"Amen!" antwoorden de eenvoudige Boeren, en zij stormen voorwaarts.
De lange luitenant der Schotsche Hooglanders ziet hen naderen.
"Vuur!" kommandeert hij, "vuur!"
De kogels fluiten de Boeren om de ooren, maar geen oogenblik staken
zij den stormloop. Zonder een woord te spreken, de tanden op
elkander geklemd, vast besloten, om te overwinnen of te sterven,
stormen deze Hollandsche Afrikaanders voorwaarts. Maar God de
Almachtige dekt hen met een onzichtbaar schild, en de Engelsche
kogels kletteren onschadelijk tegen de grijze klipsteenen.
Onrustig loopt de luitenant heen en weer. Hij vreest dat de Boeren
zullen opdringen, en zullen trachten, van dezen kant den berg te
beklimmen. Zijn blik zoekt naar hulp, maar de andere troepen hebben
eveneens de handen vol werk, en het blijkt, dat de Boeren den berg
van drie zijden omsingelen. Slechts de _steilste_ kant, dien de
Engelschen, om geen argwaan te wekken, heden nacht moesten nemen, is
vrij.
"Wat zeg je nu van de vleermuizen?" vraagt de luitenant aan den
sergeant, maar het antwoord wordt den sergeant letterlijk van de
lippen weggeschoten, en een kogel doorboort zijn wang. Hij houdt
zich vast aan een hoogen klipsteen, en tracht het hevige bloeden te
stelpen, maar een tweede kogel vindt hem en strekt hem levenloos
neer.
"Zoo gaat het niet," roept de luitenant, "zoo gaat het niet. Kom,
jongens, wij zullen een uitval doen, en zien, of de Boeren tegen een
hartig Engelsch hoera bestand zijn!"
"Hoera!" roepen de dappere Bergschotten, en zonder aarzelen springen
zij hun moedigen aanvoerder na, die met den revolver in de éene, en
den sabel in de andere hand, de Boeren tegenstormt.
[Illustratie: Veldkornet Stephanus Roos.]
Twee keeren zwaait hij met zijn wapen; dan valt hij, door een kogel
in het hart getroffen, voorover, stort dertig voet de diepte in, en
blijft daar, met den wapenrok in het struikgewas vastgehaakt,
hangen.
Nu ontzinkt den Bergschotten de moed. Zij vluchten en bereiken,
deerlijk gehavend, het plateau van den berg.
Eenigszins zijwaarts van een afdeeling Boeren klautert een oude
Voortrekker tegen de helling op.
Van elken rotsblok, van het kleinste struikje weet hij partij te
trekken. De kranigste jager van het Pruisische leger zou van dezen
man nog kunnen leeren, hoe men dekking zoekt. Achter een molshoop
zou hij des noods nog gaan schuilen.
Zilveren lokken omgolven zijn verweerd en door de zon verbrand
gelaat, maar in zijn blauwe oogen schittert de strijdlust van den
jongeling. En heel zijn houding verraadt moed, voorzichtigheid en
onverschrokkenheid.
Maar plotseling blijft hij staan, alsof hij in de verte een visioen
heeft gezien, om snel achter een hoogen, breeden klipsteen te
verdwijnen.
Doch het is geen visioen geweest, maar een mensch van vleesch en
bloed -- Kees Botter.
Na den mislukten aanslag op den ouden Kloppers is hij teruggekeerd
naar het Engelsche kamp, en even goed bekend met de stellingen der
Boeren als met den raadzaamsten weg naar den Amajuba, heeft hij
heden nacht de Engelsche troepen als gids gediend.
Ook Kees Botter heeft den ouden Kloppers herkend, en is onmiddellijk
achter een klip geschuild.
Hij onderzoekt zijn uitstekend tweeloopsgeweer en brengt het in den
aanslag.
Dat het een strijd wordt op leven en dood, begrijpen beiden; slechts
een van hen zal de plaats levend verlaten.
In de aderen van Kees Botter gist en gloeit een haat, die geen
erbarming kent, doch de grijze Voortrekker beschouwt zich hier als
de Overheid, die recht zal doen, en het zwaard niet te vergeefs
draagt.
Hij is alleen, doch dat hindert niet.
Zijn zwager Jansen en zijn zoon zijn in het gewoel der bestorming
een eind van hem afgeraakt.
Lang blijft het stil achter beide klipsteenen, maar als een tijger
ligt de verrader op de loer.
