moesten nu reeds lang de spoorstaaf gezien hebben, den houten vloer, en
de rij gloeilampjes tegen den wand van de tunnel.
Henderson reed de zware vracht tot vlak voor de opening, laadde daar de
plaat van het wagentje en schoof haar met geweldige inspanning zoodanig
langs den wand, dat zij juist de opening bedekte.
Natuurlijk begreep hij, dat men hem aan den anderen kant van den muur
had moeten hooren, maar daaraan was nu eenmaal niets te doen, en de
tunnelgravers zouden toch al wel begrepen hebben, dat zij een zeer
eigenaardige ontdekking hadden gedaan.
Ook zag hij wel in, dat de gravers van den gang, nieuwsgierig geworden,
zouden trachten dit beletsel weder uit den weg te ruimen, daarom
wentelde hij het duwwagentje op een kant en zette het schoor tusschen
den anderen wand en de pantserplaat, zoodat men deze laatste niet omver
zou kunnen duwen.
Aan den anderen kant werd woedend met het houweel tegen de plaat
geslagen, maar Henderson haalde glimlachend de schouders op en mompelde
in zich zelf:
„Beuk jullie maar raak, je bent knap, als je met een houweel die plaat
van nikkelstaal aan kunt tasten!”
HOOFDSTUK IV.
DE OVERVAL.
Er waren nog geen twintig minuten verstreken nadat Henderson de plaat
voor het gat had gezet, of hij hoorde haastige schreden van Raffles en
Charly die door de tunnel naderbij kwamen.
Ook zij hadden het licht van hun zaklantaarns zooveel mogelijk gedempt,
daar zij maar al te goed begrepen, aan welk gevaar zij zich anders
zouden blootstellen.
Wat Henderson betreft, hij had den schakelaar van het electrische licht
weder omgedraaid zoodra hij de naderende schreden hoorde.
Eenige seconden later stond Raffles voor hem, en vroeg op zachten toon:
„Wat is er gebeurd, Henderson?”
„Zij zijn door den muur heen, Mylord! Een uur geleden ongeveer sloeg
een van die menschen met zijn houweel glad door dien wand, en sindsdien
hebben zij het gat nog vergroot, het is nu achter die pantserplaat,
welke ik zoo vrij ben geweest uit het laboratorium te halen.”
„Dat is een voortreffelijke inval van je geweest, Henderson!” zeide
Raffles, terwijl hij den reus op den schouder klopte. „Het verheugt mij
nu, dat ik je hier op post heb gezet! Wij zullen aanstonds de andere
platen er ook voorzetten en de schoren wat steviger maken! Blijf jij
hier Charly, en let op, Henderson gaat met mij mee!”
Het wagentje op zijn lage wielen werd weder overeind gezet en vervangen
door een paar dwarsliggers, waarop de spoorstaaf rustte, en die in
allerijl werd losgemaakt.
En daarop vertrokken de twee mannen met het wagentje terwijl Charly
achterbleef om aanstonds alarm te kunnen geven als het noodig mocht
blijken.
Charly telde de seconden die er verliepen tusschen het vertrek en de
terugkomst van de twee mannen.
Het was op dit oogenblik stil achter de stalen plaat en het
geheimzinnige, zoemende gerucht had opgehouden, maar de jonge man
gevoelde zeer goed, dat het de stilte was, die den storm vooraf ging.
Oogenschijnlijk broeiden de dieven aan den anderen kant van de tunnel
op een plan, om de plaat te vernielen, en als zij zoo knap waren
geweest om op een diepte van ruim twintig meter en met zulk een
snelheid zoo’n groote tunnel te breken, dan zouden zij zeker ook
pienter genoeg zijn om zulk een belemmering als een stalen pantserplaat
uit den weg te ruimen.
Maar, daar kwamen Raffles en Henderson weder aan en thans hadden zij
twee pantserplaten medegebracht, die op het wagentje waren geladen,
hetwelk zij met inspanning van al hun krachten voortduwden.
