LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 345 DE BANKROOVERS.
DE BANKROOVERS.
HOOFDSTUK I.
HET GERUCHT ONDER DEN GROND.
Het was ongeveer twee uur in den middag toen twee heeren den grooten
tuin overstaken, die zich bevindt achter een der grootste huizen van de
Regent-Street, niet ver van Pall Mall.
Het huis behoorde toe aan Lord William Aberdeen, den bekenden
Londenschen philantroop.
De grootste van de beide heeren, die daar door den tuin liepen en hun
schreden richtten naar een groot tuinhuis, was Lord Aberdeen zelf, maar
de jonge man die bij hem was, Charly Brand geheeten, kende hem als John
Raffles, den Grooten Onbekende.
Zij hadden nu het tuinhuis bereikt, en gingen binnen.
Indien wellicht een buurman, ondanks het dichte geboomte de beide
heeren daar had zien binnentreden, dan zou hij zich toch niet verbaasd
hebben, want hij kon weten, dat Zijne Lordschap een zeer ontwikkeld man
was, die zich met zijn secretaris druk bezig hield met het nemen van
proeven op het gebied der chemie.
Maar wat hij niet wist of kon weten, dat was, dat men het voornaamste
gedeelte van het tuinhuis niet boven, maar onder den grond moest
zoeken.
Maar daar bevond zich de geheime werkplaats, daar was ook het
laboratorium, waar de Groote Onbekende eenige zijner meest verrassende
uitvindingen had gedaan, daar was het plan voor de electrische
vliegmachine ontstaan, welke zich met een snelheid van 500 kilometer
per uur door de lucht kon bewegen. Daar was ook het aanschijn gegeven
aan de plannen van de wonderbare duikboot, kleiner dan de kleinste
oorlogsduikboot, maar zeker drie maal zoo snel.
Het tuinhuis bevatte twee vertrekken, het eigenlijke chemische
laboratorium waar de beide onafscheidelijke vrienden ook zeer vaak
werkten, en een soort rookkamer, die tevens een kleine
wetenschappelijke boekerij bevatte.
En in deze rookkamer, ter hoogte van den monumentalen schoorsteen,
bevond zich de ingang naar de onderaardsche werkplaats.
Door het verdraaien van een der kleine krullen in de gebeeldhouwde
lijst van den spiegel, schoof een stuk van den schoorsteen terzijde en
men bevond zich dan in een zeer smallen gang, nauwelijks vier decimeter
breed, en waarin een zeer zwaarlijvig man zich zelfs niet had kunnen
bewegen.
De beide heeren waren zoo juist het vertrek binnengetreden, en nu begon
Raffles:
„Nu zal ik je eens zeggen, waarom ik je eigenlijk hier heb gebracht.”
„Ik ben er nieuwsgierig naar.”
„Je weet dat eergisteren in een winkel in de Grosvenor-Street een
allerhevigste ontploffing heeft plaats gehad.”
Charly Brand keek Raffles verbluft aan en zeide:
„Ja, ik meen zoo iets gelezen te hebben. Tot op een half uur gaans
waren de ruiten van de huizen gesprongen, en er zijn drie personen
zwaar gewond. Ik kan mij alleen met den besten wil van de wereld niet
voorstellen, op welke wijze dit in verband kan staan met je verzoek om
hier heen te gaan!”
„Maar wij blijven hier niet, wij gaan verder naar beneden!”
„Maar om wat te doen dan toch?”
„Heb je het nog niet begrepen? Luister dan. De onderaardsche tunnel van
dit huis naar mijn huis in de Victoria-Street loopt op slechts weinige
schreden afstands van de Grosvenor-Street en de gasontploffing heeft
plaats gehad in een grooten kelder. Het is dus niet onmogelijk, dat die
ontploffing schade aan onze tunnel heeft toegebracht, en ofschoon wij
haar in geruimen tijd niet gebruikt hebben, moeten wij haar toch steeds
in goeden staat houden, men kan nooit weten, hoe zij ons nog eens kan
dienen! Je weet, dat ik eenige jaren geleden het bestaan van dien
onderaardschen gang bij toeval ontdekte, en mij toen gehaast heb, haar
te verbeteren, en over een tiental meters door te trekken, totdat zij
uitliep op onze onderaardsche werkplaats.”
„Nu begrijp ik het!” riep Charly uit. „Je wilt dus een kleine
inspectie-reis ondernemen.”
„Zoo is het! Ik wil mij overtuigen, of de tunnel ergens is ingestort,
om nu maar dadelijk het grootste ongeluk te noemen, en dat de
spoorstaaf niet verbogen is, waarover ons twee wielig, electrisch
wagentje rijdt. Het is verder niet buitengesloten, dat de electrische
geleidingsdraad door den schok is gebroken, dat alles wil ik
onderzoeken.”
„Nu ik ben tot je dienst.”
Raffles trad nu op den spiegel toe, draaide aan de krul en geruischloos
schoof een stuk van den schoorsteen zoover terzijde, dat er een opening
ontstond bijna anderhalven meter hoog en omstreeks een halven meter
breed.
De beide mannen gingen er achtereenvolgens door, en door aan een
kleinen hefboom te trekken, liet Raffles den schoorsteen weder op zijn
plaats terug gaan.
De twee vrienden liepen een tiental passen door den smallen gang die
niet anders was dan de ruimte tusschen den buitenmuur van het tuinhuis
en den loozen muur van het vertrek en bereikten zoo een smalle ijzeren
trap, die naar het binnenste van de aarde scheen af te dalen.
Het werd spoedig zeer donker, en de beide vrienden ontstaken hun
electrische zaklantaarn.
De trap had dertig treden en eindigde in een soort kelderruimte.
Met een eigenaardig gevormden sleutel opende Raffles een stalen deur en
nu stonden de mannen in het laboratorium.
Raffles draaide een schakelaar van het licht om, en nu baadde het
vertrek in een zee van licht, uitgestraald door een viertal groote
booglampen.
Hier bevond zich een volmaakte inrichting voor het doen van proeven op
allerlei gebied, die menig professor of leeraar aan de Universiteit
Raffles zou hebben benijd.
Een tweede deur gaf toegang tot een ander vertrek, bijna even groot,
waar een paar werkbanken stonden, een kleine smidse, een electrische
smeltoven, een machine voor houtbewerking, waar Raffles zelf zijn
modellen vervaardigde, en een groot rek met de beste en fijnste
gereedschappen.
En hier ook begon de ingang van de tunnel, welke Raffles bij toeval
ontdekt had, en die waarschijnlijk dateerde uit de middeleeuwen, toen
Londen letterlijk onder den grond een doolhof van gangen en geheime
plaatsen had voor bijeenkomsten van verschillende secten, die toen
achtereenvolgens aan vervolging bloot stonden.
Op den vloer glinsterde iets, dat was de stalen spoorstaaf, waarover
een klein wagentje kon glijden, dat plaats bood voor drie personen, die
op een soort zadel konden gaan zitten.
