Een kort gekraak liet zich hooren, het boveneinde van de trap zwaaide

terug en de bandiet, zoo plotseling van het evenwicht beroofd, stortte

van een hoogte van drie meter voorover op den steenen vloer van den

kelder.

De hoogte was niet groot genoeg om hem te dooden, maar hij moest toch

iets gebroken hebben want hij bleef half verdoofd liggen.

Zijn revolver was hem tijdens den val uit de hand gevlogen en lag ver

buiten zijn bereik.

Raffles verloor geen tijd maar beukte uit alle macht den stoel tegen

den muur, zoodat het niet lang duurde of de rug en de pooten waren

gebroken.

De dikke touwen hadden nu geen houvast meer, en vielen slap langs armen

en beenen neer.

In een oogwenk had Raffles zich bevrijd, en snelde nu op Charly toe,

die meende te droomen, en als versuft dit tooneeltje had gadegeslagen

dat zich met ongelooflijke snelheid had afgespeeld.

En het merkwaardige was dat de sigaret nog altijd tusschen de lippen

van den Grooten Onbekende zat geklemd en hij nog even rustig rookte,

alsof hij zich in de conversatiezaal van de Windsor-Club had bevonden.

Stotterend van verbazing vroeg Charly, toen hij armen en beenen weer

bewegen kon:

„Ik kan nog niet begrijpen dat het al werkelijk gebeurd is, heb je zelf

in het geheel geen last van die sigaret?”

„Het was de eenige goede die er bij was, mijn jongen!” antwoordde

Raffles glimlachend. „Het gouden mondstukje is een weinig korter dan

dat van de andere sigaretten en daaraan herken ik het terstond. Maar

daarom wilde ik ook volstrekt de sigaret zelf nemen. Maar laten wij nu

geen tijd verbeuzelen met babbelen, er valt ander werk te doen. Wij

zullen eerst onzen vriend eens verbinden maar zoo dat hij zich niet

bevrijden kan!”

Hij bukte zich over den man heen, die juist uit zijn verdooving

ontwaakte en zeide:

„Ik geloof niet dat hij iets gebroken heeft!”

„Vindt je wel dat het er veel toe doet?” vroeg Charly ironisch.

Raffles antwoordde niet, maar greep het touw waarmede hij zelf was

gebonden geweest en een oogenblik later was de bandiet zoodanig

gekneveld dat hij in den letterlijken zin van het woord geen lid kon

verroeren.

Hij werd naar een hoek van het vertrek gedragen en daar neergelegd.

De man was weder volkomen bij kennis en keek Raffles aan met twee oogen

die van haat en machteloos woede gloeiden.

„Ja vriend!” zeide Raffles op wijsgeerigen toon, „dat men den morgen

nooit moet prijzen voor den nacht, om een bekend spreekwoord naar

omstandigheden te wijzigen. Over je metgezel behoef je je niet ongerust

te maken, hij is springlevend en alleen maar bewusteloos en dat zal hij

de eerste twaalf uren wel blijven. Mijn sigaretten zijn zeer krachtig.

En nu zal ik je gedurende eenigen tijd tot mijn spijt moeten verlaten

want dringende bezigheden roepen mij elders!”

Hij ging de revolver opzoeken, onderzocht het wapen nauwkeurig en kwam

tot de ontdekking dat het gelukkig door den val niet geleden had.

Charly wapende zich met het automatische repeteerpistool van den

bewusteloozen bandiet, en keek Raffles vol afwachting aan.

„Nu maken wij zeker dadelijk dat wij wegkomen?”

„Ja, mijn jongen, wij gaan naar huis.”

Gelukkig riep Charly uit: „Ik had, eerlijk gezegd, gedacht, dat je het

avontuur nog verder had willen voortzetten.”

„Wel, ik ben ook niet anders van plan,” hernam Raffles droogjes. „Want

ik wil wel naar huis, maar langs een anderen weg dan dien wij gekomen

zijn.”

„Hoe dan wel?”

„Door de tunnel, welke de bandieten gegraven hebben.”

„Maar dat staat gelijk met zelfmoord!” riep Charly verschrikt uit. „Wie

weet hoeveel van die kerels wij daar wel vinden!”