„Ik ben blij, dat je er weer bent!” zeide Charly zachtjes. „De stilte
aan den anderen kant van de gang bevalt mij in het geheel niet.”
„Waarschijnlijk houden zij krijgsraad!” meende Raffles. „Laten wij maar
spoedig deze borstwering overeind zetten.”
Terwijl de drie mannen de eerste plaat van het wagentje tilden en tegen
het andere schild aanplaatsten, begon het gezoem en het vreemde gegons
aan den anderen kant van den muur opnieuw, maar nu was het toch van een
anderen aard, en het ging vergezeld van een knarsend geluid, zooals een
boor maakt, die metaal aantast.
„Zij probeeren er een gat in te boren!” zeide Raffles spottend. „Nu,
eer zij zoover zijn, voor zij door de drie platen heen zijn zullen er
wel een paar dagen zijn verstreken, want ik geloof niet dat er ter
wereld een stalen plaat is te vinden van deze dikte, die even glashard
is als deze schilden van chroomnikkelstaal! Zij zullen om het kwartier
een nieuwe boor moeten nemen!”
Hierin bleek Raffles goed te hebben gezien want de tweede plaat was nog
nauwelijks overeind gezet of het gonzen hield op. Blijkbaar zette men
eene nieuwe boor in het toestel.
Nu werd ook de derde plaat opgezet en aldus was een stalen wand
opgericht van bijna acht centimeter dikte, dus bijna even dik als de
dikste bepantsering van eenig Engelsch oorlogsschip.
Toen werd de spoorstaaf over vrij groote lengte losgemaakt, en met
behulp van de meegebrachte metaalzaag werden er vier stukken afgezaagd,
allen even groot, en die met geweld tusschen de pantserplaten en den
tegenovergestelden wand werden gedreven.
„Als zij nu geen dynamiet gebruiken, termiet, of een ander dergelijk
middel,” zeide Raffles glimlachend, „dan zullen er wel eenige dagen
verloopen, alvorens zij dezen hinderpaal hebben opgeruimd.”
„Maar zij kunnen het wel op een andere wijze probeeren,” zeide Charly
bedrukt.
„Hoe dan wel denk je?”
„Zij kunnen beginnen met den steenen wand, die nu zeker niet dikker is
dan op zijn hoogst een decimeter, en alleen maar uit metselsteen
bestaat, op verscheidene plaatsen aan te tasten, totdat zij op de
pantserplaat stuiten, en dan kunnen zij trachten die met behulp van
koevoeten van hun plaats te verschuiven.”
„Ik erken dat dit mogelijk is, maar ook daarmede gaat geruime tijd
heen, en voor er twee uren verloopen zijn zullen wij een bezoek hebben
gebracht aan die zoogenaamde drukkerij.”
„En als je je eens vergist hebt met die drukkerij en wij er niets
bijzonders ontdekken?”
„Dan, dan zou ik naar het laatste middel moeten grijpen, ik zou mijn
kostbare tunnel over een grooten afstand moeten laten instorten. Maar
je begrijpt dat ik slechts in het uiterste geval tot dit paardenmiddel
zal overgaan.”
Raffles raadpleegde zijn horloge.
Het was bijna zes uur geworden.
Zoolang had deze zware arbeid geduurd.
Hij overtuigde zich nog eens dat de stukken van de spoorstaven
onwrikbaar op hun plaats zaten, en wendde zich toen tot Henderson met
de woorden:
„Het is onpleizierig, beste vriend Henderson, maar het gaat niet
anders, wij zullen de tunnel voortdurend in het oog moeten houden, en
daarom ga jij nu eerst den maaltijd gebruiken, en je keert hier niet
voor negen uur terug, tenzij je het waarschuwingssein krijgt, want dan
moet je aanstonds hierheen komen!”
„Maar, Mylord? Gij zelf dan, en mijnheer Brand?” riep de chauffeur uit.
