dan de andere, en met onregelmatige wanden, hier en daar met sterke
eikenhouten balken gestut.
Dicht bij een der langste wanden stond een krachtige dynamo, en de
dikke draden daarvan verdwenen in de zoldering.
Behalve deze machine stond er nog een kleine keukentafel en een tweetal
stoelen.
Op de tafel lag een vel papier, bedekt met teekeningen en cijfers.
Zelfs in den toestand waarin hij zich thans bevond, was Raffles helder
genoeg van geest om dadelijk te zien, dat daar een keurig geteekend
plan van de tunnel voor hem lag.
Voor de tafel zat een breedgeschouderd man met kleine, opmerkelijk
glanzende zwarte oogen.
Raffles herkende hem op het eerste gezicht, het was de zoogenaamde
drukker.
De man scheen zich volstrekt niet bijzonder te verbazen over de komst
van de twee indringers, en keek ternauwernood op van het plan, in welks
beschouwing hij geheel verdiept was.
De kleine kelder was zeer helder verlicht door een booglamp, die aan
den zolder hing.
„Hier zijn de mannen, chef!” zeide een der drie kerels, die zich van de
twee vrienden hadden meester gemaakt.
Nu wendde de man met de glanzende oogen zich met een ruk op zijn stoel
om, en keek Raffles en Charly beurtelings onderzoekend aan.
„Zoo, dus mijn kleine val heeft goed gewerkt, en hedennacht is er,
geloof ik, kostbaar wild ingeloopen! Ik heb zeker het genoegen, met de
eigenaars van de tunnel te spreken, die rechtstandig op de mijne loopt,
ongeveer ter hoogte van de Baker-Street?”
„Het genoegen is geheel aan onze zijde, mijnheer de drukker!” kwam
Raffles minzaam. „Gij ziet, dat ik u herken, al hebt gij, daar het hier
tamelijk warm is, afstand gedaan van de fraaie pruik, welke u tooide,
toen ik voor de eerste maal tot u het woord mocht richten. Maar nu ik u
wat nader beschouw, meen ik u van vroegere gelegenheid te herkennen!
Indien mijn geheugen mij niet bedriegt, zijt gij lid van de Bende der
Wolven, en draagt gij den goed gekozen bijnaam „de Lynx” waarschijnlijk
wegens uw fonkelenden blik!”
De Lynx was langzaam opgestaan, en plaatste zich nu met de handen in de
zijde voor Raffles.
Zijn wenkbrauwen waren dreigend zamengetrokken.
„Die man uit de provincie, dat waart gij dus? Nu, laat ik tot mijn
eigen lof zeggen, dat ik u dadelijk gewantrouwd heb, al erken ik, dat
gij voortreffelijk waart in uw rol! Lieden als wij moeten steeds
wantrouwend zijn, begrijpt gij?”
„Volkomen!” antwoordde Raffles rustig. „Als men een aanslag wil plegen
op een instelling als de Midland-Bank, dan is men allicht geneigd in
iederen vreemdeling een afgezant van de gevreesde politie te zien!”
„Gij zijt bijzonder goed op de hoogte,” bromde de Lynx tusschen de
tanden, en er verscheen een gevaarlijk licht in zijn gitzwarte oogen.
„Maar misschien zal u blijken, dat ook wij niet tot de domooren
behooren! Ik begin nu in te zien, hoe de zaak zich heeft toegedragen.
Gij hebt in uw eigen tunnel, welke gij zoo goed hebt weten te
verdedigen, het gerucht van ons graafwerk gehoord, en nieuwsgierig als
gij zijt uitgevallen, wellicht ook een weinig uit vrees, dat ons werk
uw tunnel wel eens in gevaar zou kunnen brengen, hebt gij onderzoek
gedaan naar het beginpunt van den nieuwen gang. Onze zoogenaamde
drukkerij boezemde uw belang in en gij hebt, als een schrander man, uw
gevolgtrekkingen gemaakt uit zekere zonderlinge zaken in die drukkerij!
Gij ziet, dat ik er niet aan denk, er doekjes om te winden! Het zal u
spoedig genoeg blijken, waarom ik zoo openhartig met u spreek.”