Daar wordt de rechterarm van den ouden Voortrekker plotseling
zichtbaar buiten de dekking der klip, doch om pijlsnel weer te
verdwijnen.
Rakelings langs de klip fluit Botter's kogel.
Ja, die verrader is een scherpschutter -- wees op uwe hoede, Dirk
Kloppers!
Hij _is_ op zijn hoede.
Voorzichtig neemt hij zijn breeden hoed, zet hem op den tromp van
zijn geweer, en brengt hem in die positie voorzichtig buiten den
klipsteen. Nauwelijks is de hoed echter buiten de dekking der klip,
of hij wordt door een kogel doorboord.
"Nu is _mijn_ beurt gekomen," zegt Kloppers, terwijl hij overeind
springt. "Hij heeft beide kogels uit zijn tweelooper geschoten, en
ik zal er voor zorgen, dat hij hem niet meer laadt."
Vlug snelt hij op den verrader af.
Op tien pas afstands blijft hij staan.
De verrader is juist bezig, op nieuw te laden, doch hij ziet het
gevaar en wil vluchten.
Het is te laat.
Hij staart in de oogen van den grijzen Voortrekker; ze zijn hard en
onverbiddelijk als het zwaard van een scherprechter.
Hij leest in die oogen zijn doodvonnis.
"Op je knieën, verrader!" roept de Voortrekker.
"Genade!" smeekt Kees Botter. Zijn gezicht is vaal van angst.
"En doe je laatste gebed!" vervolgt de grijsaard.
"Genade!" smeekt de ongelukkige nog eens.
"Genade kan de Heiland bewijzen, Die den moordenaar in zijn laatste
stonde verhoorde -- roep tot Hem om genade!" zegt Kloppers.
Smeekend heft de verrader de handen omhoog.
Hij heeft meer dan eens den dood moedig in de oogen gezien; te
Lang-Nek, waar een en te Schuinshoogte, waar twee Boerenkogels zijn
hoed doorboorden, doch thans doet de vrees voor den dood hem
klappertanden.
"Vergeef mij, baas Kloppers!" stamelt hij.
"Ik _wil_ vergeven," antwoordt de oude Voortrekker met bijna
plechtige stem; "_vergeven_ wil ik den man, die mijn kleindochter,
een ongelukkig, blind kind, met den dood heeft bedreigd; _vergeven_
wil ik den man, die zijn weldoener in spijt van diens grijze haren
wilde verminken en met waarlijk satanische boosheid folterde.
[Illustratie: Tweegevecht op den Amajuba.
TRESLING & Co. HOF LITH. AMSTERDAM.]
Doch _niet_ vergeven mag ik het verraad, dat gij aan mijn volk, en
den moord, dien gij aan Teunis Smit hebt gepleegd. Ik sta hier niet
voor u als uws gelijke, Kees Botter, maar als uw meerdere, als uw
overheid, die het verraad en den moord moet straffen."
En met de majesteit van den rechter richt hij zich op vóór den
verrader.
Botter werpt een blik achterwaarts naar de Engelsche troepen, doch
hij ziet duidelijk, dat van dien kant geen hulp is te wachten.
Hij knielt. Hij vouwt de handen en sluit de oogen.
Bidt hij? Of is het slechts een schijnvertooning?
Plotseling snelt hij overeind, en het scherpe dolkmes trekkend,
springt hij met de vlugheid van een panter op zijn tegenstander aan.
Maar de kogel van Dirk Kloppers vangt hem op, en vlak vóór de voeten
van den grijzen Voortrekker stort de verrader, zonder een zucht te
slaken, dood neer.
Slechts éénen blik werpt de oude Boer op het lijk. Dan laadt hij op
nieuw en snelt voorwaarts, naar den kruin van den berg, want de
beslissing nadert.
In zware kruitdampen is de bergtop gehuld.
Reeds lang is de lach verdwenen van Colley's gelaat. Al bezorgder
staart zijn oog -- bange voorgevoelens gaan door zijn ziel.
Hij werpt een blik op zijn dappere soldaten -- bij tientallen liggen
zij gewond en stervend in 't rond. Door de schietgaten heen heeft de
kogel der Boeren hen weten te vinden.
Binnen een half uur, binnen een kwartier kunnen zij boven den rand
van den bergtop verschijnen, en dan?