„Wij kunnen wel wat later eten, James, de zaak van de tunnel gaat op
dit oogenblik voor. Zoodra je hier terug bent gekeerd zullen wij je wel
nadere instructies geven!”
Henderson bood geen tegenstand meer, en begaf zich naar het uiteinde
van de tunnel en verder naar het bediendenvertrek, waar hij, in
gezelschap van den Italiaanschen kok, en van den ouden kamerbediende
Gaston, den eenvoudigen maaltijd gebruikte.
Raffles en Charly bleven nu alleen achter en geruimen tijd zaten zij
zwijgend naast elkander op het kleine wagentje waarmede de
pantserplaten waren aangevoerd.
Slechts vaag en onduidelijk klonk het gerucht van de boor, op geregelde
tijden onderbroken door een langdurige pauze, wanneer het bot geworden
ijzer door een nieuw moest worden vervangen.
En om acht uur hield het zoemen geheel en al op, toen waren zeker alle
voorradige boorijzers opgebruikt.
Maar een kwartier later klonk een geregeld geklop, hetwelk onafgebroken
zou voortduren; de lieden aan den anderen kant van den muur hadden den
steenen wand opnieuw met hun houweelen aangetast.
Waarschijnlijk waren zij op dit oogenblik bezig het oorspronkelijke gat
te vergrooten in de hoop, dat zij ten slotte wel de beide kanten van de
stalen belemmeringen vrij zouden krijgen, waardoor het mogelijk zou
worden, haar naar links of rechts te verschuiven, men hield aan den
anderen kant van den muur waarschijnlijk geen rekening met de vier
stukken spoorstaaf, die met zware hamerslagen waren vastgedreven.
„Dat kan lang duren!” begon Raffles. „Minstens tot morgenochtend, als
alles hun meeloopt, en voor dien tijd moeten we die menschen overvallen
hebben en weten wat zij doen en wie zij zijn!”
„Als je het mij vraagt, dan zou ik zeggen, dat wij met een gevaarlijk
volkje te doen krijgen!” zeide Charly hoofdschuddend.
„Ja dat lijdt geen twijfel! Wij moeten nu maar niet aannemen, dat men
deze tunnel met een wetenschappelijk doel graaft, bijvoorbeeld om den
aard van de gesteldheid van den bodem van Londen te onderzoeken! Neen,
wij mogen het wel bijna als zeker beschouwen, dat het voorzien is op de
Midland-Bank, het zou wel heel toevallig zijn, als de tunnel dien kant
uitliep, zonder dat men het op de bank begrepen had. Maar hoe het ook
zij, wij gaan zoo vroeg mogelijk aan den slag, zoodra het gedaan kan
worden zonder al te groot gevaar. Ik heb opgemerkt dat een paar huizen
van de drukkerij af een openbare school is, met een groote speelplaats
er achter. Wij kunnen misschien over een schutting klimmen en van daar
aan den achterkant die zoogenaamde drukkerij binnendringen.”
„Nemen wij Henderson mede?”
„Neen, die moet hier de wacht blijven houden.”
„Dat zal hem alles behalve aangenaam stemmen.”
„Dat is wel mogelijk, maar wij mogen de tunnel niet onbewaakt laten!
Stel je eens voor dat wij terug keeren en wij loopen in ons huis in de
Regent-Street in de uitgespreide armen van een bende bandieten!”
De beide vrienden spraken nog geruimen tijd door over de kans, dat het
geheim der tunnel bewaard zou blijven, of dat men althans haar lengte,
haar doel, en haar richting nooit zou uitvinden, toen precies om negen
uur Henderson weer verscheen.
„Luister nu eens, mijn vriend,” begon Raffles. „Ik verg veel van je
uithoudingsvermogen, maar het is volstrekt noodzakelijk, dat er hier
iemand blijft opdat wij er zeker van zijn, dat niemand ongezien in ons
huis in de Regent-Street kan binnendringen.”
„Als het moet dan moet het, Mylord!” gaf Henderson te kennen.
