AAN FANCY.

Ze schryft dat ik my met u moet verzoenen. En al schreef ze dit niet,

ik kàn niet anders!

Maar toch ben ik bedroefd. Iets leeren aan U! Ik aan U iets leeren? O,

ik honderdvoudige dwaas die meende dat ge bestondt, toen Jehovah de

fondamenten legde der wereld! Ik, die geloofde dat gy het wist, hoe

de rechtheid der aarde was gemeten met 'n koord, en hoe de melodie

klonk van het lied, dat de sterren zongen ter verheuging, den dag

nadat zy gemaakt waren!

Ik, die dacht dat gy gebod hadt over den nacht, en den morgenstond

z'n plaats aanweest!

Zyt gy 't dan niet, die kracht geeft aan het paard, en die den Behemoth

leidt met uwen vinger. Weet ge niet hoe zich de stralen van het

licht splitsen, en kunt ge niet uitspreken het getal luchtgloben die

rondassen in den orkaan? Vouwt ge niet bliksemen saam als halmen, en

voert ge niet heerschappy over de weerlichten, dat zy zich verzamelen

voor uwen voet, deemoedig geknakt zeggende: hier zyn wy.

Maar Fancy, ik heb u toch lief, waarom heb ik u dan zoo lief, Fancy? Ik

die niet tevreden ben met minder dan dat alles?

U iets leeren? Wat zal ik u leeren? Ik weet niets.

Ik ben gegaan tot myn vriend die in wysheid handelt. "Ze wil iets

leeren, zei ik bedroefd, leen my iets uit uwen voorraad." Hy bracht my

in de binnenkamer van z'n huis, en toonde my de schatten van kennis

die hy verzameld had. Ik zag daar veel zwarte letteren, saemgevoegd

op wit papier dat geel was. Ik hoorde daar de gesprekken der wyzen

van alle eeuwen, en werd niet wyzer dan zy allen schynen geweest te

zyn, want de meesten erkenden dat zy niets wisten, als ik. En die

't niet erkenden, zagen er dommer uit dan de anderen.

Daar waren er, die in dikke boeken 'n god gemaakt hebben .. 'n god

in Hebreeuwsch en Grieksch ... 'n god .. komaan, ik zal 't u vertellen.

Maar Fancy, ik doe dit niet om u te leeren wat is, ik doe het om

u--als gy 't inderdaad niet weet, wat ik nog altyd niet gelooven

kan--te leeren wat niet is.

Er was eens niets! Was komt van wezen, zyn, bestaan. "Er was niets"

beduidt dus: er bestond iets dat niet bestond.

En God, of de god ... begrypt ge dit woord? 't Is verwant met

weten [7]. Dat hebben de ouden goed genaamd! Zoo is er meer dat,

wèl bedoeld, verkeerd uitviel, en dit is veelal de schuld van de

dominees,--indisch, egyptische, joodsche, dordsche en moderne,--die

zelden dichters verstaan.

Die god dan maakte 'n zandkorrel met wat gedierte er op, iets grooter

dan 't gedierte op de stofjes die wy afslaan van onze schoenen,

als we gewandeld hebben.

Wanneer zal ik met u wandelen, Fancy?

Onder dat gedierte was veel verschil. Er waren er, die staarten hadden,

en gras aten. Anderen spraken-kwaad, en bezaten eigenliefde. Sommigen

behoefden veel lucht. Eenige, water. Enkelen, rauw vleesch. En weer

anderen konden niet leven zonder heerschappy. Deze laatsten hebben

zelf gezegd--in 't dikke boek dat ik u zenden zal--dat zy heer en

meester zyn over alles wat bestaat. Ten hunnen behoeve bestond de

visch, de vogel, de leeuw, de sprinkhaan, alles!

Maar niet alleen de overige diersoorten moesten onderdanig zyn aan

de dieren die dat dikke boek maakten, ook de andere zandkorlen--want

er waren er meer, en daaronder velen die toch eigenlyk grooter en

belangryker waren--dienden alleen om die kleine korl te vermaken. 't

Geen ze deden, door er om heen te draaien.