Maar het wagentje was op het oogenblik aan het ander uiteinde van de
tunnel, die bijna vijf kilometer lang was.
Raffles haalde een stang over, die dicht naast den ingang aan de tunnel
aan den muur bevestigd was en de beide mannen wachtten.
Maar zij wachtten vruchteloos, er verscheen niets.
„Ik heb het wel gevreesd, er is iets niet in orde,” mompelde Raffles.
„Als de automatisch-electrische inrichting nog werkte, dan had het
wagentje reeds lang hier moeten zijn. Er is niets aan te doen, Charly,
wij zullen er te voet op uit moeten.”
De beide mannen hadden reeds hun grijze werkjassen over hun kleederen
aangetrokken en hingen nu hun krachtige electrische lantaarns aan een
haak voor hun borst.
Want het was gebleken, dat ook de electrische lichtleiding verbroken
was.
Het schijnsel van de beide lantaarns verlichtte nu het begin van de
tunnel.
Zij had bijna overal een zuiver ronde doorsnede, maar de vloer was vlak
gemaakt, om er des te steviger de enkele spoorstaaf op te kunnen
bevestigen, waarover het electrische gedreven wagentje liep, dat met
een snelheid van ruim honderd kilometer per uur door deze onderaardsche
gang snelde.
Naast deze spoorstaaf bevond zich een smal plankier, die juist ruimte
genoeg bood aan twee personen, om naast elkander voort te loopen.
De tunnel was bijna twee meter hoog en Raffles kon er met gemak rechtop
in loopen, zonder gevaar voor een ongewenschte aanraking met de
electrische draden, die langs den bovenkant van de tunnel liepen.
Na ongeveer een half uur te hebben voortgeloopen, stond Raffles, die
zijn blikken onafgewend op de electrische draden gevestigd had
gehouden, eensklaps stil.
Hij had een plek bereikt, waar de geleidingsdraad door den hevigen
schok der ontploffing was afgebroken.
Het uiteinde van den draad lag op den vloer van de tunnel.
De twee mannen hingen nu hun lantaarns aan een der steunijzers voor den
geleidingsdraad en ontpakten hun gereedschapstasch, teneinde den draad
aanstonds te herstellen.
Binnen een half uur waren zij hiermede gereed.
Maar het bleek, dat hier niet de eenige plaats was, waar de draad was
vernield.
Want toen Raffles een van de schakelaars omdraaide, waarvan er ook in
de tunnel een aantal te vinden waren, bleef het nog altijd duister, met
uitzondering van het licht der beide zaklantaarns.
Niet ver van de Grosvenor-Street vonden zij de tweede breuk.
Ook deze herstelden zij, en toen Raffles opnieuw een schakelaar
omzette, straalden een groot aantal gloeilampjes hun licht uit, die op
geregelde afstanden langs de bovenzijde van de tunnel waren
aangebracht.
Hier en daar was de kalk uit de voegen tusschen de eeuwen oude steenen
gevallen, en het smalle plankier was op enkele plaatsen ontzet.
Maar de stalen spoorstaaf was gelukkig in het minst niet verbogen, alle
bouten en moeren, waarmede zij op het plankier bevestigd was, bevonden
zich nog in den besten staat.
Maar ook de draad was gebroken, die aan beide zijde van de tunnel
uitliep op een klein toestel, hetwelk weder in verbinding stond met den
electromotor van het wagentje.
Wanneer men aan het eene uiteinde van de onderaardsche gang op een knop
drukte, of een kleinen hefboom overhaalde, dan werd de electrische
stroom gesloten, een kernspoel werd magnetisch en trok een weekijzeren
anker tot zich, waardoor een nok losschoot, welke den hefboom in
bedwang hield, die den motor en tevens de giroscoop van het electrische
wagentje in gang zette, hetwelk zich dan met groote snelheid in
beweging zette.
Ook deze verbindingsdraad was spoedig gelascht, en nu zetten de beide
mannen hun weg voort naar het andere einde van de tunnel.
Na nog bijna een uur loopens kwamen zij aan een plek, waar de tunnel
eensklaps veel breeder werd.
Het licht van de gloeilampjes weerkaatste op het staal en het koper van
een eigenaardig gevormd wagentje, niet veel grooter dan een groote
kruiwagen, voorzien van drie achter elkander geplaatste zadels, en van
een ondiepen bak, waarin men van alles kon mede nemen.
In het midden, beschermd door een metalen kap, bevond zich het zware
vliegwiel van de giroscoop, dat tijdens den rit uiterst snel
ronddraaide, als een tol werkte, en dus het wagentje op zijn twee
achter elkander loopende wielen even goed in evenwicht hield, alsof het
er vier had bezeten.
Onder ieder zadel waren een paar pedalen zichtbaar, zooals bij een
gewoon rijwiel, die ten doel hadden, het wagentje met menschelijke
spierkracht toch nog te kunnen voortbewegen, ingeval door een of ander
ongeluk de motor mocht weigeren.
Raffles en Charly traden op het wagentje toe, en onderzochten het
nauwkeurig.
Alles was in de beste orde, en het zou desnoods dadelijk gebruikt
kunnen worden.
„Wij zullen nu weder terug loopen, om ons te overtuigen, dat alles in
orde is en wij niets hebben overgeslagen, en dan aan den anderen kant
eens beproeven, of de startinrichting nu werkt!” zeide Raffles.
En zoo ondernamen de beide vrienden weder den terugweg door de tunnel,
die bijna vijf kilometer lang was.
Zij hadden reeds weder de plek bereikt, waar de herstelling had plaats
gehad, toen Raffles eensklaps stilstond, en met een gebaar Charly
dwong, hetzelfde te doen.
„Wat is er?” vroeg de jonge man verwonderd.
„Luister eens, hoor je niets?”
Charly luisterde ingespannen, en keek toen Raffles vragend aan.
„Wat zou dat zijn?” kwam hij toen. „Wat is dat voor een zonderling
gerucht?”
„Ik wilde je juist hetzelfde vragen!” gaf Raffles ten antwoord. „Ik heb
de tunnel reeds lang in gebruik, maar het is voor het eerst, dat ik er
ooit eenig gerucht in vernam, dat weet ik zeker.”
De twee mannen stonden onbewegelijk en luisterden.
Een dof, zoemend, snorrend geluid drong tot hen door, sterk gedempt
door de dikke muren van de tunnel, maar toch duidelijk verneembaar.
Het klonk als het gonzen van een sterken motor, of van een
stoommachine.
Ook leek het, of de grond zeer snel trilde alsof er dichtbij een
exprestrein voorbij reed.
Wel een kwartier bleven Raffles en Charly in de zelfde houding staan,
zonder een woord te wisselen.