„Dat is een schoon beginsel, Henderson, en wij zullen verstandig doen
als wij ons daaraan houden, vooral in dit bijzondere geval. Mijnheer
Brand en ik gaan vannacht naar dat huis, waarin ik vermoed, dat de
tunnel een aanvang neemt.”
„Neem mij niet kwalijk, Mylord, maar ik zou gaarne weten waar dat huis
is!” hernam Henderson. „Men kan nooit weten, hoe die kennis naderhand
te pas kan komen! Ik weet gaarne steeds waar gij zijt, vooral in zaken
als deze!”
„Je hebt misschien gelijk, Henderson, het is beter als je het huis
kent, hetwelk ik op het oog heb! Het is in de Baker-Street, niet ver
van die Grosvenor-Street, een drukkerij, met twee voor de helft
matglazen winkelruiten, groengeschilderd houtwerk en een kleine
uitgangsdeur. Het is aan de rechterzijde van de straat als je van ons
huis komt. Ik geloof echter niet dat je gebruik behoeft te maken van
deze kennis, als wij die lieden verrassen, dan zijn wij een heel eind
op weg.”
„Maar Edward, als je je vermoedens nu toch eenvoudig aan de politie
mededeelde!” riep Charly eensklaps uit.
„Een prachtig plan!” kwam Raffles ironisch. „Zij dringen dan het huis
binnen, zij vinden dan eventueel de tunnel en aan het einde van het
groote gat, met geglans van de stalen pantserplaat daarachter, en denk
je dan dat ze hun nieuwsgierigheid bevredigd achten en hun onderzoek
niet verder zouden voortzetten? Daar zou ik maar niet al te vast op
rekenen. Neen, als ik het even kan vermijden, dan haal ik er de politie
niet in, zij helpt ons dan van den regen in den drop, en van den wal in
de sloot! Als het onmogelijk anders kan, dan zal het nog altijd tijd
genoeg zijn, om Scotland-Yard te waarschuwen. Maar als ik dat doe, dan
moet ik ook tevens mijn tunnel prijs geven, ik zou haar over grooten
afstand moeten vernielen. En nu genoeg gepraat, wij moeten nog veel
doen en in orde maken voor onze onderneming.”
Henderson kreeg zijn laatste instructies en Raffles en Charly verlieten
de tunnel, beklommen de smalle trap naar het laboratorium en voorzagen
zich daar van eenige voorwerpen door Raffles uitgevonden, en welke
verdedigingsmiddelen hun wellicht te pas konden komen.
Het was bij tienen, toen zij door den tuin, die nu in volkomen
duisternis gehuld was, naar de achterzijde van het groote huis gingen
en dit binnentraden door een van de achterdeuren.
Zij hadden zich nog den tijd niet gegund hun vermomming af te leggen,
en deze was nog zeer goed bruikbaar, want als zij bij hun onderneming
het onderspit moesten delven, dan kwam het er al zeer weinig op aan, of
de zoogenaamde drukkerspatroon in een van de nachtelijke indringers al
of niet zijn provinciaalschen klant herkende.
Maar, daar een revolver altijd een uitstekend wapen is, onverschillig
of het door een Londenaar of door een provinciaal wordt gebruikt, zoo
lieten de beide vrienden ieder van deze practische wapenen één in hun
zak glijden.
Een paar tasschen werden gevuld met de noodige inbrekerswerktuigen,
Raffles ging zich in zijn slaapkamer voorzien van een paar kleine
voorwerpen, welke hem misschien te pas zouden kunnen komen, en om elf
uur, nadat hij zich telefonisch bij Henderson had overtuigd, dat in de
tunnel alles nog bij het oude was, verlieten zij het vertrek en
vervolgens het huis.
Maar Raffles had Henderson moeten beloven, dat hij hem dadelijk op de
hoogte zou brengen als de zaak tot een goed einde was gebracht, en als
het later werd dan drie uur, dan mocht Henderson die maatregelen nemen,
welke hem het beste zouden toeschijnen, want dan zou het bewijs
geleverd zijn, dat in de Baker-Street niet alles voor den wind was
gegaan.