„Ik begrijp het nu al, met lieden, die in onze macht zijn, behoeven wij
geen schuilevinkje te spelen, denkt gij!” kwam Raffles bedaard.
„Gij geeft werkelijk blijk van een helder doorzicht!” riep de Lynx
sarcastisch uit. „Inderdaad zijt gij niet ver bezijden de waarheid! Ik
wil u wel zeggen, dat wij voor hedennacht uw onwelkom bezoek wachtende
waren. Toen wij het gat in uw tunnelwand geslagen hadden, en gij dat
gat afsloot met duivelsch harde staalplaten, toen begrepen wij, dat gij
er het grootste belang bij had, het geheim van uw eigen gang te
bewaren. Wij hebben door het gat eenige dingen gezien, die ons zeer
verbaasden, ik behoef zeker niet nader te verklaren, wat dat geweest
is. Gij moest er rekening mede houden, dat binnen niet al te langen
tijd uw stalen borstwering toch zou bezwijken, en daarom, zoo
redeneerden wij, kondet gij wel eens beproeven, hier een inval te doen!
Gij zult moeten toegeven, dat die redeneering niet zoo dom was!”
„Ik verklaar zelfs, dat zij uit een helderen kop afkomstig is!” kwam
Raffles hoffelijk.
De Lynx maakte een gebaar van ironische dankbetuiging, en vervolgde:
„Wie gij zijt weet ik niet, ofschoon ik wel zekere vermoedens koester,
welke ik echter voorloopig voor mij wensch te houden. Maar het doet er
ook weinig toe, wie gij zijt. Voor mij is het gewichtigste uw tunnel.”
Hij zweeg even, en wierp een loerenden blik op het gelaat van Raffles,
die onbewegelijk tegenover hem stond.
„Het moet wel een zeer bijzonder soort van tunnel zijn, daar gij haar
zoo hardnekkig verdedigt!” ging de Lynx voort. „En een man, die zoo
maar over een stel van de allerbeste staalplaten beschikt, die is zeker
niet de eerste de beste! De man laat mij koud, tenminste voor het
oogenblik, maar het geheim van de tunnel moet ik tot iederen prijs
doorgronden! Het kan mij en mijn vereeniging van het grootste nut
zijn....”
Hij keek Raffles onderzoekend aan, maar deze bleef zwijgen, en hij ging
voort:
„Wel, wat hebt gij hier op te antwoorden?”
„Wat zou ik er op moeten antwoorden?” vroeg Raffles koeltjes.
„Natuurlijk denk ik er geen seconde aan, u het geheim van een tunnel
mede te deelen, welke ik juist met zooveel inspanning tegen uw
onbescheiden blikken heb beschermd!”
„Ah, gij weigert?” ging de Lynx voort, met een valsch lichten in zijn
zwarte oogen. „Nu wij zullen wel zien.... Zeg mij eerst eens, waarom
gij niet dadelijk de politie gewaarschuwd hebt, toen gij moest vreezen,
dat wij dwars door uw tunnel zouden heengaan?”
„O, gij kunt er van verzekerd zijn, dat ik dat dadelijk gedaan zou
hebben, als ik maar eerder geweten had, in welk huis ik moest zoeken om
het begin van uw tunnel te vinden!”
„Maar toen wij het gat door den wand hadden geboord, toen belette toch
niets u, de politie te gaan halen, haar in uw eigen tunnel te brengen,
haar het gat te laten verwijden, en langs dien kant onze gang te laten
binnendringen?”
„Ik had mijn bijzondere redenen, om dat juist niet te doen,” kwam
Raffles, steeds even rustig.
„Ah, daar heb ik u!” riep de Lynx triomfantelijk uit. „De politie moest
er tot iederen prijs buiten gehouden worden, niet waar? Ik had het dus
bij het goede eind, dat gij..... John Raffles waart!”
„Noem mij, zooals gij verkiest!” kwam Raffles schouderophalend.