Ik heb 'n muis gekend, Fancy! die in 'n Edammer kaas woonde. Ik kon

dat beestje maar niet uit het kopje praten, dat het heele kaasmagazyn

was opgericht, om hem te voorzien van 'n behoorlyk verblyf.

De dieren die baas-speelden over de kleine zandkorl, noemden zich

Menschen, 'n woord dat zeker iets schoons aanduidde, maar waarvan in

dit geval de beteekenis op alle manieren is verloren gegaan. Ik zal den

wortel opzoeken, en u vertellen wat ik er van vind. Dit weet ik nu al,

't is 'n indisch woord. Ik zal 't verder nasporen by m'n vriend den

boekverkooper. [8]

Menschen dus! Straks zal ik u uitleggen hoe ook onder hen veel

onderscheid heerschte, dat alweer neder kwam op verschil in gezag. Dit

onderwerp ligt me na aan het hart.

Maar eerst wil ik U meedeelen, wat men van dien god gemaakt heeft. Kort

na het scheppen van den mensch, liet hy dezen in 'n val loopen, en om

nu den mensch te straffen voor zyn--namelyk: voor Gods--arglistigheid,

veroordeelde hy hem tot allerlei dingen, die deels niet gebeurden, en

deels toch zouden gebeurd zyn, als de mensch den strik was misgeloopen,

dien de god hem gelegd had. De straf zou duren "ten eeuwige dage",

dit wil zeggen, dat zy eenmaal zou ophouden, en wel zoodra er iemand

kwam die de schuld overnam. Vierduizend jaar wachtte de misdadiger,

die zich had schuldig gemaakt aan de kwaadaardigheid van den god,

tevergeefs op de toegezegde verlossing. Als ik zeg: dat hy wachtte, is

dit weêr onjuist gesproken, maar 't is heel moeilyk zich juist uit te

drukken als men onjuiste dingen vertelt. De misdadiger wachtte eigenlyk

volstrekt niet, want hy was in die vierduizend jaar reeds 100 of 120

malen verdoemd gestorven, en vervangen door anderen, die ook weer

verdoemd stierven. Ten-laatste zond God 'n persoon "die de zonden der

wereld zou dragen." Toen was op-eenmaal alles goed! De slangen kregen

vleugels, en 't kraambed werd 'n ware uitspanning. Ook zweette men niet

meer. Dat alles is zeer duidelyk, en wie 't niet begrypt, is verdoemd.

Ziedaar 'n kort begrip van de leer der zaligheid.

Ik erken dat ik hier-en-daar wat heb overgeslagen, omdat ik 't

onfatsoenlyk vind alles te schryven aan 'n meisje ... zooals ge zyt,

helaas!

Maar als ge dit alles toch wilt weten--meisjes zyn zoo--dan kunt

ge 't nalezen in het dikke boek dat ik u zend, en waaruit veel kan

geleerd worden door iemand die weten wil wat niet waar is. Is 't u

nu en dan om waarheid te doen, lees dan "Bernstein, boven lucht en

wolken," of koop werken van Strootman, de Gelder, of van Swinden,

schoon ge ook met die heeren voorzichtig moet zyn. Want het is niet

waar dat een rechte lyn de kortste afstand tusschen twee punten is,

zooals ze leerden aan my toen ik 'n kleine jongen was, en nog niet

mocht tegenspreken ...

--Dáár staat het! zeide men: Gezag!

--Een kind vraagt niet naar oorzaak of reden: Gezag!

--Een kind gehoorzaamt! Gezag!

Hierop nu wil ik terugkomen en ik deed de Schepping, de Zondeval--ja

wèl 'n val, 'n ware piège!--de Verdoemenis en de Verlossing wat kort

af, om tyd te vinden voor 'n paar geschiedenissen, over gezag die ik

wensch te verhalen.

Minnebrieven; Over Vrijen-Arbeid in Nederlandsch Indië; Indrukken van den dag · 第 13 / 125 题