Toen richtte Raffles zich weder op, en zeide:
„Ik kan mij den aard van het geluid niet goed begrijpen. Nu eens zou ik
zeggen dat het eenigszins gelijkt op het geluid van een steenboor, die
met geweld door harde aarde wordt gedreven, dan weder doet het mij
denken aan een automobielmotor, die op den bok loopt, teneinde op proef
te draaien.”
„Waar zijn wij hier ergens?”
„Ik zou zeggen ter hoogte van de Grosvenor-Street, maar je weet, dat ik
een zeer nauwkeurig plan heb van alle straten, waaronder de tunnel
heenloopt, en ik kan dus de plek zeer nauwkeurig vaststellen, waar wij
het zonderlinge gonzen nu hooren en dat ben ik ook van plan, want een
man in mijn positie moet niets ondoorzocht laten!”
HOOFDSTUK II.
HET GELUID KOMT NADER.
Haastig gingen de beide vrienden terug naar de onderaardsche
werkplaats, en een half uur later stonden zij weder aan het uiteinde
van de tunnel.
Gedreven door een gevoel van achterdocht waaraan hij nog geen naam wist
te geven, zag Raffles er van af, het starttoestel te beproeven.
Hij wilde geen gerucht in de tunnel veroorzaken, al was het ook niet
luider dan dat hetwelk veroorzaakt werd door het rijden van het
electrische wagentje.
Raffles en Charly beklommen opnieuw de geheime trap, en traden door het
gat naast den schoorsteen weder in het paviljoen.
Door den tuin bereikten zij het huis en dadelijk begaven zij zich naar
de bibliotheek, waar Raffles uit een geheim vak van de groote
boekenkast een portefeuille nam, welke hij geopend voor zich op tafel
legde.
Hij zocht eenigen tijd tusschen de papieren, die er zich in bevonden,
nam er tenslotte een teekening uit, een soort plattegrond, met strepen,
namen en cijfers bedekt, en zeide:
„Op deze schets kunnen wij van meter tot meter nagaan, waar wij ons
ergens bevinden, als wij in de tunnel zijn afgedaald. De plek waar wij
het vreemde gerucht hoorden, moet zich bevinden omtrent den hoek van de
Grosvenor-Street en de Baker-Street. Nog heden zullen wij daar eens een
kijkje gaan nemen, want om je de waarheid te zeggen, bevalt mij dat
ondergrondsche geluid niet!”
„Zou de Gemeente misschien ergens bezig zijn met het leggen van
buizen?”
„Ik ontken het niet! Maar dan houdt de Gemeente er tegenwoordig
eigenaardige methodes op na. Tot dusverre werd eenvoudig een soort
loopgraaf gedelfd nadat men het asphalt had opgebroken en in dien kuil
werd de buis neder gelaten. Voor zoo ver ik weet, gaat het overal ter
wereld zoo toe!”
„Er wordt toch nergens een nieuwe lijn van de Underground aangelegd?”
„Niet bij mijn weten, maar het is niet geheel onmogelijk, en daarom
zullen wij het maar eens dadelijk gaan onderzoeken!”
Hij borg het papier weder in de map, schoof haar in het geheime vak, en
wendde zich weder tot Charly met de opmerking:
„Mij dunkt, dat wij, als er werkelijk een nieuwe tunnel werd geboord,
ten behoeve van den ondergrondschen spoorweg, de uiterlijke kenteekenen
daarvan hadden moeten zien want wij zijn in de laatste dagen dien kant
nog al eens uit gekomen. Wij zullen het echter spoedig weten.”
Raffles nam de huistelefoon ter hand en stelde zich in verbinding met
Henderson, den chauffeur, die op de hoogte was van menige onderneming
van zijn meester en aan tal van gevaarlijke avonturen een levendig
aandeel had genomen.
Vijf minuten later stond de groote, blauw gelakte auto van Zijne
Lordschap William Aberdeen voor de deur.
Raffles en Charly verlieten het huis en de eerste wendde zich tot
Henderson, een man van reusachtigen lichaamsbouw:
„Rijdt ons eens naar de Baker-Street, Henderson, maar vooral geen
spoed, als ik je verzoeken mag, het is ons er ditmaal eens niet om te
doen een wedstrijd met een sneltrein te houden!”
Henderson trok een bedrukt gezicht, want langzaam rijden met een auto,
die makkelijk honderd kilometer per uur kon halen, dat leek hem het
toppunt van dwaasheid.
Maar Mylord had het gezegd, en dat was voldoende.
Ongeveer een kwartier later reed de auto met een kalm gangetje door de
oude Baker-Street, na den hoek van de Grosvenor-Street te zijn
omgeslagen.
Maar nergens viel ook maar iets te bespeuren van den aanleg van een zoo
geweldig werk als de bouw van een tunnel voor den ondergrondschen
spoorweg is.
Het asphalt was overal ongeschonden en nergens viel een kuil te
ontwaren, zoo groot als een knikkerkuiltje!
Voor alle zekerheid reden de beide mannen nog door een aantal andere
straten in deze wijk, maar hun onderzoek was vruchteloos.
Toen zij weder terug reden, het was bijna halfzes, begon Raffles, die
eenigen tijd in gedachten tegen de kussens van de auto had geleund:
„Het wordt er aldus niet duidelijker op. Het gerucht bestond toch niet
alleen in onze verbeelding?”
„Aardschokken komen in Engeland wel niet veel voor, maar toch zijn zij
wel eens voorgekomen,” merkte Charly op. „Acht je het volkomen
ondenkbaar, dat hier van zulk een natuurverschijnsel sprake kan zijn?”
„Het zou mogelijk zijn, als het slechts honderd maal korter had
geduurd, mijn waarde! Aardschokken van een kwartier achter een zijn nog
nergens ter wereld voorgekomen, en zeker wel het allerminst in ons
land! Bovendien is de aard van zulk een schok een geheel andere. Het is
een bepaalde schok, geen trilling”
„Dan moet ik het opgeven!” riep Charly uit. „Tenzij er misschien vlak
boven ons hoofd een afdeeling zeer zware artillerie is
voorbijgetrokken!”
„Die uitlegging is althans heel wat aannemelijker!” kwam Raffles. „Ik
kan mij voorstellen, dat het dreunen van een groot aantal zware
kanonnen zich op groote diepte doet gevoelen. Maar toch, ik ben door
deze oplossing niet tevreden, en ik wil eens zien, of ik geen betere
kan vinden! Maar voor vandaag zullen wij ons maar niet langer met deze
aangelegenheid bezig houden, het wordt tijd voor het diner, en daarna
zouden wij naar de opera gaan, als ik mij niet vergis!”
En zoo spraken de beide vrienden dien avond geen woord meer over de
vreemde geluiden in de tunnel, die van het onderaardsche laboratorium
naar het huis in de Victoria-Street leidde.
Maar den volgenden morgen, toen Charly de kleine eetkamer binnentrad,
vond hij daar Raffles reeds zitten, met een zorglijke uitdrukking op
het gelaat.