„Het kunnen er zooveel niet zijn, want in een onderaardschen gang, zoo

als zij er een graven, kunnen onmogelijk meer dan vier man tegelijk

vertoeven, en waarschijnlijk vinden wij er niet meer dan drie. Maar al

waren het er zes, wij hebben het voordeel van de verrassing. Kom

spoedig mede!”

Raffles trad op de ijzeren deur toe, en het duurde niet lang, of hij

had de wijze ontdekt, waarop zij geopend moest worden.

Hij knikte nog eens naar den gebonden bandiet die onbeweeglijk en met

giftigen blik naar hem keek, en daarop traden de beide vrienden den

tweeden, kleinen kelder binnen, na zich eerst te hebben overtuigd dat

hun lantaarns nog goed werkten.

Een eenvoudige houten deur, van goede planken vervaardigd, bleek het

begin van de tunnel af te sluiten.

De gang had een ovalen vorm, en de grootste doorsnede was omstreeks één

meter tachtig, de kleinste één meter vijftig.

Op geregelde afstanden was de tunnel geschoord en op den eersten blik

zag Raffles dat hier een zeer kundig ingenieur aan het werk was

geweest.

De tunnel was volkomen recht, overal even hoog en breed en op zwakke

plaatsen met metselsteenen versterkt.

De schoren bestonden uit dikke palen van eikenhout, zoo dik als een

heipaal, en schuin gesteld, zoodat zij het gewicht van het verwulf

konden dragen.

En nauwelijks waren de twee vrienden een twintigtal meter in de tunnel

door gedrongen of zij zagen heel in de verte een flauw schijnsel.

Dadelijk doofden zij het licht van hun eigen lantaarns en gingen op den

tast verder.

Aan weerszijden van de tunnel liepen de electrische draden van de

boormachine, welke zich aan de uiteinden van de onderaardsche gang

moest bevinden, en waarmede de tunnelgravers den harden bodem hadden

aangetast, om dien vervolgens met schop en houweel verder te

verwijderen.

Waar de uitgegraven aarde gebleven was, begreep Raffles niet. Maar,

waarschijnlijk had men die in een andere schuur opgehoopt.

Bij iederen stap werd het schijnsel helderder, en na ongeveer vijftig

meter te zijn voortgegaan konden de beide mannen de vage gedaanten zien

van eenige lieden, die druk bezig waren aan het andere einde van de

tunnel.

Maar de boormachine zweeg, wier gonzend geluid hun het eerst op het

spoor van de tunnelgravers had gebracht.

Wel klonken de regelmatige slagen van twee of drie houweelen op den

harden grond.

Blijkbaar waren de bandieten bezig het gat te vergrooten in den

tusschenwand, teneinde des te gemakkelijker de stalen platen voor de

opening op zijde te kunnen schuiven.

Raffles en Charly hadden zich plat voorover geworpen en kropen voort,

de revolvers in de vuisten geklemd.

Charly trok het touw achter zich aan, waarmede hij gebonden was geweest

en dat men misschien aanstonds noodig zou kunnen hebben.

Nog een twintig meter, en toen konden Raffles en Charly reeds duidelijk

onderscheiden wat er daarginds geschiedde.

Er waren daar drie mannen, hoogstwaarschijnlijk de Lynx met de twee

bandieten, die hem vergezeld hadden.

Twee hunner waren bezig met houweelen uit alle macht de rotsharde aarde

aan te tasten, terwijl de derde het werk leidde, en een zeer groote

electrische lantaarn in de hand hield, waarmede hij de beide arbeiders

belichtte.

Zoo sterk was het licht, dat Raffles duidelijk kon zien, dat de opening

in den wand sedert dien morgen zeer veel grooter was geworden.

Zij was bijna vier decimeter hoog en zeven decimeter breed, en daar

achter was zeer duidelijk het zwakke geglim van het schild van

nikkelstaal te zien.

Links stond de boormachine, die thans buiten gebruik was gesteld, daar

zij de stalen schilden toch niet zou kunnen bewerken.

Het zou zeker geen uur meer duren, of de geheele opening zou vrij

gemaakt, en dan zou het zeker heel wat gemakkelijker vallen, de stalen

platen omver te werpen, of ter zijde te schuiven.

