EERSTE SPROOKJE.

Een netgekleed heer, goudgekettingd en tevreden, wandelde langs een der

grachten van Amsterdam. Hy was in de stad voor "zaken". Straks zult

ge zien, wèlke zaken. Daar wandelde voor hem uit, een dame met haar

kind. Door ik weet niet welk toeval, viel het kind in 't water. De

moeder gaf een gil ... en sprong het kind na, dat zy redde.

De man van zaken zag het aan, haalde z'n zakboek uit, en maakte zich

gereed daarin iets opteschryven.

--Mevrouw, mag ik zoo vry zyn, uw naam en adres te vragen?

--Myn kind, myn kind, ik heb m'n kind terug!

--Zeer wel, maar mag ik zoo vry wezen...

--Ik heb m'n kind terug, herhaalde de hoofdige moeder, die niet

begreep dat men haar vragen kon naar iets anders dan haar kind.

--Met die vrouw is niets te beginnen, bromde de nieuwsgierige

vrager. Eilieve, vriendje, ik zal u ruim beloonen, als ge my morgen

den naam en 't adres opgeeft van die dame.

Zóó vraagde de vreemdeling aan een der omstanders, en 't schynt dat

hy ditmaal te weten kwam wat hy begeerde te weten. Althans hy liet

zich den volgenden dag aandienen by de gelukkige moeder.

--Mevrouw, ik had de eer tegenwoordig te zyn...

--O, waart ge dáár, mynheer? Hebt gy 't gezien? Ik zag niets, ik

hoorde niets, ik sprong...

--Verschoon my, mevrouw, ik heb gehoord...

--Gehoord?

--Ja, mevrouw, Ik heb gehoord hoe ge...

--Gehoord? Wàt toch?

--Ik heb gehoord hoe gy gegild heb, mevrouw ... ik kom u 'n engagement

aanbieden by 't theater.

Arme moeder!

Die man was 'n impressario die sujetten zocht. Hy heette Publiek.

Minnebrieven; Over Vrijen-Arbeid in Nederlandsch Indië; Indrukken van den dag · 第 64 / 125 题