Komt mee, komt mee, daar wordt 'n man gekruist,
Daar is wat schoons te zien op Golgotha!
Werpt beitel neer en spade, o burgerluî,
En roept uw dochters en uw knapen van hun spel.
En laat uw werk, uw werk maar, voor van-daag!
Werpt hamer, troffel, schaaf en weefspoel neer!
Komt allen mee ... daar is wat fraais te zien!
Komt allen mee ... hoerah voor Golgotha!
Hoerah, hoerah voor Golgotha!
--Dat zal, by God, wat schoons zyn deze keer!
Hij schynt nog jong, en heeft iets in z'n blik
Dat taaiheid aanduidt ... zie, daar zygt hy neer:
Hy schynt toch zwak te wezen! 't Kruis is zwaar...
Ik hoor: het is van 't allerbeste hout! Men zegt,
(Maar Nathan, of het waar is weet ik niet!)
Ze zeggen dat hyzelf het heeft geleverd,
Toen hy als timmerman nog aan de schaafbank stond...
Want, buurman, vóór hy, 'k weet niet wàt, misdeed,
Ja, òf hy iets misdeed zelfs Nathan, weet ik niet...
Maar vóór hy deed wat men hem euvel nam,
Was hy een timmerman als wy.
--Hoe heet die man?
--Dit weet ik waarlijk niet, men zegt hy is hanootzri... [44]
Of wel, zijn vader was hanootzri. Hy lykt zwak
Voor zulk 'n ambacht, maar z'n werk was goed...
Hy struikelt weer ... (Op-zy wat, Jöchaz!
Ei, laat my ook wat zien ... ge dringt me weg,
Of 't heele schouwspel waar voor u alleen! Hy zweet:
Ik zeide u wel dat hy niet sterk was, Nathan.
Maar toch geloof ik dat hy taai is, en ons niet
Bedriegen zal, als laatst die and're dief
Die pas 'n half uur had gehangen, toen z'n hoofd
Op-zy knikte ... en 't was uit! Hy sprak geen enkel woord
Dat ons beloonde voor de moeite. Waart ge er by?
(Houd kleine Mirjam wat omhoog, Jochébed!)
Zeg waart ge er by, o Nathan ben Daöud,
Toen ons die dief bestal voor zooveel moeite om-niet?
--Ik had dien dag een splinter in myn voet,
En dus geen lust in uitgaan of vermaak,
Maar 'k heb gehoord ...
--Ik was er by, vriend Nathan!
Ik droeg m'n opperkleed van groene zyde,
En had m'n tulband op van kashmirstof
Omdat die koel is ... zie, hy struikelt weer,
Maar staat weer op. Wat zeide ik ook het laatst?
--De dief die u bedroog ...
--Ik weet al. Nu dien dag
Was 't warm als heden ... neen, zoo warm was 't niet:
Want ... vindt ge 't niet ontzettend heet van daag
De zon brandt me op den schedel. 't Rouwt my wel
Dat ik m'n tulband niet verruild heb voor myn Kashmir,
Die licht van kleur en koeler is ... dat doet de haast:
Ik gunde my geen tijd--daar valt-i weer--
Ik heb er spyt van ... Golgotha is vèr!
Zoo'n donk're zuigt de warmte broeiend in,
En dáárom heb ik spyt dat Golgotha zoo vèr is...
Wat zeide ik ook het laatst?
--Die slechte dief..
--Ik bèn er! Uren liep ik mee, en hygde als nu...
(Vervloekte hitte ... dringt zoo niet, Jöchaz!)
Ik was vermoeid vóór halfweg ... en de dief
(Let wel hoe schand'lijk die man ons bedroog)
Liep met z'n kruis, als waar 't 'n palmtak, voort!
Hy zweette niet, en is niet eens gestruikeld ...
Maar toen-i hing, was 't daad'lijk met hem uit!
En deze--zie, hy struikelt weer--en deze
Is niet zoo zwaar van bouw, zoo forsch van leest...
Hy schynt wel teer van spieren ... doch zyn blik
Toont dat-i veel geleden heeft en droeg.
Maar dat-i langen tyd nog lyden kàn!
'k Ben zeker dat hy spreken zal aan 't kruis,
En dit is juist het aardigst van de zaak!
De kinderen gaan, om dát te hooren, mee...