De jonge man stak hem de hand toe en vroeg:
„Zoo vroeg reeds opgestaan? Een onaangename tijding gehad?”
„Geen onaangename tijding, maar een onaangename ontdekking, beste
Charly!” gaf Raffles ten antwoord. „Ik ben zooeven in de tunnel
geweest, op de plek, waar wij gisteren het gerucht hoorden.”
„Welnu?” vroeg Charly vol spanning.
„Welnu, het geluid is sterker geworden sedert gisteren!”
„Wat!” riep Charly verwonderd uit. „Het duurde dus nog altijd voort?”
„Ja, en daarmede vervalt natuurlijk jou theorie van de voorbijrijdende
afdeeling zwaar geschut!”
„Ik moet erkennen dat die nu niet langer houdbaar is!” hernam Charly.
„Dus, het zonderlinge gerucht nadert onze tunnel?”
„Ja, en de aard laat zich nu ook reeds duidelijker en met meer
beslistheid vaststellen, het wordt waarschijnlijk veroorzaakt door een
electrisch gedreven grondboor. Men gebruikt dergelijke toestellen wel
om den harden rotsgrond, dien men op vele punten onder de stad Londen
aantreft, aan te tasten en te vergruizelen alvorens hem met het houweel
en de spade verder te verwijderen.”
„Maar wat kan dit dan te beteekenen hebben?” riep Charly vol verbazing
uit.
„Dat is juist wat ik gaarne zou willen weten!” antwoordde Raffles
lakonisch. „Het staat nu wel vast, dat men een tunnel graaft, hier in
de buurt, en dat die tunnel gegraven wordt in een richting, die
volkomen of bijna rechtstandig op die van onze tunnel staat. De
gevolgen zal je zelf wel kunnen voorstellen, zonder dat ik je daar in
het bijzonder op wijs!”
„Natuurlijk! Op een goeden dag boren zij den wand van onze tunnel door
en vinden zij den weg naar je huis in de Victoria-Street zoowel als
hierheen! Het zou hoogst onaangenaam zijn!”
„Het verheugt mij dat je geen krasse termen gebruikt!” hernam Raffles
droogjes. „Inderdaad zou het buitengewoon onaangenaam zijn, zoo
onaangenaam, dat ik het in geen geval mag toestaan!”
„Maar hoe wil je het verhinderen?” kwam Charly, die nu ook begon in te
zien, dat de zaak ernstiger was dan hij oorspronkelijk vermoed had.
„Ik kan het niet verhinderen, of ik moet eerst volkomen zeker zijn van
de richting van de nieuwe tunnel, wie weet met welk doel gegraven, en
vooral van haar beginpunt!”
„Laten wij dat dan dadelijk grondig gaan onderzoeken!” riep Charly uit.
„Ik hoor uit den toon van je stem, dat je nu ook begint in te zien, dat
ons werkelijk een groot gevaar dreigt! Zeker, ik zou nu aanstonds het
eindpunt van onze tunnel kunnen vernielen, maar ten eerste zou ik aldus
een vol jaar arbeids te niet doen, en bovendien zou dat wel eens niet
voldoende kunnen zijn voor lieden die bijzonder nieuwsgierig zijn
uitgevallen! Zij zouden misschien er in slagen, het puin weg te ruimen
door de vernieling in de tunnel opgehoopt, en dan zouden zij op een
voor ons zeer noodlottigen dag toch wel eens in het tuinhuis, en verder
kunnen doordringen!”
„En je zoudt bezwaarlijk kunnen volhouden niets van het bestaan van
dien onderaardschen gang af te weten, vooral wanneer het vast stond,
dat jij zelf het begin er van verwoest had, teneinde ontdekking te
voorkomen!”
„Zeer juist geredeneerd en daarom is mij er zoo veel aan gelegen, dat
ik de plannen ken van die vreemde tunnelgravers, en voor alles het
punt, waar zij begonnen zijn.”
„Heb je eenig denkbeeld omtrent den aard van de menschen, die daar nu
in onze richting onder den grond aan het wroeten zijn?” vroeg Charly,
terwijl hij zich aan tafel zette en zich een kop thee inschonk.
„Ik wil mij niet knapper voordoen dan ik ben, ik weet er niets van en
ik vermoed ook niets, ik begrijp het alleen maar niet!”
„Op onze tunnel kan het toch onmogelijk gemunt zijn!”
„Dat lijkt mij het minst waarschijnlijk! Aan de tunnel zijn maar twee
uitgangen. Die van de Victoria-Street kan men niet binnengaan, zonder
dat een alarm in mijn slaapkamer uitkomend mij waarschuwt, en dat men
het andere einde onder den grond van onzen tuin zou hebben ontdekt dat
is volkomen buitengesloten.”
„Zou het kunnen dat een fabriek, die zich gaat uitbreiden, tusschen
haar kelders een gemeenschap wil maken?”
„Dan zouden die kelders door mijn tunnel van elkander gescheiden moeten
zijn, mijn waarde, en dat acht ik niet bijzonder aannemelijk!”
„Dan weet ik het ook niet!” riep Charly uit.
„Ontbijt maar spoedig, want ik wil geen tijd verliezen!” hernam
Raffles. „Die ganggravers maken nog al haast, zij zijn sedert gisteren
zeker wel een paar meters vooruit gekomen! In ieder geval werken zij
dus met geperfectioneerde graafwerktuigen.”
Charly repte zich zooveel hij kon, en daarop trokken de beide vrienden
hun overjassen aan en verlieten het huis, maar ditmaal zonder van de
diensten van Henderson gebruik te maken.
Te voet zouden zij wellicht iets meer kunnen ontdekken.
Zij reden per motorbus tot den hoek van Grosvenor-Street en
Baker-Street en begonnen daar hun onderzoekingstocht.
Zij liepen langzaam de straat teneinde, keerden op hun schreden terug,
stonden voor de meeste huizen, winkels en fabrieken even stil en
luisterden ingespannen.
En toch wisten zij wel, dat dit verloren moeite was, het straatrumoer
was hier zoo groot, dat het alle geluid onder den grond moest dempen,
en dat zeker als de avond nog lang niet gevallen was.
Zij doorliepen een aantal zijstraten en stegen, en daarop keerden zij
onverrichter zake, na een wandeling van bijna vier uur, weder naar het
groote huis in de Regent-Street terug.
Raffles was in een sombere stemming, want hij gevoelde, dat het gevaar
dreigend was.
Wie die geheimzinnige tunnelgravers ook mochten zijn, als zij den wand
van zijn eigen onderaardschen gang doorboorden, dan kwam een kostbaar
en tevens een gevaarlijk geheim van John Raffles alias Lord William
Aberdeen aan het licht!
Tot iederen prijs moest hij dit trachten te voorkomen!
De twee onafscheidelijke vrienden gebruikten de lunch in de kleine
eetzaal en al dien tijd spraken zij over weinig anders dan over het
vreemde graafwerk, zoo dicht in hunne nabijheid.
