VIERDE BEWYS DAT DE JAVAAN MISHANDELD WORDT.

Ik wend me tot u, Mr. Albertus Jacobus Duymaer van Twist. Ge hebt

gelezen wat ik zoo-even schreef aan de Kiezers. Ge kunt niet NIET

lezen, ge kunt niet ignoreeren wat ik schryf. Ik veroordeel u tot

kennisname van alles wat ik zal te zeggen hebben aan de Nederlandsche

Natie. Ik beveel u naar my te luisteren. Ik beveel u dat met het

gezag van den man, die z'n plicht deed tegen-over iemand, die z'n

plicht NIET deed.

Ik heb u herhaaldelyk geschreven. Ge wildet niet hooren. Ik heb u

tyd gegeven tot bekeering. Ge hebt u niet bekeerd. Het oogenblik is

gekomen dat ik u zal aantasten zonder genade. Maar verhef u niet op

deze eer. Ze is maar schynbaar. Ik tast u niet aan als persoon. De

stryd zou niet gelyk wezen, en door 't groote rangverschil vér beneden

my. Gy namelyk, zyt eenvoudig 'n gepensioneerd beambte, die wat geld

overgaerde, daarvan rustig leeft, en in de Kamer meespreekt over

Vryen-arbeid. Zoo zyn er velen! Ik ben heel iets anders. Ik ben niet

gepensioneerd, gaerde geen geld over, leef niet rustig, spreekt niet

over Vryen-arbeid in de Kamer, en ik DEED m'n plicht! 't Verschil is

dus te groot dan dat ik u zou aantasten als persoon.

Maar ge zyt geweest: de man op wiens "KUNDE, YVER EN GOEDE TROUW" de

Koning staat-maakte- toen hy u--NAMENS DE NATIE altoos--het bestuur

in-handen gaf over Insulinde. Ik kies u tot representant van 't

stelsel van uitzuiging dat Nederland zich omtrent dat land veroorlooft,

en ik kies daartoe juist u, omdat gy in zekeren zin--straks zult ge

zien in welken zin--hooger staat dan vele anderen, voor wier fouten

ik meer sympathie voel, dan voor uw deugden. Ge zyt in het bezit

eener soort van zondeloosachtigheid die me verveelt, die me walgt,

en die meer kwaad heeft berokkend aan Insulinde, dan al de misgrepen

van anderen saemgenomen. Ik beschouw u als de type van fatsoenlyk

rykgeworden braafheid. 't Is my onmogelyk aan u te denken, zonder

my te verplaatsen in den tempel, waar de één bad: wees my genadig,

en de ander... welaan, Mr. van Twist, ik benoem u tot dien ander!

Bovendien, ik heb verdriet van u, omdat ge meespreekt in de Kamer. Ik

zal bewerken dat dit ophoudt. Er wordt daar véél gesproken wat geen

steek houdt, en niet ter-zake dient, maar het is allen eer te vergeven

dan u, omdat ge beter weet. Heb ik u al of niet de brieven geschreven,

die vermeld staan in Multatuli's boek over de koffi? Heb ik u al

of niet den brief geschreven, dien dezelfde Multatuli mededeelde

in zyn Indrukken van den dag? [53] Waren er by dien laatsten brief

al of niet overgelegd BYLAGEN, die u in-staat stelden te weten dat

ik als Adsistent-Resident van Lebak myn plicht deed, en dat gy als

Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië uw plicht NIET hebt gedaan?

Hebt gy niet ook in de Kamer--"voor-zooveel hoorbaar en verstaanbaar"

staat er in de verslagen... eilieve, waarom spreekt ge, als ge

niet hoorbaar en verstaanbaar weet te spreken?--hebt ge niet in de

Kamerzitting van 25 September 1860 afkeurende aanmerking gemaakt op

de betuiging van den minister: dat de toestand van Indië allezins

gewenscht was? Hebt ge niet--voor-zooveel verstaanbaar, alweer!--in

'n lange redevoering betoogd--en ik erken: bewezen! dat er onwaarheid

was in de betuiging des ministers? en was 't naïveteit van u,

den schyn aantenemen of ge er niet aan dacht, dat al 't minder

gewenschte voor 'n groot deel is te wyten aan UZELF? Aan U, die

pas vandaar waart teruggekeerd? Aan U, die zoo-even nog daarginds

Natie en Koning representeerde? Aan U, die zoo kort geleden nog,

geroepen waart te waken tegen al 't verkeerde dat ge nu zoo openhartig

opsomt? Openhartig? Neen, niet geheel! Ik heb er veel bytedoen, dat

ge oversloegt in uwe onverstane redevoering... ja, 't voornaamste hebt

ge achterwege gelaten, zóó zelfs dat het denkbeeld me niet vreemd is,

dat uw geheele oprechtheid in de byzaken, 'n krygslist was, om de

hoofdzaak wegtegoochelen.