Het was een donkere avond, want de maan was achter de wolken verdwenen,
een gelukkige omstandigheid, die het gewaagde plan van de beide mannen
moest begunstigen.
En dan, het plasregende, en ook dat kwam hun te stade, want daardoor
was het aantal late wandelaars zeer verminderd.
Op een kwartier loopens van hun huis wisten zij niet zonder moeite, een
huurauto te veroveren, en den chauffeur, die eigenlijk liever naar huis
was gegaan, te bewegen, hen naar de Baker-Street te rijden.
Aan het begin van deze straat gekomen, dankten zij den chauffeur met
een goede fooi af, men moest het nooit verbruien voor anderen, zooals
Raffles het niet ten onrechte opmerkte.
Het was over twaalven, toen de beide vrienden, hun regenjassen met de
rechterhand dichthoudend, tegen den stijven bries opworstelden, die
door de straat stoof.
Een kwartier later hadden zij het schoolgebouw bereikt, na de
zoogenaamde drukkerij te zijn gepasseerd.
Daar was nu alles duister, ten minste van de straat af was nergens
eenig lichtschijnsel te bespeuren.
Ook het schoolgebouw lag natuurlijk in dichte duisternis gedompeld.
Raffles en Charly sloegen den hoek van de zijstraat om, waaraan de
school grensde, kwamen aan den steenen muur, die hier de speelplaats
van de straat afscheidde, en zaten er het volgende oogenblik bovenop.
Een jarenlange, geduldige oefening, die hun natuurlijke lenigheid nog
had vermeerderd, stelde hen in staat, zulke toeren te verrichten met
een verbazende vlugheid, en zonder ooit te falen.
Maar zij vonden den bovenkant van een smallen muur niet de aangewezen
plaats om er te blijven zitten, en daarom lieten zij zich zoo snel
mogelijk aan den anderen kant zakken.
Zij stonden nu op een ruime binnenplaats, waar eenige populieren
stonden, die een vrij armzalig bestaan leidden.
In een hoek tegenover den kant waar zij waren overgeklommen, bevond
zich een hoop zand, bestemd voor de kleintjes.
Raffles en Charly maakten ook van deze hoop zand gebruik, maar voor een
geheel ander doel.
Zij gebruikten haar eenvoudig om aldus de hoogte van den scheidingsmuur
te verkleinen.
Volgens hun gewoonte wachtten zij tot dat zij niets meer hoorden, en
toen pas slingerden zij zich op den muur, en lieten zich aan den
anderen kant vallen.
Zij kwamen terecht in de weeke aarde van een kleinen stadstuin, en
haastten zich, dezen over te steken, en over een schutting te klimmen.
En nu waren zij in den tuin van de drukkerij....
Maar op dat oogenblik geschiedde er iets waarop zij misschien wel
gerekend hadden, maar dat hen toch niet minder onaangenaam trof, een
paar huizen verder begon eensklaps een waakhond, die hen misschien
geroken had, woedend aan te slaan.
Zelfs hier konden zij het rammelen hooren van den ketting waaraan het
dier was vast gelegd.
„Vlug aan het werk, Charly! Als die schreeuwleelijk wordt losgemaakt,
zouden al de schuttingen, welke hem van ons scheiden wel eens een
peuleschil voor hem blijken, en dan konden wij evengoed regelrecht naar
Scotland-Yard wandelen, en ons aan den hoofdcommissaris presenteeren!”
„Waar is ergens die schuur?” vroeg Charly fluisterend. „Ik denk dat we
daar moeten zijn!”
„Ja, dat vermoed ik ook. Daar staat zij!”
Raffles wees naar een klein houten gebouwtje, een soort bergloods, dat
men ook een tuinhuis zou kunnen noemen, met een enkel klein venster, en
dat door een overdekten gang in verbinding stond met het huis.
