Om dit te bewyzen, waarde hoorders, zal ik beginnen met te zeggen
dat het niet waar is. En ik heb nòg 'n confidentie te doen. Ik zeide
u zoo-even dat ik methodisch was, en lang nadacht voor ik handelde of
sprak ... welnu, ook dit is niet waar. Vrye-arbeid is niet wenschelyk,
en ik ben niet methodisch. Wat ik heden zeg, trek ik morgen in. Ik
bestryd vandaag de stelling die 'k gister opstelselde. Ik moet dit
nu wel erkennen, wyl ik voor ruim twee jaren de domheid gehad heb
openlyk te verklaren dat Vrye-arbeid 'n goede zaak was. Natuurlyk zag
ik deze inconsequentie liever bedekt met den mantel der vergetelheid,
maar ik vrees dat dit niet gelukken zou, omdat een uwer misschien in
't bezit is van 'n exemplaar der Amsterdamsche Courant van 9 December
1859 No. 294 (avondeditie) waar we--met gepasten eerbied--o. a. het
volgende lezen:
«De vraag van den dag is: vrye-arbeid of gedwongen arbeid.
De theoristen--ik neem aan dat zy allen eerlyk zyn, en dat hunne
halzen geen schaafmerk dragen van 't systeemjuk--de theoristen kunnen
met den besten wil onmogelyk zonder de hulp van personen als Slotte
[74] die zaak beoordeelen. Zy kunnen betoogen, bewyzen zelfs, dat
Vrye-arbeid beter is, zedelyker, meer kans aanbiedt op welvaart...
Gewis! Maar ... wie twyfelt daaraan?
Wie twyfelt er aan, of absentie van roof, moord, diefstal, echtbreuk,
luiheid, wenschelyk ware?
Wie twyfelt er aan, of het goede beter is dan het kwade?
Maar die vragen zyn oiseus.
De vraag is niet: wat hier het betere zy? De vraag is: of het betere
kan bereikt worden? En, zoo ja, langs welken weg?"
Helaas, zoo schreef ik voor ruim twee jaren! En wat het ergste is,
m'n naam staat er onder. O, had ik toen kunnen voorzien dat de eischen
des oogenbliks my in Januari 1862 zouden dwingen tot de verklaring--en
't bewys--dat vrywillige arbeid niet wenschelyk, dat ze integendeel
onaangenaam is, nadeelig, onzedelyk, onvoordeelig en verfoeielyk... o
had ik...
Maar naklagen baat niet. Het staat er nu eenmaal. Zou ik kunnen
beweren dat er tekstvervalsching plaats had? Of dat de redaktie der
Amsterdamsche Courant m'n schrift, m'n styl had nagebootst... neen,
dit kan niet. En bovendien, dan had ik vroeger moeten protesteeren
tegen de onzinnige kettery die daar te lezen staat, met m'n naam er
onder in volle letters.
Neen, geen omwegen! Ik heb 't gezegd. Ik hèb verklaard dat
vrywillige arbeid beter is dan gedwongen werk. Daaraan is niets
te veranderen. Maar nu trek ik die dwaling in, en beweer dat niets
schandelyker en nadeeliger is dan vrywillige arbeid.
"En hoe zyt ge geraakt tot deze nieuwe overtuiging?" zal men vragen
... naar ik hoop. Want als men het niet vraagt, zou het den schyn
hebben alsof m'n preek den hoorder evenzeer verveelde als myzelf.
Hoe ik daartoe gekomen ben? Zeer eenvoudig. Neen, neen... om-godswil,
vergeef me, niet eenvoudig! Ik vergat daar dat eenvoud m'n kerk
leegschrikt, en dat alleen omslag gewild is. Volstrekt niet eenvoudig
dus. Op zeer ingewikkelde wyze ben ik genezen van m'n dwaling, en
wel ... raadt eens door wien? Door kleinen Max.
Dat kind is goed en zacht en gehoorzaam. O, ik vrees hy is àl te goed,
àl te zacht! En, hoorders, als uw kinderen op hun ouders gelyken,
dan zal myn kind ter-zyner-tyd de straffe dragen die de wereld toepast
op goedheid, om wraak te nemen over het verschil.
Hoe dit zy, hy is willig en gehoorzaam. De kleine plichten die z'n
leeftyd hem oplegt, vervult hy gaarne. Zelden of nooit behoeft men
hem iets te bevelen. In één woord, tot-nog-toe arbeidde hy geheel en
al vrywillig.