Die andere dief was dood, vóór nog m'n vrouw,
Die trager liep--omdat ze zwanger was, dien tyd,
Van Mirjam--(houd het schaapje omhoog, Jochébed!)
Die dief was doód, vóór zy daar aankwam, Nathan!
En ieder zeide dat het schande was!
(Geef Mirjam my, Jochébed! Hier m'n kind,
Hu ... huup ... op vaders schouder! Kunje zien?
Sla 't kleine handje zóó ... om vaders hals,
En houdje vast!) Wat zeide ik ook het laatst?
--Die and're dief ...
--Ik weet al! Heel de buurt
Was op de been gekomen, om dien man te zien.
Daar waren met ons, Ruben, Ephraïm,
Baëna met de kind'ren, Hiddal ben Elia,
De dochters van Urias, Schmoel de wisselaar ...
(Ik zie hem juist, hy werpt den man met drek)
Hy is 't, die laatst verjaagd werd uit den tempel,
Omdat hy schacherde in Jehovah's huis...
--Wie jaagde 'm weg?
--Ze zeggen zekere Ischa...
Jeshoeah, zoon van Joszof, uit 'n groot
Geslacht, die met 'n zweep hem voortjoeg als 'n hond,
En 't goud- en zilverkraampje omver smeet, dat de munt
Links, rechts wegspringend, neertikte op den grond
En rollend wegstoof onder 't volk ...
--Wie gaf hem recht
Tot zulk 'n groot gezag?
--Dit weet ik, Nathan, niet,
Maar 't is niet goed te schachren in Jehovah's huis!
Myn Ephraïm ... maar, Nathan ben Daöud,
Ik zeg 't u in vertrouwen, en ik hoop...
(Daar werpt weer Schmoel den kruisman met z'n drek)
Wat zeide ik ook het laatst?
--Ge spraakt van Ephraïm,
En van de wiss'laars in den tempel...
--Juist!
Ik zeg 't u in vertrouwen, en ik hoop
Dat ge my niet verraden zult! M'n zoon
Die 't aanzag, wyl hy juist 'n handel sloot,
Heeft, ylings bukkend, als om hulp te biên
In 't zoeken--maar verklap me niet, ben Daud!--
Hy heeft met scherp gezicht en vlugge hand..,
In 't kort, z'n handel was gezegend op dien dag:
Hy kwam met dertig zilverlingen t'huis!
Geloof me, Nathan, die ben Joszof had gelyk ...
't Is ongeoorloofd dus Jehovah's tempel
Te ontwyden met 'n goud- en zilverkraam:
jeshoeäh ben Joszof had groot gelyk!
't Is dáárom ook dat Ephraïm, m'n zoon,
Hem altyd zoekt en naloopt ... of hy weer
Ter zuivring uitgaat van Gods tempel, met 'n zweep,
Maar sinds een week heeft hy hem niet gezien ...
(Daar werpt die Schmoel den kruisman weer met drek)
--Die and're dief ...
--Ja, juist! Wy allen gingen mee, de heele buurt ...
En toen-i hing, was 't daadlyk uit, ben Daud!
Och kleine, druk zoo zwaar niet aan m'n hals!)
't Is warm--hy struikelt weer--hy schynt vermoeid ...
Ik zeg u, dit beteekent niets, vriend Nathan
Ge weet, hoe 't hout dat maklyk buigt, niet breekt,
En hoe het harde knakt, by 't minste buigen:
Zóó ook die man ... ik zeg u, hy is taai!
--Eilieve, zie ... die vrouw!... Zou dat z'n vrouw zyn?
De vrouw die schreiend volgt, en neergebukt,
Als-of zyzelve 't kruis droeg op haar schouder!
Zy steekt de magre hand gedurig uit,
Als wilde zy den kruisman schragen ... Is 't zyn vrouw?
--Dit weet ik waarlyk niet ... ze schynt my te oud.
En bovendien ... ik zie geen kindren! Neen,
Dat is gewis z'n moeder ... zie, ze waggelt!
Ik heb zoo vaak zoo'n kruisweg meegemaakt,
(De kind'ren zyn er dol op, de arme schapen!
En altyd opgemerkt, dat wie 'n vrouw heeft
En kind'ren, die naar 't kruis hem weenend volgen,
(Wees rustig, Mirjam: vader is vermoeid!)