Maar nog éénmaal vermant zich het krijgsmanshart van den moedigen
bevelhebber, en terwijl de eerste breede hoeden boven den bergrand
verschijnen, kommandeert hij een bajonet aanval.
Op de punt van de bajonet zal hij de vermetelen in de diepte
slingeren -- tot op twintig pas naderen de Engelschen hun vijanden,
doch dàn moeten zij, om niet geheel vernield te worden, terug.
Reeds nestelen zich de Boeren onder aanvoering van veldkornet Roos
_op_ den bergtop achter de klipsteenen; nu verschijnen ook de
manschappen van Ferreirra, en aan de andere zijde de manschappen van
Malan.
Van drie zijden ziet Colley de Boeren aankomen. Zij gaan van achter
de klipsteenen weg, en het open terrein betredend, fluiten hun
kogels dicht als hagel over het plateau.
Colley grijpt met de rechterhand den revolver, en de linker hand
heft hij omhoog, om den storm te bezweren, die niet te keeren is.
Als rijpe korenaren onder den sikkel van den maaier, zoo vallen de
Engelschen.
Er is geen hulp in dezen strijd -- er is geen verweer. God zelf
strijdt voor de Boeren, en wie is tegen God bestand?
Colley ziet het ongeluk aankomen, doch hij ziet het te laat. Hij
neemt den witten zakdoek uit zijn wapenrok, om hem aan een bajonet
te binden, want hij wil zich overgeven. Maar hij bereikt zijn doel
niet meer. Door twee kogels tegelijk in het hoofd getroffen, zakt
hij doodelijk gewond ineen. Hij legt den zakdoek op een harden
klipsteen naast zich; daarop legt de generaal het hoofd.
Die zakdoek is zijn stervenspeluw.
In een wilde vlucht zoeken de Engelschen hun heil. Zij schuiven,
springen, storten van hoogten van tien tot twintig, dertig voet naar
beneden, scheuren zich het gelaat open aan de scherpe doornstruiken,
vallen te pletter tegen de kantige klipsteenen, sneuvelen onder het
moordend schot der Boeren...
Achter een klip vinden de Boeren een Engelschman in burgerkleeding.
Hij was oorlogscorrespondent van een Engelsch dagblad, en bevend
smeekt hij om zijn leven. Maar de Boeren zijn geen beulen, en
tegenover een overwonnen vijand zijn zij steeds edelmoedig.
Zij brengen den correspondent bij een gesneuvelden hoofdofficier,
dien zij niet kennen.
"Wie is dat?" vragen zij.
"Dat is generaal Colley," zegt de man.
Bij deze mededeeling ontblooten de helden van den Amajuba eerbiedig
het hoofd, en scharen zich in een kring om den generaal.
Zoo eenen zij hun dapperen tegenstander, maar de dood van generaal
Colley verkondigt aan de geheele wereld, dat het Transvaalsche volk:
geen schennende hand aan zijn vrijheden duldt.
Intusschen geeft veldkornet Malan aan den kommandant-generaal
bericht, dat een Engelsche reserve de wacht houdt aan den voet van
den berg, en de kommandant-Generaal haast zich, een versche
afdeeling Boeren onder aanvoering van Jakobus Smit 1) tegen die
reserve te laten oprukken.
Maar de Engelschen houden geen stand. De schrik zit er in, en zij
vluchten, door de Boeren vervolgd, naar het oude kamp.
Tot op honderdvijftig pas zijn de Boeren nu, onder het onophoudelijk
kanonvuur, het kamp genaderd, en zij maken zich gereed, om het te
bestormen. Maar plotseling verduistert zich de lucht; zware
onweerswolken trekken laag over de bergen, en terwijl het hemelvuur
niet meer van de lucht verdwijnt, wordt het gewoel van den strijd
door de ratelende donderslagen en den losbarstenden storm overstemd.
De Boeren breken thans het gevecht af, en in zegepraal keeren zij
naar hun lagers terug.
En op de hoogten en langs de hellingen van den Amajuba-berg liggen,
bleek en stom, de wakkere Bergschotten, en _nooit_ zullen zij hun
geliefde hooglanden terugzien!
------
Het Engelsche dagblad "Witness" ontving van haar correspondent over
het gevecht van den Amajuba het volgend telegram:
"27 Februari _half drie uur_ n. m. Onze manschappen met groot
verlies aan beide zijden van den berg verjaagd. Vele officieren,
eenigen van hoogen rang, gedood en gewond.
