord, dat het meê insluipe als verboden waar, onder bedekking
van zooveel getrommel en zooveel gefluit.
Styl! Hy had styl!
En wat heeft het hem gebaat?
Als ik dus wil worden gehoord--en verstaan vooral--moet ik anders
schryven dan hy!»
Ja, dan moet ik anders schryven, zeer geachte hoorders! En anders
spreken ook. Hieraan hebt gy die treffende historie van Dionysius te
danken. Vermaakt er u meê.
En nu, dunkt me, kan ik overgaan tot het derde gedeelte myner preek,
waarin ik eenige beschouwingen wensch medetedeelen ...
Naar den duivel met die preêk en die beschouwingen in 'n derde-deelig
lystje! Naar den duivel met uw gareel waarin 'k niet loopen wil,
gy die geen paard begrypt zonder juk, geen leest zonder keurslyf,
geen taal zonder spraakkunst, en geen waarheid zonder peperhuis,
waarin ze ligt opgerold, toegevouwen, platgedrukt, inééngefrommeld,
als 'n theater-affiche van den vorigen keer!
Naar den duivel met uw schoolmeestery, gy die meent dat schryven of
spreken iets anders is dan 't weergeven van de indrukken der ziel! Gy
die dáárom van de ziel 'n talent hebt gemaakt, om uw aangeleerd,
verschoold talent voor ziel te doen doorgaan, en alzoo dat talent te
maken tot grondstof van 'n beroep "dat wat gééft!"
Voort ... terug naar de schoolbank, gy meesters in dingen die men niet
leert, gy volleerden in zaken die ge hadt moeten voelen, vóór gy iets
leerdet! Weg, preêkers, babbelaars, redevoeringhouërs, preek- praat-
redeneer- vertoog- pleit- verhandelkranen, à raison van zooveel woorden
in 't uur, van zooveel centen 't woord! Weg handelaars in de waarheid,
tegen honderd liters in de minuut. Debitanten en splitsers van gevoel
in volzinnen groot en klein, by den emmer en by 't maatje ...
Gy hebt het Volk bedorven! Gy, schriftgeleerden gy, gy, gy ...
Gy, met uw gepraat over dingen die vanzelf spreken. Gy, met uw gepraat
over dingen die in 't geheel niet spreken. Gy, met uw rechterzy en
uw linkerzy. Gy met uw behoud en uw liberalisme. Gy, met uw "eerste
beginselen" die onmisbare bondgenooten van elke beginselloosheid. Gy,
met uw deftigheid en witharige wysheid. Gy, met uw duitenplatery,
dat is: gy met uw bedrog ... GY hebt het Volk bedorven!
En ge huist, als vuil ongedierte, niet alleen in de plooien van de
"toga der Volksvertegenwoordigers--ge nestelt overal waar ge kunt
plaats vinden tusschen naad of vouw der bedekking van de een-of-andere
deftigheid. Gy, sprekers, praters, schryvers, redenaars, preêkers ...