Voor eenige dagen sloeg het uur waarop hy gewoonlyk door z'n moeder
wordt ter-ruste gelegd. In-plaats van als altyd op dat uur z'n
speelgoed wegtebergen, zich uittekleeden en ons goeden-nacht te
wenschen, kwam hy tot me, en zei:
--Papa, ik heb 'n idee!
Ik schrikte.
--Arme jongen, dit moet niet dikwyls gebeuren. Het zou je hinderen
in de wereld. Wat is het?
--Wel 't is tyd om te slapen ...
--Is dit je idee?
--Neen, luister! Toen 't gister bedtyd was, heb ik me terstond gereed
gemaakt, en u vroolyk goeden nacht gewenscht. Ge hebt me vriendelyk
geantwoord, my opgenomen, naar-achter gedragen, neêrgelegd, toegedekt,
en toen ge met moeder, de kamer verliet, was uw laatste woord,
zoo-als altyd: goeden nacht, beste jongen ...
--Zeker, dit alles is waar, en moeder zei dat ook, en jyzelf hebt
ons vriendelyk nageroepen: goeden nacht! Is dit dan zoo verkeerd? Wat
wilde je anders? Heb je daarna niet goed geslapen?
--Ik heb goed geslapen, maar ... die manier van naar bed gaan, deugt
niet. De werkster heeft 'n zoontje zoo oud als ik, en ik heb gehoord
dat dit jongetje 's avonds niet naar bed wil. Dan moet z'n moeder
hem door slaag dwingen. Beste lieve papa, ik ben toch niet minder dan
't kind van die werkster! Wilt ge my ook dwingen om naar-bed te gaan?
--Maar kind, hoe kan ik je dwingen tot iets wat je doet zonder dwang?
--O, heel gemakkelyk. Ik zal niet willen.
Ik beken dat ik 't kind niet begreep, maar dewyl ik zoo dikwyls
genoodzaakt ben hem sommige uitspanningen te ontzeggen, besloot ik
ditmaal aan z'n verlangen te voldoen. En het doet me nu genoegen
toegegeven te hebben in 'n wensch die:
1o. het kind gelukkig maakt.
2o. 'n aangename afwisseling te-weeg brengt in m'n huiselyk
leven, en
3o. my genezen heeft van de dwaling dat vrywillige arbeid 'n
wenschelyke zaak is, zooals ik twee jaar geleden meende.
Na dien tyd namelyk gaat m'n kind nooit dan gedwongen te-bed. Ik sla en
mishandel hem, eerst om hem te ontdoen van de goedaardige gedweeheid
die hem zou te-bed dryven ook zonder slaag, en daarna mishandel ik
hem nog-eens om hem te dwingen tot naar-bed gaan. En meer nog. Ik
pas die mishandeling toe op alles wat er voorkomt. Ik maak hem al zyn
plichtjes zóó onsmakelyk, dat-i de vervulling weigert, om daarna hem
tot die vervulling te dwingen door mishandeling. Alle vrywilligheid
ten goede wordt uitgeroeid, en ik heb de aangename voldoening dat
m'n kleine jongen, die vroeger op vervelend eenvoudige wyze deed
wat-i doen moest, nu tot niets kan gebracht worden dan langs den
allerverrukkelyksten omweg van honger en slaag.
Men heeft geen begrip van de streelende verpoozing die deze stryd
tegen den vryen wil my verschaft. Gisteren nog:
--Wat doeje daar, Max?
--Papa... ik heb...
--Zeg op... spreek... wat deed je daar?
--Papa... ik heb... adem gehaald?
--Waarom deed je dit, ongelukkig kind?
--Papa... ik deed het... omdat... omdat...
--Je deed het zeker omdat je 't wilde?
--Ach ja, Papa!
--Vervloekte erfzondige verdorvenheid! Terug dien adem, terug, zeg
ik je ... terstond ... oogenblikkelyk! Ik zal je leeren ademhalen
uit vryen wil!
Daarop sloeg ik hem tot z'n longen waren teruggebracht in statu quo
ante. En vervolgens:
--Haal nu adem omdat ik het je gelast! Maar, zei ik er fluisterend by,
gehoorzaam niet terstond.
Het kind begreep me volkomen, en weigerde adem te halen, voor ik het
daartoe gedwongen had door 'n flinke herhaling van straf.
Nu valt-i by-den-dag af, als iemand die op 'n ministeriëele
beschikking zit te wachten. Hy smelt weg, en vergaat als kamfer. Z'n
lastige vroolykheid is geknakt. Het eenige wat-i nog van-tyd tot-tyd
vrywillig doet, is schreien en zuchten. Ik zal hem gelasten zich ook
deze uitspanningen te ontzeggen, zoolang ik ze hem niet uitdrukkelyk
voorschryf.