En als ook dit mislukte, zouden de bandieten wel eens kunnen pogen, de

staalschilden met behulp van een zuurstofvlam te vernielen, en zoo in

de tunnel door te dringen, die zoo zeer hun nieuwsgierigheid had gaande

gemaakt.

Maar voor het oogenblik was daar geen vrees voor.

Het werk vorderde langzaam en telkens vlogen er kleine stukjes van den

rotsharden grond.

Nu en dan liet de Lynx het werk ophouden, en beschouwde de opening en

de staalplaat daar achter.

En toen, voor Raffles en Charly er goed en wel op verdacht waren, spoot

er als het ware een verblindend witte straal tegen de staalplaat.

De bankroovers hadden hun zuurstofapparaat reeds in werking gebracht.

Zij droegen alle drie brillen met zwart gemaakte glazen, waardoor zij

ongestraft in het vreeselijke wit van de vlam konden kijken.

Maar Raffles en Charly hadden ongewapende oogen en konden zelfs op dien

afstand den helschen gloed ternauwernood verdragen.

Er viel ook niet aan te denken, behoorlijk te mikken tegen dit

verblindend licht in.

Zij kropen zoo snel zij konden weder een twintig meters achteruit, en

van deze plek konden zij nog zeer goed zien, wat er daarginds vooraan

in de tunnel voorviel, zonder gevaar te loopen, hun oogen

onherroepelijk te bederven.

Van de drie bandieten was nu niets meer te zien.

Zij hadden zich waarschijnlijk plat op den buik geworpen, om zoo weinig

mogelijk last te hebben van het schelwitte licht, van een witheid, door

niets te overtreffen, en waarbij zelfs de schittering van een sterke

electrische booglamp in het niet zonk.

Er verliepen bijna twee uren.

Het gat was nu zeker bijna zoo diep, dat alle drie de platen waren

doorgesmolten.

En toen geschiedde er iets, waarop de twee mannen ook al niet gerekend

hadden.

De Lynx zond een van zijn mannen terug, zeker om eens te gaan zien, of

de gevangenen zich nog niet bedacht hadden!

Als zij bleven waar zij waren, dan zouden zij zeker gezien worden, want

de tunnel bood hier volstrekt geen schuilplaats, en de man, die

terugkeerde was voorzien van een kleinen zaklantaarn.

Maar hier viel niet te aarzelen, zij moesten beginnen met te

retireeren, tot zij althans buiten het gehoor van de twee

achtergebleven bandieten waren.

Raffles en Charly kropen dus als bij onderlinge afspraak, zonder dat

het noodig was geweest, een enkel woord te wisselen, achteruit, op

handen en voeten, en nu en dan omziende om zich te overtuigen, dat zij

buiten het lichtschijnsel van de lantaarn bleven.

Zij waren den man minstens vijftig meter vooruit, en hij kon hen

onmogelijk zien.

En toen ontfermde het lot zich over hen, zij vonden een plek, waar de

tunnel eensklaps een weinig breeder werd, misschien had hier een

aardinstorting plaats gehad, of was deze soort nis met opzet gemaakt,

teneinde er gereedschappen of machineonderdeelen te kunnen bewaren.

Deze kleine uitholling was echter nauwelijks groot genoeg, om een enkel

persoon te kunnen bevatten.

Raffles boog zich naar Charly over en fluisterde hem in:

„Ga jij nog een tiental meters verder, ik blijf hier, en zal den kerel

ten val brengen, dan keer je dadelijk weer terug, en helpt hem

onschadelijk maken!”

Charly knikte en ging verder, terwijl Raffles zich zoo klein mogelijk

maakte, en zich tegen den achterwand van de nis drukte.

Vijf minuten later kwam de bankroover voorbij, of liever, hij wilde

voorbij gaan, want zoover kwam het niet.

Raffles had zich bliksemsnel gebukt en den kerel bij het onderbeen

gevat.

De man struikelde en had zelfs niet den tijd voor een vloek.

Want dadelijk wierp Raffles zich op hem, en toen ook Charly op het

gerucht van den val terug kwam ijlen, was zijn lot spoedig beslist.

Hij werd nu stevig gebonden, zoodat hij zich niet verroeren kon, en ook

geen geluid kon maken.

Dat was dus een derde van de vijandelijke legermacht verslagen.

De rest zou kinderspel zijn!