Raffles trad haastig op de deur toe, en het duurde niet lang, of hij
had het slot met een zijner sleutels geopend.
En juist toen de beide vrienden binnendrongen, ging er eenige huizen
verder een deur open, en een barsche mannenstem scheen den nog altijd
woedend blaffenden hond te ondervragen en hem van den ketting los te
maken.
De beide vrienden verloren geen tijd, maar onderzochten snel de loods,
waar zij zich nu bevonden.
Zij bleken zich in een ruim vertrek te bevinden, zonder eenig
meubelstuk, als men tenminste dien naam niet wilde geven aan een paar
zetkasten die blijkbaar zeer weinig gebruikt werden, want de letters
waren nog volkomen blank, en werden waarschijnlijk zoo goed als nooit
gebruikt.
In een hoek was het begin zichtbaar van een trap, die waarschijnlijk
naar een kelder leidde.
Wel een kwartier bleven de beide vrienden volgens hun gewoonte op
dezelfde plek en gaven hun ooren goed den kost.
Toen achter alles stil bleef, besloten zij, de trap af te gaan, en te
zien waar die hen zou brengen.
Het was zeer donker in de loods, en daar zij nog geen licht durfden
maken, moesten zij hun weg vinden door langs den houten wand te tasten.
Zoo bereikten zij de trap en voorzichtig begonnen zij de houten treden
af te dalen.
Telkens stonden zij opnieuw stil, om te luisteren.
Zij waren reeds tien treden afgedaald, toen Raffles, die vooraan ging,
Charly waarschuwde door hem in het been te knijpen.
Zijn scherp, geoefend gehoor, had eenig gerucht opgevangen, waarvan hij
zich niet dadelijk den aard kon begrijpen.
Het was als het verzetten van een schakelaar van het electrische licht,
maar het kon ook evengoed het overhalen van den haan van een revolver
zijn.
HOOFDSTUK V.
IN DE HANDEN DER BANKROOVERS.
Raffles dacht er nog over na of hij licht zou maken, toen zich
plotseling weder een ander geluid liet hooren, ditmaal zeer dicht bij
hem, het was als het verschuiven van een zwaar voorwerp, bijvoorbeeld
van een kast over een houten vloer.
Terwijl de beide mannen er nog over nadachten wat dit zijn kon, begon
de trap, waarop zij stonden, zachtjes te slingeren, en zij moesten zich
aan de leuningen vast houden om er niet af te vallen.
„Voor den drommel, wat is dat nu?” fluisterde Charly voor zich heen.
„Wat mankeert dat ding? Ik heb een gevoel of ik op de kermis in een
reuzenschommel zit!”
Inderdaad, de trap begon hoe langer hoe erger te zwaaien en de beide
mannen moesten zich met alle kracht aan de wrakke leuning vastklampen
die verdacht kraakte, en die ieder oogenblik scheen te zullen afbreken.
De slingeringen werden voortdurend heviger en de geheele trap scheen nu
wel om een scharnier te draaien, dat zich ergens in de bovenste trede
moest bevinden.
Maar nu nam deze zonderlinge beweging gaande weg af, en na eenige
minuten was de trap tot rust gekomen.
Maar zij liep niet langer in een schuine richting omlaag, neen, zij
hing loodrecht naar beneden, en dus waren de bovenkanten der treden
niet meer horizontaal maar schuin.
Om er op te kunnen blijven staan, moesten Raffles en Charly zich aan de
leuning vasthouden.
Raffles, die onderaan stond, strekte voorzichtig een been uit, en
tastte naar de lager gelegen trede.
Zijn voet ontmoette echter geen tegenstand, er was geen trede meer!
Maar evenmin voelde hij den grond!
„Zullen wij niet liever licht maken?” vroeg Charly op fluisterenden
toon. „Er is iets niet in orde, dat is zeker! Wat doe je daar toch,
Edward?”
„Wat ik doe? Ik zoek naar den bodem!” antwoordde Raffles lakoniek.