Maar, zegt men misschien, dit zyn slechts huiselyke zaken. Nu ja! Doch
evenals Newton uit het vallen van 'n appel, tot de wet besloot, die
't Heelal regeert, besluit ik tot de noodzakelykheid eener algemeene
dwangwet uit de opmerkingen die ik maak in myn gezin.
Vergunt my u al terstond meetedeelen hoe ik getracht heb de manier,
die sedert eenige dagen myn huis tot 'n waar paradys maakt, op de
algemeene zaak toetepassen.
Ik ben zeer bevriend met 'n agent van policie, die in z'n leêgen
tyd wysgeer is. Dezen heb ik myn stelsel uitgelegd, en hy begreep
het terstond, omdat ik 'n oogenblik had waargenomen van leêgen
tyd. Niet alleen begreep-i my, maar reeds den volgenden dag paste hy
m'n heerlyke uitvinding toe. Ziet hier, geachte hoorders, een extract
uit zyn dagboek:
Brussel, 12 Januari. De persoon A. van de trottoir gegooid, om daarna
hem te dwingen op de trottoir terugtegaan.
De huisvrouw van B. uit hare woning gehaald, en haar daarheen
teruggebracht. Drie uren geschilderd voor de deur van 't
gemeenschappelyk domicilie, om ze te dwingen t'huis te blyven.
Zy beweerde dat ze er niet aan dacht om uit-te-gaan, maar van dien
vryen wil heb ik 'n afkeer.
Een koetsier gelast z'n paard aantedryven tot hollen, om hem dat
te verbieden.
Eenige faro-drinkers die voor bezetten tyd de estaminet wilden
verlaten, daarin opgesloten tot middernacht, en ze daarna gedwongen
naar huis te gaan.
Iemand die zich verstoutte rustig by den weg te gaan, met stokslagen
gemoveerd tot onrust, en hem daarna gearresteerd als schuldig aan
rustverstoring.
Zoo-ver 't dagboekje van m'n vriend den wysgeer-agent van policie. Maar
er is meer.
Ge weet nog niet ten-halve, beste hoorders, hoe diep myne ontdekking
over de wenschelykheid van dwang, ingrypt in de belangen van stad,
land, werelddeel en heelal.
Ik zal 't laatst het eerst nemen, dan zult ge ook al 't andere wel
gelooven.
't Heelal ... zeker! Hebt ge er wel eens aan gedacht, hoorders, hoe
schandelyk het is voor ons allen dat de zon geheel vrywillig stilstaat,
en dat de aarde, die kleine eigenwyze aarde maar altyd-door in de
rondte draait, zonder dat wy haar dit bevolen hebben?
Ziedaar nu de gevolgen van onze berispelyke onachtzaamheid. Maar beter
ten-halve gekeerd dan geheel verdwaald. We zullen de zon dwingen tot
stilstaan. Niets is gemakkelyker. Men geve haar eene Tweede-Kamer als
de onze, dan sta ik borg dat ze geen stap van de plaats komt. En de
aarde die zich, wie weet hoe lang al, met aanmatigende eigenwilligheid
veroorlooft te draaien tot eigen genoegen, wy zullen haar dwingen
tot draaien. Om al deze verbeteringen intevoeren, wacht ik slechts op
het ééne vaste punt dat Archimedes gezocht heeft, en ... ik beloof u
'n heerlyke toekomst.
Alles zal gedwongen zyn. Door dwang zal 't kind z'n ouders
beminnen. Door dwang zult ge spreken, zwygen, staan, liggen, loopen,
slapen, eten, geldwinnen. Dwang zal heerschen in de Natuur, in den
Staat, in uw huis, aan uw sponde. Al wat kwaad is zal niet zyn,
omdat al 't goede dwang wezen zal.
Heerlyke, heilige, goddelyke dwang!
Ook de Javaan zal gedwongen worden het goede te doen, dat is: te
arbeiden ...
"Maar eilieve, roept hier toch naar ik hoop de lezer uit, dit alles
is ... absurd, ongerymd, dwaas, krankzinnig en nog meer ...
Juist!
WAT TE BEWYZEN WAS ... geachte hoorders!
Ik kan overgaan tot het tweede gedeelte van myn preêk.
De kwestie over vryen arbeid is nonsens.