„O, gij behoeft het niet te loochenen!” riep de Lynx toornig uit. „Er
is maar één man in geheel Londen in staat tot zulk een werk! Wij kennen
u, wij weten, wat gij waard zijt! Gij zijt wel is waar onze
doodsvijand, zoo goed als van de Bende der Raven, en van het geheele
Genootschap van den Gouden Sleutel, maar niemand onzer denkt er aan, uw
ongeloofelijke schranderheid en uw stoutmoedigheid te ontkennen. Wel,
hoe is het, wilt gij bekennen, dat gij Raffles zijt?”
„Ik zeg u nogmaals, mijnheer de Lynx, dat het mij volkomen
onverschillig is, welken naam gij mij verkiest te geven!” kwam Raffles
ongeduldig. „Kom terzake, wat ik u verzoeken mag! Ik denk, dat gij
binnenkort in de bank wilt inbreken, en mij zoolang wilt vasthouden
totdat het ontdekken van uw tunnel er niet meer op aankomt, niet waar?”
„Welzoo, denkt gij er werkelijk zoo gemakkelijk af te komen?” riep de
Lynx op woesten toon. „Neen, mijnheer Raffles. Dan hebt gij het mis!
Gij deelt ons dadelijk alles mede wat wij van uw tunnel willen weten,
en anders ondergaat gij de straf van alle, die een belangrijk geheim
van de Bende hebben doorgrond! Ik behoef zeker niet duidelijker te
zijn!”
„O neen, die moeite kunt gij u sparen,” zeide Raffles bedaard. „Ik ken
uwe methodes! Welnu, ik blijf bij mijn weigering!”
„Luister dan goed naar mij, John Raffles!” zeide de Lynx, en hij kwam
vlak voor Raffles staan, die geen stap terug week. „Ik geef u volle zes
uren om u te bedenken, wanneer die tijd verstreken is, en gij hebt mij
het geheim van uw tunnel niet medegedeeld, dan sterft gij!”
HOOFDSTUK VI.
BANGE UREN.
Raffles knipte zelfs niet met de oogen, toen hij deze vreeselijke
woorden hoorde.
Hij had immers niet anders verwacht....
Zijn stem klonk volkomen helder en onbewogen, toen hij hernam:
„Ik weiger! Maar, gij zult toch zeker niet zoo beestachtig wreed zijn,
mijn vriend voor mijn weigering te laten boeten?”
„Uw vriend zal uw lot deelen!” schreeuwde de Lynx, met een giftigen
blik in zijn koolzwarte oogen.
„Doe dan wat gij wilt, en ik hoop dat het u niet zal berouwen!” zeide
Raffles op ernstigen toon.
„Die verantwoording neem ik op mij!” zeide de Lynx hooghartig. „Het is
nu twee uur, wanneer gij om acht uur morgenochtend niet tot andere
gedachten zijt gekomen, dan wacht u de dood, en ik verzeker u dat wij
onverbiddelijk zullen zijn! Als gij werkelijk John Raffles zijt, en
daaraan twijfel ik geen oogenblik, dan zou de tegenwoordige chef van
het Genootschap van den Gouden Sleutel het mij zelfs zeer kwalijk
hebben kunnen nemen, dat ik u niet onmiddellijk een kogel door het
hoofd heb geschoten! Maar ik wil u een kans geven, omdat ik begrijp,
dat de kennis van het geheim van die tunnel voor ons van het grootste
gewicht is. Die gang zal wel naar een of andere huis loopen, waar gij
gewoonlijk verblijf houdt, en het zou voor ons van veel belang zijn,
als wij wisten, onder welken naam John Raffles de Londensche politie
zoo fijn om den tuin leidt.”
„Dat kan ik mij zeer goed voorstellen, maar daar ik van mijn kant zeer
bepaald er op sta, om het geheim van die tunnel voor mij zelf te
behouden, wie ik dan ook zijn moge, daarom zult gij het uit mijn mond
niet vernemen! Gij hebt gelijk als gij zegt dat het van gewicht is, ik
kon evengoed dadelijk een einde aan mijn leven maken, of mij gevangen
gaan geven op Scotland-Yard. Gij moet dus inzien dat uw wachten
vruchteloos is.”