En die hoofdzaak? De Javaan wordt mishandeld! Dàt is de hoofdzaak!

Nu wend ik my weer met de oude tuchteloosheid tot de Kiezers,

Mr. A. J. Duymaer van Twist ... maar ge moogt lezen wat ik schryf. Ik

zou zelfs zeggen: ik WIL dat ge 't leest, indien ge 't niet reeds

gelezen hadt. Loochen als ge durft!

Kiezers, vergeeft me den kleinen uitstap naar uw geachten spreker uit

Amsterdam, 'n spreker dien ik niet acht, en die niet verstaan wordt

àls hy spreekt, waaraan men niets verliest.

Het opschrift van dit gedeelte myner toespraak aan ulieden, heet:

vierde bewys dat de Javaan mishandeld wordt. Ik heb u een vraag te

doen. Neemt ge 't als 'n bewys voor deze stelling aan, wanneer ik

u overtuig dat de wyze waarop ik handelde te Lebak, met juistheid

wordt voorgesteld in dat boek over de Koffi? Ik spreek nu niet van

Saïdjah-vertellingen, of minneliedjes... ik spreek met menschen van

zaken over zaken.

Welnu, nadat ik te Lebak vruchteloos by uw tegenwoordigen geachten

spreker uit de hoofdstad had aangedrongen op recht..... nadat ik met

opoffering van bestaan en toekomst, m'n ontslag had gevraagd, wyl ik

het onrecht niet dienen wou... nadat er op de meest volledige wyze was

gebleken dat er voor m'n ondergeschikten geen voordeel of bescherming

was te wachten van my, maar integendeel haat en vervolging te vreezen

van de Slymeringen die aan 't bestuur bleven onder de hooge bescherming

van uwen geachten spreker uit de hoofdstad... nà dit alles schreef ik

aan den kontroleur der afdeeling Lebak, aan den man die me dagelyks had

gadegeslagen, die door lang verblyf beter nog dan ik weten kon wat daar

omging, die op 't punt stond het bestuur dier Afdeeling van my over

te nemen... aan dien man schreef ik den volgenden brief. Kiezers, ge

behoeft nu niet meer te vragen: is het wáár wat Multatuli schryft? Er

is nu antwoord op de flink gestelde vraag van 't kleine Tielsche

courantje, dat--byna alléén onder velen!--begrepen heeft, hoe hier

geen spraak behoorde te zyn van 'n boek, van schryverstalent, van

romanlezery, maar van 't recht der Natie op kennis van de waarheid!

Rangkas Betoeng, 29 Maart 1856.

Ik heb de eer u te verzoeken, en des-noods te gelasten: op uwe eer,

uwen eed en uw geweten, in margine te beantwoorden de volgende vragen,

zonder omwegen, zonder halfheid, met Ja of Neen.

[1º Neen.]

1º Heb ik, zoover u bekend is, den Regent van Lebak ooit onvriendelyk,

onwellevend of onheusch behandeld?

[2º Ja.]

2º Heb ik niet integendeel bewyzen gegeven van welwillendheid,

byv. door hem, als hy om geld verlegen was, en voorschot vraagde op

zijn tractement, zulks terstond te geven?

[3º Ja.]

3º Is 't u bekend, dat ik zelfs eenmaal, wetende dat hy geen geld in

huis had, hem ongevraagd geld heb gezonden?

[4º Ja.]

4º Heb ik niet, toen de Regent zoo met aandrang verzocht, den

onderkollekteur de hem nog kompeteerende gelden uittebetalen,

daarin op eigen verantwoordelykheid terstond toegestemd, ofschoon de

machtiging hiertoe nog niet verleend was, en hoewel gyzelf nog in

't midden bracht, dat er mogelyk aanmerkingen op des kollekteurs

administratie vallen zouden? [54]

[5º Ja.]