Ge hebt gezien, hoorders, hoe moeielyk 't my viel u te bewyzen dat
vrywillige arbeid wenschelyk was. Ik heb daartoe 'n aaneenschakeling
van zotternyen noodig gehad. De keuze myner bewysvoering stond niet
aan my. Myn smaak zou me niet leiden tot zooveel omhaal by 't bewys
eener waarheid die zóó voor de hand ligt, dat ik niet dan met weêrzin
ben overgegaan tot 'n betoog--en welk betoog!--dat ge my hadt moeten
sparen, maar dat ik niet sparen mocht aan u, die naar 't schynt niet in
staat zyt iets te bevatten dat wordt voorgedragen met eenvoudigheid. Ik
verklaar u dat ik heel graag 't Heelal met rust zou gelaten hebben,
en m'n vriend den policie-agent ook. Wat m'n besten kleinen jongen
aangaat, ik verzeker u dat ik hem volstrekt niet sla. Ik moet deze
verzekering wel uitdrukkelyk geven aan 'n publiek dat "onzedelykheid"
heeft weten optedelven uit de Minnebrieven, en dat daarin heeft
gevonden: eene aansporing aan 't volk om horlogies te stelen. [75]
't Is 'n ondankbaar werk voor u te schryven, Nederlanders. Of ik goed
schryf, weet ik niet. En dit scheelt me ook weinig. Maar dat gy niet
lezen kunt, is zeker. En dat ge--hoe gebrekkig dan ook--lezen zult
wat ik schryf, is ook waar. Beproef eens neen te zeggen.
Maar, zeer geachte hoorders, dit is 'n parenthesis die ik u verzoek
niet te verstaan. Verbeeldt u daartoe dat ge in de Tweede-Kamer zyt,
dan zal 't wel wennen.
Ik heb u dan in 't eerste deel myner rede, op uwe wyze--nog-eens:
niet op myne wyze--aangetoond dat vrye wil beter is dan dwang. Ik
verzoek nu, eens-voor-al, dit punt als afgehandeld te mogen beschouwen.
We zyn genaderd tot het tweede deel myner rede, waarin ik zal
trachten te betoogen: dat de kwestie over vryen wil om te arbeiden
... NONSENS is.
Ik vraag vergunning hier te supprimeeren wat er zou te zeggen vallen
over den oorsprong van den arbeid. Ook zal ik den zondvloed overslaan,
en zelfs my onthouden van onderzoek naar den Sanskritschen wortel
van 't woord non-sens, dat zeer oud schynt te wezen. In 't kort,
ik doe afstand van alle gewone hulpmiddelen om u te boeien en te
overtuigen. Wanneer ik dus in 't tweede deel myner rede u minder
verveel dan gevorderd wordt door deftigheid, gewoonte en smaak,
bedenkt dan dat ik ruimte van plaats en tyd moet overhouden voor de
"eenige beschouwingen" van m'n derde deel, die misschien zullen
aantoonen dat er nog-al verschil van beteekenis bestaat tusschen
"vrywilligheid" en "particuliere ondernemingen."
Na alles wat ik onlangs in het eerste gedeelte dezer brochure te kennen
gaf, zou 'k dit heele middelstuk myner preêk kunnen overslaan, of wel
het inkrimpen tot deze eenvoudige opmerking: daar ge nu eindelyk met
my eens zyt dat vrywilligheid beter is dan dwang, begrypt ge dat het
redeneeren over de vraag:
"of er moet bepaald worden dat de Javaan voortaan die vrywilligheid
zal bezitten?"
gevoegelyk zou kunnen worden gerelegeerd naar de duitenplateryen van
den dag.
Maar zie, dan was m'n preêk te kort. Erasmus heeft u geprezen,
hoorders, uit dankbaarheid misschien voor uw smaak in lankdradige
betoogen. Want hy was meester in vrye kunsten, en zulke menschen
hebben dikwyls behoefte aan débouché voor lange redevoeringen.
Ik ben meester in geen enkele kunst. Maar op de welsprekendheid leg
ik me toe. Dit ziet ge.
We zullen dus maar weêr beginnen met de bewering dat niets nuttiger
is, niets billyker, niets waardiger, niets zielverheffender dan
vasttestellen by de wet, dat de Javaan arbeiden zal uit vryen wil.
Ik beveel myne opmerkingen hieromtrent dringend aan in de attentie
van Volksvertegenwoordigers die verlegen zyn om een speech. Men zal
zien dat myne stelling in nauw verband staat met ... alles--meer kan
men niet verlangen--en dat ze gelegenheid biedt tot uitweidingen die
't geduld zouden vermoeien van den trouwsten hoorder, den yverigsten
slaper in welke kerk ge maar verkiest.