„Wij zullen zien!” hernam de Lynx kortaf.
Hij wendde zich daarop tot de gemaskerde mannen, die zwijgend en met de
revolver in de hand op dezelfde plek waren blijven staan en zeide:
„Breng hem weder naar den grooten kelder, bindt hem goed, en laat een
uwer hem bewaken.”
„Neem mij niet kwalijk, chef,” zei een van de mannen, „ik zou er maar
twee van maken als ik u was.”
„En het werk in de tunnel dan?” vroeg de Lynx.
Niemand antwoordde.
De chef dacht nog even na en hernam toen:
„Misschien heb je ook wel gelijk, als hij Raffles is, dan hebben wij
met een gevaarlijken tegenstander te doen. Twee blijven dus hier om op
hem te passen en de anderen gaan weder naar de tunnel, naar het andere
einde, en stellen daar alles in het werk, om die stalen platen op te
ruimen. Is dat geschied voordat de zes uren om zijn, misschien kan dat
dezen man dan het leven redden, maar in het tegenovergestelde
geval.....”
De Lynx voltooide den zin niet, maar de dreigende blik in zijn oogen
sprak een duidelijke taal, die niet misverstaan kon worden.
Alles werd nu in gereedheid gebracht, om de beide gevangenen goed te
kunnen bewaken.
Er werden twee zware stoelen ergens uit het huis gehaald en daarop
werden de beide gevangenen vastgebonden, hun beenen tegen de sporten,
hun armen achter de leuning, en bovendien werden hun polsen nog te
samen gebonden, met het stevigste touw.
En daarop werden de stoelen midden in het vertrek gezet, zoodat de twee
bewakers voortdurend om de gevangenen heen konden loopen, teneinde zich
te overtuigen of de touwen nog stevig vast waren.
De Lynx had reeds al te veel gehoord van de buitengewone bekwaamheid
van John Raffles om zich van de sterkste boeien te bevrijden.
De chef kwam zich zelf overtuigen, dat de touwen stevig waren geknoopt,
en zeide toen, zich tot Raffles wendende:
„Zes uren, denk er om! Gij hebt het leven thans in uw eigen hand! In uw
eigen belang zou ik u raden, niet al te veel op onze goedhartigheid te
vertrouwen! In dergelijke zaken kennen wij geen medelijden, en ook al
waart gij niet de man voor wien ik u aanzie, dan zoudt gij toch sterven
als gij ons verlangen niet inwilligt!”
„Ik zeg u nog eens dat ik mijn geheim niet verraad, en als gij mij
beter kende, dan zoudt gij weten dat ik nimmer op een eenmaal genomen
besluit terug kom!”
De Lynx haalde de schouders op, en riep uit:
„Wij zullen eens zien of gij om acht uur even bout spreekt! Bedenk ook
wel dat gij niet alleen u zelf maar ook uw vriend en helper het leven
beneemt als gij weigert.”
Er kwam een sombere smartelijke uitdrukking op het gelaat van den
Grooten Onbekende, maar dadelijk liet de stem van Charly zich hooren,
die vastberaden uitriep:
„Bekommer je niet om mij, Edward! Ook ik denk er niet aan om ons geheim
te verraden en als jij sterft, welk doel zou mijn leven dan nog
hebben?”
„Zeer aandoenlijk!” zeide de Lynx op spottenden toon. „Wij zullen wel
eens zien of die broederlijke genegenheid stand houdt in het gezicht
van den dood.”
Hij stak beide handen in de zakken, riep den man die nog altijd met de
revolver in de hand boven aan de trap stond en wenkte een van de drie
kerels die Raffles en Charly overweldigd hadden.
Zij begaven zich naar den kleinen kelder waar de dynamo stond, en de
zware met ijzer beslagen deur viel dicht.
De beide gevangenen bleven alleen met hunne bewakers.
Een hunner had, voor de Lynx en de beide anderen zich verwijderden, een
schakelaar omgedraaid, zoodat de kelder nu in een helder electrisch
licht baadde, en vervolgens een hefboom overgehaald waardoor het
boveneinde van de trap langzaam weder in zijn oorspronkelijken toestand
kwam, waarin zij werd gehouden door een zware ijzeren bout, die er bij
wijze van deurgrendel voorgeschoven werd.