Zoo taai niet is als deze, Nathan ben Daöud!
Ik zeg u nog-eens: deze man is taai:
Een vader zou zoo taai niet wezen, Nathan!
Hy is wat moe van 't gaan, maar als-i hangt,
Is dit terstond voorby! Vriend Nathan, help me 't kind
Eens overzetten, op dien andren schouder ... zóó!
Het drukt zoo op-den-duur, al schynt het licht in 't eerst!
(Zit stil, m'n kind!) Ja, deze is wat vermoeid,
Misschien wat zwak ook door het bloedverlies,
(Schuif niet zoo heen-en-weer, m'n kind: dat doet me pyn!)
Men zegt dat-i gegeeseld is ... Ziet ge zyn rug?
Tracht heentekyken over 't volk, vriend Nathan!
--Ik heb Jöchaz voor my ...
--Kunt gy 't zien, Jöchaz?
--Ik zie alleen den top en d' arm van 't kruis
Dat slingrend voortschuift als-i waggelt, maar verdwynt
Zoodra hy neerzwikt ... zie, daar valt het weer,
En ryst nu langzaam weer omhoog!
--Dat zie ikzelf
Zoo goed als gy dat ziet, Jöchaz! Maar ik wensch
Te weten of z'n rug ... zoo'n kind is vreeselyk zwaar!
Wees niet zoo woelig, kleine: uw vader is vermoeid ...
Kunt gy z'n rug zien, kind, zyn naakten rug?
Den rug des mans, die ginds dat kruis draagt, kind,
En die door Schmoel geworpen wordt met drek?
Ik houd u hoog ... zie goed ... maar zie wat snel,
Omdat ik moe ben, Mirjam! Nu?
--Die rug is rood ...
Ge hoort het, ben Daöud ... dàt maakt hem zwak!
Men heeft hem eerst gegeeseld, dat maakt zwàk!
Maar 't gaat wel òver, als-i hangt. Hij zal
Gewis zoo gauw niet knikken met het hoofd ...
(Zit stil, myn kind, ge drukt me ontzettend zwaar!)
Ik zeg u, Nathan, deze man is taai!
't Is jammer dat ik niet myn Kashmir heb ...
(Zit rustig kind, of vader zet u neer:
Ik ben vermoed!) En ieder zei, ben Daöud:
Het was 'n schande ... dáádlyk was het uit!
Maar deze zal zoo gauw niet sterven aan het kruis,
Hy zal gewis wat spreken voor-i knikt!
Dat praten dan de kindren jub'lend na,
En maken grappig spel van wat-i zeide,
En spelen kruisman, weken naderhand!
Dit beurt wat op, in dezen slechten tyd!
Maar als-i zwygt aan 't kruis, is 't niet de moeite waard
Zoo vèr te gaan--het is zoo vreeslyk heet,
Als 't weer gebeurt, zet ik m'n Kashmir op!--
Ik zeg u dat-i taai is, ben Daöud!
Hy valt weer ... dit is niets! Wacht tot-i hangt,
(Zit stil, Mirjam!) dan zult ge zien en hooren ...
Neem 't kind terug, Jochébed: ik ben moe ...
Maar houd het schaapje omhoog ...
Komt mee, komt mee, daar is wat schoons te zien!
Komt allen mee ... daar wordt 'n man gekruist!
Wat hy misdeed? 'k Weet niet wat hy misdeet ...
Er zyn er zelfs die zeggen dat-i wèl deed ...
Maar dit 's om 't even! Werpt uw grootboek neer,
Vergeet uw koffi en uw suiker, burgerlui ...
Uw beurs, uw oefning, en uw monsters van tabak,
Uw winkel van gestolen kruinierswaren,
Uw Evangelie en uw batig saldo!
Laat liggen voor 'n wyl uw handel en moraal,
Theologie ... moderne, antieke ... 't heele zoodje!
Neem uit de kast uw deftigst opperkleed,
Bedast uw hals met allerwitst batist,
En laat uw werk, uw werk maar, voor van-daag,
En roept uw knapen en uw dochters van hun spel ...
Komt mee, komt mee, daar wordt 'n man gekruist!
Daar is wat schoons te zien op Golgotha!
Ik zeg u dat-i taai is, die daar gaat ...