„Als ik maar zeer nauwkeurig de richting kende, waarin die nieuwe
tunnel op de mijne staat,” bromde Raffles, „dan zou ik ongeveer kunnen
nagaan, waarop die gravers het voorzien hebben, wat hun doel is en wie
zij zijn! Maar ik weet alleen, dat zij nader komen!”
Zoodra zij geluncht hadden, daalden de beide vrienden weder in de
tunnel af en begaven zich naar de plek, waar zij voor de eerste maal
het zonderlinge gerucht vernomen hadden.
En er kon niet aan getwijfeld worden, het geraas was veel duidelijker
verneembaar dan den vorigen dag.
Het was nu ook niet langer een onafgebroken dof gegrom, als van een
reusachtig spinnende kat, maar het werd telkens afgebroken door
hortende stooten alsof er met geweld een hard voorwerp in den grond
werd gedreven, ongeveer als bij het inheien van palen.
Wel bijna een half uur stonden de twee mannen zwijgend te luisteren.
Toen zeide Charly op zachten toon alsof hij vreesde dat men hem zou
kunnen hooren:
„Het is mij niet goed duidelijk, hoe het komt, dat men elders dit
gerucht ook niet gehoord heeft, bijvoorbeeld in de kelders van de
huizen, waaronder die vreemde tunnelgravers hun gang aanleggen!”
„Dat is heel eenvoudig, Charly! Onze eigen tunnel ligt op een diepte
van bijna twintig meters onder den grond, en geen enkele kelder in
geheel Londen ligt dieper dan hoogstens vijf meter.”
„Misschien bestaat er nog wel kans, dat zij boven of onder onze tunnel
doorgraven!”
„Ik hoop het, maar ik verwacht het niet! En daarenboven, als zij dat
werkelijk deden, dan moest de afstand tusschen de twee tunnels ook
groot zijn, anders zou onze vloer of dak of de hunne bezwijken! Als er
niet minstens twee meters aarde tusschen onze beide gangen is, dan
vrees ik het ergste!”
„Het is, als of zij hier recht op af komen!” kwam Charly, die zijn oor
tegen den wand had gedrukt.
„Ja, dien indruk heb ik ook gekregen. Misschien kan het nog een week
duren, maar misschien ook niet langer dan een dag! Men bedriegt zich
gemakkelijk over den afstand onder den grond.”
„En dat wij niet weten, waar die tunnel begint!” barstte Charly uit.
„Die lieden hebben natuurlijk weinig goeds in den zin en wij zouden het
volste recht hebben, hun de politie op het dak te zenden, die dan maar
eens moet nazien, waartoe die tunnel kan dienen!”
„Ik zou zeker geen seconde aarzelen, Charly!” gaf Raffles te kennen.
„Als ik wist, in welk huis of liever onder welk gebouw de nieuwe tunnel
een aanvang nam, dan waarschuwde ik één minuut later Scotland-Yard!”
„Maar zou die de tunnel niet verder doorgraven, om te zien, waar zij
heen leidt?”
„Dan zou zij volkomen overbodig werk doen. Dat kan iedere ingenieur
zien, als hij maar een maal de richting weet van de tunnel. Hij trekt
dan een lijn door, en die lijn zou wel blijken een groot bankgebouw te
snijden! Dat is waar ook!” zoo viel Raffles zichzelf eensklaps in de
rede. „Weet je wel, dat het gebouw van de Midland-Bank zich in de
Baker-Street bevindt?”
„Dat is waar! Dat was mij ontschoten!” riep Charly uit. „Dus je acht
het mogelijk, dat de tunnel daar heen voert?”
„Het is in ieder geval niet buitengesloten. Als wij het zeker wisten,
zou het terrein van onze nasporingen wederom aanzienlijk beperkt
worden. Want wij zouden dan kunnen volstaan, van dit punt uit een lijn
van de plek over het bankgebouw te trekken en die te verlengen. Dan
zouden wij in de buurt van die lijn moeten zoeken.”
„Maar laten wij dat dan aanstonds doen!” hernam Charly. „Ik heb het
gevoel, alsof zij zoo dicht bij zijn, dat zij onze stemmen kunnen
hooren!”
„Nu, zoover zal het nog wel niet zijn,” kwam Raffles. „Maar in ieder
geval zullen wij nog eens zien, hoever wij komen, als wij te werk gaan
volgens het plannetje, dat ik je zooeven uiteenzette.”
„Maar kunnen wij de tunnel nu wel geheel onbewaakt laten?”
„Neen, dat gaat niet. Wij zullen Henderson van alles op de hoogte
brengen, en hij moet hier zoo lang op post gaan staan, tot dat wij
zekerheid hebben.”
Raffles en Charly aanvaardden den terugweg, maar nog lang hoorden zij
het knarsende, stootende, borende geluid.
Zoodra zij het tuinhuis verlaten hadden, begaven zij zich naar de
groote garage, die tegen een zijmuur van den tuin was aangebouwd, en in
welks bovenverdieping Henderson zijn kamer had.
De reus was op dit oogenblik bezig met het schoonmaken van een zwaar
motorrijwiel, waarbij hij een vroolijk liedje neuriede.
Hij had de mouwen van zijn werkkiel opgestroopt en zijn geweldige
armen, met spieren als scheepskabels waren ontbloot.
Raffles legde hem de hand op den schouder en zeide ernstig:
„Luister eens, Henderson. Er valt op het oogenblik een onaangenaam
werkje voor je te doen, maar het is noodzakelijk!”
En nu deelde hij den reus mede in korte woorden, wat hij en Charly
Brand dien dag en den vorigen in de tunnel ontdekt hadden.
Henderson behoorde niet tot de domsten, en ook hij begreep aanstonds,
welk gevaar hier school.
Hij vertrok dan ook geen spier van zijn gelaat, toen hem de opdracht
werd gegeven, in de tunnel de wacht te houden, ofschoon men deze taak
waarlijk niet onder de aangename kon rangschikken.
En de reus daalde naar de tunnel af, gewapend met zijn onverstoorbaar
goed humeur, en met twee stevige knuisten, in staat om een ijzeren
staaf van een duim dik door midden te breken.
HOOFDSTUK III.
EEN GEVAARLIJKE VERWIKKELING.
Raffles en Charly gingen intusschen het huis weder binnen en begonnen
zich in hun slaapkamer zorgvuldig te vermommen.
Al zou het den geheelen dag moeten duren, zij moesten en zouden het
punt van uitgang ontdekken, er hing voor hun te veel van af.
Het verlies van de tunnel zou nog niet het meeste te beteekenen hebben,
ofschoon het nut menigmaal onmiskenbaar was gebleken, als Raffles zich
wat spoediger moest verwijderen dan waarop hij gerekend had, maar dat
men zou kunnen ontdekken, waarheen de tunnel leidde, dat was
ontoelaatbaar, want dan zou het dubbele leven van Lord William Aberdeen
aan den dag komen, en aldus zou aan den Grooten Onbekende een zijner
krachtigste wapens uit de hand worden geslagen.