„Wat is dat? Rust de trap dan niet op den vloer?”
„Ik kan er tenminste geen vinden. Wij zullen licht maken, wat er ook
gebeuren moge!”
Zich met een hand aan de leuning vastklampend, haalde Raffles met de
andere zijn zaklantaarn te voorschijn, en drukte op den knop.
Een helder schijnsel verlichtte nu de ruimte, waar de beide mannen zich
bevonden.
Het was een groote kelder, met wit gekalkte muren, en ongewoon diep.
Zoldering en vloer waren tenminste zes meter van elkander verwijderd.
De smalle trap, waarop de twee mannen zich bevonden, bleek uit twee
deelen te bestaan, het benedenste vast met het bovenste scharnierend.
Op welke wijze de trap zoo eensklaps haar oorspronkelijke gedaante had
verloren, viel moeilijk te zeggen, maar het was zeker, dat nu het
bovenste stuk loodrecht omlaag hing, en dat de onderste trede zich
ongeveer drie meter boven den grond bevond.
En men mocht het tevens voor verzekerd houden, dat dit niet van zelf
zoo was gekomen, maar dat de trap door menschenhanden in twee deelen
was gebroken!
En toch was er niemand in den kelder te zien.
Een deur was er ook niet, tenminste niet zichtbaar.
„Ik wil gevild worden als ik er iets van begrijp!” mompelde Charly, die
zich met handen en voeten aan de loshangende trap vastklemde.
„Ik geloof dat ik het maar al te goed begrijp, Charly,” kwam Raffles.
„Men heeft ons gehoord, dat staat als een paal boven water! Maar hoe
dan ook, ik heb weinig lust, hier als een rijpe pruim te blijven
hangen!”
„Waar wil je dan heen? Weer naar boven?”
„Neen. Wij zijn van boven gekomen en wij moeten verder!”
„Dat is gemakkelijk gezegd, maar wij zijn hier drie meter boven den
steenen vloer!”
„Dien afstand kunnen wij bekorten!”
En met die woorden hing Raffles zijn zaklantaarn aan een knoop van zijn
jas, hurkte als het ware op de onderste trede, bracht zijn handen
zoover mogelijk naar beneden, omvatte stevig de stijlen van de trap, en
strekte toen zijn lichaam, zoodat hij nu alleen aan zijn handen hing.
En daarop liet hij zich vallen.
Bijna tegelijker tijd schoof ergens in den kelder een luik of deur weg,
en drie mannen stormden binnen, allen gemaskerd, die zich op Raffles
wierpen, voor hij weder op de been kon zijn.
De strijd was kort, maar hevig.
Als Raffles op beide voeten had gestaan, had hij misschien wel weg
geweten met drie aanvallers, maar nu was hij in de minderheid.
Hij kon een paar malen zijn vuist tegen de kin van een vijand laten
neerkomen, maar toen werd hij zelf half verdoofd door een hevigen slag
tegen het hoofd, en toen hij zich daarvan hersteld had, waren zijn
armen reeds gebonden.
„Red je, Charly!” schreeuwde hij. „Ik beveel het je!”
Maar al had de jonge man dit bevel willen opvolgen, dan zou hij het
toch niet hebben kunnen doen.
Want boven, in de deuropening, verscheen een vierde man, met een
revolver in de vuist en er viel niet aan te denken, dat Charly, in de
positie waarin hij als het ware aan de trap vastkleefde, met eenige
kans van raken van zijn eigen wapen gebruik zou kunnen maken.
Lang voor hij het had kunnen grijpen, zou de ander hem hebben kunnen
neerschieten.
En daarom deed hij het verstandigst, wat er in de gegeven
omstandigheden te doen viel, hij liet zich op zijn beurt op den vloer
vallen, en werd evenals Raffles overmand.
De drie geheimzinnige mannen hadden hun gevangenen snel van hun wapens
beroofd, en dwongen hen nu, door de nauwe opening in een der muren te
gaan, waardoor zij zelven waren binnengekomen.