5º Was zulks niet kort voor de komst van den Regent van Tjanjor, en heb

ik nu niet later gezegd, dat ik daartoe gemoveerd was door de meening

dat de Regent zelf dat geld noodig had, wyl hy er zoo op aandrong?

[6º Ja.]

6º Heb ik niet op den twintigsten Februari, den Regent gevraagd of

ik niet iets konde doen, of laten doen, om hem behulpzaam te zyn in

de ontvangst van den Regent van Tjanjor?

[7º Ja.]

7º Heb ik u niet gezegd dat de komst van den Regent van Tjanjor wel

eenige reden opleverde om iets door de vingers te zien, want dat

ik best begrypen kon, hoe stuitend het voor den ouden Regent was,

zoo aftesteken by de vertooning die z'n Neef maakt?

[8º Neen.]

8º Heb ik ooit, in de vele gesprekken die ik met u had, termen

gebruikt, hetzy van minachting, hetzy van kwaadwilligheid omtrent

den Regent?

[9º Ja.]

9º Heb ik u niet integendeel meermalen gezegd dat ik medelyden met hem

had, dat hy door de komst des Regents van Tjanjor in zoo moeielyke

positie verkeerde, dat hy bovendien zulke slechte voorbeelden had

gehad, en dusdanige uitdrukkingen meer, die goedwilligheid te kennen

gaven?

[10º Ja.]

10º Heb ik niet meermalen gezegd, dat de Regent nog beter was dan vele

anderen, en dat het me leed zou doen, als juist hy het slachtoffer

worden moet van myn wil om kwade praktyken tegentegaan?

[11º Ja.]

11º Heb ik niet eens, toen ge naar Serang zoudt vertrekken, u

uitdrukkelyk verzocht, den Resident het volgende (in substantie) te

zeggen: "Dat ik bevreesd was dat hy, hoorende van de misbruiken die

hier plaats hadden, meenen zou dat ik onverschillig was, of flauw. Dat

ik hem verzocht dit niet van my te denken. Dat ik integendeel zeer

veel werk maakte van het tegengaan daarvan, maar dat de Regent in

eene zoo moeilyke positie was. Dat ik meende zeemanschap te moeten

gebruiken. Dat ik slechts dáárom niet dadelyk officieel rapporteerde,

om hem (den Resident) niet als het ware te noodzaken, daaraan terstond

te streng gevolg te gaak terstond aan de groote klok te brengen)

want dat ik medelyden met den Regent had, en eerst pogen wilde hem

met zachtheid tot z'n plicht te brengen?"

[12º Ja.]

12º Is het u bekend dat ik, toen ik van den Regent inlichtingen wilde

hebben omtrent vele misbruiken die me bekend waren, hem 'n dertigtal

vraagpunten heb voorgelegd?

[13º Ja.]

13º Waren die niet alle door myzelf geschreven?

[14º Ja.]

14º Waren niet die vragen slechts geparafeerd, en was bovendien niet

de geheele inrichting daarvan, als het ware in-officieel?

[15º Ja.]

15º Heb ik u niet later, toen ik genoodzaakt was die vraagpunten

met de daarop gegeven antwoorden in uwe handen te stellen, gezegd:

"dat ik dit aldus had gedaan, om den Regent niet te doen denken dat

ik hem kwaad wilde, en om hem aantesporen tot oprechtheid?"

[16º Ja.]

16º Is het u bekend dat de antwoorden op die vraagpunten niet door

den Regent zelf zyn geschreven, waaruit blykt dat hy minder dan ik

vreesde door dat onderzoek gekompromitteerd te worden?

[17º Ja.]

17º Heb ik niet later u medegedeeld, dat de Pattie [55] my namens

den Regent, bedankt heeft voor de delikate behandeling der zaak?

[18º De Pattie heeft al deze vragen met Ja beantwoord, en zelfs

ongevraagd gezegd, zulks onder eede te willen bevestigen; hy scheen

nog getroffen te zyn door uwe welwillendheid.]

18º Ik verzoek u den Pattie te vragen of ik niet by het overgeven

dier vraagpunten:

1º heb aangedrongen op oprechtheid,

2º gezegd heb dat de Regent my als vriend kon beschouwen, en dat

ik hem zou helpen waar ik kon en mocht.

