--Broeder, gy die grooter zyt dan ik, kunt ge de granaat bereiken, die
daar tusschen die vuurbloemen in 't groen, my aanlacht met geopende
lippen, als 'n wenkend meisje? Zie, zy is gebersten van rypheid,
en gloeiend rood is de rand van de wonde die zyzelf zich sneed om
my te behagen! Ik heb lust in dien granaatappel, myn broeder! Gy,
die grooter zyt dan ik, steek uwen arm uit, en pluk opdat ik ete.
En de broeder deed alzoo, opdat de jonger broeder eten zou.
En de oudste ging naar het veld, en zag 'n berggeit die afdaalde in
de laagte, en haar jong zocht.
Hebt gy niet myn lam gezien, vraagde zy den leeuw, gy die de vlakte
bewoont, en, beter dan ik, de wegen kent in het effen veld, zoo
vermoeiend voor my, omdat m'n hoef gespleten is!
--Laat uw jong, uw jong ... uw lam, uw lam, zei de leeuw, en kom hier,
opdat ik u verslinde.
En de leeuw deed alzoo.
Maar de oudste broeder vraagde aan den leeuw:
--Wat is dit, dat gy de geit eet, die haar jong zocht?
--Ge hebt gehoord hoe zy klaagde over de ongeschiktheid van hare
hoeven, antwoordde de leeuw. Deed ik niet recht haar te eten? Zie myn
klauwen, die geschikt zyn! Zie de geschiktheid van m'n tanden. Daarom
at ik de geit.
De jongeling dacht na, en bezag z'n armen, die lang, sterk en fors
waren. Hy vond die zoo geschikt ... dat hy zich voornam z'n jonger
broeder te dwingen tot dienst.
En toen deze hem weder verzocht vruchten te plukken, antwoordde hy:
--Zie myn armen. Hebt ge niet gezegd dat de uwen niet reiken tot de
granaat? Dien my, opdat ik u niet verslinde.
Van toen af diende de jongste broeder den ouderen. Maar hy verheugde
zich niet over de ontdekking die deze te danken had aan den leeuw.
En dit is alzoo gebleven tot op dezen dag.