Max, ik heb u lief. Uw schryven heeft me diep gewond, maar ik wil de
uwe zyn ... geheel-en-al!
Toen ik uw geschiedenis las,--o, nu weet ik dat het maar 'n klein
deel was van uw geschiedenis--toen trilde my het hart, en ik vloekte
't lot, dat me veroordeelde tot twintig jaren meisje en levenslang
onder 't opzicht van 'n man?
Want ik ben 'n meisje!
En wanneer ik dit betreur, dan is 't niet als gy, die me maken wilt
tot 'n ideaal, neen, ik wilde een man zyn om te kunnen handelen,
om te kunnen optreden als uw kampioen. Ik vraag waarom die mannen
zich alles toeëigenen, zich alles aanmatigen? Waarom ze wetten maken
in hun voordeel? Waarom ze zich hoofden noemen van 't menschelyk
geslacht? En waarom ze lafhartig wegschuilen, zoodra er iets te doen
valt, wat men gewoon is--alweer onrecht!--mannelyk te noemen.
Eerst wondde my uw brief zoo diep, dat ik vreesde te bezwyken. Ge
zyt bitter, ge zyt scherp, ge zyt onrechtvaardig! Maar ik heb u lief,
en de liefde overwint alle dingen.
Als gy eenmaal u hebt vertrouwd gemaakt met het denkbeeld dat ik niet
zweef, zult ge u misschien verzoenen met de honderd ponden stof, die me
nu zoo verachtelyk maken in uw oogen ... en die er heel lief uitzien.
Luister. Ge vraagdet om antwoord in uw brief aan Ds. Francken. Ge
zegt daar:
"Koning van Nederland, doe uitspraak tusschen die menschen en Max
Havelaar!"
en
"Nederlandsche natie, sta op, ga tot Hem en vraag: Is het waar,
o Koning, dat deze dingen geschieden in Uw ryk, in uw prachtig ryk
van Insulinde?"
Er is niemand opgestaan om dit te vragen aan den Koning.
Natuurlyk, het nageslacht is nog niet geboren.
En die Koning heeft geen uitspraak gedaan...
Welnu, Ik zal opstaan, ik zal die uitspraak doen. Ik, Fancy!
Want ik heb u lief, u en uw zaak.
Te-vergeefs hebt ge u beroepen op staatslieden en koningen. Te-vergeefs
op Christenen en menschelykheid. Koningen houden zich bezig met de
gesp van de buikbanden hunner officieren. Koningen hebben geen tyd
om u te hooren.
Staatslieden dryven handel in stemmen van Kamerleden en maken
verhandelingen, waarin "zy zich de vryheid veroorloven, zich deze
of geene vryheid te veroorloven." [6] Staatslieden hebben geen tyd
u te hooren.
Christenen zyn aan 't twisten over het geloof. Christenen hebben geen
tyd u te hooren.
En de menschelykheid! Eilieve, schryf eens een brief aan die
menschelykheid, en zie of hy te-recht komt als zy schryven aan my,
met het eenvoudige opschrift: Fancy! O, 't is niet altyd nadeel,
vleesch en been en bestaan te hebben! Het ware voor u te wenschen,
dat de menschelykheid ponderabel ware, en adresselyk als ik!
Ik zal opstaan. Ik zal tot den koning gaan. Ik zal u antwoorden. Ik
zal u aanhangen. Ik zal u doen overwinnen.
En de kracht tot dit alles? Wacht tot volle maan, Max, dan word
ik geknipt...
Maar vergeef my intusschen dat ik maar een meisje ben, en leer my
een en ander, als het waar is ten-minste, dat ge meer weet dan ik. Ik
weet zeer weinig, en dit is natuurlyk ... door al die beddelakens.
Is het waar dat kousenweven is uitgevonden door de liefde? Hebt ge
my niet lief genoeg om 'n machine uit-te-denken die huishoudt?
Ach, m'n moeder is dood! Er is geen poëzie in ons huis. Alles is
dor en droog en fatsoenlyk en vervelend. Ik heb veel te weinig
geleerd. Leer me wat ... maar geen vormleer, die ken ik al. Als 't
noodig is, zal ik voor u sterven, maar dit komt nog minder voor dan
schermen en zwemmen. 't Is wèl vervelend!
Ik ben geestig, maar kan hier niets uitvoeren met m'n geest. 't Oude
kabinet kon ook de deur niet in, toen we hier kwamen wonen. 't Staat
nu te wachten by 'n uitdrager, tot we grooter "behuisd" zyn. En m'n
hart is overkompleet. Ik geef het het u, "tot ik grooter behuisd ben
maar ..." leer me wat, intusschen!
Sedert lang bemerkte ik dat er veel zaken zyn, die men niet zegt
aan vrouwen. Ik heb 'n oom die altyd spreekt van "de" vrouw: "dit of
dat dient niet aan de vrouw!" "Dat behoort niet tot het gebied der
vrouw!" "Dat zegt men niet aan de vrouw!"
Is "de" vrouw mensch of is ze geen mensch? Dat eeuwige "de" intrigeert
me. Het doet me denken aan 'n zoölogische verhandeling over den
jakhals ... ik "leer" m'n examen voor sekondante, dit merkte ge.
"De" jakhals leeft van den afval des leeuws. Het wyfje werpt...
Wat zoo'n wyfje werpt, gaat me niet aan. Maar dit vraag ik u: leeft
de vrouw van den afval des mans?
Nu moet ge me wel antwoorden! Ik vraag u, me wat te leeren, opdat ik
niet als 'n jakhals den leeuw hoef nateloopen, om te soupeeren van
zyn diner.
Wacht overigens geduldig tot volle maan. Wist ge dat m'n haren ... ik
word weer geroepen.