Raffles had het gevoel alsof hij nog nimmer zoo helder van hoofd was
geweest als op dit oogenblik in dezen kelder en in het aangezicht van
den dood, die hem toegrijnsde, als hij weigerde het kostbare geheim
prijs te geven, dat als het ware met zijn leven zelf was samengeweven.
Inderdaad, de tunnel zelve was zeker van minder belang, en haar verlies
bijvoorbeeld door een groote instorting, zou wel ernstig, maar
volstrekt niet onoverkomelijk zijn, maar zij leidde aan den eenen kant
naar het huis van Lord William Aberdeen en het zou zeker niet lang
duren of de bandieten zouden den geheimen toegang naar het tuinhuis
gevonden hebben.
Het leven van Lord Aberdeen zou bekend worden, al was het dan
voorloopig maar aan de bendeleden, en dit zou zulk een noodlottigen
invloed uitoefenen op al zijn ondernemingen, dat hij evengoed
regelrecht naar den hoofdcommissaris van politie zou kunnen loopen.
Als ooit werd uitgemaakt dat Lord Aberdeen en John Raffles een en
dezelfde persoon waren, dan zou het geheele bouwwerk van zijn
dubbelleven ineen storten en hij zou weder een geheel nieuw plan moeten
opstellen, hetgeen zeker met de grootste moeilijkheden gepaard zou
gaan.
Maar over dit alles dacht hij slechts kort.
Het stond voor hem vast dat hij het geheim niet zou verraden, en
daarover behoefde hij dus in het geheel niet na te denken.
Neen, zijn gedachten waren uitsluitend gericht op de kansen welke hij
had om zich te bevrijden alvorens de zes uren verstreken waren.
Hij begreep maar al te goed, dat deze kansen al bijzonder gering waren,
de kelder was daghelder verlicht, de stoelen stonden in het midden van
het vertrek, de touwen waren stevig en goed geknoopt, al had hij kans
gezien door tijdens het binden zijn spieren zooveel mogelijk te
spannen, zich een weinig speelruimte te verschaffen, de oppassers waren
krachtige kerels, klaar wakker en goed gewapend, en geen enkele
beweging hunner gevangenen zou hun ontgaan.
Maar Raffles was er de man niet naar, om iedere hoop te laten varen.
Integendeel, al waren de bezwaren reusachtig groot, toch was al zijn
denken nu gericht op de mogelijkheid hier te ontsnappen.
Charly scheen op zijn gelaat te lezen wat er in hem omging maar de
stemming van den jongen man was veel minder opgewekt als men het zoo
noemen mag, hij zag de toekomst zeer duister in, en hij vreesde dat
deze kelder wel hun laatste verblijf zou zijn.
Raffles liet met opzet een half uur voorbijgaan voor hij ook maar de
geringste beweging maakte.
Toen rekte hij zich eens uit, voor zoover dit mogelijk was, zoodat de
touwen kraakten, maar dadelijk kwam een der wakers voor hem staan, die
zich nu beiden van hun masker ontdaan hadden en zeide dreigend terwijl
hij zijn revolver ophief:
„Laat die grappen maar, het zou je kunnen berouwen!”
„Gij staat het mij dus niet toe dat ik mij uitrek en zoodoende den
slaap in mijn ledenmaten tegen ga?” vroeg Raffles op onderdanigen toon.
„Dat zal ik niet dulden, ik heb van je gehoord, man, ik ken je
duivelskunsten, je bent al ontelbare malen gesnapt.”
Hij liep om den stoel heen, betastte de touwen, als vreesde hij
waarlijk dat Raffles ze al had laten afknappen, en ging toen weder naar
zijn makker, die op dezelfde plek was blijven staan.
Nu bracht het beroep van Raffles mede dat hij een voortreffelijk
gelaatskenner was en op het gezicht van dezen tweeden man zoo duidelijk
als in een boek las, dat hij zooals men dat noemt, „liever lui dan moe”
was, en bovendien vast overtuigd, dat er aan de ontvluchting der beide
gevangenen niet te denken viel.