Toen zij met hun vermomming gereed waren, zagen de beide mannen er uit
als provincialen die op hun gemak door de straten konden slenteren,
zonder daardoor achterdocht te wekken.
Zij verlieten nu het huis aan de tuinzijde, en traden door een kleine
deur een zijstraat binnen, waar zich nooit een levende ziel vertoonde.
De een zijde bestond uit den langen muur van hun eigen tuin, de andere
uit den blinden muur van een groote fabriek.
In de Regent-Street namen de beide vrienden een huurauto, welke hen
naar de Baker-Street bracht.
Hier stapten zij uit en zonden den chauffeur weg.
„En nu zullen wij onze taak eens verdeelen, zoodat wij de helft van den
tijd kunnen besparen,” zeide Raffles. „Ik zal den zuidelijken kant van
de straat nemen, en jij den noordelijken. Wij ontmoeten elkander weder
in het café op den hoek van de Grosvenor-Street, behalve natuurlijk
voor het geval, dat een onzer iets mocht hebben ontdekt, hetwelk hem
noodzaakt, dadelijk handelend op te treden. Indien noodig, halen wij er
dadelijk de politie bij! Maar in ieder geval moeten wij om het half uur
een van beiden het café binnen gaan, want ik heb Henderson last
gegeven, ons daar telefonisch te waarschuwen, in geval er in onze
afwezigheid zich iets van groot gewicht mocht voordoen. Hij moet dan
vragen naar een zekeren Johnson, en een goede fooi aan den kellner zal
wonderen uitwerken.”
En nu volgden de mannen ieder een kant van de straat, nauwkeurig acht
gevend op het voorkomen van de huizen, en nu en dan stil staande, in de
hoop, dat zij het geraas van de machine zouden hooren.
Zoo bereikte Raffles, die wist, dat hij nu een rechte lijn volgde, waar
hier of daar het beginpunt van de tunnel moest zijn, tenminste als de
gang in zuiver rechte richting was gegraven, na ongeveer twintig
minuten loopen een huis, in welks benedenverdieping een kleine
drukkerij gevestigd was.
De beide groote ruiten waren halverhoogte van matglas, maar daarboven
kon Raffles duidelijk een paar riemschijven zien, waarover eenige
breede riemen snel heen schoven.
Een oogenblik stond hij stil, in beraad, en toen trad hij vastberaden
den winkel binnen.
Hij bevond zich in een vrij groot vertrek, waar een drietal kleine
klappersen stonden, zooals men ze wel gebruikt voor het drukken van
visitekaartjes en ander klein drukwerk, en die met de hand zoowel als
mechanisch bewogen kunnen worden.
Alles blonk van nieuwheid, zooals Raffles met een enkelen oogopslag kon
waarnemen.
Het vertrek was aan de achterzijde afgesloten door een matglazen wand,
waarin schuifdeuren, eveneens met matglazen ruiten.
Alle drie de persen liepen dol, dat wil zeggen, dat de riemen wel over
de bovenste schijven snorden, maar dat de schijven van de persen waren
uitgeschakeld.
Nergens was iemand van het drukkerspersoneel te bespeuren.
„Een merkwaardige drukkerij!” mompelde Raffles voor zich heen. „Zij
schijnen het hier ook niet bijzonder druk te hebben!”
Juist had hij deze opmerking voor zich zelf gemaakt, toen een der
schuifdeuren openging, en er een kleine jongen verscheen, met geen al
te snugger gezicht, die met hoog opgetrokken wenkbrauwen even naar
Raffles bleef kijken en toen als het ware aarzelend een paar stappen
naar voren kwam.
Het openschuiven van de deur had maar even geduurd, maar toch lang
genoeg, om te kunnen zien, dat het aangrenzend vertrek zoo goed als
geen meubels had, en dat er een klein tafeltje stond, misschien bestemd
voor dit kantoorjongentje.
Eindelijk opende de knaap zijn groote mond, en vroeg:
„Wat is er van uw dienst, mijnheer?”
„Kan ik hier visitekaartjes laten drukken, en reclamekaarten voor mijn
zaak?”
„Dat zal wel gaan, mijnheer?” antwoordde de jongen met een onnoozel
lachje.
„Is je patroon er niet?”
„Die werkt in de schuur, achter in den tuin.”
„Zoo? Daar is zeker de zetterij?”
„Ja, mijnheer!”
„Kan ik den patroon niet zelf even spreken?”
„Dat zal niet gaan, mijnheer! Kunt u mij de boodschap niet geven?”
„Neen, jongen, nu is het mijn beurt om te zeggen, dat zal niet gaan!
Roep je baas maar eens even, maar een beetje vlug, ik heb niet veel
tijd!”
Raffles had dit met opzet gezegd, om te kunnen nagaan, of de jongen
lang wegbleef, en dus, of hij zijn patroon spoedig had kunnen vinden.
De jongen verdween weer door de schuifdeur, en Raffles nam plaats op
den eenigen stoel dien hij in het vertrek zag.
Zijn blikken vlogen snel door de werkplaats.
In een hoek stond een krachtige electromotor, die de beweegkracht
leverde voor de drie persen.
Maar Raffles scherp en geoefend oog merkte bovendien nog een riem op,
die niet naar de persen liep, maar buiten het vertrek werd geleid, door
een paar sleuven in den zijmuur.
Er was een extra riemschijf aan den motor bevestigd, die er
oorspronkelijk niet toebehoord had, want de as was nauwelijks lang
genoeg om de beide schijven naast elkander te bevatten.
Er werd dus nog ergens anders een machine door dezen motor in beweging
gebracht, maar waar zich die bevond, dat kon Raffles onmogelijk
waarnemen.
Hij stond even op, en trachtte over het matglazen gedeelte van de
schuifdeur heen te zien, maar dit gelukte hem niet, ofschoon hij toch
meer dan gewoon lang was.
Een blik op de drie persen overtuigde hem dat de machines splinternieuw
waren.
Er stond ergens een letterbak, maar de specie was blijkbaar nog
volkomen nieuw.
„Heel veel krijgen de menschen hier niet te doen, dat is zeker,”
mompelde Raffles. „In ieder geval een onderneming, welke pas begonnen
is! Maar dan mochten zij toch in ieder geval wel een paar man bij de
machines laten!”
Op dit oogenblik gingen de schuifdeuren weder open en er trad een man
van omstreeks veertig jaar binnen, met een glad geschoren gelaat,
kleine, doordringende oogen, en bijzonder zwart en glanzend haar.
Voor ieder ander was het zeker onopgemerkt gebleven, maar Raffles had
voor zulke dingen goede oogen en met een oogopslag had hij gezien, dat
de man een pruik droeg.