3º Of hy, Pattie, my niet bedankt, en daarby gebruikt heeft de

woorden: "Belom ada satoe toewan bitjara bagitoe?" [56]

[19º Neen.]

19º Hebt ge later--toen ik tot het besluit gekomen was, dat

onder'shandsche vermaningen niet baatten--iets bemerkt van publieke

onderzoekingen, of van wat het ook zy, dat kompromittant was voor

den Regent?

[20º Ja.]

20º Hebt ge niet integendeel eerst op 26 Februari kennis gekregen van

myn brieven, waarin ik den Regent aanklaagde, en wel van den Resident

zelf, die de u onbekende brieven voorlas?

[21º Ja.]

21º Waart ge dien dag niet zeer verwonderd, en gebruiktet ge niet later

uitdrukkingen als deze: "Ik wist niet wat er gaande was ... ik begreep

er niets van" en dergelyke, alle aanduidende dat myn onderzoekingen

en de resultaten daarvan, u onbekend waren gebleven?

[22º Ja.]

22º Gelooft ge, na uwe opmerkingen omtrent myn handelingen aangaande

u of anderen, dat ik lust heb in wèldoen?

[23º Ja.]

23º Bleek u niet dat ik verheugd was over de armoede der bevolking

te Lebak, in dien zin dat ik het als 'n schoone roeping beschouwde,

die te doen wyken?

[24º Ja.]

24º Heb ik niet zelfs meermalen gezegd, dat: "hoe achterlyk ook m'n

geldelyke omstandigheden waren, ik ongaarne zoude verplaatst worden,

hetzy met bevordering, hetzy naar 'n voordeeliger Afdeeling, want

dat ik er zoo'n genoegen in schiep, die arme verdrukte menschen

te releveeren?"

[25º Ja.]

25º Toonde ik niet, in al m'n handelingen, dat ik zulks uit den grond

van m'n hart meende?

[26º Ja.]

26º Bleek u niet, b. v. uit vele kleine arrangementen, dat ik hoopte

en wenschte, en trachtte, lang in die arme Afdeeling te blyven?

[27º Ja.]

27º Heb ik niet zelfs gezegd, dat ik hier wel altyd zoude willen

blyven, zonder ooit bevorderd te worden, mits men my toestond om wèl

te doen?

[28º Ja.]

28º Gelooft ge--naar ge my hebt leeren kennen in al m'n

handelingen--dat dit oprecht gemeend was?

[29º Ja.]

29º Heb ik niet by vele gelegenheden gezegd dat ik zoo vele plannen in

het hoofd had, ter verbetering van den toestand der bevolking--denk aan

heeredienst, aan traktement van inlandsche hoofden, schryfbehoeften,

zoutverkoop-pakhuizen, 'n machine om water optevoeren, enz.--doch:

dat vóór alles knevelary moest ophouden?

[30º Ik verzoek u vriendelijk, mij van het antwoord op deze vraag

te verschoonen.]

30º Hebt ge den moed, indien hiertoe naar uwe meening moed noodig is,

ronduit te antwoorden op de vraag of er knevelary bestaat in Lebak?

Nota by deze vraag. My is het vry onverschillig of gy deze vraag al dan

niet beantwoordt, want hoe omzichtig uw rapporten ook waren ingekleed,

hebt ge hier-en-daar niet kunnen vermyden, daarop te doelen. Het was

dan ook moeielyk die waarheid overal te onderdrukken in schriftelyke

opgaven, wanneer ze in gesprekken tusschen ons, als uitgemaakt werd

aangenomen.

[31º Ja.]

31º Erkent ge, my gezegd te hebben: dat ook myn voorganger tegen

misbruiken te-velde trok, en dat ge daarop liet volgen: "Als hy langer

hier was gebleven ware hij stellig vergeven?"

[32º Ja.]

32º Erkent ge dat, toen onlangs werd gesproken over vergiftiging, ik

u op-eenmaal vraagde: Ah, dat is wáár, ge hebt zusters, waarvoor ge

zorgt, is dit ook de reden van uw vrees, van wat ik halfheid noem? en

dat ge daarop toestemmend antwoordde?

[De bovenstaande antwoorden, die door my zyn geparafeerd, heb ik

gegeven in gemoede en naar waarheid.

Minnebrieven; Over Vrijen-Arbeid in Nederlandsch Indië; Indrukken van den dag · 第 78 / 125 题