Hij en zijn makker immers waren gewapend, de beide gevangenen niet, en
bij de eerste poging om op te staan, zouden zij reeds een kogel in het
hoofd hebben.
Raffles glimlachte flauwtjes voor zich heen, en zeide in zich zelf:
„Zelfvertrouwen is goed, mijn vriend, maar men moet het toch nooit te
ver doordrijven!”
De Groote Onbekende wierp Charly een blik toe, een zeer snellen blik,
maar die den jongen man alles onthulde wat er op dit oogenblik in het
hoofd van zijn vriend omging. Raffles begon nu met het vertrek zeer
zorgvuldig te bestudeeren.
Wij zeiden reeds dat er een houten trap naar beneden leidde, die
ongeveer in het midden beweegbaar was.
Zij telde dertig tot twee en dertig treden en liep langs den gladden
zijwand van den kelder.
De deur bovenaan kwam dadelijk op de trap uit zonder portaal.
De hefboom, zooeven door een der bandieten overgehaald, bevond zich
niet ver van den voet van de trap, en de schakelaar van het electrische
licht was naast de stevige deur, geheel van ijzer vervaardigd, en in de
grijze kleur van de steenen geschilderd, waardoor Raffles en Charly
haar, toen zij op de trap stonden, niet aanstonds hadden kunnen zien.
De kelder was ongeveer vijf meter breed en bijna zeven meter lang, en
zooals gezegd, de beide stoelen stonden in het midden, ruim een meter
van elkander.
De bewakers liepen voortdurend heen en weder oogenschijnlijk om te
voorkomen dat zij in slaap zouden vallen.
Weer verliep een half uur en Raffles had reeds een paar keeren gegaapt.
„Neem mij niet kwalijk, mijne heeren,” zeide hij, „maar het is toch
zeker niet verboden om te rooken in dit vertrek? Er is niets zoo goed
als een voortreffelijk sigaret om zich den tijd een weinig te korten en
wakker te blijven.”
De twee bewakers schenen elkander met een blik te raadplegen en toen
antwoordde een hunner brommend:
„Als gij kans ziet om te rooken, gij kunt uw gang gaan, maar ik heb
geen sigaretten!”
„Het is ook de vraag of ik uw sigaretten wel zou lusten!” riep Raffles
spottend uit. „Wees zoo goed en haal mijn koker eens te voorschijn, hij
zit in mijn binnenzak, en het is vreemd, maar ik kan er zelf niet bij!”
De bewaker, dien Raffles in gedachten „De onverschillige” had genoemd
trad op hem toe, knoopte zijn jas open, stak de hand in den binnenzak,
en haalde er een fraaien, gouden sigarettenkoker uit.
Hij liet een zacht fluitend geluid van bewondering hooren, wierp het
kostbare voorwerp een paar malen omhoog, en zeide grinnikend:
„Ik geloof dat ik dat mooie dingetje maar confisceer! Het is zeker een
erfenis, niet waar?”
„Gij kunt doen wat gij verkiest, als gij mij maar eerst een sigaret
geeft!” antwoordde Raffles schouderophalend.
De bandiet opende het étui en wilde er een sigaret uitnemen, maar
Raffles zeide haastig:
„Blijf er liever af met je vingers, vriend! Ik wil volstrekt niets
afdingen op je zindelijkheid, maar de aroma van deze fijne sigaretten
heeft er onder te lijden als zij te veel worden aangevat! Houdt mij het
étui maar voor, ik zal er met de lippen wel een uitnemen!”
De bandiet, een weinig verbluft, gehoorzaamde, en hield Raffles het
étui zoo dicht mogelijk bij den mond, dat deze er met de lippen een
sigaret uit kon nemen.
„Nu een beetje vuur, als ik je verzoeken mag!” zeide hij.
De bandiet haalde een lucifersdoosje uit zijn zak, streek een lucifer
af, en hield die aan de sigaret.