Hij was wat links opgestaan, maakte een onhandige buiging, en begon:
„Neem mij niet kwalijk, mijnheer, als ik u kom lastig vallen, maar ik
begin hier binnenkort een zaak in kaas en eieren en ik wilde wel een
paar duizend reclamekaarten gedrukt hebben, maar vooral visitekaartjes,
met er achter: „Handelaar in kaas en eieren en gros.” Begrijpt u? Ik
kon wel naar een groote zaak gaan, maar die zijn zoo duur, en ik hoop,
dat gij mij het vel niet over de ooren zult halen.”
„Dat zal wel losloopen,” kwam de man met de pruik. „Geef uw naam en
adres maar even op.”
„Price Johnson. Voor het oogenblik logeer ik in het Marlborough Hotel,
maar als ik het huis kan krijgen, dan kom ik te wonen in de
Victoria-Street, nummero 78. U levert immers goed en deugdelijk werk?”
„Wij zijn specialiteit in zulke dingen, maar ik kan u niet beloven dat
u de bestelling zoo spoedig krijgt afgeleverd! Wij worden overstelpt
met dergelijk werk!”
Raffles weerhield bijtijds de opmerking die hem naar de lippen drong,
toen hij dacht aan de verlaten persen.
Een drukker, jong nog, die een voortreffelijke pruik droeg, daarmede
moest men in ieder geval voorzichtig zijn, en zeker, als men John
Raffles heette.
„Ik hoop dat u zoo veel mogelijk spoed met de zaak zult maken,” hernam
hij kalm. „Als uw werk mij bevalt, blijf ik uw klant!”
Raffles meende een vaag spottend lachje om de dunne lippen van den man
te zien spelen, maar hij kon zich ook wel vergist hebben.
„Mag ik eens wat cartonsoorten en letters van u zien?” ging hij voort.
De patroon trad op een wandkast toe, en kwam terug met een monsterboek,
dat hij aan Raffles voorlegde.
Deze zocht voor de leus een lettersoort uit, koos een dik carton uit,
en zeide toen:
„Voorloopig zijn tweeduizend kaarten voldoende.”
„Wij zullen ons best doen, dat gij ze over een dag of vier hebt!”
„Het is wel heel lang, kan het niet wat vlugger?”
„Wij zullen ons best doen, mijnheer,” herhaalde de drukkerspatroon, een
weinig ongeduldig naar het scheen.
En reeds maakte hij een beweging naar de deur, als om zijn nieuwen
klant uit te laten.
„Ik kan niet zeggen, dat die heer er veel slag van heeft, om met zijn
klanten om te gaan,” mompelde Raffles voor zich heen, toen hij weder op
straat stond. „En dan noemt men ons in het buitenland nog wel „Een
Natie van Winkeliers!” Deze vriend scheen er niet bijzonder op gesteld
te zijn, mij tot zijn afnemers te mogen rekenen! Zijn keuze van papier
en letters was ook al bijster schraal! En dan die pruik, die drie
onbeheerde persen, die tweede riemschijf van den electromotor, waarvan
de riem op geheimzinnige wijze buiten het vertrek verdween, de lange
tocht van dat onnoozele jongentje, om zijn patroon te gaan waarschuwen!
John Raffles, ik weet het niet, maar ik geloof, dat er in deze
zoogenaamde drukkerij iets niet heelemaal pluis is! Die drukker had
niet het type van zijn beroep, hij zag er als iets heel anders
uit.......!”
Onder deze overdenkingen vervolgde Raffles zijn weg.
Weer lette hij nauwkeurig op alle huizen en winkels, maar nergens kon
hij iets verdachts opmerken.
Er waren groentewinkels, kruidenierszaken, boekwinkels, maar nergens
bromden machines, die konden dienen om het geraas van een ander toestel
te overstemmen.
En de huizen waren alle deftige gebouwen, rustig en stil.
Zoo bereikte Raffles de Midland-Bank.
Het was een nieuw gebouw, uit een onbekrompen beurs betaald, zooals uit
alles bleek.
Bedienden van effectenhandelaars en bankiers liepen bedrijvig in en uit
en Raffles kon hen de breede marmeren trappen naar de eerste verdieping
zien op en af gaan.
Een portier in een groene livrei stond met de handen op den rug naast
de monumentale voordeur.
Een reeks van vuistdikke tralies voorziene vensters wees even boven de
straat de plek aan, waar zich de safes moesten bevinden.
Raffles maakte snel een berekening:
„Van deze bank tot aan de drukkerij, dat was ongeveer honderd meter,
van de bank tot aan de tunnel was niet meer dan vijf-en-twintig meter,
de ganggravers hadden dus zeker bijna driekwart van den weg onder den
grond afgelegd, wel te verstaan als zijn wantrouwen tegen dezen
zonderlingen drukkerspatroon gegrond bleek te zijn.”
Even later trad hij het café binnen en hij was er nog geen vijf minuten
of ook Charly verscheen.
Er lag een uitdrukking van teleurstelling op zijn gelaat, die hij
vruchteloos trachtte te verbergen.
Hij had Raffles in zijn hoekje spoedig ontdekt, en trad op hem toe.
Zonder zelfs zijn vraag af te wachten, zeide hij moedeloos:
„Een vergeefsche tocht, Edward! Ik heb geen geluid gehoord, geen
verdacht huis gezien!”
„Dan ben ik gelukkiger geweest, mijn waarde,” kwam Raffles zacht.
En hij deelde Charly uitvoerig mede, wat hem in de drukkerszaak
wedervaren was.
Charly had aandachtig toegeluisterd, en zeide nu:
„Dat alles klinkt zeker tamelijk verdacht, maar laat je je nu niet al
te zeer beïnvloeden door je wantrouwen, dat je overal spoken op
klaarlichten dag doet zien?”
„Waarde Charly, een spook met een pruik op is en blijft een voorwerp,
waar tegenover ik terecht achterdocht koester! Als men in een straat
als de Baker-Street een nieuwe drukkerszaak gaat openen, dan pakt men
de zaak dadelijk grootscheeps aan, of tenminste zoo, dat men alle
eventueele klanten flink kan bedienen. Dat kon deze man, hij droeg een
pruik, niet doen, want hij liet zijn personeel uit wandelen gaan, hij
had geen letters genoeg, en ook geen voldoenden voorraad carton,
kortom, hij is niet in staat zelfs aan de bescheiden eischen te voldoen
van een buitenmannetje, zooals ik er een voorstelde.”
„Op zich zelf beschouwd is het zeker opvallend. Toch zou het zaak zijn,
nader op deze aangelegenheid in te gaan.”
„Dat ben ik dan ook van plan! Zoodra zich de gelegenheid voordoet,
zullen wij die zoogenaamde drukkerij eens nauwkeurig onderzoeken. En
het zou mij volstrekt niet verwonderen als daarbij aan het licht kwam,
dat zij iets heel anders verborg.