Juist op dat oogenblik hoorden de beide mannen een dof gekraak aan het

uiteinde van de tunnel.

Zij snelden terug zoo vlug zij konden en de gesteldheid van de tunnel

het hun veroorloofde.

Het verblindend witte licht was nu verdwenen.

Alleen de twee lantaarns verspreidden hun licht.

Blijkbaar was zooeven de arbeid met de steekvlam geëindigd.

Er was nog meer gebeurd.

Door de opening in de drie stalen schilden, ongeveer zuiver rond, en

bijna twee decimeter in doorsnede, hadden de twee bandieten de stukken

van de spoorstaaf met behulp van een ijzeren haak kunnen wegduwen.

En daarna hadden zij, uit alle macht zich inspannend, de stalen

schilden één voor één omver kunnen werpen.

De opening was nu vrij!

Een der bandieten stak er een arm gewapend met een lantaarn door, zeker

om de tunnel, die nu open voor hen lag, te belichten.

Dat was zijn ongeluk....

Want Raffles en Charly zagen op hetzelfde oogenblik iets eigenaardigs

gebeuren.

De man met de lantaarn verdween onder het slaken van een luiden vloek,

en zoo vlug, of hij door toovenaarshanden werd weggesleurd!

„Dat moet Henderson zijn!” kwam Raffles glimlachend, terwijl Charly

moeite had een schaterlach te onderdrukken, zoo snel en zonder omslag

was de bankroover uit het oog verdwenen.

„Kom vlug, Charly, voor mijnheer de Lynx zijn makker ter hulp kan

snellen!”

De twee vrienden ijlden naar de opening, en onder het loopen gaf

Raffles het waarschuwingssein, voor Henderson bestemd, die zooeven zoo

handig zijn tegenstander door de opening had getrokken, met niet meer

omslag dan men gebruikt om een sardiene uit het blikje te nemen.

Op het hooren van het sein keerde de Lynx zich om, en slaakte een

gebrul van woede, toen hij zijn gevangenen herkende.

Hij bracht de hand naar zijn zak, maar hij was wat te langzaam....

reeds was Raffles bij hem en sloeg hem door een op de goede plek

aangebrachten vuistslag neer.

In een handomdraaien was de schurk gebonden en machteloos gemaakt.

Hij kwam juist weer bij, toen dit geschied was.

„Ja, vriend Lynx, zoo gaat het nu eenmaal in de wereld,” zeide Raffles

glimlachend, „heden ik, morgen gij! Maar vandaag zijt gij het in ieder

geval, naar ik geloof!”

Henderson stak op dit oogenblik zijn groot hoofd door de opening, en

zeide leukweg:

„Alles all right, mijnheer! Bij u ook, hoop ik?”

„Alles in de beste orde, James!” antwoordde Charly lachend. „Steek dien

kerel maar weer door het gat, waar je hem zoo handig gevangen hebt!”

Even later kwam er een soort mummie door de opening, aangereikt door

den reus.

De man was zoo stijf gebonden, dat hij letterlijk geen vingerlid kon

verroeren.

„Zoo, daar hebben wij de verzameling compleet!” kwam Raffles tevreden.

„Nu nog het vrachtje naar het huis in de Baker-Street vervoerd, en

tijdelijk in den kelder neergelegd, in afwachting van de komst der

politie, maar voor dien tijd staat ons een zware arbeid te wachten,

vrienden!”

„Wat wil je doen?” vroeg Charly nieuwsgierig.

„Vraag je dat nog? Natuurlijk wil ik de tunnel van die lieden voor de

grootste helft vernielen, en doen instorten! Want om zich te wreken

zullen zij natuurlijk verraden wat zij gevonden en gezien hebben en dan

was alle moeite toch vruchteloos geweest! En daarom zullen wij eerst

hun tunnel voor een deel vernielen, vervolgens zullen wij een laag

beton hier op deze plek aanbrengen, een vijftal meter dik, en tenslotte

zullen wij onze eigen tunnel een andere richting geven, op deze plek!

En al dien tijd zullen de heeren onze gasten zijn, wel bewaakt,

natuurlijk! De bankroof zullen zij mijnentwege later nog eens kunnen

beproeven, maar dan niet ten koste van John Raffles!”

Lord Lister No. 0345: De bankroovers · 第 4 / 4 段