Vol welbehagen deed Raffles een paar trekjes, en de bandiet, opgetogen
over de heerlijke lucht, riep uit:
„Bij mijn ziel, dat is eerst een sigaret! Kom, wij zullen er ook eens
den brand in steken!”
Hij nam een sigaret uit den koker en had haar het volgende ooogenblik
aangestoken.
Hij kwam nu met het étui naar zijn makker toe en hield het hem voor,
maar deze, die het geheele tooneeltje een weinig argwanend had
gadegeslagen riep uit:
„Ik rook de sigaretten van dien man niet!”
„Kom, kom, hij heeft er toch zelf ook een aangestoken!” riep „de
onverschillige”.
„Wel mogelijk, maar ik vertrouw hem niet! En als ik jou een raad mag
geven, Jim, dan gooi je dat ding dadelijk weer weg! Vooruit, doe wat ik
zeg! Ik heb het niet voorzien op sigaretten van iemand die John Raffles
heet, of kan zijn!”
De aangesprokene die naar den naam Jim luisterde scheen de autoriteit
van den ander te erkennen, want hij bromde binnensmonds een vloek, deed
nog snel een paar lange halen aan de sigaret, verdraaide zijn oogen van
genot, en wierp toen het rolletje tabak in den hoek, maar niet zonder
dat hij een verliefden blik op de smeulende sigaret liet rusten.
Daarop stak hij den gouden koker in zijn zak, en zeide tevreden:
„Die zijn dan in ieder geval goed voor een volgende gelegenheid!”
„Als ze je maar niet opbreken,” mompelde de tweede bandiet. „Ik zeg je
nog eens, sigaretten van John Raffles, daar pas ik voor!”
HOOFDSTUK VII.
WIE HET ONDERST UIT DE KAN WIL HEBBEN.....
Jim begon te lachen, een luide, rollende lach, maar die eensklaps werd
afgebroken, afgesneden als met een mes als het ware.
Hij bleef eensklaps als uit steen gehouwen en met starende oogen in
zijn lach steken, bracht toen met een vaag gebaar een trillende hand
aan het hoofd, rochelde eenige keeren alsof hij iets in de keel had dat
hij niet kon wegslikken, deed een paar wankelende stappen.... en zakte
toen in elkaar.
Een rilling doorliep zijn lichaam en toen lag hij onbewegelijk.
Zijn makker slaakte een waar gebrul en schreeuwde:
„Ik heb het je wel gezegd! Die verdoemde sigaretten!”
Hij vergat zelfs een oogenblik zijn gevangenen, knielde naast Jim
neder, schudde hem heen en weder, wierp een blik op het gelaat, waarin
de trekken eensklaps verstijfd schenen en op de glazige oogen, en
sprong toen met een woesten vloek weder overeind.
Een bijna bijgeloovige vrees had zich van hem meester gemaakt en hij
staarde Raffles, die hem glimlachend aankeek, met uitpuilende oogen
aan.
Toen barstte hij uit:
„Ik weet niet wat mij weerhoudt om er maar dadelijk een eind aan te
maken! Nu is het wel zeker dat je John Raffles bent! Het had maar een
haar gescheeld of ik had ook van je duivelsche sigaretten gerookt.”
„Wel, dat was de bedoeling!” zeide Raffles langs zijn neus.
De bandiet hief de vuist op, als om Raffles te treffen, en slechts met
moeite wist hij zich zelf te beheerschen.
Hij dacht een oogenblik na, bromde toen voor zich heen:
„Ik moet telefoneeren, zij moeten mij een ander zenden! Ik durf niet
alleen blijven met dien duivelskunstenaar!”
Hij vloog naar de trap, en begon haar zoo vlug hij kon te beklimmen.
Waarschijnlijk bevond de telefoon zich in een of ander vertrek van de
drukkerij, of in de schuur.
Raffles volgde hem met de oogen, en juist toen de bandiet de helft van
de trap bereikt had, strekte hij zijn beenen zoo ver mogelijk, tot zijn
teenen den grond raakten, en wierp zich met een enkelen sprong als die
van een kangoeroe met zijn volle gewicht vooruit, en tegen den hefboom
aan den voet van de trap......