_Drie uur_. Onze manschappen, die vrij kwamen, worden op slechts
honderd geschat. De Boeren vielen den berg viermaal aan, en
spanden de wagens in, gereed om weg te rijden, toen onze troepen
genoodzaakt waren, terug te trekken, aangezien er niet voldoende
reserve-ammunitie was medegenomen. Al de gewonden komen. Men
zegt, dat generaal Colley dood is. Het verlies van de Engelschen
driehonderd ten volle; het verlies der Boeren naar het schijnt
gering. Al de stafofficieren zijn gebleven. Het regent sterk. De
gewonden lijden zwaar. Er wordt een aanval op het kamp verwacht.
Latere berichten bevestigen den dood van generaal Colley; op het
einde van het gevecht werd hij door het hoofd geschoten. De
soldaten van het 60ste regiment schijnen goed in het kamp
teruggekomen zijn, maar de Hooglanders en de manschappen van het
68ste zijn meest allen gedood. Toen de soldaten geen ammunitie
meer hadden, hebben zij de Boeren met steenen geworpen, maar
eindelijk werden zij toch overmeesterd. Generaal Wood vertrekt
uit Maritsburg, om dadelijk het opperbevel over te nemen."
Dat geen ammunitiegebrek, zooals in het aangehaalde telegram wordt
beweerd, de oorzaak der verpletterende nederlaag was, blijkt
duidelijk uit het feit, dat de Boeren nà den slag nog een groote
hoeveelheid Engelsche patronen buit maakten, doch de Engelschen
begrepen niet, hoe zoo'n nederlaag anders mogelijk was.
De dappere Ferreira begreep het echter wel.
"Ik moet bekennen," meldde hij in zijn rapport, "dat _wij_ de
Engelschen niet geslagen hebben, maar _God de Heere_.
Het was voor menschen onmogelijk. En dan maar één man aan onzen kant
te verliezen! Dus geen eer aan menschen; aan onzen grooten Generaal
hier boven komt de eer toe!"
In dienzelfden geest luidde het rapport van den Generaal-kommandant.
En als een waardig slot verscheen van de regeering de volgende
schoone, tot het hart sprekende dagorder:
"Heidelberg, Gouvernementshuis, 7 Maart 1881.
Aan den Kommandant-Generaal, de Kommandanten,
Officieren en Burgers in het Transvaalsche Lager
bij de Drakensbergen.
Mannen, Broeders! -- Ons hart dringt ons, u een woord toe te
spreken. Wij weten, dat de geheele Zuid-Afrikaansche Republiek met
eerbied en dank naar u opziet. Wij roemen niet in kracht van
menschen. Het is God de Heere, Die u heeft geholpen; het is de God
onzer vaderen, tot Wien wij nu vier jaren lang om redding hebben
gesmeekt en gebeden. Hij heeft groote dingen aan ons gedaan en
onze gebeden verhoord.
En gij, edele en moedige broeders, zijt in Zijne hand het middel
geweest, om ons te redden; uw moed en dapperheid hebben aan die
machtige mogendheid, welke ons zoo onrechtvaardig aanvalt,
getoond, dat zelfs het zwakste volk, dat voor zijn vrijheid vecht,
in staat is, wonderen van dapperheid te verrichten.
Drie maal nu, op Lang-Nek, op Schuinshoogte en op den Spitskop
(Amajuba) hebt gij met uw klein vuur een overmachtigen vijand
staande gehouden en verslagen. Geen kanonnen, geen verraderlijke
en afschuwelijke vuurpijlen hebben u afgeschrikt.
Uw Kommandant-Generaal schrijft, niet sprekende van zich zelf, (hij
is te edel, om zich zelf te roemen), neen, sprekende van officieren
en zeer jonge krijgslieden: "Mijne achting voor hen is groot; hun
naam behoeft in heldenmoed niet onder te doen voor een Wellington
of een Napoleon. Wij zeggen het Z.Ed.Gestrenge na, maar maken het
algemeen, van den Kommandant-Generaal tot elken Burger, die streed:
Wij danken u; gij hebt veel aan het vaderland verdiend!
Houdt vol tot het einde toe! Die God, Die het hart der koningen
leidt als waterbeken, zal ons verlossen -- vertrouwt op Hem!
_De Regeering der Zuid-Afrikaansche Republiek._
W. EDUARD BOK, S. J. P. KRUGER,
_Staats-Secretaris_. _Vice-President_"