„De persen maken een groot lawaai, en dempen volkomen het geluid van
iedere andere machine die elders in het huis is opgesteld, bijvoorbeeld
in de schuur, waarover die onnoozele jongen het had. Ik denk, dat zij
met opzet een suffertje hebben genomen, om geen last te hebben van
brutale snuffelaars!”
Hij wierp een blik op de klok, die boven het buffet hing, en vervolgde:
„Het wordt nu tijd voor de lunch, Charly. Het onderzoek heeft mij
hongerig gemaakt! Het café hier lijkt mij wel voldoende! Willen wij
hier wat eten?”
„Ik vind het goed! Wij blijven dus hier in de buurt?”
„Ja. Ik zou er prijs op stellen als jij zelf ook eens een kijkje ging
nemen in de drukkerij van onze vriend met de pruik. Misschien merk je
nog wel iets anders en iets nieuws op.”
Raffles wenkte den kellner, en bestelde een eenvoudige lunch.
Juist toen de beide vrienden gereed waren met den maaltijd, trad de
kellner op hen toe, en vroeg:
„Is een van de heeren misschien mijnheer Johnson?”
„Die ben ik, vriend!” antwoordde Raffles.
„Daar is iemand voor mijnheer aan de telefoon!” vervolgde de kellner.
„Er is groote haast bij.”
Raffles wisselde een snellen blik met Charly en sprong op.
„Ik volg je!” zeide hij, zich tot den kellner wendende.
De telefoon hing in een klein hokje naast het buffet.
Raffles trad er binnen, sloot de deur, nam het toestel terhand, en
zeide:
„Hier Johnson! Met wien?”
„Met Henderson! Ik verzoek u, zoo spoedig mogelijk terug te komen?
Zooeven is er een gat in den wand van ..... den muur geslagen!”
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
Zoodra Raffles en Charly het huis in de Regent-Street verlaten hadden,
begaf Henderson zich naar de tunnel.
Voor alle zekerheid had hij zich met zijn revolver gewapend, ofschoon
hij het wapen niet noodig dacht te hebben.
Ook had hij zich voorzien van zijn electrische zaklantaarn, ingeval het
licht in de tunnel door een of andere oorzaak mocht uitgaan.
Na een half uur te hebben geloopen, bereikte hij de plek, waar de
gasontploffing de draden vernield had.
Hij stond stil en luisterde.
Zijn scherp gehoor ving het zoemend geluid op, afgewisseld door
beukende slagen of stooten.
Hij legde zijn hand tegen den muur, en mompelde hoofdschuddend in zich
zelf:
„De wand trilt er waarachtig van! Zij werken hard, daar onder den
grond!”
De reus zette zich op den grond, juist tegenover de plek, van waar het
dof gerucht kwam, en hield den blik onafgewend op den tegenover
liggenden wand gevestigd.
Langzaam verstrekken de minuten, de kwartieren, de uren.
En telkens werd het geluid sterker.
Henderson stond nu en dan op, teneinde zijn hand tegen den wand te
leggen, en hij merkte op, dat het kloppend geluid steeds sterker werd.
Het was omstreeks een uur in den middag, toen Henderson eensklaps
opnieuw opsprong en naar den wand van de tunnel trad.
Het geluid was nu zoo dicht bij gekomen, dat hij meende, ieder
oogenblik den tunnelwand te zien bezwijken.
Nu werd het plotseling geheel stil en daarop dreunde de doffe slagen
van een houweel aan den anderen kant van den tunnelwand.
In gebogen houding bleef Henderson op dezelfde plek staan, de oogen
strak gevestigd op den muur.
De wand moest wel zeer dun geworden zijn, want bij iederen slag
knipoogden de electrische lampjes en toen gingen er eenige uit,
waarschijnlijk waren de platina draden gebroken.
En onverhoeds geschiedde er iets, waarop Henderson verdacht had moeten
zijn en dat hem toch ten zeerste verschrikte, met een luid gekraak en
het versplinteren van een steen drong het ijzer van een houweel door
den muur heen, bewoog even, en verdween toen weder.
Maar op hetzelfde oogenblik had Henderson den schakelaar van het
electrische licht reeds omgedraaid, zoodat de tunnel in volkomen
duisternis gehuld was.
De reus had begrepen, dat hij zoo lang mogelijk moest trachten te
voorkomen, dat de lieden, die daar hun tunnel aan het graven waren, het
bestaan van deze gang ontdekten, en dat zouden zij zeker onmiddellijk
doen, wanneer zij hier licht zagen, en het glinsteren van de spoorstaaf
op den grond konden waarnemen.
Voorloopig zouden zij waarschijnlijk vermoeden, dat zij nog altijd niet
diep genoeg hadden gegraven, en op een kelder waren gestuit.
Het was nu de vraag of zij aanstonds aan de tunnel een andere richting
zouden geven, dan wel of zij eerst zouden willen onderzoeken of zij
inderdaad bij een kelder terecht waren gekomen.
Henderson hield zelfs zijn adem in, uit vrees dat hij zijn
tegenwoordigheid zou verraden, en keek strak naar de kleine opening in
den wand, niet grooter dan eenige centimeters, waardoor een krachtig
lichtschijnsel in de tunnel doordrong.
Toen werd dit schijnsel een oogenblik verduisterd en Henderson begreep,
dat dit veroorzaakt werd doordat er aan den anderen kant van den muur
iemand zijn oog voor de kleine opening had gebracht.
En het volgende oogenblik klonken de slagen van het houweel opnieuw.
Toen begreep Henderson dat hij geen tijd meer te verliezen had en dat
hij Raffles aanstonds moest waarschuwen.
Hij ontstak zijn zaklantaarn, en dempte het licht zooveel mogelijk,
door er zijn zakdoek om te wikkelen, en zocht bij dit weinige licht
zijn weg naar den ingang van de tunnel.
Toen hij zeker wist dat men hem niet meer kon hooren of zien, begon hij
haastig voort te snellen en rustte niet vóór hij het tuinhuis bereikt
had waar zich een telefoon bevond en waar hij aanstonds aan Raffles
mededeelde wat den lezer reeds bekend is.
En toen ging hij haastig weder naar het onderaardsche laboratorium
terug.
Daar lagen, in een der hoeken, een aantal platen van nikkelstaal, bijna
een meter hoog, tachtig centimeter breed, en een duim dik, welke
Raffles noodig had voor het doen van eenige proeven.
Deze platen wogen bijna honderd dertig kilo, maar Henderson bedacht
zich niet, maar tilde er een op, en laadde ze op een soort duwwagentje,
zooals ze wel gebruikt worden door kruiers op het perron, om zware
koffers te vervoeren.
Zoo vlug hij kon, bracht hij de zware pantserplaat naar de plek van de
doorbraak.
En reeds op verren afstand zag hij tot zijn schrik, dat de slagen van
het houweel het gat in den wand nog vergroot hadden, en dat het thans
bijna een decimeter hoog en eenige centimeters breed was.