Hy zal zoo gauw niet knikken met zyn hoofd ...
Hy zal, by God, aan 't kruis niet zwygend sterven!
En voor uw kinderen zal 't de moeite waard zyn
Te hooren--en het nàtepraten--wat-i zegt!
Beloof hun vry een vroolijk kruismansspel,
Dat beurt wat óp in deze slechte tyden!
Ik zeg u dat-i taai is, deze man,
Dat hy u niet bedriegen zal, als laatst
Die andre dief, die daadlyk knikte met het hoofd,
En toen was 't uit! Maar deze man is taai,
Al schynt hy zwak van bouw. Het is hem aantezien
Dat hy veel droeg, maar kracht heeft méér te dragen,
Dat hy veel leed, maar lang nog lyden kàn!
Hij spreekt reeds ... luister: "Eli Sabactani!"
Hy roept Elias ... kindren, bauwt hem na,
En sart hem, dat hy nòg wat zegge aan 't kruis,
En krabt met lange nagels in z'n wonden ...
Of beter, werpt hem--als vriend Schmoel--met drek:
Licht slikt hy walging minder goed dan pyn!
Hu ... huup ... omhoog uw kindren! Dat ze 't zien.
En dat ze 't hooren, hoe de kruisman spreekt,
Om stof te garen voor hun kruismansspel ...
Komt allen mee! Hoerah voor Golgotha!
Hoerah, Hoerah voor Golgotha!
Komt mee, komt mee, daar wordt een man gekruist:
Roept Ruben hier, en Nathan ben Daöud ...
Klaas Jakob, Nafthali, Albertus! Eliézer ...
De dames en de heeren uit de buurt,
Verwanten, neven, nichten, broeders, en de rest,
Behouders, Liberalen, mannen van de beurs,
En van de balie of den kansel! Kontraktanten
En Vry-arbeiders, oppozitie en ministers,
De leden van de Tweede-Kamer in den Haag,
En wie er rusten kan, na slecht regeeren,
En wie geen tyd had om z'n plicht te doen,
Maar licht nu tyd heeft voor 'n grappig schouwspel,
Roept Mozes, Issaschar en 't heele Willemspark,
Piet, Paul, Ezéchiel ... roept al wat naam heeft,
Roept wat gedoopt is, of besneden, mee!
Roept al wat juicht: "ik dank u voor myn braafheid!"
Roept al wat kermt: "wees my genadig, Heer!"
Roept wat verdoemd is, en wat deel heeft aan genade,
Wat loopen, zien en hooren kan (al is 't wat heet!)
Jezuiten--protestantsche en katholieke--
Van de orde of niet van de orde, Vrye-metselaren,
Die over 't goede, schoone woorden spreekt,
Maar u onthoudt van stryden tegen 't kwaad!
Gy die u kind'ren noemt der weduw, maar uw hand
Niet uitstrekt om het kruis te dragen van haar zoon!
Roep al wat bidt of schachert in den tempel,
Al wat er wacht op Nabi Issah's zweep!
Al wat met scherpen blik en vlugge handen
Hem nasluipt--of soms te grissen viel
Van 't geld, dat rollend wegstuift onder 't volk--
En later meepraat over stelsels en principes!
Roept al wat vet werd van gestolen spys,
Al wat er pocht op linzen-eerstgeboorte,
Al wat 'n gouden kalf in 't wapen draagt,
Al wat er knaagt aan Insulindsche knoken,
Al wat er zuigt aan de Insulindsche koe,
Al wat er hangt aan d'afgestroopten tepel,
Al wat er zwelt van 't afgezogen bloed!
Komt allen mee ... Jochébed met de kleine ...
(En houdt vooral het schaapje omhoog, Jochébed!)
Roept Janszoon, Pieterszoon, ben Levi, ben Daöud ...
Ben ... dìt, BEN ... dàt, BEN ... ieder!
Roept ook Schmoel ...
Ja, Schmoel vooral, en Judas Judaszoon!
Komt allen mee, komt mee naar Golgotha!
Bij God ... daar is vandaag wat schoons te zien!
Komt allen mee, daar wordt 'n man gekruist!
Komt mee, komt mee ... Hoerah voor Golgotha!
Hoerah, Hoerah voor Golgotha!
Ik ben wat moe, myn beste Tine.