Chresos woonde in Beotie. Van beroep was hy burgemeester van 'n dorpje
welks naam ik niet weet. Ook kan ik u niet zeggen hoe hy verdwaald
raakte in Beotie, daar z'n familie thuis hoorde in Athene ... ja,
ik meende zelfs dat hy verwant was aan Alcibiades, een te vroeg
geboren Franschman. Chresos was 'n goed mensch, en leefde tevreden. Hy
zorgde voor z'n dorpje zoo goed hy kon, en vermaakte zich in ledige
oogenblikken met spelen op de luit. Maar dit deed hy alleen in huis,
en nooit viel hy iemand lastig met z'n muziek.
En zie, daar kwamen roovers die geweld-deden aan de bewoners van 't
dorpje, waar Chresos gezag had. Hy legde z'n luit neer, en trachtte de
roovers te verjagen. Men zeide hem, dat hy dit niet had moeten doen,
omdat de roovers onder de bescherming stonden van den magistraat in
de hoofdstad.
Maar Chresos geloofde dit niet, omdat hy 't àl te erg vond.
Hy ging voort met het bestryden der roovers, en daar zy overmacht
hadden, zond hy 'n bode naar Thebe om hulp te vragen.
In-stee van de gevraagde hulp te zenden, antwoordde men hem dat hy
'n onwaardig burgemeester was, en volstrekt niet geschikt om 'n ambt
te bekleeden in Beotie. Dit laatste sprak hy niet tegen. Maar na z'n
dorpelingen te hebben vermaand tot geduld, begaf hy zich met vrouw en
kinderen op weg, niets meenemende dan z'n luit. Z'n huis werd ingenomen
door 'n ander burgemeester, die zeker minder onwaardig was in de oogen
van den Thebaanschen magistraat, en ook zeer bevriend scheen met de
roovers die de domme Chresos had willen uitroeien. Althans men hoorde
niet meer klagen over de roovery, schoon de roovers in 't land bleven.
Met moeite verschafte Chresos zich toegang tot den Areopagus, en
verhaalde wat geschied was. Hy wees op z'n gezin, dat omkwam van
ellende door 't misverstand van den magistraat. Nog altyd hield hy
de zaak voor misverstand. Ik heb u reeds gezegd dat hy eigenlyk niet
thuishoorde in Beotie. Daarom oordeelde hy zoo verkeerd.
Maar de Areopagus antwoordde niet. Chresos vermaande z'n vrouw tot
geduld--wat niet noodig was--en troostte zich met spelen op de luit,
dat 'n behoefte voor hem scheen. De tonen die hy aansloeg, waren
in harmonie met z'n gewaarwordingen. Eigenlyk was hy geen groot
muzikant, maar er is wat byzonders in 't luitspel van 'n vader die
z'n kinderen ziet derven. Dáárom en niet omdat Chresos goed speelde,
luisterde men naar hem. Er was iets snydends in z'n spel, dat grove
ooren kittelde. En er waren veel grove ooren in Beotie.
Als men zeide: "fraai gespeeld Chresos, ga voort!" dan viel z'n hand
slap neder, en er blonk hem 'n traan in 't oog, by de gedachte dat die
onbegeerde lof de prys was van den honger zyner kinderen. Liever had hy
nog slechter gespeeld, of in 't geheel, niet, dan zóó! En hy vergeleek
z'n ziel by de snaren zyner luit, die gespannen moesten zyn om klank
te geven ... ja, gerekt op 't breken af vóór de hoorders tevreden
waren. "Zouden die snaren daarvan gevoel hebben als ik?" dacht hy.
Maar toch speelde hy van-tyd tot-tyd, omdat hy niet anders kòn. En
z'n gezin hongerde met geduld.
Telkens weder beriep hy zich op den Areopagus. Eindelyk ontving hy
het volgende vonnis:
De Areopagus, enz.
"Gehoord de klachten van den oud-burgemeester Chresos over de rooveryen
in 't dorp ... enz.
"Gehoord zyn verzoek om uitspraak te doen, tusschen hem en den
Thebaanschen magistraat ... enz.
"Gelet op de verklaring van gezegden Chresos, dat hy en de zynen
verkeeren in zeer dringenden nood, ten-gevolge van een misverstand,
dat dien magistraat zou hebben bewogen party te trekken voor de roovers
die 't dorp afloopen, waar gezegde Chresos vroeger burgemeester was.
"Gelet op de verklaring van vele getuigen, die gezegden
Chresos hebben hooren spelen op de luit.
"Recht doende, enz.
"Veroordeelt meergenoemden Chresos tot de luit, en de kosten van
't proces."
Die Areopagus was omgekocht, en heette Nederland.